U bent hier

Vlaamse kunst in Transsylvanië - Het Brukenthal Museum in Sibiu/Hermannstadt

Brukenthalmuseum in Sibiu
Laan in Brukenthals zomerresidentie in Avrig.

 

In de twaalfde eeuw trokken vele Vlamingen naar Oost-Europa. Slechte oogsten en een groeiende populatie dwongen onze voorouders tot emigratie. In de streek van Sibiu in Roemenië kan je er nog altijd de sporen van vinden. Tegelijkertijd bezit de stad één van Europa's topcollecties van Vlaamse kunst. Het themanummer is ook verkrijgbaar in het Engels, Duits en Roemeens.

(De afbeeldingen zijn te vinden in het PDF-document)

 

Baron Samuel von Brukenthal is één van die mensen die geboren worden met het magische merkteken 'Cultuur' op het voorhoofd getatoeëerd, die het levenslicht zien in een andere tijd en op een andere plaats - in dit geval het Europa van de toekomst - en die een bijzonder levensdoel hebben: het verzamelen van de mooiste dingen die de wereld gecreëerd heeft. Bij zulke mensen spelen de details van hun levensverhaal weinig of geen rol, ook niet hun sociale of politieke status en evenmin hun etnische achtergrond. Ze zijn als Europeaan geboren. Ze zijn daar fier op en laten dat blijken. Dat geldt zeer zeker voor Samuel von Brukenthal. In de collecties die hij samenbracht geeft hij cultuur door, en ook zijn ziel. Hij laat ons zijn huis na, veredeld met zijn verzamelingen en zijn scherpe geest. Hij nodigt ons uit in de stilte van zijn bibliotheek, kantoor, slaapkamers en schilderijenzalen. Hij leert ons dat niets onsterfelijk is, behalve cultureel erfgoed.
 
 
Vandaag, 190 jaar na de opening van het Brukenthal Museum en meer dan 200 jaar na de dood van de stichter, brengen we hulde aan het Europese denken en leven van Samuel von Brukenthal.
 
 
Prof. Dr. Sabin Adrian Luca

Directeur Brukenthal Museum, Sibiu


 

Inleiding

 
 
Waarom reist Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen naar een museum in Sibiu / Hermannstadt, de hoofdstad van de Roemeense provincie Transsylvanië? Het antwoord is het verhaal van één man: Samuel von Brukenthal (1721- 1803). Baron von Brukenthal was een ambtenaar die tijdens een audiëntie bij Maria Theresia bijzonder in de smaak viel van de keizerin. Hij schopte het tot chef van de Transsylvanische hofkanselarij in Wenen. Daar ontlook zijn liefde voor kunst en ligt de kiem van een collectie die zou uitgroeien tot een bibliotheek met 16.000 zeldzame boeken, waardevolle verzamelingen mineralen en munten, zilver en beeldhouwwerk, 800 gravures en 1.200 schilderijen,waarvan 456 Vlaamse en Hollandse.
 
 
Samuel von Brukenthal was een kunstkenner met goede smaak. Het schilderij van Jan van Eyck en de twee panelen van Hans Memling zijn topstukken in de collectie. Vanwaar Brukenthals voorliefde voor kunst uit de Lage Landen? Heeft het te maken met de algemene belangstelling voor Vlaamse meesters in het Wenen van toen? Of liet hij zich ook inspireren door de 'Vlaamse' wortels van zijn geboortestreek?
 
 
Transsylvanië (Siebenbürgen) is een historische regio, omringd door de Karpaten. Toen de Magyaren er op het einde van de negende eeuw binnenvielen, zochten ze hulp voor de verdediging en ontginning van het lege gebied. Rond 1150 wist koning Geza II vele duizenden immigranten aan te trekken. De Flandrenses, zoals men ze oorspronkelijk noemde, waren vooral Vlaamse boeren, handelaars en kleine adel. Zij stichtten er nederzettingen, waaronder in 1192 Hermannstadt. De Vlaamse sporen zijn er tot vandaag terug te vinden in de taal, de cultuur en de landbouw.
 
 
Naar het ondertussen welvarende Hermannstadt keerde Samuel von Brukenthal in 1777 terug, toen Maria Theresia hem benoemde tot gouverneur van Transsylvanië. De kunstcollectie verhuisde mee. Von Brukenthal bouwde een residentie om de verzameling netjes geordend te presenteren. In zijn testament schonk de kinderloze baron alles aan het Evangelisch Gymnasium van de stad, "ter opvoeding en versterking van het nationaal gevoel". In 1817 werd het Brukenthal-paleis een van de eerste publiek toegankelijke musea van Europa. Dat gaan we nu bezoeken.
 

Inhoud

 - Flandrenses in Transsylvanië

 - Een paleis voor kunst

 - Een kostbaar werk in de bibliotheek

 - Vlaamse kunst in de collectie

 - Praktisch 


 

Flandrenses in Transsylvania

Naar de andere kant van het woud

 
 
 
Aan het begin van de jaartelling woonden de Daciërs in het historische gebied dat we nu Transsylvanië noemen, het land (-ië) aan de andere kant (trans) van het woud (silva). Het betreft het Centraal-Europese woud. Rond het jaar honderd bezette generaal Trajanus de streek en annexeerde Dacië als een provincie van het Romeinse Rijk. Rome stuurde er kolonisten naar toe, vooral Slavische en Germaanse volkeren, maar de meeste trokken snel verder.
 
In 896 veroverden de Magyaren Transsylvanië. Deze etnische Hongaren kwamen vanuit Oekraïne. Waarom trokken ze de Karpaten over? Moesten ze op de vlucht voor de Alanen en Bulgaren? Ze vonden in Transsylvanië alleszins noodzakelijke natuurlijke rijkdommen. De Magyaren stootten verder door naar het Westen. Conrad, de hertog van Lotharingen, inviteerde hen in de Nederlanden, maar ze verwoestten het Hageland en Henegouwen. Daarop werden ze uit Cambrai teruggedreven en in 955 wisten de Duitse troepen van keizer Otto I, na de Slag van Lechfeld (Augsburg), de opmars van de Magyaren definitief te stoppen.
 
 
 

VLAAMSE WORTELS AAN DE VOET VAN DE KARPATEN

 
Koning Geza I (972 - 997) bekeerde zich tot het katholieke geloof en vroeg westerse missionarissen naar Hongarije te komen. Omdat de Magyaren weinig talrijk waren, konden ze niet alleen instaan voor de ontwikkeling en verdediging van hun nieuwe grondgebied dat bewoond was door halfnomadische jagers, herders en vissers. De oproep van de koning kreeg weinig gehoor. Zijn zoon Geza II (1141-1162) kende meer succes. Hij nodigde westerse priesters, boeren en ridders uit naar Transsylvanië en beloofde hen vrij land, rechtstreeks onder het gezag van de koning. De nieuwkomers mochten zelf hun pastoors kiezen en betaalden enkel de tiende belasting aan de bisschop. Wouden en meren, elders voorbehouden aan de koning, konden gebruikt worden door elke vrije man die wapens mocht dragen. De adel had geen rechten in dit koningsland. De kolonisten moesten geen lokale handelsbelastingen noch marktrechten betalen. De Siebenbürgse handelaars waren geen belasting verschuldigd aan Hongarije. Onder deze voorwaarden slaagde Geza II er bijzonder goed in westerlingen aan te trekken. Het waren Duitse, Waalse, Luxemburgse en vooral Vlaamse boeren, handelaars en kleine adel die naar Terra Ultra Silvana (ook Altland genoemd) kwamen. In tijdsdocumenten worden ze eerst 'Flandrenses' en later 'Teutonici' of 'Saksones' genoemd.
 
 
Prinsen en prelaten uit de Nederlanden stimuleerden de migratie. Hun steun was nodig want zonder toestemming van de heren konden lijfeigenen niet reizen, laat staan zich elders vestigen. Vroeger al waren Vlamingen, Brabanders, Luxemburgers en Luikenaars naar Duitsland, Polen en Schotland vertrokken. Dat had te maken met dreigend grondtekort door een snel groeiende bevolking in de Nederlanden. Dat was ook zo in het midden van de twaalfde eeuw en de Vlamingen gingen naar de enige plaats in Europa waar nog vruchtbare en vrije grond beschikbaar was: Transsylvanië.
 
 
De eerste kolonisten, ongeveer 3.000 personen uit een vijfhonderdtal families, vestigden zich aan de natuurlijke en strategische grens, gevormd door de Karpaten. Ze creëerden bufferzones van vier bij tien kilometer met een dichte wildgroei van bomen, doornstruiken en kreupelhout. Bij drie doorgangen in de bergketen richtten ze grenskantoren en versterkingen op. De kolonisten stichtten zeven nederzettingen, waar waarschijnlijk de Duitse naam voor Transsylvanië 'Siebenbürgen' vandaan komt. Eén van die zeven is Villa Hermanni, later omgedoopt tot Hermannsdorf en nog later tot Hermannstadt. De 'Flandrenses' markeren het begin van een bloeiende periode in de regio. Boeren introduceerden hun productief drieslagstelsel en bekwame ambachtslieden creëerden een nieuwe economie. Samen zorgden ze voor eeuwen van welvaart in Transsylvanië.
 
