U bent hier

Steenrijk stadhuis Oudenaarde

Steenrijk gasthuis Oudenaarde

 


INHOUD:

  • Het stadhuis van Oudenaarde
  • De ruimtes en hun bestemming
  • Wijzigingen en restauraties
  • Het stadhuis van Oudenaarde: geen klassiek museum
    • De wandtapijten
    • De volkszaal
    • De schepenzaal
    • De bovenlakenhalle
  • Oudenaarde en zilver
    • De kapellenkamer: Oudenaards zilver
    • De voogdenkamer: Europees zilver, de Collectie De Boever-Alligoridès
  • De Stedelijke Collectie

 

Het stadhuis van Oudenaarde

 

Oudenaarde, een kleine stad in Zuid-Oost-Vlaanderen, gelegen langs de Schelde en aan de rand van de Vlaamse Ardennen, heeft een roemrijk verleden. Een belangrijke getuige daarvan is het stadhuis, dat geldt als het mooiste voorbeeld van de Brabantse laat-gotiek in ons land. De grote waarde van het gebouw ligt in de uiterst zuivere verhoudingen en in de ongeëvenaarde monumentaliteit.

 

Het stadhuis is opgetrokken op de plaats van het oude schepenhuis, waaraan de nu nog bestaande veertiende-eeuwse lakenhalle verbonden was. In 1525 was het oude schepenhuis in verval en de kans was groot dat het zou instorten. Noodgedwongen maar ook verlangend naar een nieuw, mooier en meer aangepast gebouw, ging het stadsbestuur op zoek naar een bouwmeester. Uiteindelijk viel de keuze op Hendrik van Pede uit Brussel, die het monumentale Oudenaardse stadhuis in tien jaar tijd optrok (1526-1536).

 

Het oorspronkelijke plan van Hendrik van Pede werd niet verwezenlijkt. De U-vormige aanleg die voorzien was, werd vervangen door een L-vormige. De rechterzijgevel, aan de Nederstraat, werd niet voltooid. Deze gevel bestaande uit twee bouwlagen met bovenaan een weergang opgetrokken in Doornikse kalksteen bevat zichtbaar delen uit het oude schepenhuis. De twee aangebouwde traveeën uiterst rechts (een torenachtige constructie) met getralied venster dateren uit 1509-1510.

 

De getraliede ruimte was het secreet of de archiefkamer. Het gelijkvloers fungeerde naar alle waarschijnlijkheid als opslagruimte, terwijl de eerste verdieping door het stadsbestuur werd gebruikt.

 

We weten dat het oude schepenhuis een belfort had, dat de voorgevel naar de Hoogstraat was gericht en dat het aan de zijde van de Markt door verschillende huizen was omgeven. De hierbij aansluitende lakenhalle in blauwsteen heeft twee verdiepingen. Het gelijkvloers diende oorspronkelijk als stapelplaats voor het stedelijk brandweermateriaal en wapens en de eerste verdieping als uitstal- en verkoopruimte.

 

Het Oudenaardse stadhuis is het volmaakte voorbeeld van de klassieke stroming van de Brabantse laat-gotiek. De gotische traditie zien we in de indeling van vlakken en ruimten, meer bepaald in de hoge brede vensters, de spitsbogen en het rijk uitgewerkte maaswerk. Typerend zijn de met krullen versierde pinakels aan de zijgevels en de door beelden onderbroken decoratie van de borstwering. De uitbundige decoratie maakt het gebouw tot een kanten schrijn.

 

Het stadhuis staat in het midden van de korte zijde van de Markt en individualiseert zich doordat het aan alle zijden vrij staat. De gevel heeft een perfect symmetrische opbouw. De begane grond is verdeeld in zeven delen met ongeveer dezelfde afmetingen.

 

Dezelfde symmetrie is ook nagestreefd in de zijgevels en in het grondplan. De evenwichtig opgebouwde belforttoren staat centraal en is de blikvanger.

 

De onderste bouwlaag is ondergeschikt aan de twee hoger gelegen verdiepingen. Dit wordt zowel duidelijk gemaakt door het verschil in hoogte als door de versieringsmotieven. De eerste verdieping, die het rijkst gedecoreerd is, moet van in het begin als de belangrijkste beschouwd zijn. De eenvoudig uitgewerkte begane grond heeft een zuilengalerij met zes spitsbogen op ronde zuilen en koolbladkapitelen. De kruisrib-overwelvingen steunen op kraagstukken met engelen, jachttaferelen en zeemeerminnen, geplaatst tegen een sobere muur. De eerste verdieping draagt een sierlijk uitgewerkt balkon met hogels en kruisbloemen onder blinde boogfriezen met bladranken en korven. De andere verdiepingen zijn gelijkaardig versierd met pinakels, hogels, torentjes en beelden op sokkels, waaronder heel wat putti en allegorische voorstellingen van de deugden. Bepaalde versieringselementen zoals de putti verwijzen naar de opkomende vroeg-Renaissance.

 

De belforttoren met vierkante basis is op de eerste verdieping voorzien van een licht uitspringende loggia of afroeppui vanwaar mededelingen van rechtswege afgekondigd werden. Het prachtige beeldhouwwerk met het Salomonsoordeel, het offer van Isaak en bovenaan het Mariabeeld, benadrukt het belang ervan. De loggia is overwelfd met een kruisribgewelf. Ter hoogte van het balkon gaat de toren over in een octogonale klokkentoren waarin de stadsbeiaard opgehangen was. Omdat het aantal klokken in de loop van de eeuwen steeds werd uitgebreid, werd de beiaard te zwaar en moest hij in 1894 overgebracht worden naar de naburige Sint-Walburgakerk.

 

De toren is uniek omdat hij perfect geïntegreerd is in het gebouw maar toch een autonoom voorkomen heeft.

 

De kroon op de toren en de vergulde adelaars moeten met de toenmalige vorst, Karei V, in verband gebracht worden. Het beeld van 'Hanske de krijger', een zestiende-eeuwse vaandeldrager, werd in 1530 vervaardigd door goudsmid W. Blansterins. De dakvensters met pinakels en puttibeeldjes zijn van de hand van de Oudenaardse beeldhouwer Pauwel van der Schelden.

 

Bij het bouwen van het stadhuis werd gebruik gemaakt van verschillende materialen: baksteen (skelet), Balegemse zandsteen (gevel), kalkzandsteen van Ecaussines (maaswerk van de vensters, kolommen van de arcadegalerij, de cale, de keuken en het korenhuis), Avesnessteen (fijn beeldhouwwerk), hout uit de streek van Bergen, ijzer uit Spanje, lood en bladgoud (6500 bladen) uit Antwerpen.

 

Het samenspel van al deze elementen begiftigt het stadhuis van Oudenaarde met een perfect evenwicht tussen het visuele en constructieve. Hierin ligt de unieke waarde van het gebouw.

 


Hanske de Krijger

 

Zoals de zon bij de maan hoort, hoort 'Hanske de Krijger' bij Oudenaarde. Het gouden fiere mannetje, boven op de kroon van de belforttoren van het stadhuis, is immers verbonden met heel wat vertellingen en ligt de Oudenaardisten nauw aan het hart. Meermaals werd hij voor een restauratiebeurt van zijn kroon gehaald, maar op de eerste zondag van de maand maart in het jaar 1897 meldde het Zondagsblad van Oudenaarde het volgende: ' ....Een algemene kreet van afkeuring uitte zich bij onze weldenkende burgerij. Zondag morgen laatst zijn in de nacht kleingeestige kluchtigaards de afsluiting en de ladders van de stellingen, geplaatst rond de stadhuistoren, opgeklommen en hebben zij het vermaarde standbeeld van "Hanske de Krijger" met een masker, lompen en een strooien hoed gekleed...

 

Zij hebben waarschijnlijk gedacht: het is morgen karnaval en heel de stad zal om onze klucht kunnen lachen, doch hun werk was een waar fiasco !

