U bent hier

Het memoriael van Daniel de Bruyne - Onderzoek naar Pieter Bruegels netwerk

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen Daniel de Bruyne
Een verkeerberd (Verkeerberd: een bord, waarop met dobbelstenen gespeeld wordt) op Bruegels Triomf van de Dood, ca. 1562 MUSEO NACIONAL DEL PRADO, MADRID

 

Het Antwerpse Felixarchief bezit meerdere topstukken. De documenten in het archief van de Insolvente Boedelskamer werden in 2009 door UNESCO opgenomen in het register van het Geheugen van de Wereld. In deze unieke collectie bevindt zich een memoriaal van de Antwerpse koopman Daniel de Bruyne, tijdgenoot van Pieter Bruegel de Oude. Het boek is een goudmijn voor wie zoekt naar de entourage van de gevierde schilder.

 

Wie vertrouwd is met de Bruegelliteratuur kent Daniel de Bruyne. Toen de Antwerpse koopman Niclaes Jonghelinck in 1563 bij het stadsbestuur borg stond voor 16.000 gulden, deed hij dat om zijn vriend en vennoot Daniel de Bruyne van dienst te zijn. Die had de accijnzen op wijn in pacht genomen en moest als garantie voor de betaling een toereikende waarborg bieden. Op 21 februari 1566 specificeerde Jonghelinck zijn onderpand, dat bestond uit zijn schilderijencollectie in zijn huis in de Markgravelei met daarin maar liefst zestien schilderijen van Pieter Bruegel de Oude. Moest de Bruyne onvermogend worden, dan kon de stad beslag leggen op de collectie. Zo ver kwam het niet en na Jonghelincks dood werd de verzameling openbaar geveild. Deze borgstelling behoort tot het weinige wat over de Bruyne werd gepubliceerd. Dat hij contacten had in de kunstwereld en wellicht behoorde tot Bruegels entourage, onthult zijn memoriaal.


Daniel de Bruyne was iets jonger dan Bruegel en overleed tussen maart 1610 en juni 1612. Hij groeide op in de Sint-Katelijnevest in Antwerpen als een van de elf kinderen van koopman-juwelier Dierick Aertsz de Bruyne (†1560). Al van in zijn jeugd kwam hij met kunst in aanraking. Zijn vader zou een van de handelaars zijn geweest die omstreeks 1556 wandtapijten verkochten aan Filips II. Daniels zus Marie huwde met de Antwerpse klavecimbelmaker Jan Diericx, zijn broer Jacques met Jonghelincks dochter Sara. Zelf volgde hij zijn vader op als koopman-juwelier. Inkopen en verhandelen legden hem aanvankelijk geen windeieren, evenmin als zijn vier huwelijken. Zijn derde echtgenote Mayken Benraets was tijdens zijn tweede huwelijk al zijn maitresse geweest en de moeder van zijn natuurlijke dochter Mayken. Bij een zeker Stijncken, mogelijk dezelfde als zijn jonge meid Styne aan wie hij in 1562 een zilveren ketting schonk, verwekte hij een natuurlijke zoon Daniel jr. Toen Daniel sr. in 1561 vader werd van een (wettige) dochter Katlyne was Jonghelincks echtgenote een van de doopmeters. Ze schonk de pasgeborene een zilveren schaal met een gewicht van zeven ons. Aanvankelijk combineerde Daniel de Bruyne zijn activiteiten met een baan bij het stadsbestuur, eerst als klerk in de stedelijke rentmeesterskamer bij Jonghelincks oom Geeraert Grammaye, in 1558-1561 als kassier bij rentmeester-generaal Christoffel Pruynen. De Bruyne nam zelf ook klerken in dienst, waaronder Marten Neyen van wie het Felixarchief een waardevolle aanvulling op het memoriaal bezit: een kasboek met Daniels inkomsten en uitgaven uit 1560-1563.7 In 1562 werd hij voor drie jaar pachter van de wijnaccijnzen van de stad.