 
 

MET DE VLAAMSE KRUIWAGEN GEHAALD

 
 
De taal van de nieuwkomers in Transsylvanië was het Moselfrankisch, dat ook het dialect was van Karel de Grote. Moselfrankisch werd gesproken van Metz tot Luxemburg, van Saarbrücken tot Aken en Friesland. In dit dialect liggen de wortels van het Duits (platduits), het Swizzer-duits, het Lets, het Centraal- Europees Jiddisch, het Luxemburgs en het Nederlands. Vandaag zijn het Luxemburgs en het Siebenbürgisch dialect nog zeer verwant. Een zin in het Transsylvanisch Saksisch: " Eich hume hesch schatzk'n, auer reich äs nöt, wat näzt mich det reichsei, det gold kässt 'm nöt", wat in het Nederlands betekent: " Ik heb een mooi schatje, maar rijk is ze niet, wat baat mij rijkdom, het geld kust men niet." Soms is de band met het Nederlands heel duidelijk: een 'varken' is een 'verken'. 'Sponde', 'kasten' en 'schur' klinken al even bekend en ook 'meiske' (muisje) is te herkennen. En er is nog het gezegde 'Heb je dat met de Vlaamse kruiwagen gehaald?', wat betekent: waar haal je dat vandaan? Sommige Siebenbürgse Saksen beweren dat ze 'Diets' spreken en niets met de Saksen uit Duitsland te maken hebben. Ze zijn trots op hun Vlaams verleden.
 
 
Sporen daarvan zijn tot vandaag terug te vinden. In de omgeving van de stad Alba Julia ligt het dorpje Barabant, gesticht rond 1200. De naam verwijst allicht naar de Brabantse afkomst van de eerste dorpelingen. Nog andere plaatsnamen herinneren aan stichters uit onze gewesten: Wallenderf door Walen en Tschippendorf door Zeeuwse scheepsbouwers.
 
 
Ook in de architectuur zijn getuigenissen van dat Vlaams verleden terug te vinden. De Biserica Azilului, de Asielkerk, in Sibiu, opgericht in 1240 is een schitterend voorbeeld. Asielkerken, bestemd voor armen en zieken, zijn typisch voor de Nederlanden en gotische stijl draagt al evenzeer de stempel van de Lage Landen.
 
 
Restanten van oude Vlaamse, Waalse en Mosellaanse muziek zijn in Transsylvanië te horen. Zelfs in de natuur en de organisatie van de landbouw vindt men elementen, zoals dijkbouw en bemaling, die ons terugvoeren naar de eerste kolonisten uit onze streken. De Mosellaanse mirabel groeit er nog steeds en de Transsylvanen maken er Tswuika van, een zeer sterke alcohol. De Feteasca Alba en de Tokaj stammen af van de wijnstokken die de Flandreses meebrachten. Ze evolueerden in Transsylvanië, zoals aan de Moezel, tot Reisling en Gewurzstraminer.
 
 
 

TRANSSYLVANIË WORDT OOSTENRIJKS

 
 
In de dertiende eeuw vielen twee grote Mongoolse legers Transsylvanië binnen en verwoestten vele Hongaarse en Duitse nederzettingen. Hongaren trokken massaal van het platteland naar de steden en hun plaats werd ingenomen door de Roemenen die uit het Karpaten-gebergte afkomstig waren. Vanaf dan stagneerde de Hongaarse bevolking, die tot dan de grote meerderheid in Transsylvanië vormde, en werd een minderheid. Hermannstadt werd in 1241 door de Tartaren verwoest. De 'Flandrenses' hebben nadien de stad versterkt met wachttorens en stevige muren. Eeuwen later is het de Ottomanen niet gelukt Hermannstadt in te nemen, al kwam het grootste deel van het Hongaarse koninkrijk na de Slag bij Mohàcs in 1526 bij het Ottomaanse rijk en ging een ander deel naar de Habsburgse Oostenrijkers. Transsylvanië was het enige niet bezette, overgebleven deel van het Hongaarse rijk.
 
 
Na de nederlaag van de Ottomanen bij de Slag van Wenen in 1683 brachten de Habsburgers, die ook de Hongaarse kroon hadden geërfd, Transsylvanië langzaam maar zeker onder hun heerschappij. In 1687 werd de regio een Oostenrijks kroonland en in 1711 verving Wenen de Hongaarse vorst van Transsylvanië door een gouverneur. Eén van hen was Samuel von Brukenthal.
 
 

 

Een paleis voor kunst

 

De unieke verzameling van Brukenthal

 
 
 
Hermannstadt heeft weinig belangrijke schilders voortgebracht. Er was wel de stillevenschilder Tobias (Stranover) Stranovius (1684-1724), een leerling van Jacob Bogdani, en in de stad was een groot aantal gereputeerde ambachtslieden actief, vooral zilversmeden zoals Sebastian Hann. Brukenthals liefde voor kunst ontstond in Wenen. Daar deed hij rond 1759 zijn eerste aankopen en zou dit blijven doen tot 1774. Hij kocht op de kunstmarkt, via handelaars en tussenpersonen. En allicht kreeg hij van Maria Theresia enkele werken. Zes schilderijen stammen zeker uit de keizerlijke verzamelingen, waaronder de Titiaan en het werk dat Hendrik van Balen samen met Jan Brueghel de Oude schilderde.
 
 
In 1773 beschouwt Joseph Kurbösch in de Weense Almanak de collectie van Samuel von Brukenthal als één van de vier grote Weense verzamelingen. Op het einde van de negentiende eeuw maakten Otto von Frimmel en Michaël Csaki de eerste studie van de schilderijencollectie, het hoogtepunt uit Brukenthals verzameling. De catalogus die Csaki opstelde is voor die tijd bijzondere accuraat en getuigt van een gedegen kennis. Bijzonder is ook de ongewone observatie van de kunstwerken zelf.
 
 
De collectie geeft een idee van wat een verzamelaar in Wenen in de tweede helft van de achttiende eeuw kon kopen. Transsylvanië was een van de rijkste provincies van het Habsburgse rijk en Brukenthal kon zich wat veroorloven, zonder naar Weense normen echt schatrijk te zijn.
 
 

 

BARON SAMUEL VON BRUKENTHAL

 
 
Meer dan tweehonderd jaar geleden schonk baron Samuel von Brukenthal (1721-1803), een tijdgenoot van Immanuel Kant (1724-1804), in een gebaar dat schitterend de eeuw van de Verlichting illustreert, zijn bezit aan het Duits Gymnasium van Hermannstadt "ter stichting en opvoeding van de jonge Siebenbürgse Saksen". Fidem genusque servabo (Mijn geloof en mijn volk wil ik dienen), was zijn wapenspreuk.
 
 
Samuel von Brukenthal werd geboren op 26 juli 1721 in Nocrich, Transsylvanië. De Saksische familie heette oorspronkelijk Brekner. Samuels vader was als koningsrechter door keizer Karel VI geadeld en mocht het predicaat von Brukenthal dragen. Samuel groeide op in een streng Lutheraans gezin. Van 1743 tot 1745 studeerde hij in Halle en Jena politieke wetenschappen, geschiedenis en filosofie.
 
 
In 1745 begon Samuel von Brukenthal in Hermannstadt een beambtenloopbaan in dienst van de Saksische natie. Hij verkreeg het burgerrecht in de stad door zijn huwelijk met Sophia Katharina von Klockner (1725-1782), de dochter van de burgemeester. In 1753 mocht hij op audiëntie bij keizerin Maria Theresia in Wenen. Brukenthal viel bij haar direct in de smaak en hij mocht in Hermannstadt aan de slag bij de Staatlichen Verwaltungsdienst. Al vlug stootte hij door naar de hogere ambtenarij. In 1762 promoveerde hij tot Freiher en in 1765 tot chef van de Siebenbürgse Hofkanselarij in Wenen. Brukenthal ontving in datzelfde jaar het Sint-Stephanuskruis en in 1773 werd hij commandeur in deze orde. Nog in 1773 werd hij voorzitter van de vrijmetselaarsloge in Hermannstadt, een van de oudste loges in Oost-Europa die hij trouwens zelf had gesticht. In 1777 benoemde Maria Theresia hem tot gouverneur van Transsylvanië en Brukenthal keerde terug naar Hermannstadt. Zijn verzameling verhuisde mee. Als kersverse gouverneur nam hij het initiatief voor een aantal efficiënte belastingshervormingen.
 
 
Na de dood van keizerin Maria Theresia (1780) diende Brukenthal nog een tijd onder keizer-koster Jozef ll, met wie het niet goed klikte. Jozef II zou de privileges en autonomie van Siebenbürgen opheffen, zeer tegen de zin van Brukenthal die het speciale statuut van de 'koningsgrond' wilde beschermen. In 1787 werd hij gedwongen met pensioen te gaan. Vijf jaar eerder stierf zijn echtgenote en hun enige dochter was jong gestorven. Zijn neef graaf Michaël von Brukenthal zette het geslacht verder. Samuel bracht zijn tijd door in zijn paleis in Hermannstadt en in zijn zomerresidentie in Avrig, omringd door zijn vele verzamelingen. In zijn in 1802 opgestelde wilsbeschikking bepaalde Brukenthal dat na zijn dood de residentie met de collectie voor het publiek toegankelijk moest worden. Heel zijn bezit liet hij onderbrengen in één stichting die eigendom was van het Saksisch Evangelisch Gymnasium, door de Kerk beheerd.
 
