U bent hier

Topstuk van Bouts en Van der Goes - Een stille marteling

Locatie

Steenstraat
8000 Brugge
België
51° 12' 25.2612" N, 3° 13' 21.3744" E
Linkerzijluik - Dirk Bouts en Hugo van der Goes,Triptiek van de Heilige Hippolytus, na 1470, olieverf op paneel, 92 x 89,2 cm (middenluik) en 92 x 41 cm (zijluiken), Sint-Salvatorkathedraal, Brugge.

 

'Drieluik met de marteling van de heilige Hippolytus' is een schilderij dat, net zoals zoveel andere werken stammend uit de oud-Nederlandse schildertraditie, veel te vertellen heeft, maar eveneens niet al zijn geheimen zomaar prijsgeeft.  

 

 

TOPSTUK  

 

Op 21 april 2009, zo konden we in het Belgisch Staatsblad vernemen, werd Drieluik met de marteling van de heilige Hippolytus, aanwezig in de Brugse Sint-Salvatorskathedraal, gepromoveerd tot topstuk in de Vlaamse Topstukkenlijst. Tot in de negentiende eeuw geloofde men dat Hans Memling de schepper van het stuk was. Pas laat in de negentiende eeuw werd geopperd dat daarin de hand van Dieric Bouts (ca. 1410/20-1475) te ontwaren viel. Bouts, stadsschilder van Leuven, kwam uit de Noordelijke Nederlanden en behoorde tot de tweede generatie van Vlaamse primitieven. Qua leeftijd situeren we hem tussen de oudere Petrus Christus en de jongere Hugo van der Goes. 

 

Bouts leerde veel van Jan van Eyck (ca. 1390-1441) en keek goed naar de landschappen van Rogier van der Weyden (ca. 1399/1400-1464). Over het algemeen beschouwt men hem in de literatuur niet als een groot vernieuwer. Hij was een van de beste landschapsschilders van zijn tijd en hij kende succes met voorstellingen van de Man van Smarten en met licht sentimentele taferelen van Maria en kind, waarin de emotionele band tussen ouder en kind opvallend is. Zonder twijfel ontwikkelde hij een persoonlijke, herkenbare schilderstijl met een idiomatisch vocabulaire. De Hippolytus-triptiek is een buitenbeentje in Bouts' oeuvre.

 

 

MARTELSCÈNE 

 

'Vierendelen' is een onschuldig woord voor een al te akelige martelstraf. Sommige zaken stelt men zich beter niet visueel voor omdat ze zo gruwelijk zijn. Wat een geluk dat het tafereel van Bouts al even verbloemend is als het werkwoord. Op geen enkel moment is men zich er als aanschouwer echt van bewust welke barbaarsheid zich op het punt staat te voltrekken. Elk personage kijkt zo'n beetje toe en als er al sprake is van emotie bij één van de figuurtjes, dan is die volkomen verinnerlijkt. Stoïsche onaangedaanheid is een kenmerk van Bouts' stijl. Hij was beslist niet de enige: Van Eyck, Memling of Gerard David deden er ook hun voordeel mee. Iemand als Van der Goes had de scène beslist anders vormgegeven, met meer pathos, zoals Van der Weyden het eerder had voorgedaan. Het vredige landschap dat over de volledige lengte van het drieluik doorloopt, eerder beproefd door de Van Eycks in het Lam Gods, contrasteert sterk met het leed van de martelaar. We genieten van Bouts' geperfectioneerde landschapskunst en vergeten het bloed dat gestort zal worden. Eenzame bomen aan de einder evoceren de specifieke lichtwerking van een bepaald tijdstip. De grote Pieter Bruegel de Oude stak overigens veel van de landschappen van de oude meester op.  

 

De onfortuinlijke heilige heet Hippolytus. Hij vertoefde in de derde eeuw in Rome en was bewaker van de opgesloten heilige Laurentius. Hippolytus bekeerde zich tot het christelijk geloof van de gevangene en werd daarop zelf gegrepen. Als in een laatgotisch stripverhaal met horrorelementen vallen verschillende plotlijnen op. Op het rechterluik meent men keizer Decius en zijn gevolg te herkennen, maar wat de knielende man precies verbeeldt, is raadselachtig. Links aan de voet van de heuvel zitten de geknielde opdrachtgevers Hippolyte de Berthoz en Elisabeth de Keverwyck. De Berthoz was een dignitaris aan het Bourgondisch hof, werd geboren in de Franse Jura en bestelde ergens na 1470 dit drieluik. Al in 1502 schonk hun zoon Karei, schepen van het Brugse Vrije, het werk aan het gilde van de Kalkmeters om hun kapel in de Sint-Salvatorskathedraal te tooien. Heden bevindt het zich in het museum van diezelfde kathedraal. 