 

Alhoewel hij onroerend goed bezat, huurde hij in 1562 in Antwerpen een huis van Jan de Succa en in 1562-1563 van Niclaes Jonghelinck. Wellicht waren de grootte en de ligging voor hem van belang. Hij verkavelde gronden in de Arenbergstraat waar hij in 1563 een woning verhuurde aan de befaamde schilder Frans Floris. Die had zijn vorige woonst op de Meir verlaten en had nog geen nieuw onderkomen in zijn in aanbouw zijnde stadspaleis.9 Een andere huurder van de Bruyne was dr. Alvaro Nuñez, Spanjaard en net als Bruegel een persoonlijke vriend van de cartograaf Abraham Ortelius. In 1560 kocht hij een huis van plaisantie buiten de stad, in Deurne op de grens met Berchem. De Bruyne spreekt over zijn huys inden leestcorff gelegen. In de zeventiende eeuw kreeg het de naam Klein Duivelshof.10 Net als Jonghelinck bouwde hij een kunstcollectie op die hij mogelijk in dit buitenverblijf tentoonstelde. Zo bezat hij een Adam en Eva door Jan Gossaert van Mabuse, een banket van de goden, een wandtapijt met de geschiedenis van Diana en Callisto en liet hij kaarten drukken bij de Antwerpse drukker Jan de Laet. Vijf jaar na de aankoop van zijn buitengoed, toen de zaken minder goed gingen en hij zinnens was om naar Jeruzalem te reizen, moest hij het omwaterde stenen huis en een deel van zijn huisraad van de hand doen aan juwelier Thomas van Gheere.

 

Wesende in alle valscheyt een meestere

Gebrek aan financieel inzicht en een leven in luxe deden het tij keren. Al in 1563 kloeg hij over tegenslag op de internationale beurzen: want ick soe veele verloren hebbe op de wissel van Londen (20 februari) en dat ick verloren hebbe op de wissel van Vranckfort (9 mei). Zijn pogingen om door het voortijdig verkopen van obligaties aan contant geld te geraken, werden al elders beschreven. 11 Hij geraakte verwikkeld in een proces met zijn stiefmoeder Clara Meganck en had in 1567 tegelijkertijd twaalf processen aanhangig. In 1569 leefde hij tijdelijk in de geborgenheid en de immuniteit van het Antwerpse karmelietenklooster. Toen in 1570 het stadsbestuur Christoffel Pruynen aanhield wegens grootschalig gesjoemel met gelden uit de stadskas, kwam ook zijn voormalige klerk Daniel de Bruyne in het vizier. Pruynen kwam onder huisarrest te staan maar ontsnapte via de kelder en vluchtte naar Duitsland. Ook de Bruyne werd eerst thuis bewaakt maar werd nadien voor jaren gevangengezet in het Steen. Zijn boekhouding werd in beslag genomen en het memoriaal kwam zo in de archieven van de Insolvente Boedelskamer terecht. Als kassier zou hij bladen uit de boekhouding hebben verwijderd en vervangen, bedragen met een mes hebben uitgeschrapt en aangepast. De uitgaven voor een wandtapijt dat geschonken werd aan Margaretha van Parma zou hij meerdere keren hebben ingebracht. En ook als inner van de wijnaccijnzen liet hij een schuld na van meer dan 18.000 gulden.


De beschuldigingen typeren de Bruynes karakter: een lichtveerdich persoon, die zich bediende van veele beuselen jae valssche leugenen (…) wesende in alle valscheyt een meestere. De Bruyne beweerde slechts de bevelen van Pruynen opgevolgd te hebben, en die beweerde het tegendeel. Vanuit de gevangenis kloeg hij dat hij zich niet kon verdedigen omdat zijn boeken hem ontnomen waren en dat hij er zat tot euwighe syne ruyne en tot nadeel van de stad.13 Op 10 september 1578 werd hij door de pastoor van de Sint-Jacobskerk in de echt verbonden met zijn maitresse Mayken Benraets met als huwelijksgetuigen zijn broer Jacques de Bruyne en zwager Jan Diericx. De pastoor noteerde ‘opden Steen’ vermits de bruidegom nog steeds in de gevangenis verbleef.

