U bent hier

Special eten deel 5: Ten minste houdbaar tot ...

 

Kunst mag dan wel gemaakt zijn voor de eeuwigheid, niet alle materialen lenen zich daartoe. Sinds enkele decennia zijn marmer, fotografie, potlood en olieverf op doek niet langer de enige gebruikte materialen, maar wenden kunstenaars zich tot plastic, afval en zelfs voedsel. Het is vooral die laatste categorie, de zogenaamde Eat Art, die ervoor zorgt dat conservatoren in Belgische musea voor hedendaagse kunst vaak met de handen in het haar zitten.

 

Etenswaren zijn organisch en hebben een beperkte houdbaarheid. De snelle ontbinding van het materiaal houdt in dat aan ongebruikelijke bewaar- en tentoonstellingsbehoeften voldaan moet worden. Die eisen worden niet noodzakelijk gesteld door de kunstenaar zelf – die net zo goed kan opteren voor een natuurlijk degradatieproces – maar worden veelal opgesteld vanuit de erfgoedbeherende instellingen die ervoor opteren een werk in de best mogelijke staat te bewaren.

 

De problematiek rond het conserveren wordt prangend nu verschillende Vlaamse musea dergelijke kunstwerken – onder andere van Marcel Broodthaers en Joseph Beuys - in hun depots hebben staan. Daarnaast zijn er verschillende kunstenaars uit binnen- en buitenland die materialen zoals pindakaas, chocolade en eieren gebruiken, zoals Wim Delvoye, Vik Mundiz, Jan Fabre en Peter De Cupere. Hoewel kunstwerken met eten beschreven worden als eat art, kan dit niet beschouwd worden als een kunststroming. Elke kunstenaar heeft een eigen visie op het materiaal en gebruikt het op een andere manier. Daarom vraagt elk kunstwerk om een specifieke behandeling die gericht is op het object zelf. Er bestaat met andere woorden geen standaardconservatie.

 

Om tot een conservatiebehandeling te komen bij hedendaagse kunst, kan in veel gevallen nog gevraagd worden naar de mening van de kunstenaar. In de praktijk blijkt vaak dat de kunstenaar geen duidelijke mening heeft over de bewaring. Ook kan het zijn dat de kunstenaar een kunstwerk met een intentie heeft gecreëerd, maar dat zijn ideeën over de jaren heen veranderd zijn. En wanneer de kunstenaar zijn wensen wel doorgeeft aan een museum kunnen die haaks staan tegenover hun beleidsplan. Geen gemakkelijke opgave dus, voor onze musea.

 

De belangrijkste vraag is of het materiaal iets bijdraagt aan de inhoudelijke betekenis van een werk. Men moet kijken naar de verschillende functies die de etenswaren kunnen hebben. Op basis hiervan kan Eat Art worden opgedeeld in twee categorieën: kunst die bedoeld is voor de ‘eeuwigheid’ en kunst die slechts voor een gelegenheid werd gemaakt en ‘tijdelijk’ is.

 

In de praktijk

 

In die laatste categorie valt bijvoorbeeld het werk dat Jan Fabre maakte voor Over the Edges, de tentoonstelling extra muros van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.) in Gent in 2000. Hierbij pakte Fabre de zuilen van de universiteitsaula in met gerookte ham. De ham was oorspronkelijk bedoeld om tijdens de drie maanden durende tentoonstelling te blijven hangen en daarna vernietigd te worden, maar het controversiële werk werd reeds na twee maanden van de pijlers verwijderd in opdracht van de dienst Volksgezondheid. Er werden veel foto’s van genomen, wat voor Fabre voldoende was als conservatiemethode.

 

Een gelijkaardig werk van tijdelijke aard van de hand van Wim Delvoye was in 2005 te zien op de tentoonstelling Mé-TISSAGES in het Museum over Industrie, Arbeid en Textiel (MIAT) in Gent. Delvoye bezorgde het museum enkele geborduurde sneetjes ham die nog in zijn diepvries lagen. Hij was zich ervan bewust dat deze na de tentoonstelling verrot zouden zijn, maar dit was voor de kunstenaar geen probleem. Het MIAT daarentegen, vreesde het rottingsproces – en vooral een erg onaangename geur – en koos ervoor om de hammen te exposeren in vitrines gevuld met stikstof en ze na de tentoonstelling verticaal te klasseren.