 

De deftige burgerij sprak er schande over, een openbaar gebouw zo beschimpen.

 

Onze politie heeft onmiddellijk de vermomming doen wegnemen. Menig Oudenaards geschiedkundige heeft het standbeeld dat op ons stadhuis prijkt, beschreven, en bij alle Oudenaardisten is Hanske ten alle tijden in verering geweest. Daarom is het te hopen dat het stadbestuur de stellingen zal doen wegnemen totdat de herstelling aan de toren begint, opdat dergelijk werk niet meer zou gebeuren...'

 

Een gewaarschuwd man is er twee waard!


 

De ruimtes en hun bestemming

 

 

Het is moeilijk te achterhalen welke de oorspronkelijke functies waren van de diverse ruimtes in het stadhuis. Toch kunnen we met zekerheid stellen dat het gelijkvloers voor commerciële, fiscale en handelsdoeleinden gebruikt werd en de bovenverdieping een bestuurlijke functie had.

 

 

Het gelijkvloers

 

Op de benedenverdieping leidden verschillende, nu nog aanwezige poorten naar opslagplaatsen van allerlei aard. De poort aan de kant van de Hoogstraat gaf toegang tot een algemene opslagplaats en een onderhalle. Een andere poort in dezelfde straat leidde naar de stadswaag of cale, voor het eerst vernoemd in 1338. De stadswaag vervulde in de Middeleeuwen een belangrijke rol in het handelsverkeer: op de in- en de uitgevoerde goederen werden immers taksen geheven die in vele gevallen per gewicht bepaald waren. In Oudenaarde werd er vooral graan en boter gewogen en getaxeerd. De cale is overwelfd met bak- en zandsteenbogen die rusten op arduinen zuilen met koolbladkapitelen. Centraal staat een monumentale schoorsteen.

 

De ruimte gelegen voor de cale - op de hoek tussen de Hoogstraat en de Markt - diende als conciërgewoning en keuken. Deze laatste was vrij groot en had een belangrijke functie. Er werd veelvuldig gebruik van gemaakt voor de bereiding van de maaltijden van de schepenen tijdens feestelijke bijeenkomsten in de volkszaal. Ook na een terechtstelling namen de schepenen graag een rijke en uitgebreide maaltijd. De conciërgewoning en de keuken vormden één ruimte (nu gebruikt door de dienst Oudenaarde en Zustersteden). Een grote poort, midden in de voorgevel, verschaft toegang tot alle andere plaatsen. Alle doorgangen zijn breed om het in- en uitrijden van paard en kar toe te laten.

 

De ruimte waar nu de dienst voor toerisme gehuisvest is, was oorspronkelijk de korenstapelplaats. Daarachter ligt nu de polyvalente zaal. Deze benedenkamer, gelegen in het vroeg-gotisch gedeelte, heeft een imponerende balklaag en een grote neobarokke haard.

 

 

De eerste verdieping

 

Op de eerste verdieping neemt de volkszaal de volledige lengte van de voorgevel in. Zij diende voor plechtige ontvangsten, feesten en vermakelijkheden en werd tevens gebruikt als vergaderruimte. Op gewone dagen waren dergelijke grote zalen gewoon wandelgangen. Deze zaal staat rechtstreeks in verbinding met de afroeppui. De aanpalende schepenzaal (kant Hoogstraat) was de belangrijkste zaal: het was de vergaderruimte van het schepenbestuur en er werd recht gesproken.

 

Nu gaan hier huwelijken en jubilea door. In de oorspronkelijke aanleg van het stadhuis werd geen enkele zaal exclusief voorbehouden voor de gebruikelijke 'vierschaar' of rechtbank. Vermoedelijk was een dergelijke ruimte voorzien in het niet-afgewerkte deel van het stadhuis. Rechts van de volkszaal, in de huidige keuken, bevond zich de schepenkapel.

 

 

De tweede verdieping

 

De indeling van de tweede verdieping beantwoordt aan die van de eerste etage. Boven de schepenzaal ligt de oppervoogdenkamer, nu de zilverkamer, en boven de volkszaal bevindt zich een even grote zaal waar de stedelijke collectie is ondergebracht. De oppervoogdenkamer was een bestuurskamer waar de oppervoogden het beheer waarnamen van de bezittingen en de goederen van de minderjarige wezen en hun belangen verdedigden. Volgens de klassieke indeling moest deze kamer direct in verbinding staan met de schepenzaal. Oudenaarde wijkt in dit opzicht af van het plan.

 

Op deze verdieping bevond zich oorspronkelijk ook de stadhuiskapel - nu de Oudenaardse zilverkamer - waar dagelijks een mis werd opgedragen. Op hetzelfde niveau, in het vroeg-gotische deel, bevonden zich de voormalige archiefkamer en het huidige kabinet van de burgemeester. Door een latere wijziging van het verbindingssysteem van de kamers komen zij nu op de eerste verdieping te liggen.

 

Helemaal boven de trapkoker, bereikbaar via de zolderverdieping, lag de munitiekamer waar de buskruitvoorraad werd bewaard. Het was een plek die wat afgelegen lag om bij een mogelijke ontploffing de belangrijke kamers van het stadhuis te vrijwaren. Het kruitkamertje werd later als smidse ingericht.

 


 

Wijzigingen en restauraties

 

 

Het stadhuis heeft weinig ingrijpende bouwkundige wijzigingen ondergaan maar kent een lange restauratiegeschiedenis. Het is steen per steen vernieuwd. Toch is dankzij het vakmanschap van de opeenvolgende generaties steenkappers het oorspronkelijk uitzicht van het monumentale gebouw tot in de kleinste details bewaard.

 

 

Lakenhalle

 

In de zeventiende eeuw werd het houten plafond van de benedenlakenhalle vervangen door een korfbooggewelf. Een eeuw later kreeg de ruimte een indeling met pijlers. Aan de buitenkant werden kleine huisjes gebouwd waardoor de oorspronkelijke kleine Romaanse venstertjes op de benedenverdieping verdwenen. De bovenlakenhalle werd van grote vensters voorzien waardoor de ruimte binnenin veel helderder werd. Vorige eeuw werd de ruimtelijke werking van de benedenhalle tenietgedaan door een opdeling in kleinere ruimten. Ze fungeerde als museum en er was tot in 1996 zelfs een cachot in ondergebracht. De stedelijke politie huisde toen in de vooraan gelegen korenopslagplaats, waar nu de dienst toerisme zijn kantoren heeft. Tijdens de laatste restauratiefase verdween, aan de kant van de Hoogstraat, de grote neoklassieke buitentrap (1821) die naar de bovenlakenhalle leidde, en werd de benedenlakenhalle grondig gerenoveerd.

 

 

Stadhuis

 

De toegang was volgens het origineel plan voorzien aan de linkerkant van de hoofdgevel. Nog tijdens de bouwfase werden de plannen gewijzigd. Op de hoek van de Hoogstraat kwam een imposante toegangstrap met pui. In de negentiende eeuw startten de eerste grote restauratiewerken. Tijdens de opeenvolgende campagnes werd bijna alle beeldhouwwerk steen voor steen vervangen: een campagne van L. Roelandt in 1837-1851, van J. Helleputte in 1879-1891, van P. Langerock in 1898-1902, van V. Vaerwyck in 1927-1940, van R. Warie in 1956-1978 en tenslotte van het architectenbureau Van Acker vanaf 1979 tot 1997.

 

Tijdens de campagne van L. Roelandt werden de beelden en decoratie-elementen vervangen in steen van Hordain, terwijl de borstweringen en de kroonlijsten vernieuwd werden in steen van Soignies en Crazannes. Aansluitend werden de baldakijnen, pinakels, torentjes, kapitelen, de kroon van de belforttoren en het parement en de zuilen van de grote gaanderij onder handen genomen.