 

Het memoriaal

Het Memoriael, zoals hij zijn boek zelf noemde, overleefde dankzij deze fraudezaak. In het langwerpige register van 42,2 op 15,2 cm geeft de Bruyne op een niet altijd consequente manier zijn inkomsten en uitgaven weer, business en privézaken door elkaar, maar met details die een historicus doen smullen. Ze worden aangevuld door het kasregister van Marten Neyen. De namen van ongeveer 375 personen duiden zijn netwerk tussen 1557 en 1570. Veel van die contacten zaten net als hij in de juwelenhandel of waren edelsmeden, zoals Niclaes Huybrechts, buurman en vriend van Pieter Bruegels opdrachtgever Hans Franckaert. Maar ook met kunstschilders onderhield hij nauwe betrekkingen: Merten en Willem (II) van Cleve, Anthoni Palerme, stadsschilder Jan Leys, glasschilder Jan (III) Hack aan wie hij verhuurde, Steven van Vissenaken van wiens kind hij peter werd in 1561. Jan Leys betaalde hij in 1561 en 1562 voor diens werk aan de Heilige Besnijdenisommegang en de OLVommegang. 14 Hij was klant bij Bruegels werkgever Hieronymus Cock, die in de boekhouding niet als uitgever maar als de schilder Jeronimus Wellens alias Cocx wordt vermeld. Kocht hij er prenten naar Bruegels ontwerpen, een portret? Verwijzingen naar een geschilderd of gegraveerd portret van Daniel de Bruyne zijn niet te vinden, wel van zijn zus Elisabeth de Bruyne en haar man Adam van Cleermont. Bruegels tegenhanger Frans Floris behoorde tot de Bruynes vrienden en werd voor korte tijd zijn huurder. De Bruyne bestelde glasramen (gescreven gelaesen) bij diens broer, de glasschilder Jacques Floris, en een andere broer, de befaamde Cornelis Floris, kreeg de opdracht om het epitaaf van zijn vader te stofferen en te vergulden. Cornelis Floris, ontwerper van het Antwerpse stadhuis, had in 1557 een aantal zelf ontworpen epitafen laten uitgeven door Hieronymus Cock. Heel wat uitgaven in het memoriaal hebben betrekking op de verfraaiingswerken aan zijn buitengoed, dat voor hem een statussymbool moest worden. Arbeiders worden met naam en hoedanigheid genoemd. Metser Lieven de Baermaeker begon in 1561 met de aanpassingswerken. Er verschenen duivenkoten, een vogelhuys, pilaren, een gaelderie. Van het bestaande huis werd het dak afgenomen, waarna er een niveau bovenop werd gebouwd en de cappe er weer werd opgezet. Een loodgieter zorgde voor een schaliëndak. Schilder Jan Leys mocht alle schilderwerken aan het buitenhuis uitvoeren. Hagen werden met kennis van zaken aangekocht door specialisten.

 

De Bruyne en Bruegels opdrachtgevers

Tussen de talrijke contacten van Daniel de Bruyne verschijnen ook Bruegels opdrachtgevers Niclaes Jonghelinck en Hans Franckaert. Aangezien zij elkaar goed kenden en zelfs vrienden blijken te zijn geweest, groeit de hypothese dat een van beiden Bruegel bij de andere heeft geïntroduceerd. Overigens is hun boekhouding niet bewaard gebleven en dat maakt het manuaal ook in dat opzicht een interessante bron. Ook Jan Vleminck, recent herontdekt als mogelijke opdrachtgever van Pieter Bruegel, wordt in het kasboek van de Bruynes klerk vermeld wanneer hij in 1562 1.052 pond Vlaams van de Bruyne ontvangt.17 De kunstminnende Gillis Hoffman (Hooftman), wiens relatie tot Bruegel nader onderzoek verdient, komt voor onder de Bruynes contacten in 1562-1563.


