U bent hier

Stedelijk Museum het Toreke van Tienen

Stedelijk Museum het Toreke van Tienen

Stedelijk Museum "het Toreke" Tienen

 

 

De afbeeldingen waarnaar wordt verwezen zijn te vinden in het PDF-document.
 


INHOUD VAN DIT NUMMER:


1 - Site 'Vredegerecht': van gerechtelijke naar museale functies

2 - Verzamelen voor een vernieuwd museum

3 - De Gallo-Romeinse nederzetting van Tienen: een verleden met toekomst

4 - Van klei tot ceramiek: de pottenbakkerswijk van Gallo-Romeins Tienen

5 - Romeins glas in Tienen

6 -Het Gallo-Romeinse grafveld van Tienen

7 - De gunsten van de goden: offerrituelen in de vicus van Tienen

8 - De Mysteriën van Mithras: een tweeduizend jaar oud geheim

9 - Werkend Tienen

10 - Het Tiense feestcomité

11- Tienen bidt

12 - De apothekerskast van het Burgerlijk Gasthuis

13 - De engelenpoort

14 - Sint-Martinus van Tours

15 - Een museum voor iedereen


1 - Site "Vredegerecht": van gerechteliike naar museale functies




Op de historische site van het vroegere Tiense Vredegerecht annex stadsgevangenis zal in de zeer nabije toekomst een heus museumcomplex tot stand komen, bestaande uit het op 10 september 1999 heropende Stedelijk Museum 'het Toreke' en het voorlopig nog in de steigers staande 'Suikermuseum'.

 

Van corps de garde tot Vredegerecht


Tijdens het Ancien Régime beschikte Tienen over een eigen stedelijke militie of 'garde' van weerbare mannen die de wachtbeurten aan de stadspoorten dienden te verzorgen. Ten behoeve van dit korps werden wachthuizen ingericht. In de zeventiende eeuw werd melding gemaakt van een dergelijk wachthuis of  corps de garde tegenover het huis 'de Kruiwagen' op de Grote Markt. Nadat de magistraat in 1724 de grond van dit pand had weten te verwerven, werd hier een totaal nieuw corps de garde opgetrokken dat van meet af aan meerdere bestemmingen kreeg. Zo werd het onder het Franse bewind de uitvalsbasis van het pas opgerichte politiekorps. Toen het ook nog onderdak moest bieden aan het nieuw gecreëerde Vredegerecht van het kanton Tienen, het bureau van de burgerlijke godshuizen en het bureau van de octrooien begon men vanaf 1810 plannen te maken voor uitbreidingen. Voor dit doel werd het aanpalende huis 'de Koning van Polen' aangekocht. De eigenlijke verbouwingen werden pas in 1846 door stadsarchitect François Drossaert uitgevoerd.

 

In het nieuwe corps de garde kregen later ook de tekenschool, het bureau van openbare werken en het bureau van de burgerwacht hun thuishaven. De diensten van de vrederechter, die vanaf 1892 de volledige eerste verdieping in beslag namen, waren echter zo expressief aanwezig dat de benaming Vredegerecht gaandeweg de oude benaming corps de garde verdrong. Toch bleef tot ver in de twintigste eeuw de volkse naam kottegoar verder leven.

 

Afbeelding: De gerestaureerde voorgevel van het Stedelijk Museum 'het Toreke'



Van Gevangenenpoort tot stadsgevangenis


Een jaar later, op 13 mei 1847, stelde dezelfde architect een ontwerpdossier samen voor de bouw van een nieuwe stadsgevangenis. Zij werd voorzien op het binnenplein achter het corps de garde. Bij de kostenraming hield de architect ruimschoots rekening met de recuperatie van materialen afkomstig van de gesloopte Gevangenenpoort. Dit achttiende-eeuwse poortgebouw werd opgetrokken naar de plannen van de Leuvense architect J.A. Hustin. Hiervoor ontving hij op 24 juli 1756 de som van 227 gulden, 4 stuivers en 1 oord. Deze poort, die van bij de ontwerpfase als gevangenis was geconcipieerd, kwam op de plaats van de in 1745 gesloopte Begijnen- of Vogelpoort. De Gevangenenpoort verdween in 1848 bij de verbreding van de steenweg naar Hoei. De witte plaveien van de bevloering, de zandsteen die aangewend werd bij het optrekken van de muren, de leien van het dak, het traliewerk en de deuren van de cellen werden in de nieuwe gevangenis geïntegreerd.