 
Deze instelling is ook vandaag nog de eigenaar van het paleis en de collectie. Hij bepaalde dat buiten de geïnvesteerde bedragen waarvan de opbrengst bestemd was voor het onderhoud van het museum er ook aparte dotaties kwamen voor elk departement ter verdere uitbreiding van de collectie en nieuwe aankopen. Hij voorzag een bedrag van 36.000 fl. waarvan de opbrengst het personeel van het museum moest betalen. Nog vóór zijn dood liet hij een speciale zaal ombouwen als restauratieatelier voor de kunstwerken en voorzag een bedrag voor de kosten van de restauraties. Hij stelde een ander bedrag ter beschikking van het Gymnasium om een tekenmeester aan te stellen, wiens leerlingen toegang kregen tot de kunst- en grafiekverzamelingen. Het hele concept van de verzameling, die zoals hij zelf schreef: "met moeite en zorg" was samengebracht, moest dienen om de patriottische geest te ontwikkelen en de cultuur en het gemeenschapsleven in Siebenbürgen te animeren. Het openstellen van de collectie was ook bedoeld "ter opvoeding van de jonge generaties kunstenaars en liefhebbers, als een bijdrage aan de Saksische cultuur". In 1817 opende het museum de deuren.
 
 
 

EEN MAN VAN STANDING EN MET STIJL

 
 
Verzamelen hoorde bij de activiteit van een heer van stand. Diplomaten en hoge beambten aan de hoven wedijverden met elkaaren met vorsten en prinsen in 'connoisseurship' en verwierven zelf mooie verzamelingen. Ook Brukenthal door zijn collectie zijn status bevestigen. Hij deed het met verve.
 
 
Het hoogste goed voor een verzamelaar uit die tijd was Italiaanse kunst. Samuel von Brukenthal kocht en kreeg onder andere een topwerk van Titiaan, vijf schitterende Magnasco's, een kleine Veronese, Antonello da Messina, Lorenzo Lotto, een mooi beeldhouwwerk van Tullio Lombardo en een grote collectie Napolitaanse schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Alles samen is het een impressionant geheel dat getuigt van goede smaak en verfijnde cultuur. Het grootste deel van Brukenthals verzameling bestaat uit Vlaamse, Hollandse, Duitse en Oostenrijkse schilderkunst.
 
 
Tussen 1778 en 1786 bouwde Brukenthal op de grote markt van Hermannstadt een residentie die, als een 'Wonderkamer' een rijke selectie uit zijn verzameling kon herbergen.
 
 
Samuel von Brukenthal verdeelde zijn verzameling over dertien grote kamers op de tweede verdieping en over de salons en eetzalen van zijn residentie in Hermannstadt. In de geest van de Verlichting klasseerde hij de schilderijen en hing ze op, gerangschikt naar regionale school en thematiek. Brukenthal had een voorliefde voor jachtstillevens en jachttaferelen, stillevens, genrescènes en landschappen. Zoals de meeste leden van de Habsburgse adel bezat ook hij
een reeks portretten van belangrijke tijdgenoten, die de meer publieke ruimten van de residentie sierden. Het kleine aantal portretten kan te verklaren zijn door de relatief bescheiden afkomst van de baron, die niet verwant was met grote prinselijke hoven.
 
De eerste beschrijving van de Galerie uit 1790, wanneer Brukenthal zijn verzameling openstelt voor personaliteiten en kunstkenners, neemt de bezoeker mee van kamer naar kamer aan de hand van de belangrijkste werken. Het parcours leidt langs de collectie mineralen, munten, archeologie en antieken, de bibliotheek met bijna 16.000 zeldzame boeken, 800 gravures, meubels, zilver, beeldhouwwerk en schilderijen.
 
 
Sinds 1772 was de schilder Johan Martin Stock de raadgever van Brukenthal. De grootste kenner van zijn tijd, de Hertog Albert von Sachsen-Teschen had in Wenen Brukenthals oog gevormd en zijn kennis gestructureerd. Stock maakte de éérste catalogus (ca.1790) van de Vlaamse en Hollandse schilderijen. Het opstellen en publiceren van een dergelijke catalogus was belangrijk voor het prestige van de verzamelaar. Brukenthal ordende zijn schilderijen "naar het voorbeeld van de keizerlijke galerie te Wenen", zoals één der bezoekers in het gastenboek schreef. In elke kamer was een handgeschreven cataloog van de genummerde schilderijen voorhanden die aan alle bezoekers ter inzage kregen. De normen van het kennersschap vertalen zich in esthetische kwaliteit, die op haar beurt de expressie is van de persoonlijke ervaring door de verzamelaar opgebouwd. Zijn keuze was beperkt door het marktaanbod. De waarde werd niet alleen bepaald door de artistieke kwaliteiten van het schilderij, maar ook door de attributie. Aan het ontcijferen van de code van de kunstenaar en het herkennen van de auteur is een apart plezier verbonden dat toeneemt met het verhogen van de vaardigheid van de kenner. Samuel von Brukenthal was een bedreven connaisseur maar liet zich bijstaan door de meest ervaren raadgevers die hij kon krijgen. Dit plezier was zeker één van zijn belangrijkste doelen na zijn op pensioenstelling door Jozef II. Een andere motivatie was het decoratieve aspect, omdat de verzameling zijn paleizen, eerst te Wenen en daarna te Hermannstadt en in Avrig, moest sieren. We kunnen deze decoratieve bezorgdheid aflezen uit het ongewoon groot aantal pendanten in de verzameling, die beter dan de enkele schilderijen in de salons aan de symmetrie van de decoratie beantwoorden. Op een totaal van 269 Vlaamse schilderijen zijn 117 schilderijen pendanten van elkaar. Dit is een ongewoon hoog percentage in vergelijking met andere verzamelingen.
 
 

 

 

Een kostbaar werk in de bibliotheek

 

Vlaamse miniaturen in het Brukenthal Breviarium

 

 
 
De bibliotheek van Samuel von Brukenthal getuigt van een zeer brede interesse. Hij verzamelde aanvankelijk handschriften, incunabelen, geschiedenis, Transylvanica, mineralogie, archeologie, numismatiek en kunst. Later breidde Brukenthal zijn interesse uit naar het hele spectrum van de toenmalige kennis. De bibliotheek besloeg met 15.792 boeken vijf kamers op de middenverdieping van het paleis en had een bibliothecaris die ook ten dienste stond van de vrienden van Brukenthal, die hij verenigde in een lezerskring. Dokter von Hahnemann, de pionier van de homeopathie, woonde op het einde van de achttiende eeuw in Hermannstadt en gaf er onderwijs. Hij was de lijfarts van Brukenthal en diens bibliothecaris van 1777 tot 1779.
 
 
 

HET WERK VAN VELE HANDEN

 
 
Het getijdenboek uit de collectie van baron Samuel von Brukenthal, bekend als het Brukenthal Breviarium, is één der mooist geïllustreerde manuscripten uit het eerste kwart van de zestiende eeuw. Von Brukenthal kocht het manuscript op 2 januari 1787 te Wenen voor de prijs van 130 fl.
 
 
Het Brukenthal-getijdenboek begint met de maandkalender, die voor elke maand twee pagina's beslaat, versierd met de tekens van de dierenriem en scènes uit de dagelijkse leven met een hoge horizon (afmeting 1 1 x 7,5 cm). De twee eerste regels van de bladzijden geven de naam van de maand, het aantal dagen en het aantal van de maandagen, gevolgd door de vaste feestdagen en de heiligendagen. Pasen, Hemelvaart en Pinksteren variëren elk jaar en worden niet vermeld maar kunnen berekend worden met de  numerus aureus en de littera dominicalis in de twee eerste kolommen. In het Romeins systeem worden de maanden in drie verdeeld: calendae, nones en iden, deze indicaties vinden we in de vierde kolom.
 
 
De iconografie en het schilderkundige concept zijn nauw verbonden met deze in het getijdenboek van Isabella de Katholieke (Cleveland), haar breviarium (Londen) en het fameuze Breviarium Grimani (Venetië, Bibliotheca Marciana). Meestal werden deze manuscripten gemaakt voor koningen, prinsen en hoge adel, en slechts in mindere mate voor de rijke bourgeoisie, voor persoonlijk gebruik of als diplomatieke giften. Hun schittering was het symbool van de exceptionele sociale status van de eigenaar, die meestal het werk van Vlaamse miniaturisten boven dat van de lokale kunstenaars verkoos. Het Brukenthalmanuscript bevat 92 miniaturen en 684 geïllustreerde folio's.
 
