U bent hier

Vogels in de verf - Van de Vlaamse Primitieven tot vandaag

Carel Fabritius, Het Puttertje, 1654, olieverf op paneel, 33,5 x 22,8 cm, Mauritshuis, Den Haag.

 

 

Realistische vogels

 

 

korte historiek van een schilderdiscipline

 

Het schilderen van vogels vergt specifieke en specialistische vaardigheden. We moeten dan ook over een aparte schilderdiscipline spreken. Het is een vak dat met veel toewijding geleerd moet worden. Om op uitmuntende wijze vogels te kunnen schilderen, is men genoodzaakt om ze grondig te bestuderen en de eigen technische vaardigheden te vervolmaken. 

 

Laten we de geschiedenis van de natuurschildering in de Nederlanden vluchtig overlopen. De kunst van de Vlaamse primitieven in de vijftiende eeuw bewerkstelligde een shift in het schilderkunstig realisme. Enerzijds perfectioneerde Jan van Eyck (1385/90-1441) de olieverftechniek, waardoor alles uit de realiteit nagebootst kon worden. In de pre-Eyckiaanse paneelschilderkunst van rond 1400 verwerkte men nog bladgoud op allerlei manieren in schilderijen, terwijl van Eyck die stof en vele andere op illusionistische wijze imiteerde. Anderzijds werd mede onder invloed van de Devotio Moderna de afstand tussen gelovigen en God kleiner. Men benadrukte de menswording van Jezus, en om gelovigen dieper te raken, verwerkten schilders allerlei herkenbare zaken uit het alledaagse leven in hun werken. Een van die zaken betrof het landschap met de bijbehorende fauna. Deze realistische verworvenheid evolueerde vervolgens in de komende eeuwen. 

 

In de zestiende eeuw ontstonden de genres van het zelfstandig landschap, het stilleven en vele andere, die bijzondere vaardigheden vereisten. Schilders begonnen zich op dit moment te specialiseren. Eind zestiende eeuw waren er schilders die zich hoofdzakelijk toelegden op de voorstelling van dieren. Grote meesters gingen zelfs een samenwerking met deze specialisten aan. 

 

Een vroeg voorbeeld betreft Bernard van Orley’s (ca.1492-1541/42) tapijtreeks De jachten van Maximiliaan, waarin hij samenwerkte met een anonieme kunstenaar wiens specialisme bestond uit het schilderen van dieren. Rubens (1577-1640) werkte onder andere meermaals samen met Jan Brueghel de Oude (1568-1625). En Jacob Jordaens (1593-1678) deed een beroep op de diensten van Frans Snijders, Jan Fyt, Adriaen van Utrecht en Paul de Vos om vogels te schilderen.

 

Vanaf 1500 is er, onder invloed van de ontdekkingsreizen, sprake van een verhoogde interesse in de wereld en de natuur. Pas ontdekte landen herbergden exotische fauna en zetten de toenmalige kennis op zijn kop. Collectioneurs verzamelden allerhande naturalia in zogenaamde Wunderkammer. Men stouwde kamers vol met fossielen, schelpen, stenen, skeletten, opgezette vogels. De microkosmos van de Wunderkammer was representatief voor het wereldbeeld. Dergelijke verzameldrift wijst op nieuwsgierigheid, prestige en op de beteugeling van angst. De kennis van de wereld veranderde in dit tijdsgewricht spreekwoordelijk met elke steen die men omkeerde. Rijken hielden er menagerieën, of verzamelingen met dieren, en volières vol vogels uit verre landen op na. IJverige botanici kweekten uitheemse planten zoals de ananas. Onder dat gesternte ontstonden begin zeventiende eeuw de eerste natuurwetenschappelijke encyclopedieën van auteurs zoals Conrad Gesner (1516-1565) en Ulisse Aldovrandi (1522-1605). Die eerste encyclopedieën bevatten voorstellingen van dieren die er hopeloos naïef uitzien. Parallel vervaardigden kunstenaars niet zelden natuurgetrouwere dierenportretten en leverden daarmee pionierswerk. Op dat moment waren kunst en wetenschap een soort van sparringpartners. 

 

In de zeventiende eeuw ontstond het genre van het vogelstuk, dat vele varianten zou kennen. Met het oeuvre van Utrechtenaar Melchior d’Hondecoeter (1636-1695) beleefde het vogelstuk een hoogtepunt. De verworvenheden van d’Hondecoeters kunst werden nog tot in de achttiende eeuw gekopieerd en herwerkt. Daarna werd het realisme langzaamaan ingeruild voor abstracte bewerkingen in de zogenaamde moderne kunst. Parallel met de vorderingen op kunstvlak werd de natuurwetenschap volwassen. Vele wetenschappers, naturalisten en vogelillustratoren zoals de Comte de Buffon, James Audubon en John Gould droegen hiertoe bij.

 

 

realisme

 

Het realisme waarmee de founding fathers van de Vlaamse primitieven kwamen opdagen, beïnvloedde in belangrijke mate de westerse kunst. Het is van belang dat we de aard van dat realisme onder de loep nemen en bepalen wat de invloed op de vogelschildering was. Welke graad van levensechtheid mag aan een bepaalde natuurschildering toegekend worden, als men weet dat omwille van de limieten van het medium de werkelijkheid nooit volledig geïmiteerd kan worden? Realisme zouden we ook door de term leesbaarheid kunnen vervangen. Wat we kunnen aflezen van een schilderij hangt af van de graad van het realisme, het talent van de maker, zijn doelstelling en de vaardigheden of kennis van de aanschouwer van het werk. 

 

Kort samengevat kunnen we stellen dat de kunstenaar de werkelijkheid altijd manipuleert. Het gaat om een complex samenspel van bewuste manipulatie en directe observatie. Het realisme is fragmentarisch van aard want slechts enkele elementen zijn realistisch, niet het hele schilderij. Bekijken we het open onderregister van De aanbidding van het Lam Gods, dan merken we dat slechts op de twee panelen aan de rechterkant vogels voorkomen. Behalve de duif die de Heilige Geest symboliseert, zijn op de overige panelen geen vogels te zien. 

 

Het is een merkwaardige vaststelling, die mijns inziens verband houdt met een bewuste manipulatie omwille van inhoudelijke redenen. Die vermoedens worden bevestigd door twee overschilderde vogels op het paneel De Ruiters van Christus. Infraroodreflectografie legt deze demarche bloot.

 

Het realisme is eveneens symboolgeladen. In De boodschap aan Maria van de Meester van Flémalle staat op een tafel een majolicavaas waarop een vogel zichtbaar is. Het gaat naar alle waarschijnlijkheid om een duif, symbool voor de Heilige Geest. Volgens het evangelie van Lucas komt de Heilige Geest over de maagd Maria. De Heilige Geest, de boodschapper van God in de vorm van de aartsengel Gabriël en de pas verwekte Jezus in de schoot van Maria vormen samen de Heilige Drie-eenheid. 