 

Het nieuwe gebouw achter het corps de garde had twee functies. De verdieping werd uitgebouwd tot gevangenis, terwijl het gelijkvloers dienst deed als opslagruimte van het politie- en brandweermateriaal. Het ontwerp van Drossaert voorzag in het gevangenisgedeelte acht identieke cellen. De cellen werden paarsgewijs van mekaar gescheiden door een gang met tongewelf, die tevens als verwarmingsruimte dienst deed. De wenteltrap die toegang verschafte tot de verdieping was aanvankelijk niet met een torentje bekroond. Aan dit bouwsel zou de gevangenis achteraf haar volkse naam ontlenen, een naam die trouwens overgenomen werd toen het gebouw zijn latere bestemming kreeg. In de linkervleugel bevonden zich de cellen bestemd voor de vrouwelijke gedetineerden, aan de rechterzijde werd exact dezelfde ruimte voorzien voor de mannelijke gevangenen. Beide gedeelten werden strikt van mekaar gescheiden door een muur, die uitgaf op de centraal gelegen latrines.

 

Op 1 oktober 1848 werd de gevangenis in dienst genomen. Tot in 1862 werden hier ook effectief politionele straffen uitgezeten. Nadien werd 'het Toreke' een prison de passage of doorgangsgevangenis. Gedetineerden werden hier slechts tijdelijk vastgehouden in afwachting van overbrenging naar centrale instellingen als Leuven of Brussel. Toen in 1896 ook de staatsfunctie van de cipier verviel, werd de stadsgevangenis gedegradeerd tot stedelijke amigo waar verstoorders van de openbare orde verplicht de nacht moesten doorbrengen.

 

Afbeeldingen

  • De Gevangenenpoort aan de Borggracht, een deel van de Tiense vestingwerken.
  • Het bewaarde gevangenisgedeelte met vier cellen en centrale gang.
  • Oude graffiti in de gevangeniscellen.
  • De gelijkvloerse verdieping deed vroeger dienst als opslagruimte voor het politie- en brandweermateriaal.
  • De agent-pompiers doen brandweeroefeningen voor 'het Toreke'.


 

De agent-pompiers de Tirlemont


Bij het begin van de negentiende eeuw begonnen de functies van ordehandhaving en brandbestrijding mekaar geleidelijk te overlappen. Toen politiecommissaris Antoine Franssen in 1899 tevens commandant werd van het plaatselijke brandweerkorps, werden de politieagenten ook systematisch ingeschakeld bij de brandbestrijding. De galerij op de gelijkvloerse verdieping van 'het Toreke' werd daarom geconcipieerd als opslagruimte voor het materiaal van het stedelijke brandweer- en politiekorps. Deze ruimte deed tevens dienst als onderkomen voor de politiehonden en opgepakte straathonden. De kostprijs van het kunstige metselwerk van de pilasters, bogen en kruisgewelven werd door architect Drossaert op 1537,44 frank geraamd. De vrijwel homogene bakstenen constructie werd om stabiliteitsredenen op sommige plaatsen aangevuld met zandstenen elementen.

 

De agenten-pompiers hadden hun verblijven in de achterbouw van het voorgelegen corps de garde. Het politiekantoor zelf werd aanvankelijk ondergebracht in een lokaal van de linkervleugel van het gebouw. De gestadige groei van het korps veroorzaakte echter een nijpend plaatsgebrek. Om hieraan tegemoet te treden kocht het stadsbestuur in 1915 de voormalige herberg La belle Vue, de huidige Stadsinfo, om hier het commissariaat onder te brengen.