 
De miniaturen en de randillustraties zijn allicht gemaakt door een groep van op zijn minst acht verschillende manuscriptschilders, actief te Gent of meer waarschijnlijk in Brugge. De voornaamste illustrator was een anonymus in het atelier van de 'Meester van de David-scènes in het Grimani Breviarium'. Hij onderging de invloed van de stijl van de Gentse Gerard Horenbout die bekend was voor zijn briljant geschilderde anekdoten van het dagelijkse leven geplaatst in wijde landschappen. Deze anonymus van het Brukenthal Breviarium coördineerde de opdracht en bepaalde de decoratieve stijl van zijn medewerkers. Initialen, miniaturen en boorddecoraties volgen een vastgelegd patroon. Er is duidelijk gebruikt gemaakt van doordrukken, zoals men op de achterzijde van de folio's ziet, en van modeltekeningen. Het is waarschijnlijk dat het Brukenthal-manuscript met zijn gestandaardiseerde iconografie en decoratie gebaseerd was op bestaande modellen, uit dezelfde tijd. Het is duidelijk het product van een los samenwerkingsverband van verscheidene kunstenaars onder de autoriteit van de meester. Het aantal motieven is op elk blad gelijk en zij hebben geen functie in het structureren van de tekst. De boordillustraties van de 'incipit'-pagina's zijn op elkaar afgestemd. Symbolisme is alleen latent aanwezig en het volgt de normale traditie.
 
 
We zien een wapenschild in een van de miniaturen dat nog onaf geschilderd is, men zou daaruit kunnen besluiten dat het boek geproduceerd was voor de open markt, speculerend op de bestellingen van rijke buitenlandse handelaars die dikwijls in Brugge een manuscript kochten. Anderzijds vinden wij op pagina 510 de naam van een monnik OLNERICUS. Dit kan de indicatie zijn van de naam van een opdrachtgever, des te meer daar we op pagina 519 in de illustraties afbeeldingen zien van Cisterciënzermonniken.
 
 
De naturalistische stijl van de Gent-Brugse miniaturen is duidelijk merkbaar. De monumentale figuren zijn in architecturaal gestructureerde, dikwijls in trompe-l'oeil weergegeven, ruimtes voorgesteld. De volblad miniaturen van de linkerzijde vormen vaak een diptiek met de kleinere miniaturen van de rechterzijde, door een andere hand geschilderd. De licht en schaduwwerking is spectaculair. Er is een evidente relatie met de stijl van het werk van Hugo van der Goes en van Gerard David. Ook de invloed van Sirnon Marmion uit Valenciennes en zijn zo typische halve lengte close-ups, zoals we zien in de miniatuur van de Bewening, is op verscheidene pagina's merkbaar. Ook Simon Benning en Gerard Horenbout illustreerden aparte folio's in dit manuscript, die duidelijk de evolutie van de Vlaamse paneelschilders van die periode aantonen. Al deze observaties leiden tot de vaststelling dat de 'Meester van de David-scènes' een grote voorraad had van ontwerptekeningen naar eigen modellen en naar modellen van andere kunstenaars.
 
 
 

DE KROON OP DE DATERING

 
 
De datering is op te maken uit de stijl van de miniaturen, uit de stijl van de decoratie en uit de heiligenkalender. Tot nu was de voorgestelde datum van voleinding van het manuscript circa 1495. Op stilistische grond kan evenwel een datering tussen 1515 en 1520 voorgesteld worden. En er zijn nog andere elementen. Op een van de miniaturen is in het altaarkleed de datum 1517 zichtbaar. Een andere miniatuur stelt Karel de Vijfde voor gekroond als koning. In 1517 werd hij inderdaad koning van Spanje. Hij werd keizer in 1519, en werd van dan af voorgesteld met de keizerskroon. Deze observatie is alleen een kleine stap in het onderzoek van dit complex manuscript.
 
 
 
Het manuscript vormt met de Huth Hours (Londen, British Library, te dateren rond 1480 ) waarop verscheidene margedecoraties uit het Brukenthal-manuscript geïnspireerd zijn, zoals dit ook het geval is in het getijdenboek van Joanna van Castilla (Londen, British Library, te dateren ca 1515 ) en het Gebedboek met psalmen (Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, te dateren 1515/20 ) een consistente groep. Deze kan men situeren in een breder ensemble van 22 manuscripten van de Gentse-Brugse school, allen te dateren tussen 1490 en 1530 . Zij waren producten van het mecenaat van het Bourgondisch-Habsburgse hof.
 
 

 

Vlaamse kunst in de collectie

 

Een selectie van topstukken in het Brukenthal Museum

 

 
 
Vlaanderen' betekent hier de Zuidelijke Spaanse Nederlanden, met de toenmalige grenzen en omsluit ook Vlaamse kunstenaars die in het buitenland actief waren. Vlaanderen is geen statisch gegeven. De geografische grenzen van onze provinciën hebben zich van de veertiende tot de negentiende eeuw sterk gewijzigd. Ze waren voor de kunstenaars nooit een belemmering om te reizen, handel te drijven en zich dynamisch naar de beste markten, waar ze zich ook bevonden, te keren.
 
 
De termen 'Vlaanderen' en 'Fiammingi' werden in Brabant, Limburg, Luik en in heel Europa gebruikt om de creatieve kwaliteit van onze gewesten te duiden: van Atrecht tot Maastricht en van Vlissingen tot Dinant. Het was een sterk staaltje van natiemarketing. Grote culturen zijn altijd inclusief. Zij staan open voor iedereen die er zich op beroept of ernaar refereert. Niet alleen wij beriepen ons op deze culturele identiteit, maar ook Duitsers als Memling en Dürer, Polen als Sittow en Rutthardt. Velen, zoals de Champaigne, Van der Meulen en Rops, weken uit voor lange tijd en behoorden evenveel of nog meer tot andere schilderscholen, dan tot de Vlaamse of Belgische. In vele buitenlandse kunstenaars, zoals Domenico Ghirlandaio of Antoine Watteau, voelen we de visuele verbondenheid met onze traditie evenzeer als hun anderszijn.
 
 
Vanwaar de voorliefde van Brukenthal voor Vlaamse kunst? Brukenthal was op de hoogte van de Vlaamse en Waals-Luxemburgse inbreng in de geschiedenis van Transsylvanië. Dit aspect komt ruim aan bod in manuscripten en in een boek (rond 1765) die zich in de bibliotheek van de baron bevinden. De auteur is Martin Felmer, een vriend van Brukenthal, die ook de eerste catalogus van zijn muntcollectie maakte. In welke mate het hem heeft aangezet Vlaamse kunst te verzamelen, is moeilijk te achterhalen. Dat hij de collectie naliet aan de Saksische gemeenschap "om het nationaal gevoel te versterken" laat vermoeden dat het Flandrensesaspect heeft meegespeeld.
 
 
Wel staat vast dat de Vlaámse kunst rond 1750 in heel Europa zeer gegeerd was, zeker in Wenen. Het was dan ook normaal dat deze het grootste deel van de verzameling uitmaakt. Goede Vlaamse schilderijen waren in die tijd door de ontbinding van de kloosters ook in grote aantallen op de Weense markt aanwezig en goedkoper dan de Italiaanse.
 
 
 

VAN EYCK EN MEMLING

 
 
Jan van Eyck is in de Brukenthal-collectie vertegenwoordigd door Het portret van de man met de blauwe kaproen. Dit was voor van Eyck een normale voorstellingswijze. Het ideaal portret dat traditioneel rond 1400 aan het hof de mode was, evolueerde rond 1425 naar een voorstelling die de individualiteit en het karakter van de geportretteerde illustreerde. In tegenstelling met de latere driekwart positie, kijkt de geportretteerde ons hier niet aan. Het visueel contact ontbreekt nog. De jonge man communiceert wel met de handen. De verkorting van het perspectief van de rechterhand, die een ring tussen duim en wijsvinger vasthoudt, is werkelijk spectaculair. De kostbare ring kan het symbool zijn van de verloving. De linkerhand rust op een tablet en schept een band met de toeschouwer, die als het ware in de ruimte waarin de man zich bevindt getrokken wordt.
 
 
Van Hans Memling bevinden zich in de verzameling twee fragmenten met donors afkomstig uit een groot altaarpaneel. De deelstukken waren in ons land te zien in 1902 en op de Memling-tentoonstelling in 1994. Beide panelen vertonen bovenaan later aangezette stukken, omdat bepaalde zones en het middendeel werden uitgezaagd. Ze bevonden zich in 1656 in de verzameling van aartshertog Leopold Wilhelm, die zich dat jaar als landvoogd uit Brussel in Wenen terugtrok. Daarna verkocht Gilliam Forchondt (Antwerpen) ze aan zijn filiaal te Wenen (gearriveerd op 14.01. 1676): "3 stucken: een Marienbelt met twee konterfeytsels van Memmelinck te samen 3 stuck". Het altaarstuk was toen reeds in drie delen verzaagd. In 1676 kocht Prins Karl von Liechtenstein ze te Wenen. De Madonna, die het middelste deel van het paneel uitmaakte, bleef in de verzameling van de prins van Liechtenstein en werd in 1966 verkocht. Het bevindt zich nu in een privéverzameling.
 
