U bent hier

Liefde en Devotie - Het Gruuthusehandschrift

Omgeving Robert Campin, Altaarvoorhangsel of Antependium met de aankondiging, Zuidelijke Nederlanden (Doornik?) ca. 1400-1410, borduurwerk in zijde, wol, borduurwerk en tempera, op Noord-Italiaans zijden damast, 87 x 200 cm, Rijsel, Palais des Beaux-Arts.

 

Omstreeks 1400 werd in Brugge een aantal liederen, gebeden en gedichten samengebracht in een handschrift. Bijna 500 jaar bleef dit handschrift onder de radar, rustend in een privébibliotheek. Rond het midden van de negentiende eeuw werd het voor de eerste maal uitgegeven en groeide stilaan zijn faam. Enkele decennia later kreeg het zijn roepnaam: het Gruuthusehandschrift, omdat op de tweede folio van het handschrift het wapen van Lodewijk van Gruuthuse staat afgebeeld.

 

Het Gruuthusehandschrift is een belangrijke bron voor de Middelnederlandse letterkunde en de laatmiddeleeuwse stedelijke cultuur. De teksten die in het handschrift zijn opgenomen, gunnen ons een blik op verschillende aspecten van cultuur en mentaliteit van een bepaalde, bemiddelde klasse binnen de internationale handelsstad Brugge. 

 

De tentoonstelling Liefde en Devotie - Het Gruuthusehandschrift neemt het Gruuthusehandschrift en zijn inhoud als uitgangspunt en rode draad en belicht vandaaruit een aantal van deze aspecten: muziek, liefde, ‘const’ (kunst en kunde), gezelschap (ambachten, broederschappen, vriendengroepen) en devotie. De laat veertiende- en vroeg vijftiende-eeuwse voorwerpen die rond deze thema’s bij elkaar gebracht werden, materialiseren de teksten. Zij getuigen ervan hoe de gebruiken waarover in de teksten gesproken wordt ook écht leefden: het smachten van de hoofse minnaar wordt verbeeld op kistjes die als liefdesgeschenk werden gegeven; in wereldlijke sculptuur treft men musicerende lieden aan; gebruikssporen op gebedenboeken getuigen van de persoonlijke devotie. Bovenal blijkt dat deze verschillende aspecten nauw met elkaar verweven zijn en dat wat tegengesteld lijkt toch samengaat: de hoofse en de platvloerse teksten in het Gruuthusehandschrift, de liefde voor een vrouw en voor de Maagd Maria, een gebruiksvoorwerp dat uitermate kunstzinnig is uitgewerkt. Het Gruuthusehandschrift fungeert als het ware als gids bij een bezoek aan Brugge tijdens de late middeleeuwen. 

 

In dit OKV-nummer wordt regelmatig verwezen naar de teksten uit het Gruuthusehandschrift (aangeduid als GH I/II/III.x). Alle teksten zijn te raadplegen via de website van de KB, Nationale Bibliotheek van Nederland: www.kb.nl/bladerboeken/het-gruuthuse-handschrift/inhoudsopgave-van-het-h...

 


Inhoud

  • De waarde van het Gruuthusehandschrift
  • Een liedboek met bijzondere muzieknotatie
  • Liefde
  • Const, cracht, wille
  • Devotie voor Christus en Maria
  • Praktisch

 

De waarde van het Gruuthusehandschrift

 

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven. (GH II.98)

 

 

 

Het zou mooi zijn om een verband te leggen tussen het moment van communicatie over de aankoop van het Gruuthusehandschrift door de Koninklijke Bibliotheek (KB) Den Haag – Valentijnsdag 2007 – en de inhoud van het handschrift met zijn vele hoofse (en onhoofse) liefdesliederen. De echte reden was iets prozaïscher, maar feit is wel dat de verkoop van dit handschrift aan ‘het buitenland’ heel wat stof deed opwaaien. Het was meteen duidelijk waar Egidius in de toekomst zou vertoeven, om even in de lijn van de toenmalige krantenkoppen te blijven. 

 

Waarom al die commotie om een handschrift dat er eerder banaal uitziet? Tekst in twee kolommen in verschillende handschriften, een moeilijk te interpreteren muzieknotatie, geen miniaturen op een wat onhandig geschilderd wapenschildje na. Niet meteen het prachtig verluchte handschrift waar men aan denkt bij het horen van de woorden ‘kostbaar middeleeuws handschrift’. De waarde van het Gruuthusehandschrift ligt duidelijk elders. 

 

 

een rijke, unieke bron

 

Het Gruuthusehandschrift is een verzamelbundel waarin verschillende kopiisten teksten genoteerd hebben van uiteenlopende aard: gebeden, liederen en gedichten. Op zich is dit niet zo bijzonder. Het bijeen brengen van teksten uit verschillende bronnen was een standaardpraktijk in de middeleeuwen. Andere belangrijke bronnen voor de middeleeuwse, in het Nederlands geschreven literatuur zijn ook verzamelhandschriften. Het handschrift van Hulthem (ca. 1405-1408, Brussel KB 15.589-623) bevat naast de enige bewaarde afschriften van de abele spelen onder andere teksten van Van Maerlant, anonieme gedichten en liederen. Het Comburgse handschrift (1380-1425, Stuttgart, Würtembergische Landesbibliothek cod. poet. et philol. fol. 22) bevat naast de hele Van den vos Reynaerde (weerom onder andere) een vertaling van de Roman de la Rose en een geschiedenis van Vlaanderen op rijm. Het Gruuthusehandschrift neemt naast deze twee een belangrijke plaats in omdat het de oudste collectie wereldlijke liederen met muzieknotatie uit het Nederlandse taalgebied bevat. Als zodanig is het bewaard gebleven handschrift uniek.

 

Ook voor musicologen is het Gruuthusehandschrift een belangrijke bron én een kluif. Zij krijgen met het handschrift meteen een hele collectie van Middelnederlandse, wereldlijke, eenstemmige liederen voor zich. De meeste andere overgeleverde liederen vindt men verspreid terug. De (naar men mag veronderstellen) meest gebloemleesde tekst uit het handschrift, Egidius waer bestu bleven, is één van deze liederen. De muzieknotatie bij de liederen, niet uniek maar ook niet courant gebruikt in de middeleeuwen, roept echter veel vragen op: de notatie staat los van de tekst en bestaat enkel uit noten in de vorm van streepjes, zonder sleutels en met nauwelijks ritmische aanduidingen. Behalve de vraag ‘hoe deze muziek uitvoeren’, roept dit gegeven ook de vraag op ‘waarom de keuze voor deze notatie’ die eigenlijk alleen bruikbaar was voor degenen die de melodie al kenden. 

 

Ten slotte is het Gruuthusehandschrift ook een interessante historische bron. Door analyse van de teksten en archiefonderzoek is men ondertussen al heel wat te weten gekomen over de plaats, periode en kring van ontstaan en functioneren. Het Gruuthusehandschrift en zijn ‘gebruikers’ zijn te situeren in de internationale handelsstad Brugge rond 1400.

 

Het is dus niet zo verwonderlijk dat de verkoop van het handschrift heel wat commotie teweeg bracht. Tot 2007 bevond het zich in privébezit van de familie Van Caloen, die een kasteel had in Koolkerke bij Brugge. Slechts weinig onderzoekers kregen de kans het handschrift ‘in het echt’ te bestuderen. De eerste was Charles-Louis Carton, oprichter van het Doven- en Blindeninstituut Spermalie te Brugge. Na hem zouden de neerlandici Louis Scharpé en Willem de Vreese het in handen krijgen. Klaas Hanzen Heeroma echter, die met zijn uitgave van het handschrift in 1966 heel wat stof deed opwaaien, moest dan weer werken met de nota’s van Scharpé en de Vreese en foto’s van het handschrift.

 

De KB zette het handschrift na de aankoop quasi onmiddellijk on line. Iedereen die wil kan het via de KB-site doorbladeren. Onderzoekers hebben nu veel makkelijker toegang tot de bron zelf en het handschrift is beschikbaar voor onderzoek met de hedendaagse technologieën. Het Gruuthusehandschrift in woord en klank. Nieuwe inzichten, nieuwe vragen luidde de titel van een congresbundel uit 2010. Een mooie samenvatting van de situatie vandaag.

 


 

EGIDIUS GEÎDENTIFICEERD

 

Dat het lied Egidius waer bestu bleven (GH II.98) ons vandaag nog kan beroeren, heeft ongetwijfeld te maken met de thematiek ervan die de eeuwen overbrugt: het verdriet bij het plotse overlijden van een geliefde vriend. Recent archiefonderzoek brengt Egidius nog dichterbij: hij is geen fictieve figuur maar hoogst waarschijnlijk een man die in 1385 plots overleed. Zijn naam: Gillis Honin. Gillis (in het Latijn: Egidius) blijkt uit de archieven een rijk man te zijn geweest. Hij was hostelier, een belangrijk beroep in de internationale handelsstad Brugge. Hosteliers verleenden onderdak aan buitenlandse handelaars maar brachten deze ook in contact met kooplieden. Verder was hij kerkmeester van de Sint-Walburgakerk en was hij raadslid van de stad. In 1385 zou hij schepen worden maar hij stierf kort na zijn aanstelling. Hij liet daarbij vele schulden na.