 

Afbeelding:- F.J. Cavenaile, Lichte armpomp, 1847. Op 21 juni 1849 kocht de stad bij de firma Cavenaile te Brussel een brandweerpomp voor de som van 147,25 frank

 

Het Stedelijk Museum 'het Toreke' en het 'Suikermuseum'


Na de Tweede Wereldoorlog geraakten zowel het gebouw van het Vredegerecht als de stadsgevangenis geleidelijk in verval. In de jaren zestig zochten de diensten van de brandweer, het vredegerecht en de politierechtbank stelselmatig nieuwe onderkomens. De politie bleef tot in 1972 'het Toreke' en het corps de garde in gebruik houden. Bij Koninklijk Besluit van 13 juni 1973 werden de gevels en de daken van beide gebouwen geklasseerd.

 

Twee jaar na opname op de lijst van beschermde gebouwen keurde de gemeenteraad de kredieten goed voor de restauratie en werd 'het Toreke' ingericht als stedelijk museum. De plechtige inhuldiging vond plaats op 15 juni 1978. Twintig jaar later was het museumgebouw echter dringend aan vergroting toe. Een vernieuwd museumbeleid, recente archeologische opgravingen en de daarmee gepaard gaande groei van de museumcollectie maakten een uitbreiding noodzakelijk. Op 29 mei 1997 keurde de gemeenteraad het dossier unaniem goed en begin oktober van datzelfde jaar startten de werken. Op 10 september 1999 werd het vernieuwde stedelijk museum 'het Toreke' voor een tweede maal voor het publiek geopend.

 

Na het uiteindelijke vertrek van de politie kwam ook het oude corps de garde volledig leeg te staan en sloeg de verkrotting langzaam toe. In de jaren tachtig moest men zelfs een stelling voor de voorgevel plaatsen om instorting te voorkomen. Uiteindelijk werden consolidatiewerken uitgevoerd teneinde het voortbestaan van het monument mogelijk te maken. Toen het Schepencollege op 8 december 1993 de beslissing nam om in dit gebouw het reeds lang geplande Suikermuseum onder te brengen, kreeg het een totaal nieuwe bestemming. Sinds oktober 1999 staat het oude Vredegerecht bijgevolg opnieuw in de steigers, ditmaal om vanaf 2002 het nieuwe Tiense Suikermuseum te huisvesten.

 

(LV)
 


2 - Verzamelen voor een vernieuwd museum



Aan het profiel van een museum wordt in grote mate gestalte gegeven door de collectie die er wordt beheerd. De voorgeschiedenis van 'het Toreke' heeft aangetoond dat het gevoerde verzamelbeleid tot in de jaren zeventig veeleer accidenteel was. Op de beginperiode na, van 1897 tot 1902, toen geregeld op veilingen moderne schilderijen werden aangekocht, is het uitzicht van de museumcollectie vooral bepaald door kleine schenkingen die zonder restrictie steevast aanvaard werden. Uitzonderlijk ontving de stad tussen 1950 en 1964 twee legaten van enige omvang. Vooreerst een ensemble Africana en memorabilia die toebehoorden aan Raymond De Grez, een in Tienen geboren militair die van 1896 tot 1904 actief was in Congo. In 1964 legateerde Victoire Verlat, dochter van de Antwerpse kunstschilder Karel Verlat, door bemiddeling van P. Dewalhens haar collectie familieportretten aan het Heemkundig Centrum.

 

De bijeengebrachte museumcollectie bestond in 1977, aan de vooravond van de opening van 'het Toreke', uit 954 geïnventariseerde nummers. Het was vrijwel onmogelijk om hieruit een representatief en samenhangend geheel bijeen te brengen voor een blijvende opstelling in het museum. Om hieraan te verhelpen werden aanvankelijk bruiklenen getoond uit de Tiense kerken. Bovendien ontving het museum in die dagen, door een samenloop van omstandigheden, een belangrijk deel van het oude begijnhofpatrimonium in permanent bruikleen. Sedertdien werden de beleidsverantwoordelijken overtuigd van de noodzaak om te investeren in een verzamelbeleid en om daarvoor op lange termijn middelen en mogelijkheden te voorzien.