 

Op het gelijkaardige Mérode altaarstuk (Werkplaats van Robert Campin, Ca.1427-1432, New York, The Cloisters Collection, The Metropolitan Museum of Art) ontwaren we in een gelijkaardig interieur een soortgelijke vaas op een tafel. Het vaatwerk is een kwartslag gedraaid, waardoor enkel de snavel en de borst van diezelfde duif zichtbaar zijn. Anders dan in De boodschap aan Maria bevindt zich naast de kan een kandelaar met een pas uitgedoofde kaars. De rookpluim duidt waarschijnlijk op de aanwezigheid van de Heilige Geest. Andere onderzoekers wijzen op de menswording van God, waardoor zijn goddelijke natuur werd uitgedoofd. De kunstenaar achtte het in elk geval niet meer nodig om de zichtbaarheid van de duif te behouden. Op De aanbidding van het Lam Gods vinden we dan weer een decoratief patroon met de beeltenis van een pelikaan die met zijn snavel in zijn eigen borst prikt en op die manier zijn jongen voedt. In de christelijke symboliek wordt hiermee het offer van Christus verzinnebeeld. 

 

Schilders hadden ook de neiging om de zaken geïdealiseerd voor te stellen. Men verbeterde de werkelijkheid op een zekere manier. In Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva, een wonderlijk voorbeeld van de samenwerking tussen Jan Brueghel de Oude en Peter Paul Rubens, groepeert Brueghel diverse vogel- en diersoorten: inheems naast exotisch, paradijsvogel naast blauwe reiger. Brueghel volgt de bijbelse symboliek en brengt in een inheems biotoop, met een beek doorheen een open loofbos, een volstrekt onrealistische verzameling van dieren samen. Twee hondjes blaffen in de richting van een wintertaling, en een rund waagt zich akelig dicht bij een tijger en een luipaard. Toch kunnen we over een geïdealiseerde of zelfs utopische harmonie spreken.

 

Naast deze drie kenmerken van het schilderkunstig realisme dat sinds de Vlaamse primitieven in zwang was, zijn nog enkele algemene condities van tel. Men kan zich de vraag stellen of een vogelvoorstelling organisch oogt. Respecteerde de schilder de chaotische of organische verschijningsvorm van de natuur of baseerde hij zich op een afgeborsteld en onnatuurlijk ogend opgezet dier? Of deed hij een beroep op zijn fantasie? Een van de bekendste voorbeelden is in dit opzicht het hondje in Jan van Eycks Arnolfini dubbelportret (1434, Londen, National Gallery). Jan Brueghels witte hondje aan de voeten van Eva in Het Aardse paradijs lijkt wat op een echo van dat geroemde exemplaar, met zijn wild ogende vacht. 

 

Het realistisch gehalte van vogelschilderingen is eveneens aan specifieke condities onderhevig. Soortrealisme, gedrag, biotoop en biodiversiteit zijn parameters die de natuurgetrouwheid beïnvloeden. Soortrealisme wordt bepaald door de fysieke kenmerken van de vogel: de grootte, de vorm en de kleur. De grootte kan in principe enkel in relatieve zin afgemeten worden. Er dient altijd een referentiepunt te zijn. Dit gebeurt ten opzichte van andere vogels in het schilderij. Dezelfde problematiek ondervindt de ornitholoog overigens in het veld. Zonder referentiepunt is de grootte van een vogel bijzonder moeilijk in te schatten. Vogelgedrag kan een specifieke houding zijn: de vlucht, poetsgedrag, foerageren, zingen, broeden, baltsen en dergelijke meer. De zorg voor de weergave van de biotoop toont aan of de kennis of interesse van de meester verderging dan het fysieke voorkomen van het dier. Een adequate plaatsing in een natuurlijke omgeving is eveneens van belang. De biodiversiteit, of het aan - tal vogels en het aantal verschillende soorten, kan de graad van het realisme verhogen of verlagen. Men mag stellen dat hoe accurater deze parameters ingevuld worden, hoe natuurgetrouwer de vogelschildering is. 

 

 

encyclopedische belangstelling

 

Met de gevoelig verhoogde interesse voor de natuurlijke wereld vanaf 1500 dook een vernieuwd elan in de ontluikende vroegmoderne wetenschap op. Als gevolg daarvan ontstond een encyclopedische belangstelling voor de natuur. Men geloofde dat de gehele natuur kon bevat worden, een soort embryonaal positivisme. Onverbeterlijke nieuwsgierigheid en een vorm van existentiële angst voor het onbekende waren motors achter de verzamelwoede van vele vroege naturalisten. Deze tendens gaf vorm aan de latere moderne wetenschap. 

 

De eerste natuurencyclopedieën die in de zestiende eeuw het licht zagen, hadden slechts 1 groot voorbeeld: Plinius’ Historia Naturalis uit de eerste eeuw na Christus. Het titanenwerk van Plinius de Oudere werd in 1469 voor het eerst gedrukt, en tegen 1550 waren in Europa al 46 edities verschenen. Plinius’ opvolgers heetten Conrad Gesner, Pierre Belon en Ulisse Aldovrandi. Zij publiceerden in de zestiende en zeventiende eeuw kostbare ornithologische encyclopedieën. We mogen evenwel het wetenschappelijke niveau niet vergelijken met de hedendaagse norm. Folklore en het genre van de emblemata waren bijzonder populair. Plinius wist in de eerste eeuw te melden dat volgens het volksgeloof een havik in een koekoek verandert. Tezelfdertijd wist men wel al dat koekoeken op slinkse wijze hun eieren in de nesten van andere vogels leggen. Plinius dist evenwel een reden met moralistische ondertoon op. Net omdat de koekoek geen graag geziene gast is, moet hij andere waardvogels vinden die het op sociaal vlak wel goed doen. Op die manier zullen zijn nakomelingen niet al meteen na de geboorte lastiggevallen worden. In een van de 16e-eeuwse boeken van de Bolognees Aldovrandi is zelfs nog een lemma over Harpijen, mythologische monstervogels met vrouwenhoofden, opgenomen. De vroegste encyclopedieën staan bol van dergelijke apocriefe weetjes. De Ornithologiae van Aldovrandi had trouwens een plaatsje in de bibliotheek van de intellectueel Peter Paul Rubens.