 


 

liefde is …

 

In zijn huidige samenstelling opent het Gruuthusehandschrift met zeven gebeden. Deze richten zich tot God, Maria en Johannes de Doper. Dan volgt de kern van het handschrift, een deel met 147 liederen, vooral hoofse minneliederen waarin de verteller meestal een man is en zijn verlangen naar een volmaakte vrouw uitspreekt. Opvallend daarbij is het grote belang dat men hecht aan wederzijdse trouw en het nastreven van dezelfde deugden. Daarnaast bevat het Gruuthusehandschrift ook een aantal scabreuze liederen waarin de expliciete seksualiteit niet geschuwd wordt. Een broeder en zuster die van bil gaan in het hooi, een vrouw die op zoek is naar een naald die in haar kokertje past…: deze teksten laten weinig aan de verbeelding over. Verder vindt men in het liederengedeelte ook enkele Marialiederen, een pelgrimslied en het bekende Egidiuslied terug.

 

Het handschrift sluit af met achttien gedichten die onderling sterk variëren. De twee eerste gedichten zijn bijvoorbeeld lange allegorieën waarin verschillende thema’s verweven zitten: de liefde maar ook de kunstopvatting (GH III.1 en III.2). In een ander gedicht spreekt een kluizenaar de koning van het Brugse toernooigezelschap De Witte Beer toe en koppelt de letters van de stadsnaam ‘Brugge’ aan de stadspoorten en aan een aantal waarden en kwaliteiten. Daarnaast bevat dit deel ook minnegroeten, een nieuwjaarsgroet en teksten van religieuze aard.

 


 

ACROSTICHON

 

Een acrostichon is ‘een lettervers waarvan de eerste letters van de opeenvolgende regels of strofen een naam, woord of zinsnede vormen’, leert Van Dale ons. In de teksten van het Gruuthusehandschrift zit er een heel aantal verwerkt: ze onthullen de namen van twee auteurs, van pelgrims, maar bijvoorbeeld ook de namen van vrouwen aan wie liefdesliederen werden opge dragen. Op die manier wist Liegae(u)rt dat volgend lied voor haar was bestemd (GH II.28):

 

Lief alder liefst int hertze mijn,

Ic gheve u hertze ende zinne

Ende wille u eighin dienare zijn.

Geen ander ne mach mi inne.

Als ic u zie ic vruecht ghewinne,

Ets recht, du geifs mir lief ende leit.

Up minen heit:

Reinre wijf ic nie ne kinne.

Trouwe es in mi ende steidicheit.

 


 

plaats van ontstaan

 

Vandaag zijn onderzoekers het erover eens dat het Gruuthusehandschrift is ontstaan in Brugge rond 1400. Verschillende elementen hebben tot deze conclusie geleid. De teksten zijn geschreven in het Middelnederlands met Westvlaamse kleuring. In een aantal teksten zitten verwijzingen naar de stad Brugge (bijvoorbeeld de al genoemde stadspoorten) of naar personen en organisaties die er leefden en functioneerden. 

 

De teksten in het handschrift weerspiegelen ook de internationale handels - stad die Brugge in die periode was. Men vindt in de teksten vormen uit de Franse literatuur terug en woorden die Duits klinken. De auteurs die we kennen, kunnen in verband worden gebracht met de rijke bovenklasse die banden had met het handelsmilieu en het stadsbestuur. 

 

 

gezelschap en devotie

 

De liederen, gebeden en gedichten die in het Gruuthusehandschrift werden samengebracht, functioneerden vermoedelijk in een min of meer gesloten gezelschap van gelijkgezinden binnen de stedelijke gemeenschap van het Brugge omstreeks 1400. De gedichten werden gelezen en vooral voorgelezen, de liederen gezongen, al dan niet met instrumentale ondersteuning, de gebeden werden collectief of individueel en hardop of bijna stilzwijgend gezegd. Wat we ons precies bij zo’n gezelschap moeten voorstellen is niet echt bekend. Vermoedelijk ging het om een vriendenkring van goed opgeleide, behoorlijk geletterde lieden. Veel van de teksten zijn erudiet en behoorlijk complex van inhoud, en veel zijn heel doordacht van opzet, heel ‘kunstig’ gemaakt. Het dichtst komen we bij het gezelschap dat achter het Gruuthusehandschrift schuil gaat, in het gebed tot de miraculeuze Maria van Hulsterlo (GH I.4). 

 

In deze lofzang tot Maria wordt zij op verschillende manieren aangeroepen, onder meer als troosteres van de zondaren, als ‘fonteinne, vul van ghenaden’, als hemelse koningin of in de beginregel als licht voor de duisternis der zonden, ‘licht in der zonden deimsterheit’. In de allerlaatste regels zegt de dichter van het gebed dat de namen van de Brugse ‘peilgreinen’, de Brugse pelgrims, verborgen zijn in de aanvangsletters van alle regels. En inderdaad wanneer we de beginletters van boven naar beneden lezen, komen de acrostichons tevoorschijn: LIEVIN, SOETE, CATELINE, GHE - RAERT, IANNIJN, TRUDE, RUEBIN, ADRIAEN, VVILLEM, MAKE - LARE, IANIANIAN, HULST. Drie vrouwen en vermoedelijk tien mannen die gezamenlijk naar de Maria van Hulst trokken, of gaat het om elf mannen en waren er dus naast Jan van Hulst nog drie heren met de voornaam Jan? Hoe dan ook, hier staat in dit gebed een groep gelovigen vermeld op een min of meer verborgen manier. Ze herkenden elkaar uiteraard in de acrostichons en tegelijk werd zo voor hen een speciale bescherming door Maria en specifiek door de Maria van Hulsterlo bepleit. In dit gezelschap zullen de Gruuthuseteksten hebben gecirculeerd. En dat betrof niet alleen religieuze teksten, gebeden en gedichten, met veel aandacht voor de Passie van Christus en boven alles Mariadevotie, maar ook gaat het over vriendschap, stedelijke samenleving, vrolijkheid met zang en drank, en aardse liefde zowel op uitgesproken hoofs en elegant als op boertig niveau. 

 

Met een dergelijk repertoire komen we terecht bij een algemener georiënteerd gezelschap, een gilde of broederschap zoals die vanaf het tweede kwart van de vijftiende eeuw zouden uitgroeien tot rederijkerskamers. Al in 1428 werd in Brugge de broederschap en rederijkerskamer van de Heilige Geest opgericht, waarschijnlijk op initiatief van de Gruuthusedichter Jan van Hulst. De grootmoeder van Lodewijk van Gruuthuse, in wiens bibliotheek het Gruuthusehandschrift zich in de latere vijftiende eeuw bevond, was aanwezig bij de oprichting van die eerste Brugse rederijkerskamer die bovendien de beschikking kreeg over een door haar gestichte kapel. Wellicht geeft deze relatie dan ook de verklaring voor de aanwezigheid van het eenvoudige verzamelhandschrift met muzieknotatie in de vooral uit luxe handschriften opgebouwde librije van Lodewijk van Gruuthuse. 

 

Gilden en broederschappen speelden een grote rol in het laatmiddeleeuwse Brugge. Bruggelingen van enige welstand, uit de middenstand en hogere klassen, waren aangesloten bij een of meer gilden en broederschappen. Die godsdienstige verenigingen, zoals ze dan nog gekarakteriseerd moeten worden, hadden alle hun eigen bijeenkomsten in kapellen in kerken en kloosters. Het gezelschapsverband was belangrijk in het sociale leven: men ontmoette elkaar in een dergelijk verband en men voelde zich daar verbonden met elkaar. De gilden speelden dan ook een rol als sociale voorziening: leden steunden elkaar in geval van ziekte en nood, en ze hielden de herinnering aan overleden leden levend. Hun gebed droeg er aan bij dat overleden leden de weg naar de hemel zouden gaan. 

 

Zo vormden gilden en broederschappen de kern van het devote leven, maar ook van de stedelijke samenleving in ruimere zin. De sociaal-culturele draagwijdte van deze vroegstedelijke verenigingen reikte beduidend verder dan kerk, kapel en broederschapshuis. De 172 langere en kortere liederen, gebeden en gedichten uit het Gruuthusehandschrift moeten zijn ontstaan binnen de context van zo’n gilde of broederschap en daar hebben gefunctioneerd. 

 

 

jan van hulst en jan moritoen, twee bruggelingen

 

In het Gruuthusehandschrift komen twee auteurs via acrostichons tevoorschijn. De slotstrofe van het vijfde gebed geeft in de beginletters, van boven naar beneden gelezen, de naam JAN VAN HULST (GH I.5, 287-297). Deze zelfde naam duikt op dezelfde wijze op in een strofe in het midden van het gedicht Een goed exempel (GH III.11, 89-99). De naam JAN MORITOEN zit op deze manier verscholen in de laatste strofe van de lange en gekunstelde droom-allegorie O overvloiende fonteine (GH III.13, 651-661). Beide mannen zijn met vrij grote zekerheid teruggevonden in de Brugse archieven. Waarschijnlijk is Moritoen ook een van de drie Jannen die verborgen zijn in het pelgrimslied ter ere van de Maria van Hulsterlo, Licht in der zonden deimsterheid, dat eindigt met de acrostichons JANJANJAN en de plaatsnaam HULST (GH I.4, 74-87).