 

Vandaag steunt de collectieplanning van 'het Toreke' op drie pijlers: enerzijds op het archeologisch onderzoek naar de vicusnederzetting Tienen, anderzijds op de materiële cultuur van 'de gewone man' uit het Hageland en ten derde op historische getuigenissen uit de stad en de regio. De aanwezigheid van GalJo-Romeinse sporen in de stad en de omgeving was reeds eeuwen bekend. Behalve een eenmalige opgraving in de tumuli van Grimde op het einde van vorige eeuw, kwamen archeologica enkel en alleen in het museum terecht door toevallige vondsten.Sedert 1981 worden systematisch opgravingen georganiseerd naar de vroegste geschiedenis van de stad. Deze verschillende campagnes brengen zo veel voorwerpen aan het licht dat terecht de vraag gesteld wordt naar de uitbouw van een permanente archeologische tentoonstelling.

 

De tweede pijler van de collectie wordt gevormd door gereedschappen en werktuigen van ambachtslui en objecten voor dagelijks gebruik. Op dit vlak dringt zich een samenwerking met heemkringen en heemkundige musea uit de regio op. Alleszins vernieuwend is de systematische integratie in de museale context van getuigenissen via orale geschiedschrijving. Vooreerst gaat de aandacht van de museummakers naar 'bedreigde' verhalen. Hiermee worden de getuigenissen bedoeld van mensen die de feiten zelf meemaakten.

 

Tenslotte verwerft het museum historische objecten en kunstvoorwerpen die een onmiskenbare band hebben met de regio omdat ze vervaardigd zijn door een plaatselijke kunstenaar, ofwel omdat ze vervaardigd zijn in opdracht van of voor een persoon, groep van personen of instelling(en) uit de stad en haar omgeving.

 

Het ligt voor de hand dat in de toekomst het collectiebeleid van 'het Toreke' afgestemd wordt op de totale regio en dat derhalve afspraken met partners uit Oost-Brabant vanzelfsprekend worden.

 

(ST)

Afbeeldingen:

  • De afdeling 'Cyber en Spelen' in het archeologisch gedeelte van het museum. Deze zaal komt zowel tegemoet aan de leergierigheid (gedeelte cyber) als aan de speelvaardigheid van de museumbezoeker.
  • De nieuwe tentoonstellingsruimte van 'het Toreke'. De nieuwe zalen werden volledig uitgerust met een modern systeem van klimaatbeheersing.

 


3 - De Gallo-Romeinse nederzetting van Tienen: een verleden met toekomst



Het ziet er in de nabije toekomst goed uit voor het archeologisch patrimonium van Tienen. De opgravingen op het Grijpenveld kunnen als voorbeeld van een goed archeologisch beleid beschouwd worden. De infrastructuurwerken voor de uitbouw van een nieuwe bedrijvenzone zouden daar over een oppervlakte van 20 ha overblijfselen uit de IJzertijd, de Gallo-Romeinse periode en de Middeleeuwen vernietigen. Sinds 1997 voert het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (lAP) van de Vlaamse Gemeenschap in samenwerking met de Stad Tienen hier grootschalige noodopgravingen uit. De GOM voor Vlaams-Brabant ondersteunt het project financieel. Het ultieme einddoel is de volledige 20 ha op te graven. We zijn nu meer dan halfweg. De resultaten van de opgravingen zijn ondertussen al internationaal bekend in de vakwereld. De nieuwe Gallo-Romeinse opstelling in het museum 'het Toreke' werd grotendeels opgebouwd rond de resultaten van deze recente opgravingen

 

Het huidige opgravingsterrein bevindt zich achter het station van Tienen in een voormalig landbouwgebied. Van de eerste tot de derde eeuw van onze tijdrekening was deze zone ingenomen door de zuidwestelijke rand van de Gallo-Romeinse vicus. De nederzetting werd gesticht rond het midden van de eerste eeuw na Christus langs de weg Tongeren-Kassel. Vanaf die periode werd de leemstreek volledig uitgebouwd als wingewest. De motor achter deze socio-economische veranderingen werd gevormd door de Romeinse overheid in samenwerking met de lokale aristocratie, die sinds de late IJzertijd de macht in handen had. Er werd een netwerk van wegen aangelegd en de landbouwbedrijven of villa's rezen als paddestoelen uit de grond. Deze villa's stonden vooral in voor de graanproductie. Centra als Tienen fungeerden als plaatsen waar de uitwisseling van producten tussen de villa's en de rest van het Romeinse Rijk plaatsvond.

