U bent hier

Terugblik 2 - Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen - 1965

Jean-Jacques de Grave, Zannekin wordt uit Veurne verbannen, linosnede, Provinciaal bezit, West-Vlaanderen.

In elk nummer van deze vijftigste jaargang grasduinen we in de boeiende geschiedenis van een halve eeuw Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

 

“Geachte abonnee, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen bestaat nu 3 jaar! Meer dan ooit willen wij uw verwachtingen voldoen. De radio- en t.v.-uitzendingen, de reprodukties en teksten werden samengesteld voor U: wij achten het dan ook heel belangrijk, geachte abonnee, dat wij uw wensen kennen. Wie volgt O.K.V. ? Wat denkt U over deze initiatieven ten goede of ten kwade? Wat verwacht U ervan?...” Dit krijgen de abonnees rond de jaarwisseling 1965-1966 te lezen, als inleiding tot een enquêteformulier dat via achtentwintig vragen, in zeven secties ondergebracht, peilt naar de abonnees van OKV en naar hun desiderata. Hoe ervaren zij kunst? Zet OKV hen aan tot museumbezoek? Wat vinden zij van het uitzenduur (op maandag om 19.45 uur vlak voor het televisiejournaal, op woensdag om 20 uur voor de radio)? Worden programma’s met familie of vrienden besproken? Of: “Hebt U reeds reprodukties van O.K.V. ingekaderd voor Uzelf of voor anderen?”

 

Centraal staat uiteraard het product zelf: de jaarlijkse selectie van achtentwintig kunstwerken uit de meest diverse periodes en de meest uiteenlopende kunstdisciplines, van Jan van Eyck, tot Karel Appel, van een bronzen profeet uit Middelheim tot papkommen uit de zestiende eeuw. Het is inderdaad een bonte mengelmoes die geen rekening houdt met chronologie, stijlen niet systematisch exploreert, occasioneel belangstelling toont voor minder gekende kunsttakken, soms zelfs eens een tweederangs werk voor het voetlicht brengt om er ongenadig de zwakten van aan te tonen. Het zijn bewuste opties, maar slaan die wel aan? Vandaar het belang van vraag 14: “Welke drie afbeeldingen van jaargang ’65 hebben U het meest getroffen?”

 

 

And the winner is…

 

Zoals te verwachten viel bood de bewuste jaargang voor elk wat wils en dat reflecteren de antwoorden ruimschoots. Monsterscores worden er niet gehaald, noch in positieve noch in negatieve zin. Van de 1.948 respondenten vinden er welgeteld zes dat alle werken goed zijn. Sympathiek, natuurlijk, maar dat was niet de vraag. De hoogste score wordt behaald door het schilderij Winter in Vlaanderen van Albert Saverys. Honderd negenennegentig punten zijn goed voor 10,3 % van de stemmen. Het is niet te achterhalen wat die keuze bepaald heeft: de aantrekkelijkheid van het werk of de kwaliteit van de begeleidende commentaar. Wellicht een combinatie van beide.

 

Het schilderij van Albert Saverys (1886-1964) is voorgesteld door kunstcriticus Urbain Van de Voorde (1893-1966), de strenge kunstrecensent van De Standaard. De auteur van het essay Modern, al te modern is geen voorstander van het Vlaams expressionisme noch van andere vormen van nieuwlichterij en dat is aan zijn bespreking van Saverys’ werk duidelijk te merken. Niet dat hij de polemische toer opgaat, daarvoor is hij zich te zeer bewust van de educatieve taak van het medium Openbaar Kunstbezit, dat een zo breed mogelijk publiek moet ‘inwijden’ in de beeldende kunsten. Hij gaat wel subtiel de kwaliteiten van het werk ophemelen, Saverys als een ‘goede’ modernist aanprijzen.

 

Zijn tekst begint daarom ook met een situering van Saverys als een gedegen vakman, iemand die een compositie op briljante wijze kan opzetten en vooral niet aan de mode van de onrealistische vervormingen offert. Dan gaat hij een stap verder; hij legt de link naar Pieter Bruegel en naar diens winterlandschappen . Niet zo maar een gratuite stelling, want hij staaft zijn bewering met een grondige en scherpe analyse van de compositie. Daar toont Van de Voorde zich op zijn best. Hij laat ons aanvoelen dat Saverys niet voor de zoveelste keer zijn vertrouwde omgeving van de Leieboorden op doek heeft vastgelegd, maar dat zijn winterlandschap er een vernuftig opgebouwde synthese van brengt, helemaal in de geest van Bruegel. Zoals het de auteurs in die beginjaren van Openbaar Kunstbezit ingeprent wordt, tast Van de Voorde het schilderij af en hij dwingt zijn lezer (luisteraar en kijker) hem te volgen. Hij attendeert hem op het zinvol detail, op het weloverwogen plaatsen van enkele bomen en een boerderij in een compositie die een en al evenwicht is. Het zijn zeker geen toevalstreffers, Saverys kent zijn stiel.