 

Jan Moritoen was waarschijnlijk van Schotse afkomst en van beroep bont- of grauwwerker, evenals zijn vader. Onder grauwwerk wordt een specifiek soort bontwerk verstaan: wit en grijs pelswerk, uit het noorden geïmporteerd bont afkomstig van de Russische eekhoorn. Jan komt met ‘sijn wijf’ voor in het in 1410 aangelegde register van het Gilde van Onze-Lieve-Vrouw van Hulsterlo, de religieuze broederschap van de Brugse bontwerkers. Wellicht is hij ook de auteur van dit pelgrimslied. Hij overleed (omstreeks) 1418 want in dat jaar wordt de redelijk gefortuneerde ‘joncvrauwe Kateline’ in een akte genoemd als weduwe van Jan Moritoen. Zij bewoonden een groot huis in de Gouden Handstraat op de Sint-Gillisparochie, waar Jan nog verschillende huizen en renten bezat. Hij was een succesvol ambachtsman en werd in 1408 deken van zijn ambacht. In 1405 was Moritoen als deelman, een soort vrederechter, actief in het bestuur van het Sint-Nicolaaszestendeel (administratieve sectie van de stad) en in 1405 en 1409 was hij als dismeester in de Sint-Gillisparochie verantwoordelijk voor de officiële armenzorg. Van 1413 tot 1417 maakte hij deel uit van het stadsbestuur als raadslid en als schepen. Moritoen, die mogelijk zelf ook de aspirant-minnaar is in het gedicht GH III.13, was geen teruggetrokken dichter maar een geslaagd ambachtsman van zekere welstand, die midden in het maatschappelijk leven van zijn ambacht, parochie en stad stond.

 

Jan van Hulst is als dichter waarschijnlijk ook nog uit een andere bron bekend. In het zogeheten ‘Geraardsbergse handschrift’ (verzamelhandschrift, ca. 1460-1470), staat een afschrift van een gedicht over vriendschap dat volgens een opschrift door ‘eenen eerweerdeghen joncheere, gheheeten Jan van Hulst’ werd verstuurd aan een priester in Geraardsbergen, Percheval van den Noquerstocque. Deze was als zanger verbonden aan de pauselijke kapel van paus Martinus V en was eerder werkzaam in Brugge. Noquerstocque overleed in 1418 aan de gevolgen van de pest in Konstanz. Jan van Hulst was gehuwd met Liegaert de Busschere en leefde vermoedelijk tot omstreeks 1433. De vrouw van Jan van Hulst was zeer bemiddeld en verwant aan een belangrijke makelaars- en bankiersfamilie.

 

Van Hulst beschikte ook zelf over een ruim vermogen. Hij had zijn geld onder andere belegd in een rente op de stad zoals blijkt uit een door hem persoonlijk geschreven en gezegelde kwitantie van 18 oktober 1394 betreffende een aanzienlijke rente waar hij tweemaal per jaar recht op had. Jan van Hulst voerde een zegel met eigen wapenschild en de vermelding van zijn naam. Hij was vanaf 1379 in dienst van de stad Brugge, eerst als ‘stedegarsoen’ (knecht en bode) van het stadsbestuur en veel later, van 1401 tot 1404, als ‘sergant’ (deurwaarder) van de schepenkamer. In 1394 amuseerde Jan van Hulst met zijn gezelschap de hertog van Bourgondië en diens vrouw bij bezoeken aan de stad Brugge onder meer door op stadskosten een parodie van een steekspel op te voeren.

 

Een jaar later was datzelfde gezelschap verantwoordelijk voor een tafereel met de twaalf apostelen en de vier evangelisten in de HeiligBloedprocessie. Jan van Hulst was geen lid van de elitaire gilde van de Droge Boom, want in 1410 luisterde hij daar met zijn gezellen een mis op tegen betaling. Tegenwoordig wordt echter wel verondersteld dat het Gruuthusehandschrift voortkomt uit de kringen rond deze Mariabroederschap. Mogelijk was Jan van Hulst wel lid van de Fratres ad Succurrendum, de lekenbroederschap van Lubertus Hautscilt, abt van de Brugse Eekhoutabdij. In het laatste onvoltooid gebleven gedicht van het Gruuthusehandschrift noemt Jan van Hulst zich al te bescheiden de ‘arem rudaris Jan’, arme en tekortschietende Jan, die verzucht ‘so willic … eenen wech scriven, zo ic best can’ (GH III.16, 5): de bescheidenheid van een gefortuneerd Bruggeling en begenadigd dichter, die zich zo bewust was van zijn eigen kunnen dat hij zich nederig kon en wilde opstellen.

 


 

Een liedboek met bijzondere muzieknotatie

 

Bi den here so was Muzike

in hemelrike,

eer hi Adame tlijf in blies. (GH II.101)

 

 

Het begrip ‘muziek’, zoals wij het vandaag begrijpen, verschilt grondig van het middeleeuwse begrip musica of musike in het Middelnederlands. Dat heeft veel te maken met de geschriften van Boëthius, die rond 500 na Christus in Italië leeft. Hij vertaalt niet alleen werk van Plato en Aristoteles. Hij ontwikkelt ook een belangrijke muziektheorie, De Institutione Musica, die als een standaard wordt gebruikt in het artes-onderwijs. Voor Boëthius zijn er drie soorten musica. Het heeft bijzonder weinig met klanken, zang en begeleiding te maken. Musica mundana is de schoonheid van de natuur, waar de mens in al zijn beperkingen weinig oog voor heeft. Musica humana is de ordening van het menselijke lichaam en de menselijke ziel. Musica instrumentalis tenslotte, heeft met klank, harmonie en dissonanten te maken. Dat sluit het dichtste aan bij wat wij vandaag ‘muziek’ noemen.

 

 

stem en klank

 

De auteurs van de Gruuthuseliederen en -gedichten waren zeker vertrouwd met deze indeling van Boëthius. Een van de liederen, Musike die in der naturen (GH II.101), beschrijft trouwens de perfecte harmonie die Adam en Eva mochten ervaren in het aardse paradijs. Een fractie van die paradijselijke harmonie kan de mens wel ervaren in de hoorbare klanken, en dat uitsluitend door het geluid van de menselijke zangstem, de vox of zoals we in het Egidiuslied kunnen lezen, zijn voyce. De klank van een muziekinstrument daarentegen, daarin zit misschien wel meesterschap, maar het blijft een voorwerp dat moet worden aangestuurd. Een instrument heeft dus geen vox maar een sonus, een klank. De opdeling van geluiden en klanken gaat verder met een intrinsiek waarden - oordeel erover. Zo sluit vocale muziek zonder enige vorm van begeleiding het dichtst aan bij de goddelijke klanken, dus is deze muziek het meest moreel en esthetisch te verdedigen. De composities voor kerkelijke gelegenheden, de gregoriaanse muziek prijkt bovenaan de waarderingsladder. 

 

Een verrassende tweede plaats gaat volgens dezelfde redenering naar de poëzie en de zang die we in het Gruuthusehandschrift terugvinden. Het schrijven en opvoeren van deze gedichten wordt gezien als een bijzonder vrome oefening, die met uiterste verantwoordelijkheid moet worden ondernomen. 

 

Op die manier bekeken, krijgen enkele Gruuthuseliederen een erg moraliserende ondertoon (het Kerelslied bijvoorbeeld) die de lezer en toehoorder in de juiste richting moet aanmoedigen. Voor de schrijvers van het manuscript is alvast duidelijk dat de Liefde (zowel in de amoureuze als in de liefdadige zin van het woord) een waardig streven is. 

 

 

gedichten en zang vs. het geluid van een instrument

 

Middeleeuwers, toch zij die een goede opvoeding hebben genoten, verafschuwen instrumenten en hun speellieden. Dat is wellicht een al te krasse uitspraak, aangezien overal in Europa rondtrekkende groepen troubadours en kunstenmakers welkome gasten zijn in steden en aan adellijke hoven. Maar er is toch een groot contrast tussen de immense volumes aan kerkelijke muziek, een- of meerstemmige gezangen, die in vele bibliotheken worden bewaard en de bijna totale afwezigheid van partituren voor instrumentale muziek rond 1400. We kunnen nochtans aannemen dat er heel wat muziekinstrumenten in Brugge bespeeld worden. Er zijn voldoende afbeeldingen op schilderijen en beeldhouwwerken te vinden. In kroegen, maar ook bij bijzondere plechtigheden van het hof wordt muziek gemaakt. Heel vaak wordt een verband gelegd met instrumentale muziek die de ziel beroert, maar diezelfde ziel ook erg kwetsbaar maakt voor verleidingen en losbandigheid. Muziekinstrumenten krijgen zo een kwalijke seksuele bijbetekenis. Zo vinden we in een Gruuthusetekst II.121 De vedele es van so zoeter aert een wel erg dubbelzinnige tekst over een vrouw die vergeleken wordt met een soort vedel en een man die er op los bongt met zijn stok. Of liedtekst GH II.71 Lijskin wat helpt uele ghestreiden, dat een dialoog is tussen een oude impotente grijsaard en een jong meisje dat Lijsken heet. 

 

Sommige kleine loodtinnen erotisch getinte insignes, die verspreid in WestEuropa worden teruggevonden, tonen ook muziekinstrumenten. Er zijn bijvoorbeeld insignes van een vrouw die een penis bespeelt als was het een vedel. Maar soms zijn die insignes op het eerste gezicht neutraal: een doedelzak of een vedel, tot deze dubbele betekenis bekend is.

 

 

muziek in streepjes of blokjes

 

Het is ondertussen duidelijk dat het Gruuthusehandschrift een verzameling is van liederen, gebeden en teksten. Liederen zijn er het meeste, en zelfs in enkele teksten worden tussendoor liederen genoteerd, omdat die inhoudelijk noodzakelijk zijn. 

