U bent hier

Van Dyck tot Bellotto in Bozar - Imagebuilding is van alle tijden

Antoon van Dyck, Cesare Alessandro Scaglia, abt van Staffarda, 1634, olieverf op doek, 189 x 110 cm, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

 

In BOZAR loopt de prestigieuze tentoonstelling 'Van Van Dyck tot Bellotto, luister aan het hof van Savoye'. Antoon van Dyck (1599-1641) schilderde twee mannen die elk op hun manier verbonden waren met het huis van Savoye.

 

 

DOORZICHT 

 

Een imago, het is een gegeven waarop een mens haast geen vat krijgt. Het is iets wat je noodgedwongen uit handen geeft: de ander bepaalt je imago. In een tijd waarin de hoeveelheid aan beelden slechts een fractie van de onze betrof, was het bijsturen of bepalen van een imago mogelijk iets eenvoudiger. Men deed er in de hoogste kringen alles aan om de schijn hoog te houden. De ambulante vorst werd zelden door zijn onderdanen levend aanschouwd, om die reden regeerde het beeld dat van hem via schilderij of sculptuur, of middels zijn heraldische insignes op banieren, opgetrokken werd. 

 

Het imago voedt ons beeld van een historisch persoon. Getuigenissen van het veredelde en liederlijke leven van Antoon van Dyck en de zelfverzekerde wijze waarop hij zichzelf schilderde, zijn de stof voor de mythe van de geniale dandy geworden. Het doet denken aan Rafaël: jong geswrven, groots natuurlijk talent, mondain leven, een hofhouding en amoureuze verwikkelingen. Soms kan een imago een dieper begrip in de weg staan, soms kan een reus zijn schaduw werpen over de ware toedracht. Van Dycks reus heette vanzelfsprekend Peter Paul Rubens. Van Dycks portretten stralen niet zelden sprankels ongefilterde realiteit uit. De opdrachtgever ordonneerde een bepaald beeld maar moest het psychologisch doorzicht van Van Dyck voor lief nemen.  

 

 

EEN VERFIJND KUNSTKENNER 

 

Op 18 oktober 1634 kreeg Van Dyck, op de top van zijn kunnen, de hoogste waardering in eigen stad: de Antwerpse Sint-Lukasgilde benoemde hem tot eredeken. Zijn naam prijkt in kapitalen op de ledenlijst, een privilege dat vóór hem enkel aan Rubens was toegekend. Omstreeks die tijd gaf Cesare Alessandro Scaglia (1592-1641) hem enkele opdrachten. De adellijke Scaglia was een man van de diplomatie. Tot de jaren 1630 werkte hij in opdracht van het huis van Savoye. Savoye was een soort België: een klein land gekneld tussen het Italische schiereiland en machistische grootmachten als Frankrijk en het Heilig Roomse Rijk, een natuurlijke corridor om de vijand te bereiken.

 

De uitstraling van het hof verzekerde men door de aanleg van een fameuze kunstcollectie. Diplomaten zoals Scaglia waren in die tijd niet zelden agents die het contact tussen kunstenaar en opdrachtgever verzorgden. Op hun reizen van hof tot hof gaven ze hun ogen en oren de kost. Netwerking mag dan wel bijzonder hedendaags klinken, het is zo oud als de straat. Antoon van Dyck moet, voor hij in de positie verkeerde waarin hij opdrachten kon weigeren, veel geleken hebben op zijn latere model Scaglia. Die diplomaten met hun fijne neus voor de kunsten konden de sleutel tot succes worden.

 

Van Dyck leek een rusteloze reiziger die zich in vele milieus moest inwerken, waar hij verkoos om niet op te gaan in de massa. Zijn intelligente babbel moet de aandacht getrokken hebben. Ook een strategie van ellebogenwerk en vleierij zal haar effect niet gemist hebben. Toen hij in 1621 naar Italië trok opende zijn band met Rubens ongetwijfeld deuren. Hij kon niet omheen de eeuwige schaduw van de meester, maar hij kreeg ook toegang tot diens netwerk. Het hof van Savoye bezocht hij voor de eerste keer. Scaglia en Rubens hadden elkaar overigens al eerder ontmoet, beiden in de hoedanigheid van diplomaat. Maar het zal Van Dyck zijn die hem portretteert. 

 

Scaglia viel op het eind van de jaren 1620 in ongenade toen de hertog van Savoye de kant van de Fransen koos en hij zijn antipathie niet kon verbergen. Als vrijwillige balling vertoefde hij in Brussel. Daar werd hij niet helemaal van de diplomatieke wereld afgesloten want prins Tommaso di Savoia Carignano contacteerde hem geregeld, nieuwsgierig naar zijn oordeel. Het is die Scaglia, abt van Stafforda en Mandanici, die na deze mislukking als een heer is overeind gekrabbeld en poseert op Van Dycks portret ten voeten uit. Naast het technische meesterschap zijn twee zaken van belang voor de scherpzinnige portrettist: het momentane karakter en de psychologische karaktertekening. Dat eerste bewerkstelligde Van Dyck via geposeerde ongedwongenheid. Het psychologische inzicht moet hij verkregen hebben door een vlotte, empathische omgang met zijn klanten en een bijzonder intelligente opmerkzaamheid. 