 

© Jan Fabre – Over the Edges, 2000

 

Kunstwerken die bewaard moeten worden voor toekomstige generaties en waarvan de ‘performance’-waarde minder groot is, kennen een complexere problematiek. Hier is vooral de wens van de kunstenaar van tel. Neem bijvoorbeeld Wirtschaftswerte van Joseph Beuys (1980), een topstuk van het S.M.A.K. Dit werk bestaat uit verschillende rekken waarop enerzijds levensmiddelen uit de voormalige Oost-Duitse DDR waren uitgestald en anderzijds dezelfde levensmiddelen uit de West-Duitse BRD. Het brood dat aanvankelijk op de rekken lag, heeft Beuys na enkele jaren zelf weggelaten. Daarna werden de vergane voedingsmiddelen, zoals bloem, suiker en erwten, systematisch vervangen door krijt, terwijl de originele verpakkingen werden bewaard. Voor de kunstenaar waren de levensmiddelen zelf dus minder belangrijk dan de manier waarop het werk er uitziet.

 

Joseph Beuys – Wirtschaftswerte, 1980 -  © Collectie S.M.A.K.

 

Maar er zijn ook kunstenaars die wél een concrete visie hebben op wat degradatie voor hun werk kan betekenen. De geurinstallatie Eggs van Peter De Cupere (1997) bestaat uit enkele met een kippenvel omwikkelde eieren in een metalen mandje. De Cupere is duidelijk over de manier waarop dit werk gerestaureerd moet worden: mochten één of meerdere eieren breken, dan moeten nieuwe eieren gevonden worden, die voldoen aan de door hem opgestelde criteria. Als niet de eieren, maar wel het kippenvel daarrond beschadigd zou raken, mag dit niet vervangen worden. Deze manier van restaureren draagt bij tot de symboliek van leven en dood. De eieren, een teken van leven, worden omwikkeld in het vel van een overleden soortgenoot. Door het verval van het vel wordt de symboliek versterkt, maar door het breken van een ei wordt die tenietgedaan.

 

Peter De Cupere – Eggs, 1997 - © Collectie S.M.A.K.

 

Restauratoren moeten tegenwoordig dus van alle markten thuis zijn. Idealiter kan de conservator in overleg met de kunstenaar een voorstel van behandeling uitwerken. Zo niet, wordt vertrokken uit de intrinsieke waarden van het werk en hoe de materiaalkeuze daartoe bijdraagt. Indien nodig kunnen materialen vervangen worden door producten van hetzelfde merk: reservemosselen van dezelfde soort als die in Broodthaers’ Grande Casserole liggen al klaar in het depot van het S.M.A.K. Die kleine ingrepen kunnen de levensduur van Eat Art hoogstens verlengen, maar het is goed te beseffen dat de kunstwerken nooit echt voor altijd bewaard kunnen worden. Bederf zal sowieso optreden, maar de snelheid ervan is afhankelijk van de bewaarsomstandigheden en tentoonstellingscondities.

 

Vijf dagen lang gaat de tento.beredactie op zoek naar voedsel in de kunst. Kunst maken met eten: allemaal goed en wel. Maar wat als de houdbaarheidsdatum overschreden is? Tento.be-redactrice Jolien vertelt je alles over conservatie en restauratie.

Artikelfoto: © Vik Muniz – Double Mona Lisa, 1999, Peanut Butter + Jelly

Meer lezen?

Special eten deel 1 - Maaltijden in de schilderkunst

Special eten deel 2 - Kunstig gevulde winkelrekken

Special eten deel 3 - Barokke fijne vleeswaren

Special eten deel 4 - Moderne fijne vleeswaren

Special eten deel 5 - Ten minste houdbaar tot ...