 
De invloed van Hugo van der Goes zien we in Het portret van een man met muts en pelskraag die een schedel in de hand houdt. Het is toegeschreven aan de Meester van de Augustinus-legende en staat zeer dicht bij het werk van Michaël Sittow. Onder de hoed zijn opgeklapte oorbeschermers zichtbaar. De man draagt een wit, met een lederen veter dichtgeknoopt, hemd. Daarover draagt hij een grijze buis en daarboven een met rood eekhoornbont gevoerde donkere mantel die ten dele het doodshoofd bedekt dat hij in de rechterhand houdt en met de linker aanwijst. In de handen is de invloed van de stijl van Dirk Bouts zichtbaar, alhoewel het geheel op een concept van Hans Memling is gesteund. In de handen is de ondertekening op bepaalde plaatsen met het blote oog zichtbaar. De haarsnit is typisch voor de periode van 1460-1495. Het vanitasportret met schedel is een veel voorkomend gegeven in de vijftiende-eeuwse schilderkunst. De iconografie ervan verklaart Huizinga: enerzijds illustreert het de vergankelijkheid van het leven en anderzijds de hoop op de verlossing na de dood.
 
 
 

DE GENERATIE VAN QUINTEN MASSYS

 
 
De ontdekking van Amerika door Columbus in 1492 en de bijna gelijktijdige verdrijving van de Moren uit Spanje door Ferdinand de Katholieke luidde een nieuwe tijd in, die stilaan de mysteries van het onbekende ontrafelde. De handige politiek van koning Loclewijk XI en keizer Frederik III stuitten de Bourgondische expansie. Maria van Bourgondië huwde Maximiliaan en de Nederlanden kwamen onder Habsburgse soevereiniteit. Na de dood van Maximiliaan in 1519 nam Karel V de kroon over. Zijn tante Margareta van Oostenrijk, die het regentschap waarnam, installeerde van 1506 tot 1530 haar regering te Mechelen en verzamelde rond zich een uitgelezen schare humanisten, geleerden en kunstenaars.
 
 
De generatie van Quinten Massys is in de Brukenthal-collectie vertegenwoordigd met een mooie Hieronymus, eigenhandig geschilderd door Marinus van Reymerswaele. Reymerswael was een eiland in de Schelde, waar veel douane- en taksbeambten woonden om de per schip ingevoerde goederen in te klaren. Hun patroon was de Heilige Hieronymus. Verscheidene varianten van deze compositie zijn bekend. Door de concurrentie en afkalvende markt kozen meer en meer schilders voor specialisatie en kwaliteit, maar het herhalen van succesvolle composities bleef doorgaan. Werken van Marinus van Reymerswaele zoals De belastingontvangers en De bankier en zijn vrouw waren, samen met Hieronymus in zijn studeervertrek, de populairste thema's die ook ver buiten het atelier van van Reymerswaele werden gekopieerd.
 
 
De romanisten en hun maniëristische aspecten zijn in het Brukenthal Museum present met drie werken van Frans Floris en meerdere atelierstukken van de Antwerpse romanist Maarten de Vos (1532-1603). Die laatste kreeg al in de late zestiende eeuw bestellingen uit Nueva Espana, het huidige Mexico en Guatemala.
 
 
 

UIT HET ATELIER VAN BRUEGHEL

 
 
De reformatie en de verdrukking ervan door het Spaanse gezag leidden in het laatste kwart van de zestiende eeuw tot een oorlog tussen het Noorden en het Zuiden van de Verenigde Provinciën. In Siebenbürgen had de reformatie al in 1540 alle sporen van het katholicisme uitgewist. Maximilianus Transsylvanus, woonachtig te Brussel, .afkomstig uit een Hermannstadtse koopmansfamilie, was een van de belangrijkste raadgevers van Karel V en vertegenwoordigde hem op het proces tegen Luther. In de rest van het Habsburger rijk duurden de oorlogen verder.
 
 
Toen Alessandro Farnese, landvoogd van de Nederlanden en hertog van Parma, de capitulatie van de stad Antwerpen in 1585 aanvaardde, viel het belangrijkste calvinistische bastion in de Nederlanden. Niets stond de volledige overwinning van de Spaanse Habsburgers in de weg. Filips II had echter andere krijgsambities en ondernam eerst oorlogsacties tegen Frankrijk en Engeland. Daarna was de kans op een totale Spaanse overwinning verkeken en verschansten de noordelijke provincies Holland en Zeeland zich achter de grote rivieren en was de splitsing van de 17 provincies in een zuidelijk en noordelijk deel een feit.
 
 
Filips II had in 1555 van Keizer Karel met de 17 Provinciën niet alleen de rijkste, maar na Italië ook de streek met het grootste culturele en intellectuele prestige in de toen bekende wereld, geërfd. Zes miljoen inwoners, welstellend en ondernemend, verdeeld over 108 versterkte steden, 1.509 kleinere steden en 6.300 dorpen met een bloeiende landbouw, maakten van Antwerpen 's werelds belangrijkste handelsplaats met heel Noord-Europa als hinterland.
In de verzameling van het Brukenthal Museum illustreert De moord op de onschuldige kinderen te Bethlehem door het atelier van Pieter Bruegel de Oude en Pieter Brueghel de Jonge de gruwel van de Spaanse troepen en van de roversbendes. Dit is een vroeg werk van de Brueghelindustrie op het einde van de zestiende eeuw. Het is bekend dat na de dood van Pieter Bruegel de Oude de grootmoeder van zijn kinderen het atelier voortzette met de in het kantoor bewaarde sjablonen, nog vóór de eigen activiteit van de zonen Jan de Oude en Pieter de Jonge, die vanaf ca 1585 in het atelier schilderden.
 
 
In 1997 te Boekarest, tijdens de restauratie van De moord op de onschuldige kinderen te Bethlehem, kon vastgesteld worden dat er minsten vijf verschillende handen aan de uitvoering gewerkt hebben, nadat de tekening met de hulp van een prikkarton (sjabloon) was overgebracht op het paneel. Er is een duidelijke ondertekening te zien, die zelfs zonder infrarood-reflectografie kan waargenomen worden. De lijnen van deze ondertekening overdekken ten dele de punten van het ponsief, dat met het sjabloon werd overgebracht. Het origineel van Pieter de Oude was in 1604 in de verzameling van keizer Rudolph II te Praag. Van de vele versies zijn die van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel (gedateerd 1604) en deze in Hampton Court waarschijnlijk de besten. Het zorgvuldig bestuderen van de versie in de Brukenthal-collectie toont grote kwaliteitsverschillen in de uitvoering en in de ductus (het spoor dat ontstaat door het opzetten en weghalen van het penseel). Alleen al de gezichten zijn minstens in drie verschillende categorieën van uitvoering onder te brengen.
 
 
De vogelval toont schaatsers in de winter in de buurt van Antwerpen. Kaatsende mannen en sleeënde kinderen blijven veilig weg van het open wak op de voorgrond. Rechts is de vogelknip afgebeeld die zo dadelijk de vogels zal verpletteren. De schaatser kan in het wak vallen en het ijs kan breken onder het gewicht van de mensen, ter illustratie van de onzekerheid van het bestaan. Op een gravure naar het schilderij staat de legende: "De Slibberachtigheyt van s'Menschen Leven". Er zijn van deze voorstelling 128 varianten, waarvan de beste ongetwijfeld de voorstelling door Pieter Bruegel de Oude, met figuren later door Jan de Oude toegevoegd, uit de collectie Dr. Delporte in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel is.
 
 
De sombere oorlogstijden, de val van Antwerpen en de blokkade van de Schelde in 1585 te Vlissingen door de calvinisten, brachten een vlucht op gang van kunstenaars, intellectuelen en welgestelde kooplieden uit Vlaanderen naar het Noorden, naar de Pfalzregio en naar Engeland. Vele kunstenaars weken voor korte tijd uit naar Frankenthal waar ze in het woud in de buurt van Frankfurt een echte Vlaamse kolonie stichtten, vooral gespecialiseerd in het schilderen van boslandschappen, vooraleer later verder naar Amsterdam te trekken.
 
 
De laatmaniëristische landschappen zijn goed vertegenwoordigd in de Brukenthal-verzameling met Pieter Stevens, een kopie naar Abraham Govaerts en Joos De Momper. Het decoratief landschap van het De Momper-Brueghel- atelier in het Brukenthal Museum is later te dateren dan 1600/ 10 zoals men vroeger dacht. De stoffage is niet van de kwaliteit die Jan de Oude brengt en is ook niet van de hand van Jan de Jonge, maar wel van zijn atelier. Het uitbundig kleurgebruik op zo'n losse manier valt samen met het later werk (1625/30) van De Momper.
 