 

Pas met het boekwerk Historiae naturalis de quadrupedibus libri van de Pool Johannes Jonstonius (1603-1675) en het oeuvre van zijn Britse opvolgers John Ray (1627-1705) en Francis Willughby (1635-1672) brak een nieuwe periode aan. Vanaf nu legde men zich voornamelijk op feiten toe. De vele nieuw ontdekte diersoorten konden over het algemeen niet meer folkloristisch behandeld worden omdat de ontdekkers simpelweg niet op de hoogte waren van dergelijk materiaal. Men moest zich wel toeleggen op het beschrijven van de soort, op wat men met de eigen ogen kon waarnemen en wat men daaruit kon afleiden. Feiten werden langzaamaan belangrijker dan praatjes. Uiteindelijk leidde dit tot een soort van schisma in de ornithologische discipline. De enen waren systematici en trachtten vogels te classificeren op basis van families en soorten. Een van de bekendste exponenten uit die groep was de Zweed Carolus Linnaeus (1707-1778) met zijn fameus classificatiesysteem. Een tweede groep hield meer aan de empirie en bestudeerde vogels in het veld. Pas in de 20e eeuw sloten beide kampen vrede. 

 

Aristoteles had in de vierde eeuw voor Christus weet van 140 vogelsoorten wereldwijd. Belon en Gesner schatten in de zestiende eeuw het bestand op zo’n 200 soorten. Eind zeventiende eeuw meende onderzoeker John Ray dat er circa 670 vogelsoorten bestonden. Vandaag gaat men ervan uit dat er om en bij de 10.000 soorten op aarde voorkomen. Niet alleen wat betreft de kennis boekte men vooruitgang, ook wat betreft de kennis van het uitzicht en de vaardigheid om die te reproduceren. Adequate, natuurgetrouwe voorstellingen van dieren en vogels in de vroegste encyclopedieën waren bijzonder zeldzaam. Daarenboven ging het voornamelijk om zwart-witte afbeeldingen. Nochtans is waarneming cruciaal in natuurwetenschappelijk onderzoek. 

 

Zoals we eerder stelden, beïnvloedden kunst en wetenschap elkaar. In deze context moeten we wijzen op Icones animalium avium van Hans Bol (1534- 1593), De vier elementen van Joris Hoefnagel (1542-1601) en Adriaen Collaerts (ca.1560-1618) Avium vivae icones. Het betreft pionierswerk op het vlak van een meer exacte voorstelling van vogels. In de schilderkunst vormen de wonderlijke paradijslandschappen van Jan Brueghel de Oude typevoorbeelden van de verhoogde realistische weergave. In Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva uit circa 1617 bracht Brueghel een grote hoeveelheid verschillende planten en dieren samen. De schilder baseerde zich op de toenmalige manier van classificeren en bekwam op die manier een visuele encyclopedie. Bij die categorisering had hij ook aandacht voor de biotoop: vissen bevinden zich natuurlijk in het water, maar aan die waterkant bevinden zich ook zwanen, eenden, een blauwe reiger, twee purperkoeten en waadvogels. Fauna en flora bleven evenwel een spiegel van Gods creatie. 

 

Brueghel schilderde immers het aards paradijs met de boom van de kennis van goed en kwaad en de levensboom. Dat neemt niet weg dat hij ons een inkijk in de toenmalige status quaestionis van de wetenschap verleent. Links zien we nog net een kalkoen, een soort die pas sinds 1511 vanuit het Amerikaanse continent werd ingevoerd. Aan de voeten van de door Rubens geschilderde Adam loopt een paradijsvogel. Het enige schip dat de reis rond de wereld van Magellaan (1480-1521) tot een goed einde bracht, introduceerde in 1522 de eerste geconserveerde paradijsvogels op het Europese vasteland. Paradijsvogels zijn afkomstig uit Oceanië. Hun gedroogde huiden werden door de inheemse bevolking zonder poten en klauwen geprepareerd. In Europa meende men dat de vogels geen poten hadden en dus altijd vlogen, dag en nacht. Men dichtte hen een goddelijk aura toe, alsof ze engelen waren uit het aards paradijs. Brueghel wist een kleine eeuw later dat deze vogels helemaal niet pootloos door het leven gaan. Ter hoogte van de struisvogel vliegt een paradijsvogel, maar het exemplaar nabij Adam heeft duidelijk poten en klauwen. Andere opvallende exoten zijn de toekan in het kale boompje, die samen met de groenvleugelara en de blauwgele ara verwijzen naar het Amerikaanse continent. De struisvogel aan de rechterzijde en de grijze roodstaart in het kale boompje zijn Afrikaanse gasten. Het is de toenmalige wereld in een notendop. Of beter: de christelijke, humanistische visie van enkele bevoorrechte Europeanen. 

 

 

het vogelstuk

 

Melchior d’Hondecoeters (1636-1695) succesvolle vogelstukken uit de 17e eeuw werden door een aantal protagonisten voorbereid. Naast impulsen uit de Nederlanden eiste ook het Italisch schiereiland een hoofdrol op. De talentvolste Italiaanse dierschilder heette Pisanello (ca.1394-1455). Een studie van zijn hand toont 14 zilverreigers in alle mogelijke posen: foeragerend en roestend. Het niveau is zo hoog dat men de poses bijna in een wetenschappelijke determinatiegids zou kunnen opnemen. Die empirische ingesteldheid vinden we ook bij Leonardo da Vinci en Albrecht Dürer (1471-1528). Dürers Vleugel van een Scharrelaar is ontdaan van anekdotiek.

 

Tijdens de Hollandse Gouden Eeuw was de concurrentie onder schilders groot. Een nichemarkt aanboren, zoals Melchior d’Hondecoeter met zijn vogelstukken deed, was een slimme strategie. d’Hondecoeter verschillende types stillevens en pluimveestukken werden beïnvloed door de Amsterdammer Jan Baptist Weenix (1621-1659) en de Antwerpenaar Frans Snijders (1579- 1657). d’Hondecoeter maakte zijn werken aantrekkelijk door een plot uit te tekenen, waarbij er interactie is tussen de vogels. Een vos is een hoenderhof binnengedrongen of een haan en een kalkoen zijn in een territoriumgevecht verwikkeld, terwijl kuikentjes onthutst over en weer rennen. In zijn latere, exotische vogelstukken werd het boerenerf vervangen door italianiserende, architecturale elementen en vergezichten. De decoratieve parklandschappen met exotische vogels waren bij de burgerij een hit. Zij spiegelden zich op deze manier aan de dierenverzamelingen van de adel. Op de top van zijn roem mocht d’Hondecoeter werken leveren aan stadhouder-koning Willem III. Voor zijn nieuw jachtslot Het Loo, nabij de Veluwe, bedacht de schilder rond circa 1680 de compositie Een pelikaan en ander gevogelte bij een waterbassin. Het schilderij, beter bekend als Het drijvend veertje, herbergt kleurrijke in- en uitheemse vogels. Vooral de roze pelikaan maakt indruk. d’Hondecoeter bediende zich voornamelijk van dode en opgezette vogels die hij in het atelier, met een gemanipuleerde lichtinval, naar het leven schil - derde. Hij kende veel succes en navolging, maar het artificiële karakter van zijn werk was op een gegeven moment uit de mode. In dat opzicht kunnen we verwijzen naar het latere succes van minder fantasierijke vogelstukken zoals De ooievaars van Louis Dubois (1830-1880). 