 

Een tweede belangrijke restauratiefase was die van J. Helleputte uit Leuven. Hij voorzag een heraankleding van het interieur van de volkszaal door Louis Hendrix én restauratiewerken aan de belforttoren. Hij tekende eveneens een merkwaardig restauratieplan waarbij op de plaats van het oude schepenhuis, aan de kant van de Nederstraat, een belfort werd voorzien. De oorspronkelijke galerij op de binnenkoer en het schepenhuis zelf dienden heropgebouwd. Met uitzondering van de plannen voor het interieur van de volkszaal, werd afgezien van dit ambitieuze opzet.

 

De Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten. Het stadhuis werd zwaar beschadigd: in de linkerzijde van de eerste verdieping en de linkerbovenkant van de gaanderij werd een enorm gat geslagen. Tien jaar later zette V. Vaerwyck de werken verder. Het ging voornamelijk om de herstelling van de oorlogsschade en kleinere interieuraanpassingen. Op het einde van deze restauratiefase wordt het stadhuis in 1944 als beschermd monument erkend. Een aantal jaren later volgde de lakenhalle.

 

Na de beschadigingen van de Tweede Wereldoorlog begonnen de restauratiewerken pas in 1956. In 1964 plaatste de beeldhouwer R. Bonduelle op de achterzijde van de westgevel het bronzen beeld van de Heilige Michaël die de draak doodt. Na een komen en gaan van verschillende architecten waaronder R. Warie en Gabriëls, nam het architectenbureau Van Acker de fakkel over. Verschillende generaties Van Acker waren bij de restauratiefase 1979-1997 betrokken. De restauratie van de rechterzijde van de marktgevel duurde van 1985 tot 1991 en de restauratie van de rechterzijgevel, kant Nederstraat, van 1993 tot 1997. Alle elementen werden toen in Massangissteen vervangen. De laatste fase (1997-1998) omvatte de inrichting van de polyvalente zaal, de renovatie van de benedenlakenhalle als tentoonstellingsruimte voor de Oudenaardse wandtapijten en de renovatie van de keuken. Sinds juli 2002 steekt men terug de handen uit de mouwen en worden het vroeg-gotisch gedeelte, het dakgebinte en de bedaking van de kapellenkamer vernieuwd.Het einde van de werken is in zicht. In de komende jaren is de plaatsing van een lift voorzien en de invulling van de open ruimte (kant Hoogstraat) ter hoogte van de langsmuren van de lakenhalle.

 


 

Het stadhuis van Oudenaarde: geen klassiek museum

 

 

Het stadhuis van Oudenaarde herbergt een aantal indrukwekkende collecties. Alle verzamelingen zijn geleidelijk aan tot stand gekomen. De bezoeker dient er rekening mee te houden dat een klassiek museumbezoek hier niet aan de orde is. Het stadhuis moet men ontdekken. Zijn vele trappen en gangetjes zijn voor de leek een waar doolhof. Openheid en nieuwsgierigheid zijn de beste eigenschappen om een bezoek in dit grootse gebouw aan te vatten.

 

Wie had ooit gedacht dat in een gebouw waar zowel handel werd gedreven, feesten werden georganiseerd en recht werd gesproken, de meeste voorwerpen vakkundig achter glas zouden geplaatst worden, voor de wandkleden een geklimatiseerde ruimte zou worden voorzien, de oude kapellenkamer en de oppervoogdendekamer omgetoverd zouden worden tot zilverkamers. De meeste ruimtes werden dus aangepast aan de hedendaagse museale noden.

 

Het was en is nog steeds niet eenvoudig. Het Oudenaardse stadhuis leeft. Nog steeds gaan in de schepenzaal huwelijken en jubilea door, nog steeds houdt de gemeenteraad er haar maandelijkse bijeenkomst en gaan ontvangsten, feesten en concerten door in de volkszaal. Een dergelijke feestelijke en representatieve-publieke functie combineren met een museale functie, dat is dé uitdaging.

 

Een steenrijk stadhuis

De verzamelingen in het stadhuis: rijk en heterogeen?

De permanente collectie van het Oudenaardse stadhuis bevat drie grote verzamelingen: de Oudenaardse wandtapijten, het Oudenaards en Europees zilver en een heterogene stedelijke verzameling.

 

De wandtapijten

 

Via de dienst toerisme, gehuisvest in de vroegere korenstapelplaats, leidt een lange smalle gang naar de benedenlakenhalle. De halle is in 1999 tijdens de tentoonstelling Meer dan groen, Oudenaardse wandtapijten van de 16de tot de 18de eeuw in gebruik genomen. Bijna alle wandkleden die hier worden tentoongesteld, zijn afkomstig uit de verzameling van de stad, behalve twee achttiende-eeuwse stukken die van oudsher bezit zijn van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele. Een aantal zijn de laatste decennia door het Oudenaardse stadsbestuur aangekocht. Hiervoor werd een verzamel-beleidsplan opgesteld waarbij men bij elke nieuwe legislatuur naar een nieuwe aankoop streeft.

 

De bedoeling is de collectie uit te breiden tot alle genres in de Oudenaardse wandtapijtkunst aan bod zijn gekomen. De verzameling telt 23 wandkleden waarvan er dertien tentoongesteld zijn. De niet-tentoongestelde werken worden zorgvuldig bewaard in het Huis de Lalaing, een restauratie- en weefatelier.

 

Oudenaarde was een van de belangrijkste wandtapijtencentra in Vlaanderen. De Oudenaardse wandkleden vormden een wezenlijk onderdeel van de toenmalige luxe-industrie en vonden een afzet over heel de wereld. De oudste archiefvermelding van de tapijtweefkunst in Oudenaarde voert terug tot 1368. Toch kwam het ambacht pas tot bloei in de vijftiende eeuw: Een stichtingsoorkonde toont aan dat tapijtwevers in 1444 in het ambachtsgilde van Sint-Barbara verenigd waren. Vijftiende-eeuwse wandtapijten bleven niet bewaard; de oudst gekende dateren uit de eerste helft van de zestiende eeuw.

 

In de zestiende eeuw bereikte de Oudenaardse wandtapijtproductie haar hoogste peil. Oudenaarde is vooral beroemd om zijn 'verdures' of groenwerk. De weefsels zijn gekarakteriseerd door een weelderig groen landschap met op het voorplan enkele figuren of vogels en op de achtergrond een ruïne, een kasteel of bergen. De hoofdkleuren zijn groen in allerlei varianten, blauw, geel, bruin en zelfs rood. De overzichtstentoonstelling Meer dan groen (1999) slaagde er niet alleen in een tachtigtal wandtapijten terug naar de moederstad te brengen, maar ook aan te tonen dat Oudenaarde naast verdures ook figuratieve wandtapijten produceerde, met de jacht, het landelijk leven, de antieke geschiedenis, de mythologie en de bijbel als onderwerp.

 

Voor de tweede helft van de zestiende eeuw vermelden wij twee kwaliteitsvolle reeksen: een episode uit het leven van Jozef (Jacob wordt voorgesteld aan de farao, ca. 1550-1560) en een reeks van drie wandtapijten geïnspireerd op het leven van Alexander de Grote (ca.1580-1590). Het heroïsche leven van Alexander de Grote leende zich prima tot het uitweven van verschillende heldhaftige episodes en zijn roem werd als voorbeeld gesteld voor de toeschouwers én de bezitter. Slechts heel uitzonderlijk werd een wandkleed apart geweven. Meestal werd een reeks of een kamer van wandtapijten besteld. Om die reden werden verhalen uitgekozen die in verschillende episodes konden worden weergegeven. Zes of meer weefsels sierden dan de wanden van een kamer.