 

Bijna achteloos leunend op het basement van een stevige zuil en rechts geflankeerd door een stoel en een draperie, staat een intrigerend personage. Het geïdealiseerde is achterwege gelaten, we staan oog in oog met een man van vlees en bloed. Opvallend is het gezicht dat beschenen is met een spot. De blik is onpeilbaar: de ogen turen ongegeneerd en een tik hautain naar de beschouwer. Er spreekt tevens verstandhouding uit: Van Dyck kende deze man, voelde zich waarschijnlijk verwant. De verzorgde handen en nagels mogen dan wel ongeschonden lijken, de oogopslag verraadt een gewiekste man, gepokt en gemazeld als hij was in het schouwspel dat de wereld is. Dat geldt a fortiori voor de wufte Europese vorstenhoven die zijn werkterrein waren. Men kende hem in het milieu van de spionage als "2x". Vrouwelijk gezelschap liet deze zeventiende-eeuwse James Bond, met toch een beetje het air van de onberekenbare killer, naar verluidt niet koud. 

 

De Piëmontese kunstkenner kocht minstens 7 schilderijen van zijn kompaan. De bewening van Christus uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen is waarschijnlijk de predella van een verloren gegaan retabel dat hij liet schilderen als epitaafstuk in 1635. Hij geloofde dat hij vergiftigd was: een afrekening in het milieu. In allerijl liet hij dit aan Titiaan verwante werk voor de Recolleetenkerk in Antwerpen maken. Naderhand bleek het om vals alarm te gaan. In 1637 nam Scaglia afscheid van het publieke leven en nam zijn intrek in de Recollectenkerk tot aan zijn dood in 1641. Scaglia's voornaamste wapen was zijn verfijnde intellect, in tegenstelling tot Tommaso di Savoia Carignano die het gestileerde geweld verkoos. 

 

 

HET RUITERPORTRET VAN TOMMASO Dl SAVOIA CARIGNANO 

 

Het pronkstuk op de expo is een geweldig ruiterportret dat het militaire elan verbeeldt. Van Dyck doet dat op eigengereide wijze. Het ruiterportret is de geliefkoosde iconografie van de machthebber: de ruiter is idealiter sereen en vol natuurlijk gezag, het paard moet blaken van levenslust. Hoe machtiger het paard, hoe machtiger de persoon lijkt, die het achteloos onder controle houdt. De oorsprong ervan gaat terug op de Oudheid. Het Oudromeinse bronzen beeld van Marcus Aurelius dat in de Capitolijnse musea in Rome bewaard wordt, is zo'n schoolvoorbeeld. De keizer is ontwapenend stoïcijns en boezemt vertrouwen in. Titiaans Ruiterportret van Karel V uit 1548 in het Museo del Prado, geldt dan weer als het typevoorbeeld in de schilderkunst. 

 

Tommaso di Savoia Carignano fungeerde in 1634, na het heengaan van aartshertogin Isabella, circa een jaar als waarnemend regent van de Zuidelijke Nederlanden. Tot de komst van kardinaal-infant Ferdinand laafde hij zich aan de verrukkingen van de macht. Op dat moment liet hij zich vereeuwigen. Het opzet van een dergelijk portret is iemands capaciteit als beschermer van het vaderland onderstrepen. Kwatongen beweerden echter dat Tommaso zijn vaderland meer kwaad dan goed berokkende. Hij keerde Savoye tenslotte de rug toe en ging vechten voor de Fransen tot aan zijn dood in 1656. Van Dyck lijkt dat voorvoeld te hebben. Zijn onbeholpen uitdrukking en naïeve oogopslag lijken te weinig nobel om zijn eerzucht te kunnen dragen. Zelfs het paard is eerder dociel dan dapper. Het verschil met bijvoorbeeld Portret van de hertog van Lerma van Rubens uit 1603 in het Prado, dat opgetrokken is uit pure heroïek, is frappant. 

 

Zowel Scaglia als Tommaso lieten hun imago door Antoon van Dyck scheppen. Hij registreerde tweemaal meesterlijk: hoe goed ze het beeld van hun persoon wilden regisseren, de kunstenaar doorprikte meedogenloos de fictie. De abt is Tommaso's ideale tegenpool: de rijzige gestalte is een verinnerlijkt beeld, het ruiterportret is exuberant en gericht op uiterlijk vertoon.

 

Matthias Depoorter 

 


INFO

 

Tentoonstelling

Nog tot 24 mei 2009

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur, donderdag tot 21 uur

Gesloten: maandag

 

Paleis voor Schone Kunsten

Ravensteinstraat 23

1000 Brussel

Tel. 02 507 82 00

www.bozar.be