 

Vervolgens belicht hij een ander aspect dat tot de eigenheid van de kunstenaar bijdraagt: zijn “wonderbaar zuiver kleureninstinct.” “Meesterlijk is die hemel geschilderd in bewogen slierten van dominerend jadegroen dat in tamelijk diepe tonen is gezet, zodat wel mag gezegd worden dat de kleur van die hemel een vondst was.” Zijn bewondering voor het ongebruikelijk kleurengebruik is de enige toegeving die hij tot het vermaledijde expressionisme doet. Saverys is volgens hem een gematigde, dus een verstandige expressionist. Hij staat dicht bij de werkelijkheid. Dat hij af en toe een loopje neemt met de kleur is een afwijking die hem door de auteur vergeven wordt.

 

Achteraf bekeken is het wel opmerkelijk dat er zo uitvoerig op het kleurgebruik werd ingegaan op een tijdstip dat de televisie-uitzendingen nog integraal in zwart-wit werden uitgezonden, maar het publiek zag er geen graten in.

 

 

Zannekin, een verhaal in zwart en wit

 

Heel wat minder enthousiast schijnen de OKV-lezers te zijn over het werk van Jean-Jacques de Grave Zannekin wordt uit Veurne verbannen; met een score van slechts 3,3%. Het betreft een linosnede uit een reeks van negentien platen waarin de kunstenaar het verhaal van de volksheld Zannekin in beeld brengt. De keuze toont de wil van Openbaar Kunstbezit om de grafiek niet louter in zijn traditionele vorm te benaderen.

 

Jean-Jacques de Grave (1923-2002) is een mooi voorbeeld van een kunstenaar die voortbouwend op een traditioneel ambacht dit ook weet te ontgroeien. Hij heeft Jozef Cantré als leraar gehad op Ter Kameren, maar is in de loop van de jaren vijftig naar Tsjecho-Slowakije getrokken, de plek waar de grafische kunsten een ongekende bloei hebben gekend. Met die technische bagage kan hij elke uitdaging aan. Dat blijkt overduidelijk in zijn krachtige linosneden, die hij vaak in grote reeksen uitbrengt (Zannekin, Heer Halewijn, de Heilige Godelieve). Zijn stijl is zeer direct, brutaal zonder vulgariteit, teder of ironisch, erotisch of uitgelaten, naargelang.

 

Auteur van dienst is Marcel Duchateau (1914 -1996) die op een erg handige wijze en met een sober taalgebruik zijn publiek de eigenheid en de kwaliteiten van deze lino bijbrengt. Hij slaat geen professorale toon aan. In de volkse eenvoud ontleend aan het ‘mannekensblad’ vertelt de prent een verhaal in zwart wit, letterlijk en figuurlijk. Maar Duchateau wijst er meteen ook op dat die vereenvoudiging een van de Graves sterke punten is. Het verhaal wordt geen simplistische karikatuur (tenzij de kunstenaar daar zelf voor kiest). Integendeel slaagt hij erin de suggestieve kracht van hetgeen hij uitbeeldt nog te vergroten. In de prent zijn vier elementen verbonden: de stad, het platteland, Zannekin en de verbanning (een uitdaging om dit abstract begrip met verregaande gevolgen uit te beelden). Die vier componenten houden elkaar in evenwicht, zonder grootspraak, zonder technische hoogstandjes. Dat is hetgeen Duchateau wil duidelijk maken. Duchateau is een man van de media, jarenlang werkzaam als freelancer voor de kunstprogramma’s van de openbare omroep. Zijn beschrijving van de ballingschap van Zannekin is een ware les in het kijken naar en het interpreteren van een kunstwerk. Alles wordt getoond en meteen ook geduid. Wij laten hem graag het laatste woord: “Hij [Zannekin] verlaat, hij vlucht de stad, de lege stad. Hij is geen gewone reiziger, niemand neemt van hem afscheid, niemand zegt hem vaarwel. Hij is een zwerver. Hij is al over de helft van het beeld, hij is al over de scheidingslijn tussen de stad en het land en die beweging is zeer handig en tevens zeer uitdrukkingsvol gesuggereerd door het stukje hemel en de boom die reeds tussen het hoofd van de licht naar voor hellende gestalte en de uiterste grens van de stad zichtbaar zijn.”

 

Rik Sauwen