 

Vandaag is het vreemd om die geschreven teksten als liederen te zien. Er staat summier en lastig notenschrift bij. En als er al een lijntje melodie is genoteerd, dan staat dat ene lijntje boven de liedjestekst. Met de notenleer van vandaag kom je er niet. Ook niet met kennis van de gregoriaanse muzieknotatie. Er is geen enkel eenduidig verband tussen de geschreven liedteksten en de notatie erboven. Hooguit kan je er een toonhoogte uit afleiden, maar hoe de tekst en de melodie samen moeten lopen, en het ritme van het lied, daar is op het eerste gezicht geen touw aan vast te knopen. De twee meest gebruikelijke manieren om melodieën te noteren, de neumen notatie en de mensurale notatie, zijn in het kosmopolitische Brugge van 1400 nochtans courant in gebruik voor kerkelijke en wereldse polyfonie. 

 

De wetenschappers gaan er van uit dat de melodielijnen van de liederen voor de tijdgenoten van Egidius zo overduidelijk waren, dat de schetsmatige notatie met streepjes meer dan voldoende was voor een goede uitvoering. Het is ook mogelijk dat de schrijvers de eenvoudige streepjesnotatie passend vonden bij de Middelnederlandse teksten. Zoals het past bij Latijnse gebeden om de mensurale (gregoriaanse) notatie te gebruiken. Het blijft een boeiend gegeven. Bovendien zorgt het voor heel wat denkwerk en ruimte voor interpretatie voor de uitvoerders van vandaag. 

 

Muziekinstrumenten uit 1400 zijn zeldzaam. De meeste instrumenten, harpen, hakkeborden, vedels, luiten, doedelzakken,... gaan stuk en worden weggegooid. Metalen instrumenten als trompetten worden omgesmolten. Bij opgravingen komen houten voorwerpen zelden heelhuids naar boven. Niet ongeschonden, maar wel bijna volledig is de Brugse eenhandsfluit, die teruggevonden werd bij een opgraving aan de Garenmarkt. Vaak werd zo’n fluit gecombineerd met een trom. Mondharpjes in metaal worden ook vaak gevonden. Ze lijken sterk op de mondharpjes die Amerikaanse cowboys gebruiken om hun kampvuuravond op te vrolijken. 

 

Muziekinstrumenten zijn wel beschreven in teksten en worden nogal eens afgebeeld in beeldhouwwerk, op schilderijen en in boekverluchtingen. 

 

Daarbij valt het op dat veel muzikanten engelen zijn. Vreemd als je de theorie over de onzedige instrumenten hierboven in gedachten hebt. Toch is er een goede verklaring voor: als je je de klank van een instrument voorstelt, terwijl je naar de musicerende engelen kijkt, kom je toch een stap dichter bij die paradijselijke harmonie en de musica. En door engelen bespeeld, klinken alle combinaties van muziekinstrumenten welluidend! 

 

 

engelen en andere heilige muzikanten

 

Engelen kunnen dus best muzikanten zijn. Op een ivoren veelluikje uit het Brugse SintJanshospitaal wordt de Madonna met Kind omringd door zes muziek spelende engelen. De ene tokkelt op een harp, de andere beroert een vedel, nog een andere een luit. Twee engelen blazen alsof hun leven op het spel staat: de ene op een doedelzak, de andere op een trompet. Ten - slotte speelt er eentje op een portatieforgel. De figuurtjes zijn aandoenlijk in hun activiteit. Ze omringen de moeder en haar kind met een beetje (ho - pelijk) rustige muzikale verstrooiing. Ze maken het tafereel luchtiger en meer toegankelijk voor een toeschouwer. En wie weet kan die zich die hemelse klanken wel inbeelden, waardoor hij of zij zelf eventjes meegeniet van de paradijselijke harmonie? 

 

Als patrones van de muzikanten is de Heilige Cecilia terug te vinden op het kleine Ursulaschrijn dat ook in het SintJanshospitaal wordt bewaard. Het is het oude schrijn, waar Hans Memling in 1489 een nieuwe versie voor ont - werpt. Hij schildert trouwens ook musicerende engelen op de dakkappen. De Heilige Cecilia is een martelares, dus het is niet gek dat ze een palmtak in de hand draagt. In haar andere hand heeft Cecilia een portatiefje, let - terlijk: een draagbaar orgeltje. Het is een moeilijk te ontcijferen instrument op het geschilderde schrijntje. Meestal is zo’n portatieforgel vastgemaakt met een gordel om het middel. Met een hand worden de toetsen bespeeld, met de andere arm pompt de speler rechtstreeks lucht in de pijpen via een blaasbalg. Coördinatie en behendigheid van handen en armen zijn voor dit instrument zeker noodzakelijk. 

 


 

Liefde

 

 

Sonne no manen nie bescein

reinre dinc up erderijc

dan een wijf in dueghden rein. (GH II.9)

 

 

 

De verzamelde teksten, liederen en gedichten uit het Gruuthusehandschrift gaan vaak over de liefde. Het thema van de onbereikbare en ideale geliefde is omstreeks 1400 al enkele eeuwen het onderwerp van rondtrekkende minnezangers en troubadours. Waarschijnlijk ontstaan in het Franse Zuiden wordt het hoofse liefdesspel het meest populaire thema om de adel te inspireren.

 

 

hoofs en hoffelijk

 

De hoofse liefde is een soort ideale omstandigheid waarbij de minnaar en de jonkvrouw elkaar steelse blikken toewerpen, geschenken uitwisselen en zich verliezen in een blik of een toevallige aanraking. De aanbidder blijft aanbidden, de jonkvrouw blijft aanmoedigen, want in principe wordt deze liefde niet fysiek. Het was wel de manier om mannen aan te zetten om haast onbereikbare doelen na te streven: onoverwinnelijk geachte vijanden, draken en monsters te verslaan, geschaakte jonkvrouwen te bevrijden en zich bovendien in alle omstandigheden attent en hoffelijk te gedragen in het gezelschap van een dame. 

 

Die duidelijke etiquette en ommekeer in de omgangsvormen aan het adellijke hof vinden wellicht hun oorzaak in een langdurige periode van vrede. Daardoor hebben ridders meer contact met de dames in de burchten en paleizen en is de nood aan nieuwe spelregels groot. De romantische liefde, het verliefd worden en het verteerd worden door de onbereikbare liefde wordt dus een thema. De onbereikbare ‘vrouwe’ is vaak de kasteelvrouw, de koningin of de echtgenote van de leenheer. Denk maar aan de verhalen over Lancelot, ridder van de Ronde Tafel, die verliefd wordt op Guinevere, echtgenote van Koning Arthur. Of de legende van Tristan en Isolde, waarbij de liefdesdrank het vergoelijkende excuus vormt waarom het koppel te ver gaat: ze konden niet anders, er was ‘magie’ in het spel… Er ontstaat een hele stroom van hoofse literatuur, met vertalingen, bewerkingen en vervolgverhalen die over geheel Europa verspreid geraken.

 

Samen met de verhalen, komen de opvoeringen van die verhalen. Rondtrekkende dichters en zangers worden uitgenodigd aan adellijke hoven om hun nieuwste pennenvruchten op te voeren. Guillaume de Machaut, die als geletterde clericus hoveling is van Jan van Luxemburg, koning van Bohemen, Moldavië en Silezië, is een belangrijk componist en dichter in Noord-Frankrijk. Door zijn diplomatische missies samen met zijn broodheer, komt hij in aanraking met de gangbare literaire tradities, wat hem inspireert om zelf muziek en vers te dichten. Zijn werken worden uitzonderlijk populair in de veertiende eeuw. Ballades en rondelen van zijn hand worden aan alle hoven van Noord-Europa opgevoerd. Machauts lais, gedichten met een bepaald rijmschema en metrum, zijn een ver doorgedreven variante van de twaalfdeeeuwse lai. De dichtkunst en de muziekcompositie leunen dicht bij elkaar aan in die periode. Ze zijn vaak beide van de hand van één man of vrouw. Als Eustache Deschamps, een leerling van Machaut, op uitnodiging van Lodewijk van Male in Brugge het Livre du voir Dit komt opvoeren, steekt hij de lof voor zijn meester af en benadrukt dat deze nog niet is vergeten, wel in tegendeel. 

 

 

boertig en platvloers ?

 

Liefde wordt dus in vele toonaarden bezongen. De hoofse liefde is eigen aan de hoge adellijke gezelschappen. Ook de devote adoratie voor de Heilige Maagd Maria heeft veel weg van dat hoofse verheerlijken. Boeren en buitenlui daarentegen, die weten hoegenaamd niet wat ‘liefde’ eigenlijk is. Lust, jazeker, daar zijn ze uitermate in bedreven. Maar daar is geen hoofsheid of verfijning mee gemoeid. Het onderscheid tussen de hoge en lage klasse zit hem dus in de omgang met het concept liefde. Romantische en platonische liefde, het hoofse ideaal staat daarbij recht tegenover het vleselijke genot. In het Gruuthusehandschrift, dat is samengesteld met teksten van verschillende auteurs die goed thuis zijn in het hoofse concept, zijn zowel hoge romantische liefdesidealen te vinden, als grappige en snerende teksten. De burgerlijke elite waartoe de Gruuthuseauteurs behoren is sterk doordrongen van een standenbewustzijn. ‘Zij’, die kinkels en kerels die helemaal geen manieren hebben, laat staan verfijnde omgang met het andere geslacht nastreven, die worden beschreven en gehekeld. ‘Wij’, dat zijn de geslaagde burgers, leden van het stedelijke bestuur, internationaal gerenommeerde handelaars, leden van broederschappen en gezelschappen als De Witte Beer en Onze-Lieve-Vrouw van Hulsterlo en zelfs van het sterk adellijke Fratres ad Succurendum

 

Eustache Deschamps schrijft al over ‘les Carles’ – die ‘sjarels’ of kerels – de oproerkraaiers die het rond 1380 hebben aangedurfd om de heersende elite in vraag te stellen, aan te vallen en zelfs een revolutie te ontketenen. In het Gruuthusehandschrift lezen we onder meer in Het Kerelslied (II.85) hoe schabouwelijk die jongens wel zijn: gulzig en slecht gekleed, volstrekt ongemanierd en vooral seksueel ongeremd. Het lied dat er net na opgeschreven wordt, gaat over een non, Lute, en een pater, Lollaert, die ’s nachts in een schuur betrapt worden (Ic sach een scuerduere open staan, GH II.86). Ook daar druipt de afkeer er van af en wordt de gebeurtenis geridiculiseerd door het refreintje Peinst om mi zuster lute - Gherne broeder lollaert. De moraal van de auteurs van het Gruuthusehandschrift leunt duidelijk meer aan bij de adellijke, hoofse benadering van de liefde. 