 

 

vogelillustratoren

 

Aanwijzingen dat oude meesters op excursie gingen om vogels naar het leven te schetsen zijn bijzonder zeldzaam. De beste natuurschilders maakten gebruik van opgezette dieren, mindere goden deden een beroep op modeltekeningen en citaten uit andermans werk. Of ze maakten gebruik van middeleeuwse bestiaria, moraliserende verhandelingen over dieren en hun eigenschappen, vergezeld van schetsen die weinig natuurgetrouw waren. Vogels bestuderen in het veld kost veel tijd en moeite en is dus een geldverslindende onderneming. In de werken van Jan Brueghel de Oude zien we dezelfde dierengroepen vele malen terugkeren. De roze pelikaan van Melchior d’Hondecoeter maakte zijn opwachting in verschillende van diens en zelfs andermans schilderijen. Eén succesvolle voorstelling was genoeg om een heel oeuvre te stofferen.

 

Men mag stellen dat het schilderen van vogels die anatomisch correct zijn en tegelijk levendig ogen, ware huzarenstukjes zijn. Oude meesters hadden talloze problemen. Levenloze modellen werden niet zelden als levende of zelfs vliegende exemplaren in een schilderij opgevoerd, terwijl het gros van de schilders geen mechanische kennis inzake de vogelvlucht had. Vogels zijn daarenboven vluchtig van nature. Elke vogelspotter zal beamen dat vele excursies onvermeld blijven in het notitieboekje. Vogels kies men niet à la carte. Geduld en geluk zijn noodzakelijke basisingrediënten. Dit geldt a fortiori voor vogelillustratoren. Terwijl men eeuwen geleden zelfs geen verrekijker of telescoop voorhanden had, kan de hedendaagse vogelillustrator een beroep doen op de meest geavanceerde fotografische benodigdheden. We meldden eerder dat in de vroegste natuurwetenschappelijke encyclopedieën geen accurate afbeeldingen te vinden waren, maar ook als we een vergelijking maken tussen het illustratiemateriaal in determinatiegidsen uit de jaren 1950 en nu, kunnen we stellen dat de ornithologie nog opmerkelijk veel vooruitgang geboekt heeft. De Zweedse vogelillustrator Lars Jonsson (1952) is een voorbeeld van een hedendaags vogelkunstenaar en illustrator van wetenschappelijke determinatiegidsen. Heden draait het om de captatie van de levende vogel in zijn habitat.

 


 

Vogeltypisch

 

 

de vogelvlucht

 

Het bijzondere aan vogels is dat ze het vermogen bezitten om te vliegen. Dat is hun meest typische wezenskenmerk. De aerodynamica vereist dat ze zo gewichtloos mogelijk zijn, maar dat ze ook de kracht hebben om te kunnen opstijgen en in de lucht te blijven. Gevederde vleugels zijn hierbij essentieel. Vele volkeren verwerkten veren in religieuze objecten, ceremoniële kledij of wapentuig. Op 20 augustus 1523 schonk keizer Karel V een deel van de zogenaamde schat van Moctezuma, die Hernán Cortés aan de Azteken had ontfutseld, aan zijn tante Margareta van Oostenrijk. De verenmantel van Moctezuma (Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis) geeft een beeld van wat de weelde van een dergelijke schat moet geweest zijn. 

 

Archaeopteryx, de oudste vogel die wij kennen en die 140 miljoen jaar geleden leefde, was, zo neemt men aan, een onvervalste brokkenpiloot. Pas na jaren van evolutie waren vogels voldoende uitgerust om zonder ongelukken het luchtruim te beheersen. Was het voor archaeopteryx geen evidentie om te vliegen, dan was dat evenmin het geval voor de meesters die vliegende vogels trachtten vast te leggen. Vliegende vogels schilderen, die vanuit ornithologisch standpunt geloofwaardig zijn, kost schilders de grootste moeite. Een zeldzaam vroeg hoogtepunt betreft enkele vluchtsilhouetten op De aanbidding van het Lam Gods. Het chef d’oeuvre van de van Eycks herbergt een honderdtal vogels, die in de meeste gevallen slechts een stipje groot zijn. Door de lucht met vogelsilhouetten te doorspekken, suggereerde een schilder diepte. Op het uiterst rechtse paneel van het open onderregister, waar pelgrims met de reus Christoffel samengekomen zijn, zijn in een wirwar van vogelstippen exact 5 exemplaren van de boerenzwaluw geschilderd. Vijf boerenzwaluwen komen in evenveel verschillende vluchtsilhouetten voor. Ze zijn tijdens hun karakteristieke vlucht voorgesteld, tijdens dewelke ze uiterst behendig insecten vangen. De vogels vliegen relatief hoog, wat wijst op het mooie weer. Omwille van de luchtdruk bevinden de insecten zich namelijk hoger in de atmosfeer. Zeer zelden zijn aanvaardbare vluchtsilhouetten in de kunst van de Vlaamse primitieven te vinden. Vijf verschillende en zeer realistische vliegbeelden zijn haast een unicum voor deze periode. Als dit geen toevoeging van latere datum is, dan hebben de van Eycks boerenzwaluwen met veel aandacht gadegeslagen. 

 

Op het Lam Gods zijn eveneens twee groepen vogels in v-formatie voorgesteld. Trekvogels zoals ganzen trekken in v-formatie omwille van de betere aerodynamica. Ze maken gebruik van de opstijgende wervelingen van hun voorganger om krachten te sparen op de lange reis van en naar de broedgebieden. Petrus Christus (1415/20-1475/76), een van de opvolgers van Jan van Eyck in Brugge, kende ook dit verschijnsel. In zijn Geboorte ziet men een v-formatie van vogels met een lange nek. Het kunnen allerlei grote trekvogels zijn die de lucht klieven. Denk aan lepelaars, ooievaars, kraanvogels, zwanen en ganzen.