‘Hans Franckaert moet geven dat ick hem geleent hebbe I portugees ende 6 gouden realen’ (16 augustus 1563). Het is een van de passages waarin Franckaert wordt genoemd wanneer hij geld leent van de Bruyne. Maar ook het omgekeerde komt voor. Samen met de Bruyne deed hij verder in levensverzekeringen en met Jonghelinck en de Bruyne was hij actief in het verzekeren van schepen. Transacties tussen Niclaes Jonghelinck en Daniel de Bruyne komen frequenter voor en met grotere bedragen dan bij Franckaert. En er waren ook afrekeningen tussen Franckaert en Jonghelinck onderling, met de Bruynes tussenkomst. Hans Franckaert, die een carrière als koopman in Nürenbergse waren had opgegeven voor die van juwelier, leren we ook kennen als handelaar in diamanten. Bij de koopwaar van Jonghelinck en de Bruyne vinden we behalve diamanten ringen, robijnen, hangparels, smaragden (asmeraulden) en een blauwe saffier. In 1563 verkocht Jonghelinck een diamant aan Hans Franckaert en een tweede voor rekening van Dierick Sommel uit Lier, voor wie Franckaert als tussenpersoon optrad. Kleine diamantjes werden voor Jonghelinck en de Bruyne door edelsmid Wolff Wissinger verwerkt in halssnoeren.

 

Er waren ook buitenlandse contacten, essentieel voor kooplieden. Bruegel bezocht Venetië wellicht tweemaal, de Bruyne en Jonghelinck waren er in 1562 en 1563 (myn Venetse reyse, Jongelincx Venetse reyse). Juwelier Cornelis vanden Dort, vriend van Franckaert, voorzag een reis naar Venetië. De Bruyne had geld van hem tegoed na terugkeer, maar liep intresten mis omdat Cornelis maar tot in Augsburg was gereisd (mits dien hij mij te verstaen gaff dat Cornelis naer Venegien was ende was maer naer Ausborch). Koopman Jaspar de Castro reisde van Antwerpen naar Venetië en nog verder naar Calicut en Goa in Indien. De Bruyne zorgde voor zijn levensverzekering en verbond betalingsvoorwaarden aan diens behouden terugkomst. Om zijn toestand in India te kennen, gaf hij zich zowaar over aan de voorspellingen van een waarzegger.

 

Bruegels vrienden in spel en vermaak

De Bruyne hield van vermaak, vooral wanneer het hem iets kon opleveren. Winst en verlies in het spel kwamen in zijn boekhouding terecht en daarmee geeft hij ons onbedoeld een unieke kijk op de manier waarop Bruegels opdrachtgevers zich vermaakten. In 1557 nam hij met enkele Antwerpse vrienden deel aan het ganzenrijden in Borgerhout en slaagde hij er in om als eerste de kop van de gans te slaan. In zijn gezelschap vermeldt hij de Antwerpse prentenuitgever Hans van Bouhuysen, ons tevens bekend als dobbelpartner van Niclaes Jonghelinck. De Bruynes zwager, de zilversmid Matheus Valck, nam in 1562 deel aan het papegaaischieten (boogschieten met een namaakvogel als doelwit), een activiteit die Bruegel afbeeldt op zijn Sint-Joriskermis en op een schilderij uit de reeks van de twaalf maanden die Jonghelinck bij hem bestelde. De Bruyne noteerde in 1563 zijn winst met het schieten met de clootboge, een specifieke boog waarmee geen pijl maar een bal wordt weggeschoten. Niet naar een doel, maar wie het verst kon schieten werd de winnaar.