 

Het bedrijven van de liefde en de menselijke organen die daarbij een rol spelen komen nochtans regelmatig voor in de visuele cultuur van de tijd. Nonnen en paters of priesters die het niet zo nauw nemen met de kuisheidsgelofte staan soms afgebeeld in marges van handschriften. En op zich is de welhaast magische kracht van de Fallus en de Vulva van alle tijden. In de volkscultuur is het dragen van een insigne met een penis of een vagina met vleugeltjes ook niet ongebruikelijk of ongepast. Vruchtbaarheid en potentie zijn belangrijke eigenschappen voor het behoud van de menselijke soort. Daar is men bepaald niet dubbelzinnig over. Als die eigenschap kan worden opgedreven door een erotisch getinte pin op te spelden, dan was dat zeker niet verkeerd. Dergelijke tinnen en loden insignes worden veelvuldig archeologisch opgegraven, al is het materiaal soms nog moeilijk te ontcijferen door schade van het langdurige verblijf in de bodem.  

 

 

wildemannen

 

Het 246 regels lange allegorische gedicht De zeven poorten van Brugge in het Gruuthusehandschrift (GH III.14) is opgedragen aan de ‘coninc van den Witten Bere’. Het moet zijn voorgedragen voor de Orde van de Witte Beer, een toernooigezelschap dat sinds het einde van de veertiende eeuw actief was in Brugge en dat in 1393 een groot toernooi organiseerde op de Brugse Grote Markt. In deze tekst figureren ‘twee wilde lieden’, twee wildemannen. Over ‘dese twee manne sauvage’ wordt verteld dat ze in de bossen opgroeiden en dat ze vroeger ‘sod’ waren maar door een goede scholing beschaafd en gelovig werden. (GH III.14, 129-141) Maar zo lang die beschaving niet was gerealiseerd, was de wildeman berucht om zijn gewelddadigheid en ongebreidelde seksualiteit. Een in Brugge gevonden loodtinnen speldje toont zo’n wildeman met knots en een toernooischild waarop ‘amour’, liefde, staat geschreven. Hoe men zich wildemannen als deze voorstelde is prachtig in beeld gebracht op een vermoedelijk Keuls minnekistje. Het kistje toont een hoofse geschiedenis van twee geliefden en twee nagenoeg volledig behaarde wildemannen. Op de rugzijde staat vermoedelijk het begin van het verhaal: vanuit een kasteelpoort achtervolgen twee ruiters twee wildemannen te paard waarvan de voorste de jonge vrouw ontvoert. Op de ene zijkant krijgt de jonge vrouw een ring aangeboden van de jongeling, terwijl zij wordt vastgehouden door een wildeman; op de andere kant is weergegeven hoe de jonge vrouw en een wildeman samen schaak spelen en een andere wildeman dreigend een knuppel ophoudt. De voorstelling op het kofferdeksel is wat beschadigd maar nog duidelijk leesbaar: een jongeman en een jonge vrouw houden elk een lange banderol vast binnen een vierpas. Hieromheen is in rankwerk een hertenjacht afgebeeld met twee ruiters, honden, een achtervolgd hert en een hert dat door een staande man wordt doorstoken met een lans. De voorzijde, waar het slot ontbreekt, toont in het midden een zwijnskop, een wildeman te paard met een banderol, een hertenjager en een zittende wildeman.

 

 

gruuthuseteksten en de liefde

 

De liederen in het Gruuthusehandschrift geven, volgens beproefd internationaal recept, uitdrukking aan alle gemoedstoestanden die een minnaar kan ondergaan tijdens de periode van hofmakerij en verkering: de adoratie, liefdesmijmering, het verlangen, de hoop, het smeken om wederliefde, de belofte van exclusieve toewijding, de pijn van een tijdelijk afscheid, het geloof in de voorbestemming van de verbintenis, de zielsverwantschap, het vragen om respect en de uitdrukkelijke verzekering van trouw, eerbare bedoelingen, geduld, volharding en standvastigheid. Toch zijn er accentverschuivingen te vinden naargelang het handschrift vordert. Het lijkt alsof de teksten elkaar inhoudelijk gaan opvolgen, bekrachtigen maar ook ontkrachten. Steeds vaker blijkt de vrouw zich onvermurwbaar te tonen, terwijl de dichter zichzelf almaar stelliger voorhoudt dat hij de hoop niet mag opgeven. In dit gedeelte rijst het beeld op van de ongenaakbare geliefde, die door de dichter soms van een afstand wordt bespied, en die alle liefdesbetuigingen onbeantwoord laat. In deze liederen wordt ook de vrees verwoord uiteindelijk toch afgewezen of zelfs vergeten te worden, een vrees die samengaat met een ontluikend besef dat alle moeite vergeefs is geweest. In een gevecht met de wanhoop wordt de liefde steeds meer ervaren als een pijnlijke last.

 

 

geven en krijgen: geschenken om een hart te veroveren

 

Andreas Capellanus’ De Amore (ca. 1190) geeft een uitgebreide opsomming van wat een vrouw mag accepteren van haar ‘amant’. Onder meer juwelen zijn toegestaan: gouden en zilveren tiara’s, een broche, een ring of een hangertje. Een doosje om de juwelen in te bewaren is evenzeer geaccepteerd. Andere nuttige gebruiksvoorwerpen zoals een servet, handschoenen of mouwen, een spiegel, een kam, een riem of een tasje, een kommetje of een schaal worden gezien als perfecte geschenken. Drouart la Vache herwerkt in Li Livre d’amours (1290) de tekst en breidt die ook uit. Voor beide auteurs is het wel duidelijk dat voornamelijk de man geschenken geeft en de jonkvrouw die ontvangt. 

 

 

verborgen boodschappen

 

Wat even duidelijk is, is de aansporing om die liefde en aanbidding zo geheim mogelijk te houden. Het is immers algemeen geweten dat een veruitwendigde relatie alle kans op mislukken heeft. Gevolg daarvan is dat bij ringen, broches en insignes de belangrijkste boodschap vaak aan de binnenzijde of de achterzijde te vinden is. Het ‘wederpaer’ weet wat er staat en wat het betekent, maar de buitenwereld, die hoeft daar verder niets over te weten. 

 

De kostbare juwelen in zilver en goud dragen vaak een zinsnede in het Frans, de gangbare taal van de hoofse liefde die in geheel Europa begrepen werd. Het lijkt aannemelijk dat de edelsmeden een referentiewerk ter beschikking hadden waaruit ze de opdrachtgever een treffende zinsnede konden laten kiezen. Ook juwelenkistjes willen wel eens een inspirerende tekst dragen. Toch is het niet zo evident om het logische verband te zien bij alle inscripties. Ongetwijfeld is heel wat van het literaire materiaal uit de periode verdwenen, waardoor citaten moeilijker te interpreteren vallen. De bien en mieulx lijkt nog eenvoudig, net als je suys vostre sans departir, het karamellenverzenidee is niet ver weg.

 

Een ring in de tentoonstelling over het Gruuthusehandschrift draagt de tekst en amer a douce vie. Op zich niet zo begrijpelijk, tot die zinsnede geïdentificeerd wordt met de eerste regel van een lied van Guillaume de Machaut, uit het lange liefdesgedicht Remède de fortune. Daarin zingt dame Esperance haar minnaar moed en volharding toe en geeft ze hem een ring. Pas aan het einde van het verhaal geeft de minnaar de ring terug. Dat een dergelijke fictieve roman-ring een concreet voorwerp wordt, zegt veel over de kracht van de literaire bron. In het Engelse taalgebied worden dergelijke ringen daarom ook vaak posy rings genoemd, poëzie-ringen.

 

 

verstrengelde handen – mani in fede

 

Opvallend veel ringen uit de late middeleeuwen hebben twee ineengestrengelde handen als versiering. De vorm van deze ringen gaat terug naar de Romeinse contractring met de Dextrarum Junxtio, waarbij twee rechterhanden een akkoord bekrachtigen. De ring dragen betekent het contract nakomen. Daarom werd de ring populair als verlovingsring en zelfs als trouwring. 