 

Heel wat engelen zijn in laatmiddeleeuwse werken gevleugeld afgebeeld, maar slechts weinig vleugels blinken uit in natuurgetrouwheid. De engel op de Annunciatie, een van de luiken van de Triptiek van de Annunciatie van de Meester van de Annunciatie van Aix, is met uiterst realistische vleugels getooid. De vleugels zijn afkomstig van een ransuil. Enkel een studie van didactisch materiaal kan tot dit resultaat geleid hebben. 

 

 

vogelzang

 

Vogelzang in een schilderij evoceren lijkt op het eerste gezicht niet aan de orde, maar kunstenaars vonden manieren om dat toch te doen. In Het vogelconcert van Frans Snijders werden enkele notoire krassers en brompotten bijeengebracht. Stillevenspecialist Snijders toont in dit stuk wat hij waard is. Historische schilderkunst draaide om technische bagage. Liefhebbers van kunst waren verrukt door realistische hoogstandjes. Snijders pronkt met zijn kunde en propte het picturaal vlak vol met luidruchtige vogels van diverse pluimage. In de geanimeerde samenscholing neemt een velduil de taak van dirigent waar. Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Vele van de verzamelde vogels zijn zeker niet de beste zangers. Een zeearend, een blauwe reiger, een ekster: onbeholpen muzikanten. Vleermuizen rekende men toen nog tot de klasse der vogels. Evenmin wist men op dat moment dat ook vleermuizen vocaal zijn. Het schilderij is klaarblijkelijk satirisch van opzet. Ook Jan Fyt (1611-1661), een leerling van Snijders, maakte een gelijkaardig Vogelconcert. (Antwerpen, Rockoxhuis) In dit werk zijn alle protagonisten zogenaamde slechte zangers. Een gaai monstert een verfrommelde partituur, maar wie de gaai echt kent, die weet dat hij ook op vocaal vlak een seigneur kan zijn. Slechts weinigen - Jan Fyt alleszins niet - hebben ooit een gaai horen zingen, of meesterlijke imitaties horen voortbrengen. Vogels zingen omdat ze een partner willen verleiden of concurrenten willen verjagen. Zingen kost krachten en is een bewijs van fitheid. 

 

 

houding

 

Aan de houding van een vogel kan men vaak merken of een meester het dier met de eigen ogen bestudeerd heeft. In Jan van Eycks Madonna met kanunnik Joris van der Paele is er sprake van een bijzondere vogelschildering. Het kindje Jezus en de maagd Maria houden een halsbandparkiet vast. Enkel de kop van de vogel is minder secuur geschilderd, daarvoor zijn de kin- en keelvlek te dik. De roze halsband dient daarenboven schuin, en niet horizontaal over de kop geschilderd te zijn. Daarbij komt nog dat de snavel te lang en te smal is. De halsbandparkiet bezit de kenmerkende dikke “papegaaiensnavel”. Deze onvolkomenheden daargelaten, duidt de houding van de vogel op een mise-en-scène, waarvan voorbereidende schetsen een onderdeel kunnen gevormd hebben. Vogels uit modelboeken zijn over het algemeen in profiel voorgesteld, en vallen op door hun stereotiepe bewegingsloosheid. Dit exemplaar, in profiel, heeft een opvallende houding. Men ziet hoe de vogel de handpalm van Maria vastgrijpt om een steunpunt te hebben. Steun verkrijgt de parkiet eveneens door zijn staart op te spannen op het kleed van Maria, waardoor de staartpennen uit elkaar gaan staan. Zonder voorafgaande studie kon van Eyck de houding van deze vogel niet geschilderd hebben. Research is hier onontbeerlijk.

 

Hans Memling (ca.1435-1494) vervaardigde rond 1480 een altaarstuk van bescheiden afmetingen, dat waarschijnlijk voor de Florentijn Benedetto Pagagnotti was bestemd. Op de buitenzijden van de zijluiken van de zogenaamde Pagagnottitriptiek is een wonderlijk tafereel met 9 kraanvogels opgenomen. Vogels die de hoofdzaak vormen van een werk, ook al gaat het uitsluitend over de buitenluiken, is een unicum in de schilderkunst uit de Bourgondische Nederlanden. De biotoop lijkt een natte weide omzoomd door een bosgordel, een habitat waarin kraanvogels thuis zijn. Memlings schildering lijkt het ochtendgloren of het vallen van de nacht te evoceren. De vogels zijn druk bezig met het poetsen van het verenkleed. Eén vogel, die een steen omklemd houdt, is een en al waakzaamheid. Men geloofde dat sommige kraanvogels dit deden opdat ze nooit in slaap zouden vallen en de veiligheid van de groep gevrijwaard zou blijven. De eigenschap waakzaamheid paste klaarblijkelijk bij de opdrachtgever.

 

Op het linkerluik van het Johannesretabel van Hans Memling zit bovenop een gebouw een ekster met opgewipte staart, wat een specifiek kenmerk van ekstergedrag is. Eksters maken krassende geluiden en wippen voortdurend met de staart zodra ze gealarmeerd zijn ten opzichte van soortgenoten of een mogelijke vijand. In dit geval is de ekster waakzaam tegenover de vele aanwezige mensen.

 

 

vruchtbaarheid

 

Toen de Romeinse dichter Catullus het dode musje van zijn liefje bezong, zinspeelde hij op een minder onschuldige interactie tussen man en vrouw. Eeuwenlang was het werkwoord vogelen een synoniem van copuleren en stond een vogel symbool voor het mannelijk lid. In het verleden waren schilderijen van vrouwen met hun favoriete vogel populair. De grijze roodstaart in Dame in een rood jasje voedert een papegaai (circa 1663, o.a. Londen, National Gallery) van Frans van Mieris (1635-1681) is een duur liefdesgeschenk, ook al zit de papegaai er wat lusteloos bij. Geheel anders gaat het er in Abraham Janssens’ (1575-1632) Lascivia aan toe. Op een tafeltje staat een karaf met wijn, vergezeld van druiventrossen en vijgen, waaronder een doormidden gesneden exemplaar, waarvan het rijpe vruchtvlees allerlei associaties opwekt. Lascivia zelf, of de wellust, is een weelderige godin met een copulerend paartje huismussen op haar indexvinger. Een Amsterdamse prent van Gillis van Breen (ca.1550-voor 1602) voert een dame en haar dienstmeid op. Zij spreken een sjofele vogelverkoper aan. In een rieten kooi zit een haan, bovenop ligt een dode gans. De obscene handeling van de verkoper wordt onderaan onderstreept door het sprekende onderschrift: “Hoe duur dees vogel vogelaer? hy is vercocht» waer? aen een waerdinne clear» die ick vogel tgeheele Jaer”. De poelier voorziet een zekere waardin van gevogelte, maar daar blijft het niet bij, gegeven de meervoudige betekenis van het werkwoord vogelen. Genrestukken met ontsnapte vogels duiden dan weer op het verlies van de maagdelijkheid.