 

Volgens archivalisch materiaal schonk de stadsmagistraat in 1582 een reeks van acht wandkleden aan Alexander Farnese (1545-1592) bij zijn Blijde Intrede in Oudenaarde na de herovering van de stad op de Gentse Calvinisten. De drie overgebleven wandkleden stellen volgende onderwerpen voor: Alexander voor de Hogepriester Iaddo, Het legerkamp bij de rivier Granikos en Alexander wordt een kroon aangeboden. Zij zijn enkele jaren geleden door het stadsbestuur aangekocht en gelden als een van de meest kwaliteitsvolle realisaties van de Oudenaardse tapijtkunst. Op twee van de drie weefsels staan merken, onder meer het Oudenaardse stadsmerk bestaande uit een geel schild met drie rode strepen en bovenaan een bril. Het inweven van een stadsmerk én een weversmerk werd verplicht na de afkondiging van de Generale Ordonnantie van Karel V in 1544.

 

De wandtapijten combineren zowel de zin voor het monumentale als de neiging tot het pittoreske. In het uitweven van de details komt het Oudenaardse vakmanschap tot uiting. Ook aan de boorden werd veel aandacht besteed. De decoratieve voorstellingen zoals gevleugelde liggende wezens, vogelsirenen, vruchten, vazen, gordijnen, doeken en kariatiden zijn overgenomen uit modelboeken van Cornelis Bos (1510-1556).

 

Als gevolg van de godsdiensttroebelen verlieten vele Oudenaardse wevers de stad om zich in Nederland (Gouda) of Frankrijk te vestigen. Na de restauratie van het Spaans regime (1609-1633) bleef de heropbloei van de Oudenaardse wandtapijtennijverheid uit door blijvende militaire en politieke onrust. De emigratiegolf hield aan. In de lokale productie uit die tijd kan een breed gamma aan onderwerpen worden aangetroffen: verdures, thema's uit de antieke geschiedenis zoals Hannibals broer Hasdrubal gevangen genomen door de Romeinen, uit de reeks Scipio en Hannibal, ca 1600-1620), of gebeurtenissen uit het dagelijkse leven. Pastorale verhalen en landelijke maaltijden waren bijzonder populair. Het liederlijke en vrijmoedige herdersleven oefende een grote aantrekkingskracht uit op de hogere standen en werd met seksuele en erotische vrijmoedigheid geassocieerd. Een veel voorkomende kamer is het verhaal van Gombaut en Macée. De stad Oudenaarde bezit twee wandtapijten van een dergelijke reeks: het Ganzenspel (ca. 1590-1610) en het Landelijk maal (ca. 1590-1610). Zij maakten vermoedelijk deel uit van een reeks van zeven stukken. Dat zij samenhoren wordt duidelijk gemaakt door de identieke boorden.

 

Het wandtapijt met het Ganzenspel stelt een wrede vorm van volksspelen voor. Aan een staak wordt een levende gans opgehangen, die de spelers moeten doodslaan. Links wachten feestvierders met een stok in de hand. Op de achtergrond staan figuren die toekijken of een rondedans maken. Het tapijt draagt onderaan rechts het stadsmerk van Oudenaarde.

 

In de loop van de zeventiende eeuw werden steeds minder vaak stadsmerken ingeweven, in de achttiende eeuw verdwenen ze geheel en al. In Oudenaarde weefde men wandtapijten tot op het einde van de achttiende eeuw, al nam het aantal tapijtenhandelaars gestaag af. De stad ondervond concurrentie van Frankrijk maar vooral de veranderde smaak en mode speelden hierin een belangrijke rol. Tijdens de achttiende eeuw produceerde Oudenaarde vooral wandkleden met decoratief groenwerk en kleine personages, voornamelijk open landschappen, boslandschappen of parklandschappen waarin mythologische of boertige taferelen naar Teniers voorkomen.

 


Over de bril in het wapenschild en in de stadsmerken

 

Zo vertelt de legende: 'Op een zekere dag wou keizer Karel de stad Oudenaarde met een bezoek vereren. De stad was feestelijk versierd en het volk was in dichte drommen afgezakt. Een edelman die veel gelijkenis vertoonde met de keizer, werd per vergissing door de stadswachten aangemeld. De schepenen die de stoet opwachtten bij de stadspoort, begeleidden de heer naar het stadhuis. Maar toen de keizer zelf voor de poorten verscheen, was er niemand om hem te verwelkomen. De keizer nam deze onhoffelijkheid niet erg kwalijk maar om aan het voorval te herinneren deed hij boven het stadswapen een bril aanbrengen.'

 

Sommige schrijvers beweren echter dat de bril een eenvoudige vervorming is van de hoofdletter A (Audenaerde).


 

De volkszaal

 

Een monumentale trap leidt naar de volkszaal, een belangrijke ruimte op de eerste verdieping. De interieurstoffering van de volkszaal dateert voornamelijk uit de negentiende eeuw. Het imponerende wapen van Karel V met het motto 'Plus ultre', dat zich boven de deur naar het balkon bevindt, bepaalt de atmosfeer van de kamer. Opmerkelijk zijn de neogotische glasramen met de wapens van de gebieden waarover Karel V regeerde. Hun levendig kleurenpalet hult de zaal in een aangenaam licht. Figuratieve muurschilderingen uit de neogotische periode verlevendigen de grijze muren. Louis Hendrix (1827-1888) beeldde hier belangrijke personen uit: Liederick De Buck, eerste forestier van Vlaanderen, Philips van den Elzas, graaf van Vlaanderen, Boudewijn van Constantinopel, graaf van Vlaanderen en Karel V. Hij schilderde eveneens het monumentaal wapenschild boven de poort naar de afroeppui. Opmerkelijk is dat het ooit werd aangepast. Sporen op de muur wijzen op de oorspronkelijke positie van de poten en de klauwen van de adelaar. Of hier reeds in de zestiende eeuw een schildering aangebracht werd, is niet meer te achterhalen.

 

De schoorsteen met haardplaat en bijpassende haardijzers waarop het volledige wapenschild van Karel V, zijn beeltenis en dat van zijn gemalin Isabella van Portugal, dateren uit de zestiende eeuw. De schouwmantel draagt leeuwenfiguurtjes, centraal een beeld van de Heilige Walburga - patroonheilige van de stad - en op de hoeken de symbolische voorstelling van Gerechtigheid en Macht, bijgewerkt tijdens de restauratiewerken door J. Helleputte (1880-1882). Een gelijkaardige schoorsteen vindt men in de schepenzaal. De zestiende-eeuwse balkzolen zijn meesterwerken van de Oudenaardse beeldhouwer Pauwel van der Schelden en Gillis Spierick. Zij zijn eveneens versierd met de wapenschilden van Karel V en geven een kleurrijke noot aan het wat sombere plafond. Troggewelven steunen de schoorstenen van de bovenliggende verdieping.

 

 

De Schepenzaal

 

Een groot eikenhouten tochtportaal geeft toegang tot de schepenzaal. Het portaal werd in 1533-1536 vervaardigd door de plaatselijke beeldhouwer Pauwel van der Schelden. Ofschoon hij nooit een studiereis naar Italië maakte, werkte hij duidelijk onder de invloed van de vroeg-Florentijnse Renaissance. Het onderste deel van de constructie is symmetrisch opgebouwd en bestaat uit 28 panelen met snijwerk van loofarabesken, spelende putti en dierenfiguren. Het veel zwaardere bovendeel draagt de wapenschilden van Oudenaarde, het Habsburgse Rijk en Vlaanderen. Zij worden respectievelijk geflankeerd door wildemannen, griffioenen en leeuwen. Volgens een aantekening zou Panicelli in 1842 een gipsen afdruk van het portaal genomen hebben. Het is evenwel niet bekend of deze replica bewaard is.