 

Er zijn al voorbeelden van ringen met verstrengelde handjes vanaf het begin van onze tijdrekening. Met de Romeinse verovering van West-Europa verspreidt de ring zich door het gehele rijk. De Romeinse gebruiken die ermee gepaard gaan, worden overgenomen en uitgebreid. Zo blijkt de derde vinger, de ringvinger, voor huwelijksringen en verlovingsringen van belang, aangezien daar de ‘vena amoris’ zou lopen, de ader recht naar het hart.

 

Wat opvalt bij de archeologische vondsten is dat er naast goud ook minder kostbare metalen als brons, koper en tin gebruikt zijn. Er is zelfs een bronzen broche met verschillende paren handen en mensenhoofdjes. Het toont aan dat ook de minder rijke burgers de symboliek van de twee handen in elkaar begrijpen en waarderen. Ook in de kringen waarin het Gruuthusehandschrift functioneerde, was het beeld van de verstrengelde handen bekend als teken van hechte liefde. In het liefdeslied So wie bi lieve in rusten leit (GH II.72) eindigen twee van de vier strofen met het beeld van de twee geliefden ‘met handen vast ghewronghen’, innig vestrengeld, vlak voor ze weer uiteen moeten gaan.

 

 

het hart: liefdessymbool bij uitstek

 

In de taal en de gebruiken van vele volkeren is het hart de zetel van de liefde en het mededogen. Iedereen in de westerse wereld kent ook het symbool van het hart, als een omgekeerde afgeronde driehoek met een scherpe punt onderaan en een inkeping bovenaan. 

 

In het British Museum wordt de Fishpool Hoard bewaard, een opgegra - ven schat van omstreeks het midden van de vijftiende eeuw, bestaande uit juwelen en gouden munten, waaronder een gouden broche met blauwe en witte email versierd. Aan de achterzijde, dus tegen het lichaam (het hart) zelf gedragen, staat het volgende citaat: je suys vostre sans de partier. Als het ware een belofte die ‘op het hart wordt gedrukt’.

 

De iconische hartvorm is meestal bloedrood van kleur en soms met een of enkele pijlen doorboord. De liefdesbrief uit Leiden is er een heel mooi voorbeeld van. Die pijlen hebben met het godje Cupido te maken, hoewel zijn verschijning vaak verward werd met een engel. Maar het harticoon, dat heeft weinig gemeen met de concrete anatomische menselijke structuur. Nochtans was het uitzicht van de hartspier welbekend, zowel in beschrijvingen (dennenappelvormig) als in sommige Arabische traktaten. De iconische hartvorm die we ingekerfd in bomen, getatoeëerd en getekend terugvinden, zou het gevolg zijn van een interpretatiefout van vroege teksten van Aristoteles en Galenus. De ene beweerde vier eeuwen voor onze tijdrekening dat het hart drie kamers bevatte, Galenus, die ruim vijf eeuwen later leefde, had het over twee kamers en een uitsparing. De deuk in het midden van de hartvorm was geboren. Vanaf het begin van de veertiende eeuw duikt die universeel gekende hartvorm, het Valentijnshart, op in Italië. Deze iconische vorm wint zo snel aan populariteit dat de beeldende kunst en de volkse tradities de anatomische realiteit tot vandaag naast zich neer leggen. Het krachtige symbool is ingebakken in de westerse beeldtraditie en wordt uiteindelijk geëxporteerd over de hele wereld. 

 

Het hart speelt ook in het taalgebruik een grote rol, in zegswijzen en spreekwoorden en in figuurlijk taalgebruik. Dat is in de tijd van het Gruuthusehandschrift niet anders. Gebroken harten, smachtende verlangende harten, harten die opspringen van geluk, harten die worden weggegeven en gebroken, ze komen er allemaal in voor. Net zoals er ook in een ring wordt gegrift: mon cuer avez, mijn hart heb je, of in een gouden hangertje in de vorm van een slotje: de tout mon cuer, met geheel mijn hart. 

 

 

als jij mijn slotje bent, wil ik je sleuteltje wel zijn...

 

Sinds pakweg de jaren 2000 heeft Europa een ware rage gekend van jongeren die aan een brugreling of een bruggenhek een hangslot vastmaken en de sleutel in het water werpen, als symbool van hun eeuwige liefde voor elkaar. In Parijs zijn die sloten en kettingen vooral te vinden aan de Pont des Arts en de Pont de l’Archevêché , in Keulen aan de Hohenzollernbrücke, pal achter de Dom, en in Firenze aan de Ponte Vecchio. In Brugge komen koppeltjes hun slot bevestigen aan het Bonifaciusbruggetje achter de Onze-Lieve-Vrouwekerk en aan een beeldhouwwerkje langs het water aan de Dijver. In de meeste steden verwijdert de overheid de kettingen en de sloten, wegens het gevaar voor schade aan het monument dat de brug meestal is. 

 

Eigenlijk is er geen sluitende verklaring voor de plotse opkomst van dit gebruik. In Rome is de roman van Federico Moccia Ho voglia di te (2006) verantwoordelijk geweest voor het hangen van sloten aan de Ponte Milvio. Maar er zijn zeker oudere voorbeelden, zoals de Most Ljubavi in Servië, die al een liefdesbrug met hangsloten is sinds de Tweede Wereldoorlog. 

 

Eigenlijk is het liefdesslotje al in de middeleeuwen gekend. Ook in het Gruuthusehandschrift wordt op verschillende plaatsen over sloten en sleutels gesproken, soms in letterlijke zin en meestal als overdrachtelijk beeld zowel in meer amoureuze als in algemenere zin: de juiste sleutel geeft toegang tot wat dan ook, kennis, iemands hart, een gesloten huis, een kist of een kast. Bij de middeleeuwse liefdesslotjes gaat het om juweeltjes die als hangertje dienst doen, letterlijk en vooral ook symbolisch. In het British Museum in Londen zijn er twee dergelijke gouden vijftiende-eeuwse slotjes bewaard. Allebei hebben ze een ingegraveerde inspirerende tekst. Bij de ene is zelfs het sluitstukje nog aanwezig, aan een fijn gouden kettinkje. Pareltjes van symboliek, en een behoorlijk pak duurder dan de metalen liefdesverklaringen van vandaag.

 


 

Const, cracht, wille

 

 

Const, cracht, wille, zonder daet

daerof en comt goet no quaet. (GH III.1)

 

 

Zo klinkt de aanhef van de eerste minneallegorie. Het is de eerste tekst in het derde deel van het Gruuthusehandschrift en hij telt ruim tweeduizend versregels, die worden onderbroken door enkele liederen. Helemaal geen eenvoudige tekst om te begrijpen: hij staat vol allegorieën, metaforen en verwijzingen naar andere bronnen. De schrijver van die tekst is niet gekend. Wat hij als bedoeling heeft met de tekst, daarover is al flink wat inkt gevloeid. Het gedicht start met een lange proloog die de ambachtelijke vakman een bijzonder waardevolle plaats toekent. Zo lijkt het toch ten minste. Het referentiekader dat de auteur gebruikt om zijn lezers in de deugdelijke minne in te wijden, heeft veel minder te maken met het ridderlijke hoofse ideaal dan met de dagelijkse ervaring die de auteur wellicht had als vakman, die zijn klanten ter wille moet zijn. 

 

Die vergelijking gaat verder. Onbegrip voor het handwerk, in dit geval het rijmen en dichten, wordt wel vaker in de aanhef van een gedicht meegegeven. Maar hier gaat de schrijver verder. Hij heeft een duidelijke visie op kunsten en kunde. Const, het eerste woord van de tekst, verwijst in het Middelnederlands niet zo zeer naar wat wij vandaag onder kunst verstaan. Wel in tegendeel. Const verwijst naar de klassieke en middeleeuwse omschrijving van het menselijke kunnen. Het middeleeuwse onderwijssysteem is gebaseerd op de ‘vrije kunsten’, de artes liberales (met de grammatica, de logica en de retorica als taalvakken en de arithmetica, geometria, musica en de astronomia als de rekenvakken) en de filosofie. Const is dus kennis, het weten en begrijpen. 

 

Waarmee de Gruuthuseschrijver hier worstelt, is echter ook een nieuw, modern begrip van Const, namelijk dat van het creatieve, scheppende proces van de autonome kunstenaar. Dat scheppende proces komt als het ware uit die dichter en schrijver als een soort onweerstaanbare drang, terwijl hij tegelijk rekening houdt met een beschaafd en kunstzinnig publiek, dat zijn pennenvruchten esthetisch zal kunnen smaken.

 

Zowel de beoefenaar als de toeschouwer of toehoorder wordt dus geacht zich ernstig met de zaak bezig te houden. Const impliceert scheppings- en wilskracht, daden en ernstige bezinning van zijn schepper, de dichterkunstenaar. Dat alles moet bovendien tot een esthetisch resultaat leiden. De toeschouwer wordt geacht een waarderend gehoor en een ‘lonend’ publiek te zijn. Het behoeft weinig betoog dat de dichter daarbij vooral hoopte op een beloning voor zijn werk, maar in het Gruuthusegedicht gaat hij een belangrijke stap verder. De waarderende ‘beloning’ voor zijn geschrift is van ondergeschikt belang. De schrijver streeft erkenning na voor zijn ‘constige’ geschriften. En die erkenning kan er pas komen, als zijn publiek echt inziet wat voor inspanning het gedicht heeft gevraagd en impliciet ook daarvan kan genieten.

 

Het gebed van Jan van Hulst Sonder smette zaliche rose (GH I.5), is ook zo’n voorbeeld van Const. Het heeft in zijn 286 (plus 11) regels het volledige Salve Regina, een Mariahymne die tijdens de periode voor de advent in een kerkdienst wordt gezongen, als acrostichon. In de laatste elf regels van het gebed verwerkt hij bovendien zijn eigen naam, eveneens als acrostichon. Een knap staaltje dichtkunst.