 

Opmerkelijk is de compositie die in een cirkel rond de heilige geconstrueerd werd. Het miserabele middelpunt wordt gevormd door Hippolytus die gedecideerd naar de hemel smacht. Langs de heilige werd met behulp van een passer een cirkel getrokken waarlangs vier paarden geschilderd werden: een soort Vlaamse Vitruviaanse figuur. De klederdracht met felle kleuren van verschillende omstanders ritmeert de ruimte. Bouts ging in dit werk zeer ambitieus te werk en overschatte zijn eigen mogelijkheden. Het lijkt alsof de heilige ongelukkig voor een steile wand hangt. De paarden lijken daarenboven te klein en de verste beul op het paard heeft de afmetingen van een dwerg. Het vogelperspectief vermindert de monumentaliteit van de figurengroep, maar blijkt technisch een te grote uitdaging.  

 

 

EEN HELPENDE HAND  

 

Dirk Bouts blijkt niet de enige maker van het werk te zijn. Hij kreeg hulp van de Gentse schilder Hugo van der Goes (ca. 1440-1482). Van der Goes evenaarde in zijn werken de hoge technische en iconografische standaard die door Jan van Eyck eerder in de vijftiende eeuw als onnavolgbaar gewaand voorbeeld was gesteld. Men neemt aan dat Van der Goes het linkerluik, waarop de stichterfiguren geknield in het gras zitten, schilderde. Hij was objectief gezien op technisch vlak een betere schilder dan Bouts. Het is dan ook opmerkelijk dat sommige auteurs in verband met het linkerluik steevast over een onevenwicht spreken - de stichterfiguren zijn groter dan de andere -, en dat men weliswaar terecht opmerkt dat het kleurenpalet doffer is, maar dat men niet tegelijkertijd beklemtoont dat de interventie van Van der Goes een gesmaakte meerwaarde biedt. Hoe kundig zijn de portretten van de opdrachtgevers niet geschilderd? Een iconografische nieuwigheid betreft het combineren van stichterportretten met een martelscène en de combinatie van man en vrouw op één luik.

 

Gaspar Ofhuys, gelijktijdig intern met Van der Goes in het Roode Klooster in Tervuren, schreef in zijn kroniek dat Van der Goes uitblonk in het schilderen van portretten. Dat had Ofhuys goed opgemerkt, want kijken we naar het Portinari-altaarstuk, dan zien we portretten van het allerhoogste niveau. 

 

Hoe vaak in de kunstgeschiedenis viel het voor dat twee sterren hun vakmanschap aan één werk verleenden? We denken in dit verband aan de prestigieuze samenwerking tussen Jan Brueghel de Oude en Peter Paul Rubens en ondervinden tegelijkertijd moeilijkheden om even gesmaakte joint ventures op te sommen. De timing van de interventie van Van der Goes is niet helemaal duidelijk. Vroeg de opdrachtgever zelf om de portretten of moest Van der Goes, zoals de meeste auteurs veronderstellen, na het overlijden van Bouts in 1475 het werk vervolledigen? Wat wel vaststaat, is dat Van der Goes na Bouts' dood gevraagd werd om een schatting van diens artistieke nalatenschap te maken. De band tussen beide schilders kan dus archivalisch gestaafd worden.  

 

 

ONVOLKOMENHEDEN 

 

Dit blijkt een topstuk met enkele onvolkomenheden te zijn. Net die imperfecties zoals het ietwat spaak lopende perspectief maken er een intrigerend paneel van. Bouts was nochtans met Petrus Christus een van de eersten die de mathematische perspectief in de Oud-Nederlandse schilderkunst introduceerde. Op de buitenluiken schilderde Van der Goes dan weer grisailles van twee heiligen. Eén daarvan is de Heilige Hippolytus die een roofvogel op de arm houdt. De vogel, waarschijnlijk een sperwer, is niet onverdienstelijk geschilderd, maar is geen vrucht van natuurgetrouwe studie.  

 

Verkwikkend is het thema van dit schilderij niet, ook al zag de laatmiddeleeuwse mens deze triptiek in een ietwat ander licht. De opdrachtgever verbond zich met zijn naamheilige en dat betekende een vrijwaring van zijn zielenheil. Wijlen Maurits Smeyers tekende het volgende op: "Het werk van Bouts baant zich een weg naar een lange toekomst, door de kracht van het talent en van de verbeelding waarmee het is vervaardigd. Daardoor bieden zijn schilderijen, als weerspiegeling van een wereldbeeld, een dynamisch potentieel dat zich vandaag, na eeuwen geduldig wachten, aan ons openbaart." 

 

Niemand in het schilderij lijkt geschokt door de dood: men berust in het levenseinde zolang het morele parcours onberispelijk is. Het geloof was rotsvast. Bouts was een schilder van het understatement en van de onthechting, of zoals Max Friedlànder zijn oeuvre kernachtig samenvatte: "Meer gericht op de ziel dan op het lichaam." Kenners typeerden sommige schilderpartijen als "onhandig geschilderd", en toch is dit een topstuk.

 

Matthias Depoorter


Info

Sint-Salvatorskathedraal  

Steenstraat

8000 Brugge

Open: maandag van 14.00 tot 18.00 uur, dinsdag t.e.m. vrijdag van 8.30 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 18.00 uur, zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 15.30 uur, zondag van 9.00 tot 10.15 uur en van 14.00 tot 17.00 uur

Tel. 050 44 87 11

http://sintsalvator.be/choice