 

De schepenzaal is de meest statige en mooist versierde kamer van het hele stadhuis. De aanblik van de zaal, met haar pronkerige schilderijen en Antwerpse kunstkabinetten, is sinds de negentiende eeuw nauwelijks gewijzigd. De meeste stukken zijn stadsbezit. Ofwel werden ze door de stad besteld, ofwel werden ze eigendom van de stad nadat ze na het Franse Bewind aan de stad werden overgedragen. Archivalisch materiaal toont aan dat sommige werken aan het voormalige Kasselrijhuis toebehoorden. Toen dit instituut, gelegen in de Hoogstraat, tijdens het Franse Bewind werd afgeschaft, werd de volledige stoffering van het gebouw aan de stad overgedragen.

 

Een reeks vorstenportretten vormt de kern van de verzameling. Vaak herinneren zij aan roemrijke gebeurtenissen in de Oudenaardse geschiedenis. Een mooi ensemble vormen de drie portretten van drie generaties die onder elkaar zijn opgehangen: Karel V (1500-1558), Margaretha van Parma (1522-1586) en Alexander Farnese (1545-1592).

 

Een portret van bijzonder belang is dat van Karel V. Het toont de keizer als hooggeplaatst adellijk persoon. Hij draagt de Bourgondische hoed en de ketting van de Orde van het Gulden Vlies. Het Latijns opschrift op de zwarte omlijsting luidt: 'Onder de regering van Karel V, graaf van Vlaanderen, werd het bouwen van het stadhuis begonnen en beëindigd (1525-1535)'. Het opschrift is vermoedelijk van een latere datum. Oudenaarde heeft met de vorst een bijzondere band, anders dan die van het naburige rebelse Gent. In 1521, tijdens het beleg van Doornik, verbleef Karel V anderhalve maand in het toenmalige kasteel van Bourgondië, gelegen langs de Schelde. In het huis van de stadsgouverneur Philips de Lalaing, graaf van Hoogstraten, ontmoette hij het volksmeisje Johanna van der Gheynst, dochter van een tapijtwever uit Nukerke. Johanna werd zwanger en kreeg een dochter, die later, onder de naam Margaretha van Parma, landvoogdes van de Nederlanden zou worden. Haar beeltenis is passend onder die van haar vader tentoongesteld.

 

Het negentiende-eeuwse geïdealiseerde portret van Margaretha van Parma is het werk van de Antwerpse schilder Delhoy en is vermoedelijk geschilderd naar een zestiende-eeuws origineel van Antonio Moro. Margaretha kreeg een prinselijke opvoeding en werd als kind uitgehuwelijkt aan Alexander de Medici, groothertog van Toscane. Na diens gewelddadige dood, huwde zij Ottavio Farnese, hertog van Parma en kleinneef van paus Paulus III. Uit dit huwelijk werd een zoon, Alexander Farnese, geboren. Tijdens de periode van de godsdiensttroebelen, werd Margaretha door haar halfbroer Philips II, koning van Spanje, benoemd tot landvoogdes van de Nederlanden.

 

Alexander Farnese is uitgebeeld op zijn sterfbed, in monnikenpij met een groot kruis en het juweel van het Gulden Vlies. Een tekst vermeldt dat hij op 4 december 1592 overleed in de abdij van Sint-Vaast in Arras. Het was niet ongebruikelijk dat vorsten en andere hooggeplaatsten hun laatste levensjaren in een religieuze instelling doorbrachten. Tien jaar eerder (1582) had Farnese zijn leger voor de Oudenaardse stadsmuren opgesteld en een bres geslagen in de sterk belegerde Beverepoort. De stad zelf stelde hij veilig omwille van zijn moeder.

 

Naast de portrettenreeks telt de schepenkamer diverse andere werken van historisch belang, vooral een panoramisch gezicht op het zeventiende-eeuwse versterkte Oudenaarde en een reeks van vijf kleinere werkjes toegeschreven aan de Oudenaardse schilder Adriaan Brouwer (1606?-1638).

 

Het panoramisch gezicht toont Oudenaarde als zeventiende-eeuwse vestingstad. Het totaalbeeld is zeer natuurgetrouw: de stad ligt midden een landschap, de belangrijkste gebouwen zijn goed herkenbaar en met veel zorg uitgevoerd. Opvallend zijn de stadspoorten, de middeleeuwse stadsmuren en een spectaculaire stervormige omwalling met bastions aangelegd door Vauban, ingenieur van Lodewijk XIV. Bij de restauratie van het schilderij kwamen de datum 1667 én de naam van de kunstenaar I.D. Maire, een onbekend schilder, te voorschijn. Door de vervuilde toestand werd het in alle catalogi verkeerdelijk honderd jaar later gedateerd en toegeschreven aan de Oudenaardse schilder F. Van der Meersch. Intrigerend is het feit dat het schilderij uit hetzelfde jaar dateert als de inname van de stad door de troepen van Lodewijk XIV.

 


De pijp uit (1638)

 

In 1638 overleed Adriaan Brouwer in Antwerpen, nauwelijks 32 jaar oud, na een turbulent leven. De Annalen vermelden dat hij geboren is in Oudenaarde, dat hij zijn vader heel jong verloren heeft, dat zijn familie zo arm was dat ze de erfenis - blijkbaar alleen schulden - geweigerd heeft. Alhoewel hij in Haarlem, Amsterdam en Antwerpen grote roem vergaarde als kunstschilder, kende Adriaan Brouwer een leven van tegenslagen en schulden. Hij is de geschiedenis ingegaan als schilder van kroegtaferelen, weinigen weten dat hij ook een begenadigd landschapsschilder was...

 

'Creperen op een strozak, dat is het einde. Het stopt zoals het begonnen is, in drek en vuiligheid. En het stinkt. Dat een mens zo de pijp moet uitgaan. Lijk een niet, zeggen ze.

 

Was het maar waar. Nee, ik plak vast. Aan alles hier.

 

Ze zeggen dat een mens is als een pijp vol tabak, je steekt er de brand in, een vlammetje, kringetjes rook en weg. Maar zo gaat het niet. Je bent vastgeplakt met stront en etter en kwijl.

 

Het stinkt zo erg dat er op den duur niemand nog bij je komt. Zo lig je alleen te vergaan, te wachten tot je leeggelopen bent. Wanneer het voorbij is, moeten ze me maar in brand steken, met nog een bussel stro. Dat zal het beste zijn.

 

't Is raar, maar alles wat ik me nog kan herinneren, zijn de geuren, hoe alles ruikt. Ik had dat nooit gedacht, schilder zijnde, dat de kleuren zo vlug zouden weggaan.

 

Ik kan ze niet meer zien, de kleuren maar ik ruik ze. Die dikke zachte stroop die je vast kon pakken, waar je in roerde, waar je van proefde, waar ik in verzwolg. Olieverf, hars en terpentijn. Ik kon wegdraaien van geluk, wanneer ik dat rook.

 

't Is nochtans anders begonnen...

 

Ik zie hem nog staan, in die kleine kamer, die stal, waar we ook in woonden...Vader, zo noemde ik hem toch.

 

Hij is zomaar weggegaan en niet teruggekomen. Ik ging hem zoeken. Langs het water, langs de stroom, in de beemden. Ik voer met een roeiboot de Schelde af. Ik liep de heuvels in. Ik riep zijn naam soms...

 

Op een keer ben ik verder gevaren en niet meer teruggekeerd.

 

Ik ben de Schelde afgevaren, naar de grote stad, naar Antwerpen. Net voor ik voor oever was, verdween de boot onder water. Ik ploeterde naar de kant, kroop op handen en voeten naar boven en liet me met mijn gezicht op het gras vallen. Daar rook ik het voor het eerst. Ik heb het opgesnoven en ruik het nu weer. Het gras en de kleigronden, de mest. Ik ruik het nu weer, ik wil het nu weer ruiken. Dat heb ik meegenomen, die geuren anders niets. 