 

 

eieren en vogeldrek

 

Jheronimus Bosch (ca.1450-1516) toonde nogal wat belangstelling voor vogels. Zijn oeuvre bulkt van de uilen, reigers en kraaiachtigen. In Triptiek met de bekoring van de heilige Antonius breken vogeljongen uit het ei, terwijl vlakbij het kadaver van een dode bonte kraai ligt te verkommeren. 

 

Het is typisch voor Bosch om de essentie van het leven, de levenscyclus, niet onvermeld te laten. Als we stillevens buiten beschouwing laten, dan voeren weinig werken uit het verleden dode vogels op. De erfgenaam van Bosch, Pieter Bruegel de Oude, vervaardigde een schilderij met een moraliserende inhoud die nog altijd niet bevredigend werd verklaard. In zijn De nestenrover hangt een jongeling in een boom. Hij tracht een vogelnest te roven. De aanschouwer wordt gewezen op het voorval door een uit de kluiten gewassen boer.

 

Zowel de bevruchting als de ontlasting bij vogels gebeurt via de cloaca. In dit opzicht kunnen we niet omheen Cloaca, of de zogenaamde kakmachine, van Wervikenaar Wim Delvoye (1965). Van de anarchistische kunst van Marcel Duchamp zijn we met Delvoye overgegaan naar het pure nihilisme. Ook in de late middeleeuwen liet men vogeldrek niet onvermeld. Een tijdgenoot van Bosch, de anonieme Meester van Frankfurt (1460-1515/25), maakte Het schutterfeest. In het midden van de compositie bevindt zich een nar met twee zwarte kraaien op de arm. Pas na restauratie werd een streep vogeldrek zichtbaar die vlak in het oog van een tweede nar belandt. 

 


 

Mens en vogel

 

 

gezelschapsdieren

 

Meisje met een dode vogel is een ontwapenend mooi en tegelijk aandoenlijk paneeltje uit het begin van de zestiende eeuw. Men neemt aan dat het uit de Zuidelijke Nederlanden stamt, maar wie het vervaardigde en wie geportretteerd is, of wat de beeltenis precies inhoudt, is volstrekt enigmatisch. Er bestaat niet meteen een verwante iconografische traditie. Kinderen met levende huisdieren zijn daarentegen al eeuwenlang ingeburgerd. Zo is er de Hellenistische sculptuur van een kind met een zwaan, waarvan het oorspronkelijk ontwerp waarschijnlijk in de 3e eeuw voor Christus werd bedacht. (München, Staatliche Antikensammlungen und Glyptothek) Het kind houdt zijn geliefde dier in een wurggreep, niet ongewoon voor kinderen die nog moeten leren hoe ze met dieren moeten omgaan. Wat vaststaat bij Meisje met een dode vogel is dat de getalenteerde schilder de psyche van het kind en dan vooral de pijn van het verlies in die lege, starende blik heeft vastgelegd. We kunnen hierbij opnieuw terugdenken aan het dode-mussen-gedicht van Catullus. Het rouwen om een dood vogeltje is als het rouwen om een geliefde. Er is geen sprake van een economische band tussen mens en dier, tenminste als we de eventuele verkoper van het huisdier buiten beschouwing laten. Deze band is van een complexe emotionele aard, waarbij sprake is van projectie van gevoelens. De jongeling leert omgaan met zijn gevoelens tegenover een ander levend wezen. Daarenboven was het portretteren van kinderen doorgaans geen lachertje. Een mogelijke strategie bestond uit het geven van een (levend) gezelschapsdier om de aandacht voldoende lang vast te houden. 

 

In Antoon van Dycks (1599-1641) De kinderen Balbi (Londen, National Gallery), geschilderd tussen 1625 en 1627 tijdens zijn verblijf in Genua, zijn drie aristocratische kinderen op uitmuntende wijze gekarakteriseerd. De jongste knijpt stoïcijns een gedomesticeerde kanarie zodanig hard, dat de vogel een doodsstrijd lijkt te voeren. Op de trappen zitten twee tamme Alpenkraaien.

 

In boedelbeschrijvingen uit de Nieuwe Tijd werden termen als vogelhuyskes, papegayhuys, leeuwericken vogelhuys en vinckenhuys aangetroffen. Al sinds mensenheugenis worden vogels in gevangenschap gehouden. Zingende vogels verlenen een prettige glans aan het leven. Aartshertogin Isabella (1566-1633) hield naar verluidt op haar slaapkamer een kooi met nachtegalen. Als u weet dat nachtegalen tijdens de voorjaarsbalts soms dag en nacht onafgebroken zingen, dan mogen we ervan uitgaan dat Isabella genoodzaakt was om slechts mondjesmaat van haar geliefde nachtegalen te genieten. 

 

Sommige kooivogels waren regelrechte statussymbolen. Al sinds de Oudheid is de mens in de ban van parkieten en papegaaien. Het was Alexander de Grote (356-323 v.C.) die parkieten uit het oosten meebracht. De Grote Alexanderparkiet heeft zijn naam aan de Macedoniër te danken. Het kleurrijke verenkleed van deze vogels trekt ons aan, zo ook hun vermogen om de menselijke taal te imiteren. Wij voelen ons in affectief opzicht meer aangetrokken tot diersoorten die schijnbaar een grotere verwantschap vertonen vanwege een grotere verstandelijkheid. Het is dan ook een van de weinige soorten die bijna nooit dood voorgesteld wordt. Ook pausen waren verzot op papegaaien, te oordelen naar de camera del papagallo (of papegaaienkamer) in het Vaticaan. Rubens schilderde De heilige familie met de papegaai. De papegaai in kwestie is een blauwgele ara die in de stengel van een wijnstok bijt. Wijnstok en ara verwijzen naar het maagdelijke moederschap van Maria. 