 

Brugge is aan het einde van de dertiende eeuw al een bruisende internationale handelsmetropool geworden. De traditionele weverijen van lakense stof hebben plaats gemaakt voor veel vakspecifiekere ambachten die een ver doorgedreven scholing en organisatie met zich mee brengen. Gespecialiseerde vaklui organiseren zich in een gilde. In Brugge ontstaat omstreeks 1400 bijvoorbeeld het librariërsgilde. Zowel boekverkopers, miniaturisten als boekbinders zijn erin verenigd. Enkel in Parijs en in de Italiaanse steden is er een dergelijke gespecialiseerde gilde terug te vinden. Brugse miniaturen uit die periode vinden we onder andere terug in de Dietse Rieme bewaard in het Brugse Grootseminarie. Opmerkelijk is het hoe de versiering van de rode achtergrond met tengere gouden bloemenranken van de miniaturist overeenkomt met de fijn gedetailleerde geschilderde achtergrond van het oudste Ursulaschrijntje van het SintJanshospitaal.

 

Const heeft dus veel te maken met het op een hoger plan brengen van het vakmanschap, het overstijgen van het puur ambachtelijke. Een gevoel voor eigenwaarde is daaraan niet vreemd. Die zelfbewuste attitude kunnen we ‘modern’ noemen, of, in stijlperiodes gesproken: de middeleeuwse mens wordt een renaissance-mens, een humanist, een uomo universale. Dat kan niet verwonderen, aangezien de Renaissance al een eeuw bezig is in de Italiaanse steden. Die mentaliteitsverandering vindt op andere maar zeker parallelle wijze ook plaats in het noorden en met name in de Zuidelijke Nederlanden. Niet voor niets wordt meer en meer gesproken over de Northern Renaissance als het over de Vlaamse vijftiende eeuw gaat.

 

Heel uiteenlopende zaken kunnen als Const beschouwd worden. Een perfecte dubbele boekhouding bijvoorbeeld, iets waar de handelaren in Brugge om bekend stonden. Constig is het vormelijke en functionele aspect van een object combineren met goed gevonden ornamentiek, inhoudelijk en esthetisch. Zo kan een waterschenkkan een beeldhouwwerk worden dat Aristoteles en Phyllis voorstelt. Dat is gebaseerd op het verhaal dat de oude wijze grijsaard zich laat beetnemen door de jonge bevallige vrouw. Hij neemt teugels in de mond en laat zich berijden als een paard. In het hoofse middeleeuwse milieu is het een gekende voorstelling, een waarschuwing voor de sluwe listigheid van de vrouw en een relativering van de wijsheid. Twee totaal verschillende voorwerpen als een waterkan en een gravoir (haarverdeelstok) in ivoor stellen die vernederende scène voor. Telkens is de ambachtsman vanuit zijn eigen kennis en kunde van het materiaal waarmee hij werkt en van het verhaal waarover het gaat vertrokken om heel andere afbeeldingen te creëren.

 

Als voorbeeld van textiele Const spreekt het altaarvoorhangsel (antependium) uit een klein kerkje nabij Rijsel (zie foto p.1). Het combineert borduurwerk, schilderkunst en verschillende soorten textiel tot een uitzonderlijk kunstwerk. Robert Campin zou aan het ontwerp hebben meegeholpen. De figuren van de Maagd Maria en de Engel die met een Ave Maria de aankondiging doet van de geboorte van Christus, zijn bijzonder fijn geborduurd in goud- en zilverdraad, met gezichten die zo uit een schilderij van Campin kunnen komen. De achtergrond wordt gevormd door stroken hemelsblauwe Italiaanse zijdedamast, waar op vaste afstand kleine granaatappelmotiefjes zijn geborduurd. De vloer waar beide figuren op knielen is genaaid met een veel grovere weefselstrook. Opnieuw een voorbeeld van een uitgekiend gebruik van stoffen die ter beschikking staan en het vakmanschap van de borduurder die er een voorstelling en decoratieve motiefjes aan toevoegt. 

 

Van minneallegoriën naar bevlogen vakmanschap is in deze context dus niet zo’n grote sprong. Ook de minnaar moet zijn woorden en daden grondig voorbereiden en overdenken. Hij moet iets toevoegen en zich bijzonder inzetten om een dame voor zich te winnen. Zijn werk is daarmee ook niet af, want iedere handeling en blik, ieder woord, geschenk en gedicht moet telkens opnieuw blijk geven van zijn meesterschap in de Const: de Const van de minne.

 

 

abt lubertus

 

Lubert Hautscilt (1347-1417), afkomstig uit het rijkere handelarenmilieu en abt van de Eekhoutabdij in Brugge vanaf 1394 tot zijn dood, is een ‘uomo universale’, een universele mens. Hij treedt als jonge man in en geniet in de abdij een gedegen scholing. Hij valt op door zijn leergierigheid, organisatietalent en zijn internationale contacten met theologen en geleerden. Als abt gebruikt hij zijn connecties om fondsen te werven voor de renovatie en bouwprojecten van de abdij. Zo onderhoudt hij een regelmatig contact met Jean Duc de Berry, broer van de Franse koning Charles V. Ze wisselen verschillende geschenken uit, van exotische vogelsoorten tot kostbare juwelen (die Hautscilt verkoopt ten bate van de abdij). Hautscilt deelt met Jean een bijzondere interesse voor de astrologie. Hij vertaalt zelfs een astrologisch traktaat, het Liber Astrologiae uit het Latijn naar het Frans voor zijn vriend. Iets later volgt nog een vertaling van het Franse Pèlerinage de la vie humaine naar het Latijn die ook naar de Franse prins wordt gestuurd. In 1403 bedenkt hij Jean de Berry met het lidmaatschap van de elitaire religieuze broederschap Fratres ad Succurendum. Het officiële overhandigen in Parijs van de perkamenten oorkonde waarin dat is vastgelegd, laat Hautscilt in een rijk versierde initiaalletter weergeven. Zowel hijzelf als Jean de Berry zijn behoorlijk realistisch afgebeeld. Al even uitzonderlijk is de beschrijving van Hautscilts studeerkamer, die hij inricht met een zelfgeknutseld planetarium waarbij de planeten effectief konden ronddraaien. Hij introduceert bovendien een mechanisch uurwerk in de abdij waardoor de tijdsindeling van de dagen absoluut vast komt te liggen, wars van de natuur en de seizoenen.

 

 


 

Devotie voor Christus en Maria

 

 

Salve, mater domini,

Troost mi, want ic in zonden dwale.

Helpti mi niet, ic neder dale. (GH I.5)

 

 

Christus, Maria en de heiligen waren, zo gezegd, altijd en overal aanwezig in de laatmiddeleeuwse samenleving, ook in een handelsmetropool als Brugge. In de Gruuthusegebeden, -liederen en -gedichten is dat op verschillende manieren verwoord en daarbij moet de laatmiddeleeuwse gelovige allerlei hem bekende religieuze voorstellingen voor ogen hebben gekregen. Deels gebeurde dat individueel, deels in groepsverband. Het Gruuthusehandschrift refereert heel expliciet aan collectieve geloofsbeleving en collectief gebed in de verwijzingen naar de religieuze broederschap van Hulsterlo (GH I.4). In sommige liederen wordt onomwonden kritiek geleverd op de Kerk, maar ook daardoor wordt juist duidelijk hoe aanwezig het christelijk geloof was. De grootste aandacht gaat uit naar gebeden waarin de eigen zondigheid centraal staat, naar de Passie van Christus en naar gebeden tot Maria. 

 

Dat overdenken van de eigen zondigheid past helemaal in het tijdsgewricht van de late middeleeuwen en de context van de vroeg-stedelijke samenleving. De gelovigen worden zich meer en meer bewust van hun eigen persoonlijke verantwoordelijkheid, ieder voor zich is schuldig aan zijn eigen zonden en zal daarvoor moeten boeten. Christus boette voor de mensheid als geheel, en Zijn lijden wordt dan ook dramatisch omschreven in het Gruuthusehandschrift, zoals het in contemporaine afbeeldingen hartverscheurend werd voorgesteld. De devotie tot Maria als Moeder Gods, moeder van de mensgeworden Zoon van God, is het belangrijkst in het Gruuthusehandschrift. Ook hiermee past deze verzameling gebeden, gedichten en liederen volledig in de tijd. De Mariaverering had ongekende hoogten bereikt, enerzijds gericht op het mee beleven van de vreugdevolle en vertederende momenten van haar moederschap, anderzijds op het mee lijden met de moeder die haar Zoon op onmenselijk wrede manier verliest.