Gedurende de vijf jaren dat Daniel de Bruyne zijn buitenverblijf in Deurne bezat, was het allicht een ontmoetingsplaats en oord van ontspanning voor Bruegels entourage. Die bestond immers uit vermogende stedelingen die zich voor hun vermaak verenigden in gezelschappen zoals de Sint-Jorisgilde van Hoboken die uitsluitend uit Antwerpse burgerij bestond. Een groepje dertigers en veertigers op uitstap. Vanaf de Sint-Jorispoort, door Bruegel getekend in 1558, leidde een lange rechte weg naar de Bruynes hof van plaisantie, thans het tracé van de Lange Leemstraat en de Gitschotellei met daarin rechts de Duivelshofstraat die toegang gaf tot het bijna 2 hectare grote domein. Te voet deed men er een uur over, met paard en wagen slechts 20 minuten. De laatste resten van het complex werden in 1958 opgeruimd.

 

De Bruyne luisterde zijn activiteiten op met muzikanten. Hij bezat zelf een klavecimbel en huurde herhaaldelijk de speellieden van Berchem in. In 1563 betaalde hij Molleken de speelman voor diens diensten en ook met de stadsspeellieden van Antwerpen onderhield hij contacten. In tegenstelling tot Bruegels doedelzakspelers waren het geschoolde muzikanten die fluiten, schalmeien, kromhoorns, trompetten en bazuinen bespeelden. Speelman Gommaer van Oisterwyck komt in de boekhouding voor vanaf 1560. Als fluitspeler trad hij later in dienst van de hertog van Northampton.


De Bruyne geeft niet altijd aan waar het vermaak doorging en slechts af en toe lezen we expliciet tot mijnen huijse gespeelt en volck op myn huys gehadt. Er werd vaak in herbergen ‘gespeeld’; spel en drank gaan goed samen. Het memoriaal noemt tien herbergen in Antwerpen waar het vrolijke gezelschap vertoefde: tHoefyser (Sint-Katelijnevest), De Halve Mane (Arenbergstraat 23), De Swaen (Graanmarkt), Den Ouden Swaen, Den Ketel, Den Oijevaer, Swanenborch en Luewenborch (alle twee op het Kipdorp), Den Rooden Leuw en tGeschildert Huijs (Meirbrug). Was Bruegel als observator aanwezig? We betrappen zijn opdrachtgevers niet op boertig vermaak zoals bij de personages op zijn schilderijen, maar als deftige burgers ontsnapten ze niet aan de bekoring van het kansspel. Daarvan getuigt hun deelname aan de talrijke loterijen uit die tijd. Van Daniel de Bruyne beweerde men in 1576 dat hij veel geld had verspeelt oft anders onnuttelyck verdaen, soe hy wel gewent was.18 De Bruyne won op 14 oktober 1562 van Jonghelinck met verkeren. Dit spel, klanknabootsend ook tiktak of triktrak en later backgammon genoemd, werd gespeeld met schijven op een verkeerberd. Het ‘berd’ was een tweevoudige, rechthoekige, ondiepe speelbak voorzien van twee rijen spitse driehoeken. Bruegel schilderde er omstreeks 1562 een op zijn Triomf van de dood, waar het onderaan rechts open op de grond ligt. De schijven werden over het bord verplaatst na een worp met twee dobbelstenen, symbool van liederlijkheid maar in Bruegels milieu nooit ver weg. Op de Boerenbruiloft (ca. 1567) liggen dobbelstenen naast de bemiddelde koopman rechts, die wel eens voor Hans Franckaert wordt gehouden. De inzet bestond niet altijd uit geld. Jonghelinck won van koopman Jaspar Nijs een ring. Met rammen, een kaartspel, wonnen de Bruyne en Jonghelinck van dezelfde Jaspar Nijs ieder 100 Philipsdaalders, een stevig bedrag. De Bruyne won met de caerte van zijn schoonbroer Adam van Cleermont en op 11 januari 1564 werd er bij de koopman Jacques Ballinck thuis geramd.