 

 

in gevangenschap

 

De greep van het christendom op de beeldende kunst boette in de zestiende eeuw klaarblijkelijk aan kracht in. Dat de Vlaamse primitieven alledaag se voorwerpen in hun schilderijen opnamen, was op zich al een teken van een kunst met een meer wereldse oriëntatie. In de zestiende eeuw zorgden economisch florerende tijden voor welstand bij een groter deel van de bevolking. In de Nederlanden waren nu ook mensen uit de middenklasse afnemers van kunstproducten. Zij hadden een andere smaak dan de adel en de clerus. Het gevolg was een atomisering van genres. Een ervan was het stilleven. De ietwat mysterieuze schilder en prentmaker Jacopo de Barbari (ca. 1460/70-1516) schilderde een van de vroegste stillevens: Stilleven met een dode patrijs (1504, München, Alte Pinakothek). De voortreffelijk geschilderde patrijs hangt samen met jachtattributen aan een wand. Het stuk is zo bedrieglijk dat het echt lijkt. Spelen vogels een rol in een trompe-l’oeil, dan is de link met Zeuxis bijna onvermijdelijk. De legendarische kunstenaar uit de Griekse Oudheid schilderde ooit druiven die zo levensecht leken, dat vogels hongerig op de schildersezel afkwamen. Aan de Barbari wordt ook een paneeltje met de voorstelling van een sperwer toegeschreven. De roofvogel is aan beide poten geringd, is een belletje omgebonden en zit op een vogelstok. De bandering op de borst, de witte oog- en baardstreep, de gele iris en de lange staart wijzen op een grondige observatie. De maker is met een handvol werken een van de belangrijkste schakels in de geschiedenis van de vogelschildering. Men neemt aan dat hij in contact kwam met Dürer, of minstens met diens werk.

 

Het eikenhouten paneeltje Winterlandschap met schaatsers en vogelknip is een geanimeerde scène vol ijsminnende mensen in een Brabants sneeuwlandschap. Pieter Bruegel de Oude schilderde onbekommerde en zich vermakende inwoners van een dorpje aan de ene kant, en argeloze vogeltjes die elk moment in een vogelval gevangen kunnen worden aan de andere kant. Deze levensles van 37 bij 55 cm herbergt een van de overtuigendste voorstellingen van foeragerende vogels. Het is een komen en gaan, een gefladder en gekras. Eksters, kraaiachtigen, mussen en vinken ogen levenslustiger dan men op een barre winterdag zou vermoeden. Je hoort er spontaan het getjilp en gekwetter bij. Eigenlijk hebben we veelal het raden naar de soorten die de schilder aan het paneeltje toevertrouwde, niettemin levert het vogeltechnisch vuurwerk op.

 

 

entertainment

 

Carel Fabritius (1622-1654) kwam in 1654 om het leven bij de ontploffing van een buskruitmagazijn in Delft. Slechts een handvol werken zijn bekend van deze jonggestorven meester. Het puttertje, een van de publiekslievelingen in de collectie van het Mauritshuis in Den Haag, is er een van. 

 

Fabritius vervaardigde dit kleine werkje in het jaar dat hij het leven liet. Putters zijn vinkachtigen en waren populaire kooivogels. Men leerde hen hun eigen drinkwater putten via een emmertje dat met een touw verbonden was - vandaar de officiële naam “putter”. Men vermoedt dat Het puttertje als een trompe-l’oeil fungeerde. Hoog opgehangen lijkt het alsof daadwerkelijk een geketende putter op een reling zit. 

 

Elk dier verdedigt zijn territorium. Frans Snijders maakte een pluim - veestuk waarin twee forse hanen elkaar bekampen. Het hanengevecht is eveneens een omstreden vorm van entertainment. De afloop van een hanengevecht is niet zelden dodelijk en is in verschillende landen bij wet verboden. Constantin Meunier (1831-1905) schilderde op bijzonder knappe wijze het gespannen karakter van een hanengevecht in Andalusië. (Verzameling van de Provincie Waals Brabant) 

 

 

de jacht

 

De jacht is sinds oudsher het geliefkoosde tijdverdrijf van de machtigen der aarde. Prestaties tijdens de jacht zouden iets zeggen over de krijgskunsten van een leider. In de loop van de zestiende eeuw ontstonden dan ook bijzonder populaire genres zoals jachtstillevens en dramatische dierstukken. Geschilderde jachttrofeeën waren een statussymbool omdat zij alludeerden op het bezit van uitgestrekte jachtgronden. De hertogen van Brabant resideerden in het Brusselse paleis op de Coudenberg. Enerzijds was er de Warande met de dierenverzameling of menagerie, en anderzijds vormde de Warande een corridor met het Zoniënwoud, het jachtdomein van de hertogen. De corridor zorgde ervoor dat het wild tot in de Warande kwam en men dicht bij huis kon jagen. Jan Brueghel de Oude was een van de kunstenaars die er naar verluidt studies van de dierenverzameling kwam maken. In het atelier van Brueghel werden nogal wat schilderijen gewijd aan Diana, de godin van de jacht. Twee beeldige exemplaren uit circa 1620, een samenwerking met Rubens, bevinden zich in het Musée de la Chasse et de la Nature in Parijs. In datzelfde kabinet installeerde Jan Fabre (1958) De nacht van Diana. Boven de bezoeker hangt een koe - pel van veren en nagemaakte uilenkoppen. De uilen zijn immer waakzaam. Maar dat zijn ook de jachthonden op beide werken van Brueghel en Rubens. De exacte weergave van die uitgebreide verzameling jachthonden oogstte bij kunstcritici vaak applaus. Men vermoedt dat Brueghel de fameuze verzameling van aartshertogin Isabella als voorbeeld had genomen. Een jachtordonnantie uit 1613, geldig voor de Zuidelijke Nederlanden, stipuleerde dat enkel vorsten in het bezit mochten zijn van jachthonden. Ook in de valkerij is dat standenverschil zeer manifest. Zeker in de middeleeuwen liep het prestige van het soort roofvogel parallel met de adellijke titel. Machtige arenden en giervalken waren bijvoorbeeld voor keizers en koningen bestemd, terwijl iemand van de lagere clerus zich met een sperwer moest tevreden stellen.

 

Antoon van Dyck maakte dan weer een portret van William Feilding, graaf van Denbigh. (1633/34, Londen, National Gallery) Begin jaren 1630 verkende Feilding Persië en India. Herinneringen aan die reis worden opgeroepen door het schilderij: de dress code, de graaf met zijn jachtgeweer, het jonge Indiase hulpje. Merkwaardig is de geografische blunder van van Dyck. De jonge Indiër wijst namelijk naar een groenvleugelara in een palmboom. Ara’s komen echter in Latijns-Amerika voor. 

 

 

gedomesticeerd en bron van voedsel

 

Duiven, kippen, ganzen, eenden en kalkoenen werden met veel vlijt gedomesticeerd. De eieren, het vlees en de veren die dit pluimvee verschaften, maakten hen razend populair. Pieter Aertsen en na hem Joachim Beuckelaer (1530-ca.1573) waren verantwoordelijk voor de succesvolle introductie van het markt- en keukenstuk. Deze werken hebben het karakter van een stilleven met uitbundig uitgestalde marktwaar zoals groenten, fruit, vissen, dieren, vogels en dergelijke meer. In De welvoorziene keuken worden hanen door meiden geplukt of op een spies gestoken, en zijn een kalkoen, fazant, houtsnippen en patrijzen uitgestald terwijl Jezus in de achtergrond bij Martha en Maria op bezoek is.