 

Ik heb alles geschilderd, de rokers, de drinkers, de kaarters, de vrouwen met hun benen wijd open, de taveernen, de blote kakkebillen, alles, maar de enige reuk die ik kon verdragen in mijn kamer, zelfs al stond de deur open, was die van verf...  

 

Maar nu, hier op mijn strozak, ruik ik toch weer het andere... 

 

Het liefste wat ik deed, was mijn pijpje roken. Drinken, nee, noem het maar zuipen. Ik was te snel, te gulzig, ik rook niets meer, proefde niets meer.

 

Mijn pijp daarentegen, dat was kostbaar. De rook die door mijn lijf trok, de krinkels die ik uitblies en waarmee ik letters tekende, die reuk die mij inpakte. Omhelsde, wou ik eigenlijk zeggen, kuste. Ik wil schoon uitgaan, lijk een pijp'.

 

Uit de verhalenreeks van Mieke Felix naar de vijf werkjes van Adriaan Brouwer, de "vijf zintuigen" bewaard in het stadhuis.

Uitgegeven door OBC, Firmin Ottevaere en co nv.


 

 

De reeks van vijf kleine werkjes, toegeschreven aan Adriaan Brouwer (1606?-1638), stelt de vijf zintuigen voor. Of het om authentieke werken van Brouwer gaat is niet met zekerheid te zeggen. Desalniettemin hebben de schilderijen voor de stad een grote emotionele en historische waarde. Brouwer schilderde vooral onderwerpen uit het dagelijkse leven van de volksmens. Even bekend is zijn liederlijk leven.

 

In de schepenzaal prijken ook vier kunstkabinetten, waarvan er drie uit de zeventiende eeuw stammen. Deze pronkmeubels met internationale faam zijn afkomstig uit Antwerpen en zijn versierd met de kostbaarste materialen. Het meest rijkelijk uitgevoerde kabinet is dit vervaardigd voor de Sint-Jorisgilde in 1676. De ebbenhouten laden zijn bekleed met schildpadschelp die op een vermiljoenrood gekleurde ondergrond aangebracht is. Kleinere versieringen bestaan uit parelmoer, ivoor en koper.

 

Middenin bevindt zich een secreet, dat afgesloten is door een renaissancepoort met zuilen. Het secreet heeft spiegelpaneeltjes en twee beschilderde paneeltjes met figuren.

 

 

De bovenlakenhalle

 

De bovenlakenhalle bevindt zich op hetzelfde niveau als de schepenkamer. De statige rechthoekige ruimte heeft een majestueus dakgebinte dat vermoedelijk uit de zestiende eeuw stamt. Tijdens de restauratiecampagne van 1986 tot 1989 werd ongeveer 75 % van het dakwerk vernieuwd. De kleine schuin ingeplante vensters moesten ervoor zorgen dat het zonlicht slechts schaars binnenviel zodat het kostbare laken niet verkleurde.

 

In de loop van de eeuwen werd de halle voor allerlei doeleinden gebruikt. In het begin van de negentiende eeuw deed zij dienst als schouwburg en concertzaal en tijdens de Tweede Wereldoorlog huisvestte zij de oorlogsadministratie. Na de oorlogsperiode vond de stedelijke collectie er een tijdelijk onderkomen. Van het begin van de jaren tachtig tot in 1999 was zij, tijdens de zomermaanden, de thuishaven van de Oudenaardse wandtapijten. Vandaag fungeert ze als tijdelijke tentoonstellingsruimte.

 


 

Oudenaarde en zilver

 

 

Het stadhuis bezit een rijke en gevarieerde zilvercollectie waarvan het oudste stuk uit de tweede helft van de zestiende eeuw dateert. De verzameling telt ongeveer 230 gebruiks- en siervoorwerpen. Meer dan de helft zijn objecten uit de collectie De Boever-Alligoridès. Een aanzienlijk deel van het kerkelijk zilver is een permanente bruikleen van Oudenaardse en naburige kerkfabrieken. De verzameling is verspreid over twee kamers: de kapellenkamer met Oudenaards zilver en de oppervoogdenkamer met Europees zilver.

 

De oude kapel werd in 1994 ingehuldigd na de succesrijke tentoonstelling Oudenaards zilver. Het verzamelwerk van de heer Ernest De Boever en wijlen mevrouw Hélène De Boever-Alligoridès ligt aan de basis van de tentoonstelling. Met veel kennis van zaken hebben zij jarenlang Oudenaards zilver bijeengebracht. Omdat zij de absoluut unieke verzameling als geheel wilden behouden, gaven ze haar in 1994 in permanent bruikleen aan de stad Oudenaarde. De heer De Boever bleef na het overlijden van zijn vrouw hun gezamenlijke levensdroom voortzetten. Dit resulteerde in de collectie Europees zilver, die in mei 2000 in de oppervoogdenkamer werd ondergebracht. Dit genereuze gebaar betekent een enorme verrijking voor het stadhuis. De collectie wordt als een van de belangrijkste in Vlaanderen beschouwd.

 

Opmerkelijk is dat beide kamers een totaal verschillende sfeer oproepen. De museale voorstelling is geheel anders opgevat. Er werd rekening gehouden met de specifieke eigenschappen van beide kamers. Alle originele vaste elementen zoals de schoorstenen en de oude Lodewijk IV bibliotheekkasten met gaanderij (1772) werden gerespecteerd. De koel blauwe stoffen van de vitrinekasten en het overvloedige licht in de kapellen-kamer zorgen ervoor dat de zilveren voorwerpen goed tot hun recht komen. De oppervoogdenkamer is intimistisch met een eerder besloten karakter. Oranje tonen en zwartbruine sokkels doen de voorwerpen in verguld zilver alle eer aan.

 

 

De kapellenkamer: Oudenaards zilver

 

De vroegere stadhuiskapel herbergt het Oudenaards zilver. Zo'n 150 objecten zijn hier tentoongesteld: kerkelijk en profaan zilver, voornamelijk uit de achttiende eeuw.

 

Oudenaarde is als productiecentrum van edelsmeedkunst weinig gekend. Nochtans bloeide de edelsmeedkunst hier ongeveer gelijktijdig met de wandtapijtennijverheid. Oudenaarde was een klein centrum dat toch kwaliteitsvolle voorwerpen creëerde. Voor de periode 1400-1800 kennen we de namen van ongeveer honderd edelsmeden, maar in feite concentreerde het ambacht zich per eeuw rond twee tot drie families. Tot 1700 maakten de edelsmeden deel uit van het Sint-Lucasgilde, samen met de schilders, de beeldsnijders, de glazeniers en de graveurs.

 

De collectie achttiende-eeuws Oudenaards tafelzilver omvat schitterende chocoladekannen, koffiekannen, theepotten, bestekken, suikerstrooiers, mosterdpotjes, zoutvaatjes, olie- en azijnstellen en tafelkandelaars. Ook kaarsensnuiters, komfoortjes en snuif- en tabaksdozen uit schildpad of uit een schelp, behoren tot de verzameling.

 

De koffie- en chocoladekannen in Lodewijk XV- en Lodewijk XVI-stijl zijn van een buitengewone kwaliteit. Thee, koffie en chocolade bereikten omstreeks 1700 West-Europa. In alle grote Europese steden zoals Parijs, Wenen en Londen ontstonden koffie- en theehuizen. De 'exotische' dranken waren tijdens de achttiende eeuw het privilege van de gegoede klasse. Aanvankelijk werd via de Compagnieën Chinees steengoed en porselein ingevoerd maar al vlug ondernamen de edelsmeden pogingen deze nieuwe gebruiksvoorwerpen in zilver uit te voeren.

 

Het meest markante stuk profaan zilver is een theepot van de edelsmid Pieter Louis. Het trekpotje uit 1702 is wellicht de oudst gekende zilveren theepot in de Nederlanden. Het heeft een lage, ronde buik met als giettuit een gestileerde drakenkop. Het deksel is voorzien van een bolknopje op een bladrozet. Geciseleerde bladwerkmotieven versieren de bovenrand van het kanlichaam.

