U bent hier

Nieuw licht op Vlaams primitief Robert Campin

 

Het Rijksarchief in Doornik heeft een uniek manuscript op velijn verworven waarin verwezen wordt naar de Doornikse schilder Robert Campin, de man die meestal geïdentificeerd wordt met de noodnaam Meester van Flémalle. Het dateert uit 1427, het jaar dat bij kunsthistorici vooral bekend is als dat waarin de nog bekendere Rogier van der Weyden werd ingeschreven als leerling in diens atelier.

 

Wat dit document zo uniek maakt, is de zeldzaamheid van overlevende archiefstukken met betrekkingen tot Robert Campin. Als voornaam burger van de stad en als kunstenaar heeft hij sporen nagelaten in de archieven, maar die zijn meestal enkel bekend via negentiende-eeuwse bronnenpublicaties. Het Doornikse stadsarchief ging immers in vlammen op tijdens een Duitse luchtaanval in mei 1940; het waardevolle archief, waaronder zeshonderdduizend chirografen, ging verloren.

 

Uit de oorkonde leren we dat Campin op 11 november 1427 samen met twee andere pauvriseurs voor het Parlement van Parijs verscheen. Zij stonden in voor het beheer van de armentafels van de Sint-Pieterskerk te Doornik, een vorm van hulp aan noodbehoeftigen op parochiaal niveau. Die erefunctie was weggelegd voor belangrijke burgers. Tijdens het proces stonden ze tegenover Arnould de Lielscamp, die als stalknecht-foerier verantwoordelijk was voor de bevoorrading van het hof van koning Karel VII. Het exacte onderwerp van de zaak is niet duidelijk, maar het staat vast dat Campin optrad als een van de betrokken partijen, niet louter als getuige.

 

Historische context

 

Het document is interessant omdat het betrekking heeft tot een bewogen periode uit de geschiedenis van Doornik. Als Franse stad gelegen tussen de graafschappen Henegouwen - geregeerd door het Beierse geslacht Wittelsbach - en Vlaanderen - geregeerd door de hertog van Bourgondië -, probeerde het een onafhankelijke, op commerciële belangen gebaseerde koers te voeren. In 1422, na de dood van de Franse koning Karel VI, werd dit steeds moeilijker. Doornik erkende zijn zoon kroonprins Karel, als opvolger, terwijl hertog Filips de Goede zijn steun gaf aan de Engelse koning Hendrik VI. Doornik probeerde aanvankelijk de kerk in het midden te houden, maar een jaar later kwam het tot een opstand van de ambachtslieden. Zij waren loyaal aan de kroonprins. In die revolutionaire periode, met name in 1425 en 1427, was Campin eswardeur, lid van het college dat de stadsmagistraat kon verkiezen. Hij maakte ook deel uit van de Raad van Zes, die de stadsfinanciën controleerde. Over zijn concrete rol en standpunten kunnen we enkel speculeren, maar het lijkt er op dat hij een meer gematigde koers voorstond.

 

Het bestuur van de ambachten hield stand tot 1428, toen het patriciaat de macht weer greep. Ook in die revolutionaire periode werden de handelsrelaties met de Bourgondische gebieden niet verwaarloosd. Onderhandelingen met Filips de Goede bleven doorgaan, en in 1427 en 1428 bracht Jan van Eyck, hofschilder en kamerheer van de hertog, een bezoek aan Doornik. Daar ontmoette hij Campin vermoedelijk. Campin bleef op zijn beurt goede relaties onderhouden met het patriciaat – zijn atelier bloeide in deze periode als nooit tevoren – en ook later bleef hij opdrachten krijgen van de stedelijke overheid. Uit de oorkonde blijkt dat, hoewel het gezag van Karel VII wel degelijk erkend werd, er ook conflicten waren met het hof. Niet onbelangrijk is dat Parijs in die periode bezet werd door de Bourgondische hertog en het Parlement in ballingschap in Poitiers verbleef.

 

Roger Campin en de Meester van Flémalle

 

Het document versterkt ook ons beeld van Campin als een eigengereide man die er niet voor terugdeinsde om conflict op te zoeken. Hij belandde wel vaker in de rechtbank. In 1429 werd hij veroordeeld tot een zware boete en een bedevaart - die hij afkocht - omdat hij weigerde te getuigen tegen zijn vakbroeder Henri le Quien, die beschuldigd werd van opruiing. In 1432 werd hij opnieuw veroordeeld, ditmaal tot een jaar verbanning. De aanklacht was publieke ontucht. In beide gevallen was de strafmaat opmerkelijk zwaar, wat doet vermoeden dat het om politieke afrekeningen ging. Nog datzelfde jaar werd zijn straf kwijtgescholden op voorspraak van Margaretha van Bourgondië, weduwe van Willem van Oostervant, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, en dochter van de Bourgondische hertog Filips de Stoute. Dat wijst erop dat hij ook in die adellijke kringen nog goed aangeschreven stond. De laatste veroordeling betekende ogenschijnlijk het einde van zijn atelier: in datzelfde jaar verwierven zijn voornaamste leerlingen, waaronder Rogier van der Weyden en Jacques Daret, hun titel van vrijmeester en begonnen zelfstandig te werken.

 

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen - Robert Campin

Robert Campin - Merode-altaarstuk - ca 1425

 

Nu nog is het soms moeilijk om een onderscheid te maken tussen de schilderijen van de verschillende kunstenaars. Van Robert Campin is geen enkel gesigneerd werk bekend, maar uit de bronnen blijkt dat hij één van de belangrijkste schilders in de regio was in de vroege vijftiende eeuw. Meestal wordt hij geïdentificeerd als de schilder van de werken die aan de zognaamde Meester van Flémalle werden toegeschreven, met als bekendste de panelen uit het Städel in Frankfurt die als eerste aan de meester werden toegeschreven, en het Mérode-triptiek uit het Metropolitan in New York. Over de exacte relatie tussen Campin en Rogier van der Weyden, en aan wie bepaalde werken moeten worden toegeschreven, bestaat nog veel onenigheid onder kunsthistorici.

 

Verder onderzoek

 

Het processtuk werd gesignaleerd door de vzw Rogier van der Weyden en vervolgens op een veiling aangekocht door het Fonds Claire en Michel Lemay. Dat fonds wordt beheerd door de Koning Boudewijnstichting  en moet bijdragen aan de ontwikkeling van Picardisch Wallonië. Het werd in bewaring gegeven bij het Rijksarchief in Doornik, waar het beschikbaar is voor onderzoek. De vzw Rogier van der Weyden heeft haar hulp daarbij al aangeboden.

 

Manuscript op velijn - 26 x 43 cm - Fonds Claire et Michel Lemay

 

Hopelijk kan meer onderzoek licht werpen op de sociale positie van Robert Campin en zijn rol in de revolutionaire periode in Doornik. Opmerkelijk is dat de oorkonde nog voorzien is van een zegel, dat echter in slechte staat verkeert. Hoogstwaarschijnlijk zal dit stuk meer vragen oproepen dan het beantwoordt, en zullen de debatten onder kunsthistorici onverminderd blijven doorgaan.