 

Verwant aan de bijbelse mannaregen was de kwartelregen. Kwartels kwamen als symbool van hemels voedsel, en dus van de eucharistie, uit de lucht vallen. Op de gesloten luiken van een Zuid-Nederlands Passieretabel (Zukowo, Maria-Assumptakerk, Polen) steken de poten van een kwartel uit een kookpot. Koen van Mechelen (1965) maakte dan weer van de kip de speerpunt van zijn kunstenaarspraktijk. Met zijn Cosmopolitan Chicken Project kruist hij allerlei kippenrassen van over de hele wereld en laat de vogels na hun dood opzetten. Het is de queeste naar de “kosmopolitische kip”, de kip die alle kenmerken van alle kippen in zich verenigt. 

 


 

Artistieke vogels

 

 

Rond circa 1505 schreef Leonardo da Vinci (1452-1519) een anekdote neer die verband hield met wat volgens hem op dat moment zijn vroegste levensherinnering was. Da Vinci geloofde dat hij als boreling in zijn wieg bezocht werd door een wouw, die zijn staart in zijn mond stopte. Dat wouwen, roofvogels met een lange staart, voorkwamen in het Toscaanse Vinci is een feit, maar de handeling van de vogel lijkt uiterst merkwaardig. Sigmund Freud wijdde er zelfs een boekje aan en geloofde dat de herinnering verband hield met de moederrelatie. Door een taalkwestie geloofde Freud overigens dat er sprake was van een gier en niet van een wouw. Ook James Ensor (1860-1949) had een gelijkaardige jeugdherinnering. Wat hier ook van zij, vogels spelen een fantasierijke rol in vele kunstwerken.

 

Jheronimus Bosch is de kampioen van vreemdsoortige vogelwezens. Zowel in de Triptiek met de bekoring van de heilige Antonius als in de Triptiek met de tuin der lusten is het aantal vreemde creaturen haast niet te tellen. Tussen al dat fantastisch geweld zien we ook ooievaars die op overtuigende wijze baltsen door hun nekken achterover te gooien om vervolgens te klepperen met de bek.

 

Verwant met de groteske wezens van Bosch is het universum van Ensor. In de koperets Christus door de duivels gekweld heeft een zielige Christusfiguur bovenop het kruis het gezelschap gekregen van een trompetterend vogelwezen. Een soort kale kip zit ernaast en doet zijn behoefte, waarbij hij de heiligman niet ontziet. 

 

William Degouve de Nuncques (1867-1935) was de schilder van mysterieuze, uitgepuurde, poëtisch gearrangeerde werken. De zwarte zwaan is daar een knap voorbeeld van. Jan Cox (1919-1980) was een beetje het archetype van de gekwelde, bezwaarde kunstenaar die meer capabel was tot het maken van kunst dan tot het leiden van een georganiseerd leven. De onontkoombare ziekte - zijn meedogenloze opvatting over het kunstenaarschap – zorgde voor drama en intensiteit in zijn werken. Ik sterf getuigt van een discrepantie tussen een morbide inhoud en een kleurrijke vorm.

 

Marcel Broodthaers (1924-1976) doopte sectie 19 in zijn zelfopgerichte Musée d’Art Moderne Les Aigles. Broodthaers’ doel was het in vraag stellen van het museum als instituut en dit fungeerde als een kritiek op de hele museumwereld. Met Les Aigles, of de arenden, rekende Broodthaers af met een krachtig machtssymbool.

 

René Magritte (1898-1967) bedacht in 1940 met De terugkeer nog maar eens een iconisch werk. De duif die uit witte wolken en azuurblauwe lucht opgetrokken lijkt, zou naderhand het symbool van de Belgische luchtvaartmaatschappij SABENA worden. Magritte hield van de verkenning en vermenging van nacht en dag. Met Roger Raveels (1921) triptiek Het verschrikkelijke mooie leven zijn we in het haast verblindende zonlicht beland, en treffen we levende vogels in een kunstwerk aan. In deze assemblage is een kooi met kanaries verwerkt. Een kat komt naderbij terwijl op het rechterluik een witte vogel de vrijheid geniet. Raveel zoekt de spanning tussen het huiselijke en het universele, het mooie en het verschrikkelijke, de verbeelding en de realiteit. En tenslotte zou Pablo Picasso’s eenvoudige tekening van een duif een symbool voor de vrede worden. 


 

Praktisch

AUTEUR

 

Matthias Depoorter (1980) studeerde kunstwetenschappen aan de Universiteit Gent. Zijn thesis handelt over vogelvoorstellingen op schilderijen uit de vijftiende en de zestiende eeuw uit de Zuidelijke Nederlanden.

Als doctorandus onderzoekt hij de natuurobservatie in het oeuvre van Jan Breughel de Oude, Depoorter is sinds zijn elfde gebeten door de ornitologie.

Depoorter is medewerker van de Vlaamse Kunstcollectie en schrijft of schreef in de hoedanigheid van kunstcriticus artikelen en rescensies voor Knack, Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, Staalkaart, Kunst in Limburg, Origine, Klimop, Rekto:verso, Zone Magazines en Apollo.


Selectieve bibliografie

 

T. Birkhead, De wijsheid van vogels. Een geïllustreerde geschiedenis van de ornithologie, Amsterdam, 2008.

J. del Hoyo, A. Elliott, J. Sargatal (eds), Handbook of the Birds of the World, Barcelona, 1992-2008.

M. Depoorter, Licentiaatsthesis Aspecten van de voorstelling van vogels op schilderijen van de vijftiende en zestiende eeuw uit de Zuidelijke Nederlanden, Gent, 2006 (promotor Maximiliaan P.J. Martens).

M. Depoorter, Aspecten van de natuurschildering bij de Vlaamse primitieven en Roelandt Savery in Handelingen (Koninklijke Geschied- & Oudheidkundige Kring van Kortrijk vzw), Kortrijk, 2012.

C. Harbison, ‘De iconologische benadering’, in B. Ridderbos en H. van Veen (eds), Om iets te weten van de oude meesters. De Vlaamse Primitieven- herontdekking, waardering en onderzoek, Heerlen 1995, pp. 394-432.

R. Huxley, De grote natuuronderzoekers, Londen, 2007.

C.E. Jackson, Dictionary of bird artists of the world, New York, 1999.

Lars Jonsson, Vogels van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, 1994.

L. Svensson & P.J. Grant, ANWB vogelgids van Europa, Den Haag, 2002.

C. Tudge, Consider the Birds – Who they are and what they do, Londen, 2009.

T. Lemaaire, Op vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling verbeelding, 2007.