 
Bartholomeus Spranger, van wie het Brukenthal Museum een jachtallegorie met Diana bezit, en Roelandt Savery werkten voor keizer Rudolph II in Praag, in het gezelschap van Hollandse, Duitse en Italiaanse kunstenaars en architecten, tot de plundering van Praag door de Zweedse troepen in 1611 een einde maakte aan de pracht en praal in Bohemen. Een deel van deze buit kwam in Hermannstadt terecht: Het oordeel van Paris door Jan Brueghel de Oude en Van Balen behoorde ooit tot Rudolphs II-collectie. De figuren in het werk zijn van Hendrik van Balen. De hond en het landschap zijn van de hand van Jan Brueghel de Oude. De scherpe zilveren toets, de precieze aflijning van de dieren en het hele ritme van de ductus geven aan dat het om een topstuk gaat, een triomf van samenwerking van twee uiterst getalenteerde kunstenaars. Het schilderij uit de collectie van Rudolph II was een geschenk van keizerin Maria Theresia aan Brukenthal. Het was in de keizerlijk verzameling verzeild toen het met de collectie van koningin Christina van Zweden te Rome door de Weense keizer was aangekocht
 
 
 

RUBENS, VAN DIJCK EN JORDAENS

 
 
Het huwelijk van de aartshertogen Albrecht en lsabella in 1599 verenigde in de Zuidelijke Nederlanden de Spaanse en Germaanse tak van de Habsburgse familie. Koning Filips II van Spanje maakte door het Cessatieverdrag (1598) zijn dochter en zijn schoonzoon soevereine heersers over de Belgische provinciën, zoals zij toen werden genoemd. Albrecht droeg de titel 'Princeps belgii' en in de leidende kringen van de jonge soevereine staat groeide een nationaal gevoel dat nog versterkt werd door het economisch succes van hun regeerperiode.
 
 
Noli me tangere is een voorstelling waarvan vele versies bestaan, de beste door Jan Brueghel de Oude en Hendrik van Balen geschilderd. In het werk uit de Brukenthal-collectie zien we in uitvoering en ductus duidelijk hoe groot de afstand is tussen Jan de Oude en Jan de Jonge. De boomslag heeft een heel ander ritme. De lichtaccenten op de bladeren en bloemen zijn meer mechanisch, minder transparant en minder gevarieerd. Hieruit valt af te leiden dat op de Brukenthal-versie Jan Brueghel de Jonge tekende voor het landschap. De figuren zijn al van een meer geëvolueerd type dan bij van Balen en duiden in de richting van Thomas Willeboirts Bosschaert.
 
 
De terugkeer van Rubens uit Italië in 1608 is het begin van een nieuwe bloei van de Vlaamse schilderkunst. Rubens is in het Brukenthal Museum met twee atelierstukken en enkele kopieën vertegenwoordigd. Het schilderij Ignatius van Loyola is de pendant van de Franciscus Xaverius. Deze twee werken zijn niet als pendant geschilderd maar door Brukenthal samengebracht.
 
 
Ignatius van Loyola gaat terug op de gravure van Schelte a Bolswert (1622-1633). Het origineel is in Warwick Castle. Dit is een duidelijke schematische atelierversie, die in haar uitvoering verwantschap vertoont met de versie met engel en boek te Mechelen in de Sint-Petrus en Pauluskerk, door Lucas Franchoys de Jonge.
 
 
Een ander werk is een allegorie van Bacchus door Abraham Janssens, een van de weinige kunstenaars die zich enigermate aan de invloed van Rubens kon onttrekken. Het decor sluit stilistisch aan bij het landschapsconcept dat door Rubens was uitgewerkt. Een geoefend oog ontdekt de hand van Abraham Janssens in de reliëfverschillen en de materie-uitdrukking van de ductus. Ook door de kleine stijl- en uitvoeringsgelijkenissen met de structuur van de door Janssens zelf uitgevoerde landschapsachtergronden en stillevenelementen. De sluier die de buik van Venus bedekt en deze voor de genitaliën van Cupido zijn achttiendeeeuwse toevoegingen uit kuisheidsoverwegingen.
 
 
Anthoon van Dijck is in het Brukenthal Museum te zien met een atelierrepliek naar zijn portret van het Engels koningspaar Charles I en zijn vrouw Henrietta. Jacob Jordaens toont het enige jachtstuk van hem bekend en twee andere werken: een olieverfschets en een fraaie kerstscène. De zomer is een zeer mooie schets van Jordaens met voorstudies voor het schilderij De Antwerpse veerboot in het Statens Museum te Kopenhagen en voor het Offer van Ceres in het Prado te Madrid. Het toont op een overtuigende manier de spontane kleurkracht van de vroege werken. De Heilige Familie is te dateren tussen 1625 en1630. Rust na de jacht heeft veel geleden onder een te ijverige reiniging, vooral onderaan. Het is ook voor Jordaens een ongewone thematiek; het kan een opdracht geweest zijn of een schilderij voor het eigen salon van de kunstenaar.
 
 
 

NOG MEER MARKANTE SCHILDERS

 
 
De Andries van Eertvelt in de Brukenthal-collectie is een belangrijke toevoeging aan het oeuvre, omdat weinig gesigneerde werken van deze kunstenaar bekend zijn en geen enkel ander op koper. Zijn kleine panelen hebben meer aandacht voor grijze luchten en de tonale ruimtelijkheid dan voor de schepen, die in de ontketende zee naar een veilige haven ijlen.
 
 
De maritieme handel was voor Antwerpen essentieel. De vele oorlogen en vooral het succes van de expansie van de jonge Hollandse Republiek, gedreven door ondernemende kooplieden betekende voor de Scheldestad een langzame afgang. Holland domineerde internationaal de maritieme handel, ontwierp hiervoor nieuwe scheepstypes en een geduchte oorlogsvloot om de routes te beschermen. De Oost-Indische Compagnie, in 1602 opgericht, zocht een noordelijke doorgang naar China en Cathay als alternatief voor de lange weg langs Kaap de Goede Hoop. Vondel schreef in 1623 zijn gedicht Lof van de Zeevaert, waarin de ervaringen op zee als metafoor dienden. Elkeen kon zich terugvinden in deze identiteitsbevestigende beelden voor de jonge natie. Van Mander schreef in 1603: "ent'volck, ghelyck in Hollandt veel zeevaert is, begon oock groot bevallen in deze Scheepkeus te crijghen".
 
 
Het Brukenthal Museum bezit een duidelijk gesigneerd en gedateerd werk van Roelant Savery, dat niettegenstaande de handtekening van Roelant, bijwerk heeft van Hans Savery de Jonge, in de twee koeien aan beide zijden, die in een ductus en materie die veel gladder is dan die van Roelant, verschillen. De wouden en valleien rond Praag waren spectaculaire jachtgebieden, waar de wilde natuur slechts een suggestie was. Jachten werden in die tijd al met veel zorg georganiseerd. De koeien getuigen van de door de mens georchestreerde fantastiek van het woud dat geborgenheid biedt.
 
 
De Brukenthal-verzameling bevat een goed voorbeeld van de permanente kruisbestuiving in de kunst. Het is een keukenstuk van Jeremias van Winghe en het atelier van Georg Flegel. Jeremias van Winghe schilderde in het atelier van Georg Flegel stillevens onder diens invloed. De vrouwfiguur is zijn inventie. De invloed van Frederic van Valckenborgh is hier duidelijk. Deze laatste werkte ook met Flegel te Frankfurt. In het Museum van Boekarest is er een bijna identieke voorstelling, gesigneerd door Frans Snyders, die veel harder is in uitvoering en die te dateren is rond 1605-1608. Hierop heeft van Winghe zich geïnspireerd. De lutherse Georg Flegel was al achtentwintig jaar oud toen hij in 1592 in Frankfurt aankwam en er een voorspoedig atelier opende dat in verbinding stond met dat van de gebroeders van Valckenborch. Lucas van Valckenborgh kwam als hofschilder van aartshertog Mathias uit Linz in Frankfurt aan en werkte met Flegel samen. Langs deze Vlaamse connectie kwam Frans Snyders in contact met de stijl van Flegel. Op zijn beurt beïnvloedde hij van Winghe door zijn compositie, Van een vruchtenguirlande door Jan Davidszoon de Heem is het middenstuk in grisaille met trompe-l'oeil architectuur zeker van de hand van Erasmus Quellinus de Jonge. Als zoon van de beroemde beeldhouwer Erasmus Quellinus de Oude en broer van de beeldhouwer Artus, was hij met de plasticiteit van de beeldhouwkunst vertrouwd. Hij wist deze op een zeer eigen en herkenbare manier volumineus en illusionistisch weer te geven. De inspiratie voor dit soort architecturale bloemen- en vruchtenguirlandes nam de Heem van Daniel Seghers over, die reeds in 1625 in Rome met dit concept succes oogstte. Elke druif heeft haar eigen reliëf en transparantie. Elk lichtaccent is gedifferentieerder dan het volgende. De fluwelen huid van de perziken heeft een schitterende materiestructuur die de sensuele symboliek nog verduidelijkt.
 
 
Een andere bloemen- en vruchtenguirlande in het Brukenthal Museum is een gesigneerd werk van Gaspar Pieter Verbruggen de Oude uit 1675. Door de datering is het werk een interessante toevoeging aan het oeuvre van deze Antwerpse meester.
 