 

Het kerkelijk zilver omvat altaarvazen, altaarkruisen, altaarkandelaars, chrismatoria, wijwatervaatjes, cibories, monstransen, wierookvaatjes, gebedenboeken en missalen. Twee topstukken zijn een zonnemonstrans gemaakt door de zilversmid Jan-Baptiste de Limbercie (1762, collectie De Boever-Alligoridès) en een zonnemonstrans van de hand van G. van den Hende (1735, kerkfabriek Kwaremont, Kluisbergen).

 

 

De voogdenkamer: Europees zilver, de collectie De Boever-Alligoridès

 

De oppervoogendenkamer paalt aan de grote museumzaal en ligt boven de schepenzaal. Deze plek wordt wel eens terecht de Oudenaardse schatkamer genoemd. De ruimte is klein en het licht gedempt zodat de vele meesterwerken door de klare verlichting in de vitrinekasten onmiddellijk in het oog springen. Oudenaarde gaat er prat op een uitzonderlijke en bijzonder waardevolle collectie te mogen bewaren.

 

De collectie biedt een overzicht van zestiende-, zeventiende- en achttiende-eeuws gebruiks- en pronkzilver met stukken van Belgische, Duitse, Engelse, Franse, Ierse, Italiaanse, Letse, Nederlandse, Spaanse en Zweedse makelij. We zien een evolutie gaande van Renaissance, maniërisme, laat-barok naar rococo en classicisme maar ook een evolutie van pronk- naar gebruikszilver. De meeste voorwerpen situeren zich in de Gouden Eeuw. Opvallend is de grote diversiteit aan drinkgerei: schertsbekers, 'copschaelen', pronkbekers en tazzi.

 

De grootste zilversmeden zijn hier vertegenwoordigd: Paul de Lamerie, Hans Petzolt, Adam van Vianen, Geeraert de Rasier, Daniël Schwestermüller en Heinrich Winterstein. Heel wat van hen zijn verbonden met de geschiedenis van het mecenaat van vorsten en de hoge adel in Europa. In de zestiende en de zeventiende eeuw wilden de meeste Europese vorstenhuizen immers hun hof tot artistiek en cultureel centrum maken. Zij trokken hiervoor de beste kunstenaars aan. Ook de culturele elite van welgestelde kooplieden, gilden en regenten vervulde die rol. Uitmuntende stukken werden besteld en vaak weggeschonken bij een speciale gelegenheid of tijdens een hoog bezoek. Een goed voorbeeld is het Middelburgse liggend hert uit 1620. Het betreft hier een uitzonderlijk stuk, aangezien dit het enige tot nu gekende liggend hert is afkomstig uit Nederland. Het lichaam wordt ter hoogte van de halsband gescheiden van de kop en vormt een drinkbeker. Het draagt om de hals een ketting met het wapenschild van het stadje Veere. Om die reden mogen we veronderstellen dat de stad Veere het aankocht of als geschenk kreeg en er gebruik van maakte tijdens officiële gelegenheden waarbij een welkomstdronk werd uitgebracht.

 

De snakerijen of schertsbekers, die zowel in de Nederlanden als in Duitsland tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw erg in trek waren, hebben altijd een verrassingselement. Zij komen voor in allerlei vormen en illustreren de ludieke rol van wijn. Speciale aangelegenheden zoals het vaderschap, het moederschap of een bruiloft waren aanleiding tot spelen van spelletjes met drank. Een mooi voorbeeld is het zogenaamde 'Hansje in de kelder'. Het voorwerp is afkomstig uit Neurenberg en dateert uit 1660. De schertsbeker werd gebruikt om op aanstaande moeders te drinken en was een subtiele manier om de blijde gebeurtenis aan te kondigen. In het midden van de schaal zit een bolletje dat van gaatjes voorzien is. Bovenop het vlottertje zit een deksel met een putto of kinderfiguurtje. Wanneer men wijn in de beker giet, komt het figuurtje omhoog, een verwijzing naar de nakende geboorte van het kind.

 

Een populaire schertsbeker was de molenbeker. In de voogdenkamer wordt een Nederlands exemplaar van de Meester met zespuntster uit 1655 tentoongesteld. De miniatuurmolen, staande op de beker, heeft een pijpje naast de molentrap. Door in het pijpje te blazen laat men de wieken draaien. De beker moest in een teug geledigd worden nog voor de wieken stilvielen. Wie er niet in slaagde, kon het spelletje herbeginnen. Hierdoor keerde menig man dronken huiswaarts!

 

Onder de pronkbekers is de zestiende-eeuwse nautilusschelpbeker een absoluut topstuk. De nautilusschelp is in verguld zilver gezet. Fraaie figuratieve elementen verwijzen naar de zee: bovenaan Neptunus, rond de schelp een zeemonster met opengesperde muil, langs weerszijden tritons en als stam een zeemeermin, ondersteund door zeepaardjes. Dergelijke pronkbekers zijn vaak geschilderd door de zeventiende-eeuwse Hollandse meesters.

 

Uit eigen land is er de zestiende-eeuwse Antwerpse pronkbeker. Hij heeft een renaissancistische vormentaal: een licht uitspringende wand met onderaan en bovenaan bolle uitstulpingen en sterk horizontaal gescheiden onderdelen. De cuppa heeft een gedreven fries met de voorstelling van het oordeel van Paris. Vruchtenkorfjes, leeuwenmuilen, rolwerk met saters, zeetriomfen en vissen maken het tot een typisch Antwerps werk.

 

In dezelfde vitrine staan enkele renaissance tazzi. Tijdens de Renaissance diende men wijn op in brede schalen of in 'schotels' op een hoge voet. Ze werden enkel voor gefortuneerde klanten geproduceerd. Twee tazzi met gegraveerde schaalbodem worden aan Jean Theodoor de Bry en aan Abraham van den Hecke toegeschreven en mogen uiterst zeldzaam genoemd worden. De tazza die op grond van het monogram HB aan J.T. de Bry wordt toegeschreven, dateert uit het begin van de zeventiende eeuw. Het graveerwerk stelt een 'Christelijke huyshoudinge' voor en is geïnspireerd op een gravure van J. Savery.

 

De andere tazza met een gegraveerde voorstelling van het verhaal van de aanbidding van de wijzen is toegeschreven aan Abraham van den Hecke en dateert eveneens uit het begin van de zeventiende eeuw. Slechts zes werken van deze meester zijn bewaard gebleven, waaronder twee gegraveerde tazzi die zich in de Lutherse kerk van Amsterdam bevinden. 

 

Bijzonder waardevol is de collectie Augsburgs zilver. Augsburg was, samen met Neurenberg, een van de belangrijkste Duitse edelsmeedcentra. Alle stukken uit de verzameling Augsburgs zilver dateren uit de zeventiende eeuw. De toonkast is opgesmukt met feestelijk drink- en pronkgerei: een tankard in vermeil met groteskenfiguren (1630) van de hand van A. Petrus en een miniatuurzeilschip met het meestermerk van Heinrich Winterstein (ca. 1600). Het schip werd tijdens doop- en familiefeesten gevuld met kruidenwijn.

 

Enkele voorwerpen vertellen meer over de eetcultuur. Tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw was een eigen bestek een vereiste bij het tafelen. Een rijkelijk uitgewerkt foedraal met daarin twee messen en een vork, is van de hand van David I Schwestermüller (1640-1645). Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw kwam het gebruik van bijeenpassende couverts in de mode en waren de genodigden niet langer verplicht hun eigen bestek mee te brengen. Er verschenen voor het eerst vorken met drie of vier tanden waardoor het mes geleidelijk aan zijn prikfunctie verloor. Een mooi voorbeeld is het hier voorgestelde reisbestek (1690) van Hans Jacob Bauer. Het verguld zilveren bestek is samengesteld uit een gegraveerde beker, een bouillonkommetje, een doosje, een mes, een vork met vier tanden, een grote lepel, een kleine lepel en een tandenstoker.