 

‘Joe de Billie’ na Bruegels verloving

Populair waren zeker de balspelen. Kijken we maar naar Bruegels Sottebollen waar in een hof van plaisantie gebold wordt door een in narren verkleed gezelschap in het bijzijn van muzikanten. Op vrijdagavond 13 augustus 1563 wierpen de gezellen met Jaspar Nijs op de Vrijdagse Markt. De Bruyne won met kaatsen (ketsen), een balspel dat in aangelegde kaatsbanen werd gespeeld. Jonghelinck had zelf ‘kaatsspelen’ laten aanleggen bij zijn huis Het Oostersch Caetspel in de Everdijstraat, mogelijk hetgene dat Daniel de Bruyne van hem in huur had. Op 21 maart 1562 won de Bruyne in Jonghelincks huis of buitenverblijf met verkeren en ook met klossen, een ander balspel waarbij men met een beugel of schepper een bal in een lange afgeperkte klosbaan, een rol- of kegelbaan, moest werpen. Jonghelinck had blijkbaar ook zo’n baan naast zijn huis aangelegd. Samen met de Bruyne speelde hij in de klosbaan bij herberg De Swaen. Bij Jonghelinck werd er thuis een niet nader genoemd bolspel gespeeld op 14 maart 1562 door Daniel de Bruyne én Bruegels vriend Hans Franckaert. De Bruyne won. Op 4 maart en 14 mei 1563 werd er gebold bij Niclaes Jonghelinck door de Bruyne, zijn zwager Matheus Valck en ook weer door Hans Franckaert. Zou hun vriend Pieter Bruegel daar nooit zijn geweest, nooit eens hebben meegespeeld? De Bruyne vermeldt hem niet maar noteert alleen zijn winst en verlies ten aanzien van zijn zakenpartners. Zondag 25 juli 1563 was de hoogdag waarop Bruegel zich in de kathedraal van Antwerpen verloofde met Mayken Coecke. Diezelfde dag won Daniel de Bruyne 1 pond met Joe de bilie. Ook op woensdag 28 juli en zondag 1 augustus werd joe de bilie gespeeld bij Jonghelinck thuis. De Bruyne bedoelt hiermee ‘jeu de bille’ wat – zoals bij Bruegels Sottebollen – als een soort petanque zal zijn gespeeld. Vroeg Bruegels officiële verloving in de voormiddag niet om feest, spel en vermaak in de namiddag?

 

Bruelman 1561

Wie Daniel de Bruyne volgt, volgt ongetwijfeld Bruegel. Je voelt zijn aanwezigheid binnen het netwerk dat de Bruyne omringt, maar een vermelding op papier is ons niet gegund. Of toch? Eén uitgavepost van 15 juli 1561 slaat mogelijk toch op hem: ‘I quict(ancie) van Bruelman’, een kwitantie van een zekere Bruelman voor een bedrag van 16 pond 13 schelling en 4 denier Vlaams.20 Wie was die Bruelman wiens voornaam niet wordt genoemd? Onderzoek in het Antwerpse stadsarchief naar iemand met de naam Bruelman leverde niets op. Bij familienamen afgeleid van een toponiem en voorafgegaan door ‘van(den)’ werd in Brabant dit voorvoegsel soms vervangen door het achtervoegsel ‘man(s)’. Zo is ‘vanden Broeck’ identiek aan Broeckman(s) en wordt Oerleman(s) gebruikt naast ‘van Oerle’. Bruelman is een synoniem voor ‘vanden Bruel(e)’. In een document uit 1583 wordt Bruegel Pieter vanden Bruule genoemd.21 Bovendien hebben de plaatsnamen Bruul, Broel en Bruegel dezelfde oorsprong en betekenis. Bevat het memoriaal dus toch een eigentijdse vermelding van Pieter Bruegel? Er waren in Antwerpen weliswaar vanden Bruele’s, maar de mogelijkheid dat Daniel de Bruyne met Bruelman effectief de schilder Pieter Bruegel de Oude bedoelde, moeten we openhouden. Ze biedt een perspectief voor verder onderzoek.