 
Brussel, hoofdstad der zuidelijke Nederlanden, was ondertussen de pleisterplaats van vele belangrijke adellijke families en het centrum van een belangrijke diplomatieke activiteit geworden. Tussen 1650 en 1656 bezat Brussel voor korte tijd - voor ze naar Wenen werd verhuisd - één der belangrijkste kunstverzamelingen in de wereld: de collectie van aartshertog Leopold Wilhelm, waarvan de genreschilder David Teniers de Jonge de conservator was.
Dit zette vele vermogende lieden ertoe aan ook een verzameling uit te bouwen, zoals te zien is in de geschilderde kunstkabinetten, ter ondersteuning van hun sociaal prestige. In de Brukenthal-collectie zijn De dorpsdokter en zijn pendant Vlaams boerencafé mooie, gesigneerde, werken van David Tenniers de Jonge. Ze zijn niet oorspronkelijk als pendant bedoeld, maar door Brukenthal samengevoegd. De baron kocht in Wenen ook werk van Vlaamse kunstenaars die daarheen getrokken waren. Jan Thomas van Yperen en de Hamilton familie zijn hiervan goede voorbeelden, naast de Oostenrijkse achttiende-eeuwse schilderijen uit de collectie.
 
 
Peeter Snyers werd meester in de gilde te Brussel in 1705. Hij was een bijna tijdgenoot van Brukenthal en had veel succes in Londen, Wenen en Antwerpen, als een der zeldzame hoogtepunten in de Vlaamse schilderkunst van de achttiende eeuw. Zijn vruchten en fruit zijn in een ritmische beweging over het doek uitgestrooid. Zijn suggestieve materieweergave is delicaat en subtiel in haar warme harmonieuze tonen, waarin de sensualiteit van deze eeuw zich tooit.
 
 
Joseph van Bredael kopieerde naar Jan Breughel de Oude in de achttiende eeuw een Aanbidding der drie koningen. Ten onrechte werd dit schilderij aan Jan Breughel de Jonge toegeschreven. De koperplaat stamt duidelijk uit de achttiende eeuw, ze is te dik en heeft niet de structuur van een zeventiende-eeuwse plaat. Het werk is thematisch duidelijk geïnspireerd door Jan Breughel de Oude, maar heeft er noch de micro-stilistische kenmerken, noch de transparantie, noch de penseelvoering van. Het chromatisme van de achtergrond en het landschap en de ietwat zwaardere uitvoering van de figuren doet onmiddellijk aan Joseph van Bredael denken. Zowel de kleurenharmonie als de pasteltinten in de achtergrond en de zeer precieze uitvoering wijzen op zijn werk.
 
 
 

DURF TE WETEN

 
 
Aan het hof in Wenen leefde een sterke interesse voor het behoud van het patrimonium. In 1777 uitte Maria Theresia in een brief aan de Gentse stadsmagistraat haar bezorgdheid over de vrije export van belangrijke kunstwerken, vooral deze van de ontbonden kloosters. Zij eiste dat er een lijst gemaakt werd van de schilderijen die Vlaanderen een zo grote roem bezorgen, dat zij in het land moeten behouden worden om als model te dienen voor jonge kunstenaars. Het idee van het behoud van het patrimonium voor het nageslacht ontwikkelde zich. Dit was ook voor Brukenthal een belangrijke factor, zoals te lezen is in zijn laatste wilsbeschikking.
 
 
In 1774 ontbond de keizerin de jezuïetenorde en een groot deel van hun bezittingen werden verkocht. Keizer Jozef II liet in 1784 alle kloosters sluiten en in een logische reactie op zijn rationele clarificatie van de godsdienst, de kerken wit schilderen, de beelden van de heiligen verwijderen en veel glasramen weghalen. Een groot deel van de schilderijen uit de kerken van de kloosters werd verkocht. Dit liet Samuel von Brukenthal, zoals veel andere verzamelaars, toe over een breed aanbod op de markt in Wenen te beschikken.
 
 
De verzamelactiviteit van de baron was geïnspireerd door de theorieën van Kant. De 'Natuur' liet toe de universele band tussen alle mensen te benadrukken. Het was niet meer de afkomst die het lot bepaalde. De encyclopedisten Buffon en Diderot vermoedden in de natuur het bestaan van een 'Uniek Plan', van waaruit alle levende wezens gevormd worden. Het Sapere Ande (Durf te weten) was het ordewoord van Kant om het wezen der dingen te bepalen vanuit een geheel nieuwe invalshoek, die radicaal brak met het verleden. Het was in deze geest dat Samuel von Brukenthal enthousiast zijn collectie opbouwde.
 

 

praktisch

 

AUTEUR

Jan De Maere studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Gent. Zijn proefschrift handelt over de Vlaamse kunst in de verzameling van het Brukenthal Museum in Sibiu/Hermannstadt. Hij is kunstexpert, gespecialiseerd in Oude meesters van de Nederlanden, en directeur van het Documentatiecentrum voor het Vlaams Kunstpatrimonium. Jan De Maere adviseerde tientallen musea in binnen- en buitenland over de Vlaamse kunstwerken in hun collecties, van het Groeningemuseum bij ons tot The National Gallery in Londen, de Staatliche Museen in Kassel, de musea voor Schone Kunsten in Reims, Rennes en Genève tot het Louvre in Parijs.

 

Dankzij zijn toedoen verwierven gerenommeerde musea belangrijke kunstwerken, zoals het Rubenshuis en het Museum Plantin Moretus in Antwerpen, de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel, het Mauritshuis in Den Haag, het British Museum en de Tate Gallery in Londen en The Metropolitan Museum of Art in New York. 

 

Jan De Maere was wetenschappelijk medewerker aan tal van tentoonstellingen: Van Brueghel tot Rubens in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten Antwerpen (1992-1993) en in het Kunsthistorisches Museum Wenen (1993), Memlinc in het Groeningemuseum Brugge (1994), Rubens Landscapes in de National Gallery Londen (1996-1997) en Jan van Eyck in het Groeningemuseum Brugge (2002) . . .

 

Jan De Maere schreef The Illustrated Dictionary of XVIIth century Flemish Painters, catalogi bij de tentoonstellingen La réalité magnifiée. Peinture flamande 1550-1700 (Metz) en Vlaamse meesters van de 16de tot de 18de eeuw (Gdansk) , en vele artikels in kranten en tijdschriften. Hij woont in Londen en in Thalheim (Transsylvanië).


NATIONAAL BRUKENTHAL MUSEUM

Piata Mare 4-5

550 1 63 Sibiu/Hermannstadt, Roemenië

Tel. 00 40 269 217691

info@brukenthalmuseum.ro

www.brukenthalmuseum.ro

 

OPEN

  • Open tijdens de zomer: van dinsdag tot en met zondag van 10 tot 18 uur.
  • Open tijdens de winter: van woensdag tot en met zondag van 11 tot 17 uur.
  • Gesloten: Maandag

 

SIBIU/HERMANNSTADT BEZOEKEN

Sibiu is vrij gemakkelijk met de auto en de trein bereikbaar.

Er zijn ook dagelijkse vluchten vanuit diverse Europese steden (vooral vanuit Duistland en Italië) .

 

Toeristische Dienst Sibiu

S. Brukenthal 2, Tel. 00 40 269 208 913

Open: van maandag tot en met vrijdag van

9 tot 17 uur, zaterdag van 10 tot 13 uur

www.sibiu.ro

 

ANDERE MUSEA IN SIBIU

  • Het Geschiedkundig Museum, Str: Mitropolei 2, in het vroegere stadhuis, toont de numismatische collectie van Samuel von Brukenthal (meer dan 60.000 muntstukken) , archeologische vondsten, wapens en wapenuitrustingen.
  • Het Museum voor Natuurwetenschappen, Str. Cetati I , is het grootste van zijn soort in Roemenië
  • Het Farmacie Museum, Piata Mica 26, bevindt zich in het huis waar Samuel von Hahnemann, de pionier van de homeopathie, werkte.

 AFBEELDINGEN:  