 

De spirituele liefde tot Maria wordt beschreven in dezelfde bewoordingen als de aardse, hoofse liefde – en ook daar kan diepe smart voorkomen. Maria wordt keer op keer verheerlijkt en herhaaldelijk vergeleken met een roos en met andere bloemen (GH I.5, 1, 89; II.48; III.14, 10) en met de van genade overvloeiende fontein. (GH III.12; III.13) Steeds is de essentie van deze Mariadevotie haar rol als middelares, als pleitbezorgster voor de mens bij God, bij Christus die immers zijn eigen moeder nooit iets zou kunnen weigeren. (GH I.5) In sommige objecten zien we de hoofse aardse liefde en de geestelijke liefde tot Maria heel dicht bij elkaar komen. Een vermoedelijk Vlaams of Noord-Frans met leer overtrokken houten kistje in het British Museum te Londen, het zogenoemde Talbot Casket, laat dit op perfecte wijze zien. Bovendien brengt het nog andere aspecten van de rond 1400 beleefde vroomheid in beeld zoals die ook in het Gruuthusehandschrift doorklinkt. Dit kistje behoort tot de in de negentiende eeuw romantisch ‘Minnekästchen’ genoemde groep kleine koffertjes die dienden voor het opbergen van persoonlijke bezittingen als juwelen, wellicht ook een klein getijdenboek, brieven en dergelijke. Het in de ‘cuir bouilli’ (gekookt leer) techniek gedecoreerde kistje is afkomstig uit de Talbot-familie, waartoe ook de oorspronkelijke eigenaars behoorden. In het koffertje is op de bodem John Talbot, eerste hertog van Shrewsbury (ca. 1385 –1453) afgebeeld samen met zijn echtgenote knielend ter weerszijden van de gekruisigde Christus. Deze Calvariescène wordt geflankeerd door marges van ranken met vogels. Het stichtersechtpaar is modieus gekleed, de ridder in harnas en wapenrok, de dame in een strakke jurk met wijde mantel van kostbaar brokaat. De beide gelovigen zijn geestelijk direct aanwezig bij hun Verlosser die zijn leven voor hen en de andere mensen geeft. 

 

De binnenzijde van het deksel draagt de best bewaarde scène, de Annunciatie, ook weer geplaatst tussen verticale marges van ranken met vogels. In een open architectuur staat Maria voor een vouwstoel en ze keert zich naar de aartsengel die zich van buiten door een portiek tot haar wendt met een lange banderol. Achter haar wordt ze, zo lijkt het, begroet door een tweede engel. Op het deksel staat in het midden een hoofs tafereel met zes personages onder twee bomen, omgeven door een rand met fabeldieren en personificaties van de vier elementen. Op de voor-, achter- en zijkanten van het kistje staan hoofse koppeltjes die in acht afgescheiden episodes met elkaar converseren en elkaar passioneel omhelzen. De buitenzijde van het kistje lijkt volledig profaan en gewijd aan de hoofse liefde, de binnenzijde geeft het devotionele perspectief. Precies zoals in het Talbot Casket beide werelden direct op elkaar aansluiten, klinkt dit door in het Gruuthusehandschrift. Sommige van de liefdesliedteksten in het Gruuthusehandschrift zouden ook gelezen of gezongen kunnen worden met het beeld van Maria als spirituele geliefde voor ogen. Bijvoorbeeld uit het lied, Ghenaden, lieve vrouwe mijn (GH II.4) en Lief alder liefst int hertze mijn (GH II.28) spreekt een devotionele toewijding en trouw die direct aansluit bij de laatmiddeleeuwse Mariale devotie. In het kunstig berijmde Middelnederlandse gebed dat voortborduurt op het Latijnse Ave Maria Gratia Plena (GH I.7) wordt door een kleine verandering in een zeer vertrouwde gebedstekst op dezelfde manier de hemelse Maria heel dichtbij gehaald: het afstandelijke eerbetoon ‘gij zijt de gezegende onder de vrouwen’ werd veranderd in ‘benedicta vor alle wiven / sidi’, Maria, je bent meer gezegend dan alle vrouwen (GH I.7, 50).

 


Praktisch

 


Tentoonstelling

LIEFDE EN DEVOTIE. HET GRUUTHUSEHANDSCHRIFT

22.03.2013 > 23.06.2013

 

Info

www.liefdeendevotie.be

tel. +32 (0)50 44 87 11

musea@brugge.be 

 

Gruuthusemuseum

Dijver 17

8000 Brugge

Dagelijks van 09:30 tot 17:00u, behalve op maandag en op O.L.V-Hemelvaart (namiddag)

Het Gruuthusemuseum is een historisch monument met niveauverschillen en daardoor niet toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

Toegangsprijzen: € 8 (26-64 j.), € 6 (> 65 j. en 12-25 j.), gratis t/m 11 j. en inwoners van Brugge op vertoon van hun identiteitskaart 

 

Activiteiten

• Rondleidingen in de tentoonstelling zijn mogelijk van dinsdag t/m zaterdag (prijs: € 65; N/F/E/D/S). Reservatie via toerisme@brugge.be of + 32 (0)50 44 46 46.

• Leerlingen uit het 4de, 5de en 6de leerjaar kunnen de tentoonstelling in klasverband ontdekken via het Museummenu ‘Met veer en perkament’ (prijs: € 65). Reservatie tot drie weken voor de bezoekdatum via musea.reservatie@brugge.be of +32 (0)50 44 87 43.

• Gezinnen met kinderen kunnen de tentoonstelling bezoeken aan de hand van een zoektocht.

• Aan individuele bezoekers biedt Espro audioguides aan bij de ingang van de tentoonstelling (prijs: € 4; N/F/E).

• In het kader van de tentoonstelling worden regelmatig lezingen en activiteiten georganiseerd. Van 25 tot 27 april 2013 zal een wetenschappelijk congres plaatsvinden. Houd de website in de gaten! Het Concertgebouw Brugge organiseert van 26 tot 28 april 2013 drie concerten rond het Gruuthusehandschrift. Info op www.concertgebouw.be. 


Auteurs

 

Inge Geysen (1976) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Antwerpen en de K.U.Leuven, aangevuld met een opleiding Cultuurmanagement. Haar thesis handelde over kleding in portretten van Vlaamse Primitieven. Na haar studies werkte zij onder andere als projectcoördinator bij de Vlaamse Museumvereniging vzw met projecten als de Museumavonden en Museumverhalen en als museumconsulent bij de Provincie Antwerpen. Sinds 2010 is zij adjunct-conservator bij het Bruggemuseum waar zij onder andere instond voor de herinrichting van het Gezellemuseum en nu de tentoonstelling ‘Liefde en Devotie’ coördineert.

 

Jos Koldeweij (1953) studeerde kunstgeschiedenis te Utrecht, waar hij in 1985 cum laude is gepromoveerd op de studie ‘Der gude sente Servas’. Hij organiseerde verschillende tentoonstellingen met bijbehorende catalogi, o.a. te ‘s-Hertogenbosch (‘Zilver uit ‘s-Hertogenbosch’, 1985; ‘In Buscoducis’, 1990), te Rotterdam (‘Jheronimus Bosch’ 2001) en te Brugge (‘Geloof & Geluk. Sieraad en devotie in middeleeuws Vlaanderen’, 2006-2007). Religieuze en profane insignes uit de late middeleeuwen, en het oeuvre van Jheronimus Bosch vormen hoofdthema’s in zijn huidige onderzoek. Sinds 1993 is Koldeweij hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

 

Eva Tahon (1969) studeerde kunstgeschiedenis aan de K.U.Leuven en middeleeuwse geschiedenis en architectuur in het Sainsbury Centre for Visual Arts van de University of East Anglia in Norwich (GB). Sinds 1996 is zij verbonden aan de Brugse Stedelijke Musea waar ze onder meer heeft ingestaan voor de wetenschappelijke ondersteuning van tentoonstellingen als ‘Memling tot Pourbus’ (1998) en ‘Jan van Eyck en het Zuiden’ (2002). Als curator was ze onder meer verantwoordelijk voor tentoonstellingen en bijhorende catalogi van ‘Impact. 1902 Revisited’ (2002), ‘Eternity. Greta Buysse’ (2005), ‘The right to unsuccess’ (2005) en de koerswijziging van het Hospitaalmuseum. Ze verzorgde de inhoudelijke en praktische realisatie van het nieuwe museum in de Gentpoort (2011) en is co-curator voor de tentoonstelling ‘Liefde en Devotie’.


Selectieve bibliografie

 

• Pieter Andriessen, Die van Muziken gheerne horen. Muziek in Brugge 1200-1800, Brugge 2002

• Het Gruuthuse-handschrift. Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 79 K 10. Kritische editie bezorgd door Herman Brinkman, met een uitgave van de melodieën door Ike de Loos (†). Hilversum 2013 (Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden, XIII) (te verschijnen)

• M. Camille, The medieval art of love. Objects and subjects of desire, London 1998

• Kees Vellekoop, ‘Streepjes: een bijzondere muzieknotatie voor Middelnederlandse liederen. In L.P. Grijp e.a. (reds.), Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, Amsterdam 2001, pp. 61-67

• Dini Hogenelst en Frits van Oostrom, Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de middeleeuwen, Amsterdam 1995

• Stephan Kemperdick, Friso Lammertse e.a., De weg naar van Eyck, Rotterdam 2012 (tent.cat. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam)

• Anton Legner (ed.), Die Parler und der Schöne Stil 1350-1400. Europäische Kunst unter den Luxemburgern, Keulen 1978 (tent.cat. Schnütgen-Museum – Kunsthalle, Keulen)

• Jos Koldeweij, Geloof en Geluk. Sieraad en devotie in Middeleeuws Vlaanderen, Arnhem 2006 (tent.cat. Brugge, Gruuthusemuseum 2006-2007)

• Marc Ryckaert, André Vanwalle, Jan D’hondt, Noël Geirnaert en Ludo Vandamme, Brugge. De geschiedenis van een Europese stad, Tielt 1999

• John W. Steyaert m.m.v. Monique TahonVanroose, Laat-gotische beeldhouwkunst in de Bourgondische Nederlanden, Gent 1994 (tent.cat. Museum voor Schone Kunsten, Gent)