 

In de achttiende eeuw werden tafels en dressoirs met pronkzilver vervangen door rijkelijk gedekte feestdissen met verfijnd gebruikszilver. Een nieuwe tafelcultuur zag het licht. Deze verfijnde eetcultuur vereiste nieuwe gebruiksvoorwerpen voor specifiek gebruik zoals koffie, thee- en chocoladekannen, terrines, sauskommen, olie-en azijnstellen, karafhouders, strooibussen, mosterdpotten, koelemmers, waterketels en broodmanden. Goede voorbeelden bevinden zich onder de Engelse stukken, allemaal afkomstig van Londense zilversmeden: twee soepterrines (1767-1768), een broodmand van Paul De Lamerie (1748-1749) en een waterkomfoor van David Willaume I (1724-1725).

 


 

De stedelijke verzameling

 

 

De grote zaal op de tweede verdieping is totaal verschillend van de onderliggende volkszaal: de wanden zijn in baksteen, zonder enige vorm van versiering. Twee monumentale schoorstenen domineren de ruimte. De grote zaal werd pas in 1846 als bibliotheek en antiquiteitenkabinet ingericht. Gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw fungeerde zij immers als politierechtbank en audiëntiezaal van de vrederechter. De zoldering en de muren waren toen bepleisterd en de ruimte was opgedeeld door houten schutsels. Na de Eerste Wereldoorlog werd de zaal met kunstvoorwerpen uit het legaat A. Liedts heringericht als Stedelijk Museum van Oudheden. De opstelling zou tot na de beëindiging van de grote restauratiewerken geen noemenswaardige veranderingen ondergaan.

 

In juni 2000 besliste men komaf te maken met de verouderde opstelling en een nieuwe uitdaging aan te gaan. Uit de zeer heterogene collectie werden de voornaamste en de meest kwaliteitsvolle voorwerpen gekozen. De objecten werden in hun historische context geplaatst door een tijdsvermelding en hiermee corresponderende tekstzuilen. De kunstvoorwerpen werden, indien mogelijk, gelinkt aan historische gebeurtenissen van de stad. Voor de bakstenen muren zijn donkerrode panelen aangebracht waarop de schilderijen chronologisch gerangschikt zijn. Het overvloedige licht wordt door witte blinden getemperd. Dit geeft aan het geheel een rustige indruk. Het museumbeleidsplan voorziet elk jaar een budget voor de conservatie en restauratie van de kunstwerken.

 

Centraal staat een unieke collectie tinnen presentkannen uit de vijftiende eeuw, aan weerszijden geflankeerd door aardewerk, steengoed, porselein, glas en polychroom beeldsnijwerk. Volgens een document bewaard in het Oudenaards stadsarchief zijn de twaalf erebekers van de schepenen vervaardigd in 1495 door een zekere Pieter Pennyne. Meestal is de beker voorzien van het stadswapen maar hier is op de rugzijde van het handvat een klimmende leeuw aangebracht. Het aanbieden van stadskannen met wijn aan hoogwaardigheidsbekleders was in de Nederlanden een tot in het begin van de achttiende eeuw veel voorkomend gebruik. Wijn werd ook tijdens sacramentsprocessies aan de clerus gepresenteerd; zij kregen een 'geestigmakende portie'. Dergelijke kannen zijn in verscheidene Nederlandse en Vlaamse steden bewaard, maar alleen Oudenaarde heeft er nog twaalf. Alleen al het feit dat er zo weinig tin gekend is van voor de achttiende eeuw, maakt deze verzameling zo uniek.

 

Een bijzonder voorwerp is de glazen drinkbeker van het Sint-Jorisgilde. De blauwe drinkbeker is een vroeg voorbeeld van de Boheemse emailbeschildering. Hij is versierd met een liefdespaar in een fel kleurenpalet. De beker draagt het jaartal 1598. De techniek van de emailbeschildering was al bekend in de oudheid maar bereikte zijn hoogtepunt in Venetië in de veertiende en de vijftiende eeuw. In de zestiende eeuw strekte het productiegebied zich uit over Zuid- en Midden-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

 

De schilderijen vertegenwoordigen verschillende periodes en stijlen. Tot de belangrijkste werken behoren een vijftiende-eeuwse Sint-Joris van Colijn de Coter, De bacchanten van de zeventiende-eeuwse schilders Hendrik van Balen en Jan Brueghel de Fluwelen, een zeventiende-eeuws stilleven en twee werken van de Oudenaardse schilder Gaspar Heuvick (1550-1611): Het Laatste Oordeel (1589) en De Gerechtigheid (1589).

 

Gaspar Heuvick schilderde huiveringwekkende moraliserende taferelen in de traditie van de Contrareformatie. Hij verbleef lange tijd in Italië en onderhield nauwe contacten met Karei van Mander, die hem een vermaard kunstenaar noemde. Beide zouden elkaar in 1574 in Rome ontmoet hebben. Rond 1588 keerde hij naar Oudenaarde terug. Traditioneel stonden dergelijke gerechtigheidstaferelen opgesteld in plaatsen waar men recht sprak maar het is niet zeker dat ze tot de uitrusting van het Oudenaardse schepenhuis behoord hebben.

 

Zeldzaam is ook het zestiende-eeuws blazoen van de Oudenaardse rederrijkerskamer 'De Kersouwe'. Opvallend is de lijst met gepolychromeerd houtsnijwerk met daarop de schilden van Spanje, Oudenaarde en de baronie van Pamele. Het schilderij op paneel toont het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth en symbolisch drie madeliefjes ('kersouwen'). De rederijkerskamer kan in verband worden gebracht met de geestelijke Matthijs de Castelein, pastoor van Pamele. Zijn berijmde verhandelingen en kunstopvattingen verwierven bekendheid in gans de Lage Landen. Hij schreef ondermeer esbattementen, sinne-, wagen- en tafelspelen.

 

Een belangrijk werk is De slag bij Oudenaarde in 1708 van Alexander van Bredael. In het resolutieboek van de kasselrij Oudenaarde staat vermeld dat Van Bredael het werk in 1716 schilderde in opdracht van het kasselrijhuis. Het schilderij is voor de stad Oudenaarde van groot belang, niet alleen als kunstwerk maar ook als historische bron. Het beeldt een weinig bekend historisch feit uit. De slag bij Oudenaarde was nochtans een van de grote veldslagen tijdens de Spaanse Successieoorlog waarbij de geallieerde legers streden tegen de troepen van Lodewijk XIV. Van Bredael legde het ogenblik vast waarop de geallieerde legertroepen, onder leiding van John Marlborough, de Schelde oversteken.

 

De meubelstukken waaronder een zeventiende-eeuws Antwerps kabinet, enkele renaissancekasten, gotische koffers en zeventiende-eeuwse Spaanse stoelen met het Oudenaardse wapenschild vervolledigen de collectie.

 

Ten slotte dient vermeld dat de collectie een aantal schilderijen omvat die, op basis van stijlvergelijking met het werk van grote meesters, verkeerdelijk toegeschreven zijn aan Jacob van Ruysdael (1628-1682) en Gérard Dou (1613-1675).

 


 

AUTEURSIDENTIFICATIE

Geertrui Van Kerkhoven studeerde Kunstwetenschappen en Archeologie aan de Rijksuniversiteit te Gent.

Zij is diensthoofd toerisme van de stad Oudenaarde en collectieverantwoordelijke van het stadhuis. Zij is nauw betrokken bij culturele, toeristische evenementen en de coördinatie van tentoonstellingen. Haar bijzondere interesse gaat uit naar toegepaste kunsten o.m. edelsmeedkunst en Vlaamse wandtapijten.