Tenzij anders vermeld zijn de illustraties van het Brukenthal Museum

  • Anoniem Transsylvanisch schilder, Portret van Samuel von Brukenthal, 18de eeuw, olieverf op doek, 91 x 75 cm
  • Handtekening van Samuel von Brukenthal
  • Sibiu/Hermannstadt aan de voet van de Karpat
  • Laan in Brukenthals zomerresidentie in Avrig
  • Een traditioneel Saksisch dak met luchtgaten in de vorm van ogen, Foto Peter Schweiger
  • Flandrenses verstevigden de stadsmuren, Foto oeyenenwinters
  • De Biserica Azilului (Asielkerk) in Sibiu, opgericht in 1240, Fotot oeyenenwinters
  • Kaart van Transylvania in Abraham Ortelius, Teatrum oder Schawbuch des Erdkreys, Antwerpen, 1580, 30 x 51 cm, uit de collectie van Samuel van Brukenthal, Foto Jan De Maere
  • Titiaan (1485-1576), Ecce Homo, olieverf op doek, 65,5 x 53 cm
  • Het portret van Samuel von Brukenthal op het monument van keizerin Maria Theresia in Wenen, Foto Peter Schweiger
  • Origineel testament van Samuel van Brukenthal, Foto Peter Schweiger
  • Atelier Martin Meytens de Jonge (1695 - 1710), Portret van keizerin Maria Theresia, olieverf op doek, 155 x 127 cm
  • Het Duits Gymnasium in Sibiu/Hermannsstadt, Fotot oeyenenwinter
  • De collectie mineralen van Samuel von Brukenthal in het Duits Gymnasium in Sibiu, Foto Peter Schweiger
  • Lorenzo Lotto (1480 - 1556), De heilige Hieronymus, olieverf op paneel, 55 x 44 cm
  • Antonello da Messina (1430/31 - 1479), Kruisiging, olieverf op paneel, 39 x 23,5 cm
  • Georg Hinz (1630 - 1688/1700), Kunstkamerkast, olieverf op doek, 127 x 101 cm
  • Zalen in het Brukenthalmuseum
  • Het park rond Brukenthals zomerresidentie  in Avrig, Foto oeyenenwinters
  • Brukenthals zomerresidentie in Avrig, Foto oeyenenwinters
  • Tullio Lombardo (1455-1530), Buste van een jonge man, wit marmer, 38,5 x 14,5 cm
  • Philips de Koninck (1619-1688), Panoramalandschap, olieverf op doek, 163 x 134 cm
  • Brukenthal Breviarium (zes afbeeldingen)
  • Jan van Eyck (ca 1381-1440), Portret van een man met de blauwe kaproen, olieverf op paneel, 22,5 x 16,6 cm
  • Hans Memling (1430 - 1494), Lezende man, olieverf op paneel, 32,5 x 44,5 cm
  • Hans Memling (1430 - 1494) Biddende vrouw in vlaamse klederdracht, olieverf op paneel, 32,4 x 44,7 cm
  • Meester van de Augustinus-legende, Portret van een onbekende man met doodshoofd, ca. 1500, olieverf op paneel, 42,6 x 33 cm
  • Marinus Claeszoon van Reymerswaele (ca 1493 - na 1567), De heilige Hieronymus, olieverf op paneel, 82 x 82 cm
  • Atelier van Pieter Bruegel de Oude en Pieter Brueghel de Jonge, De kindermoord van Bethlehem, ca. 1580/90, olieverf op paneel, 114 x 163 cm
  • Pieter Brueghel de Jonge (1564 - 1638), De vogelval, olieverf op paneel, 39 x 56,5 cm
  • Joos de Momper (1564 - 1635) en het atelier van Jan Brueghel de Jonge (1601 - 1678) voor de staffage, Berglandschap met watermolen, ca. 1630/35, olieverf op paneel, 48 x 87 cm
  • Hendrik van Balen (1575 - 1632) en Jan Brueghel de Oude (1568 - 1625), Het oordeel van Paris, 1608, olieverf op koper, 42 x 53 cm
  • Atelier van Pieter Paul Rubens (1577 - 1640), Ignatius van Loyola, ca. 1630/40, olieverf op doek, 225 x 135 cm
  • Atelier van Pieter Paul Rubens (1577 - 1640), Franciscus Xaverius, olieverf op doek, 225 x 135 cm
  • Abraham Janssens (ca. 1576 - 1632), Sine Cere et Bacchio friget Venus, ca. 1624, olieverf op doek, 184 x 233 cm
  • Jan Brueghel de Jonge (1601 - 1678) en Thomas Willeboirts Bosschaert (1613 - 1656/9), Noli me tanger, olieverf op paneel, 70 x 110 cm
  • Jacob Jordaens (1593 - 1678), Zomer, ca 1630, olieverf op papier op dennenhout, 38,8 x 62,4 cm
  • Jacob Jordaens (1593 - 1678), Rust na de jacht, olieverf op doek, 116 x 149 cm
  • Jacob Jordaens (1593 - 1678),De Heilige Familie, olieverf op doek, 112 x 119 cm
  • Jeremis van Winghe en het atelier van Georg Flegel (1578 - 1645), Keukentafereel, olieverf op doek, 113 x 102 cm
  • Roeland Savery en Hans Savery II (1576 - 1639), Hertenjacht, 1619, olieverf op doek, 85 x 119 cm
  • Andries van Eertvelt (1590 - 1652), Schip op een wilde zee, olieverf op koper, 20 x 33 cm
  • Jan Davidz de Heem (1606 - 1686/84) en Erasmus Quellinus (1607 - 1678), Fruit en de Heilige Familie, olieverf op doek, 119 x 108 cm
  • Gaspard Pieter Verbruggen de Oude (1635 - 1680), Bloemstuk met basrelief in trompe l'oeil op architecturale fantasie, (1675), olieverf op doek, 120 x 87 cm
  • David Teniers de Jonge (1610 - 1690), Vlaams boerencafé, ca 1660, olieverf op paneel, 29 x 38,5 cm
  • Joseph van Bredael naar Jan Breughel de Oude, Aanbidding der drie koningen, olieverf op koper, 35 x 52 cm
  • Peter Snyers (1681 - 1752), Stilleven met vruchten en groenten, ca 1720, olieverf op paneel, 21 x 28 cm
  • David Teniers de Jonge (1610 - 1690), De dorpsdokter, ca 1660, olieverf op paneel, 29 x 38 cm
  • Hermannstadt Nagyszeben Sibiiu - Grosser Ring , postkaart, Foto Peter Schweiger

 

Aanbidding der drie koningen, Alba Julia, Altland, archeologie, Avrig, Barabant, Bening Simon, Berglandschap met watermolen, Bibliotheca Marciana Venetië, Biserica Azilului, Bogdani Jacob, Bosschaert Thomas-Willeboirts, Brekner, breviarium, Breviarium Grimani, British Library Londen, Brueghel Pieter II, Brugge, Brukenthalmuseum, Buste van een jonge man, Cambrai, Cessatieverdrag, Christina van Zweden, Cleveland, connaisseur, Conrad van Lotharingen, Csaki Michaël, da Messina Antonello, David Gerard, De Antwerpse veerboot, De dorpsdokter, de Heem Jan Davidz, De Heilige Familie, De heilige Hiëronymus, de Koninck Philips, De Maere Jan, de Momper Joos, De moord op de onschuldige kinderen te Bethlehem, De Vos Maarten, De zomer, Delporte, Diderot Denis, Documentatiecentrum voor het Vlaams Kunstpatrimonium, drieslagstelsel, Ecce Homo, encyclopedisten, Felmer Martin, Filips II, Flegel Georg, Floris Frans I, Forchondt Gilliam, Franchoys de Jonge Lucas, Franciscus Xaverius, Gent, getijdenboek, Geza I, Geza II, Govaerts Abraham, Habsburgers, Halle, Hamilton, Hampton Court, Hann Sebastian, Het portret van de man met de blauwe kaproen, Het portret van een man die een schedel in de hand houdt, Hieronymus, Hinz Georg, homeopathie, Hongarije, Horenbout Gerhard, Huth Hours, Ignatius van Loyola, Isabella de Katholieke, Janssens Abraham, Jena, Joanne van Castilla getijdenboek, Jordaens Jacob, Jozef II, Kant Immanuel, Karel de Grote, Karel VI, Karl von Liechtenstein, Koninklijke Bibliotheek Kopenhagen, Kruisiging, Kunstkamerkast, Kurbösch Joseph, Lechfeld, Leclerc de Buffon Georges-Louis, Leopold-Willem aartshertog, Lombardo Tullio, Londen, Lotto Lorenzo, Luca Sabin Adrian, Magnasco Stefano, Maria-Theresia van Oostenrijk, Marmion Simon, Massys Quinten, Meester van de Augustinus-legende, Meester van de David-scènes in het Grimani Breviarium, Memling Hans, mineralogie, Mohàcs, Mongolen, Nocrich, Noli me tangere, numismatiek, Offer van Ceres, Olnericus, Oost-Indische Companie, Ortelius Abraham, Otto I, Ottomanen, Panoramalandschap, pendant, Portret van keizerin Maria-Theresia, Prado Madrid, Quellinus Erasmus, Rubens Pieter Paul, Rudolf II, Rust na de jacht, Savery Roelandt, Schip op een wilde zee, Scholte a Bolswert, Sine Cere et Bacchio friget Venus, Sittow Michaël, Snijders Frans, Snijers Peeter, Spranger Bartholomeus, Statens Museum Kopenhagen, Stevens Pieter, Stilleven, Stock Johan Martin, Stranovius, Teatrum oder Schawbuch des Erdkreys, Teniers David II, Teutonici, Titiaan, Trajanus, Transsylvanus Maximilianus, Van Baelen Hendrik, van Bredael Joseph, van Bukenthal Samuel, Van der Goes Hugo, van Dijck Antoon, van Eertvelt Andries, van Eyck Jan, van Meytens Martin I, van Reymerswaele Marinus, van Valckenborgh Frederic, van Winghe Jeremias, van Yperen Jan Thomas, Verbruggen Gaspar Pieter, Verlichting, Veronese Paolo, Villa Hermanni, Vlaams Boerencafé, Vogelval, von Frimmel Otto, von Hahnemann, von Klockner Sophia Katharina, von Sachsen-Teschen Albert, vrijmetselarij, Warnick Castle, Wenen, museum, OKV2007.4, Bouts Dieric, Brueghel Jan I, OKV2007.4.1