 

De graanproductie was bestemd voor grotere steden zoals Tongeren, maar vooral voor de troepen in de legerkampen aan de Rijn. Met de winst van de landbouwproductie konden de villabewoners in de vicus importgoederen uit de rest van de Romeinse wereld verkrijgen. Zo werd aardewerk opgegraven dat geïmporteerd was uit relatief nabijgelegen steden zoals Keulen en Trier, maar ook importgoederen uit verafgelegen gebieden in het huidige Spanje en Italië. De rijke villabewoners konden zich deze luxeproducten veroorloven en leefden zoveel mogelijk als Romeinse burgers. De vicus was ook de plaats waar tal van ambachtelijke producten vervaardigd werden. Tot nog toe zijn sporen van ijzerwinning, bronsgieterij, glasproductie, weverij en pottenbakkersactiviteiten teruggevonden.

 

De studie van deze vondsten is verre van afgerond. Aangezien bijna ononderbroken opgegraven wordt, blijft hiervoor slechts weinig tijd over. Voor een goede conservatie van de vondsten is er echter geen uitstel mogelijk. De conservatie en restauratie van de voorwerpen gebeurt door specialisten van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium in samenwerking met particulieren. De klimaatbeheersende infrastructuur van de tentoonstellings- en reserveruimte van het museum bevordert de langetermijnconservatie van de voorwerpen. Hieruit blijkt opnieuw het belang van een goede coördinatie tussen het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en het museum 'het Toreke'. Sinds het begin van de opgravingen wordt door beide instanties ook samengewerkt voor het sensibiliseren van de bevolking. Het verleden behoort immers iedereen toe. [MM)
 

 

Afbeelding: -Reconstructie van een Gallo-Romeins interieur in de afdeling 'Leven in de vicus'.

 


4 - Van klei tot ceramiek:de pottenbakkerswijk van Gallo-Romeins Tienen



Ceramiek maakt over het algemeen de grootste vondstencategorie uit bij Gallo-Romeinse opgravingen. Het is wel breekbaar, maar door de chemische verandering van klei tijdens het bakproces, wordt het een onvergankelijk materiaal. Zo treffen we in Tienen een groot aantal aardewerkresten aan waaronder niet enkel grote hoeveelheden scherven, maar ook intact vaatwerk, misbaksels en de resten van de bakovens waarin alles vervaardigd werd.

 

Klei, water en brandstof vormen de drie hoofdbenodigdheden bij de productie van ceramiek. Klei is in de regio aanwezig. De afzettingen bevinden zich vaak aan de oppervlakte of op zeer geringe diepte zodat er geen ingewikkelde infrastructuur nodig is voor de ontginning. In samenwerking met het Departement Archeologie en Geologie van de Université Catholique de Louvain, werd reeds dagzomende tertiaire klei bemonsterd en vergeleken met de klei van een aantal scherven van het lokaal geproduceerde aardewerk. De onderzoeksresultaten hebben uitgewezen dat de klei en de scherven tot twee groepen met verschillende samenstelling behoorden. Deze lokale klei werd dus niet, of althans niet zonder bijmenging, gebruikt voor de productie van het aardewerk. Naar de herkomst van de klei van de Tiense Gallo-Romeinse ceramiek wordt nog verder gezocht.

 

Water werd gehaald uit waterputten of uit nabijgelegen rivieren. Dicht bij de Tiense ovens zijn zowel waterputten als beken aanwezig.

 

Om uit te maken welke houtsoort als brandstof gebruikt werd en de herkomst ervan te bepalen, zal een poging ondernomen worden om via stuifmeel- en houtskoolanalyse het antieke bosbestand te reconstrueren. Geomorfologisch onderzoek in samenwerking met het Departement Geologie en Geografie van de Katholieke Universiteit van Leuven heeft uitgewezen dat het landschap van het Grijpenveld tijdens de Romeinse tijd door erosie ingrijpend veranderd is. Het meest voor de hand liggende fenomeen is een toegenomen ontbossing. De kap van hout gebeurde voor allerlei doeleinden, zoals het branden van haarden, de crematie van doden, het bouwen van huizen en het stoken van ovens voor ijzerwinning of het bakken van ceramiek.

 

Zowel in de zuidwestelijke periferie als ten noordwesten van de vicus werden resten van pottenbakkersovens teruggevonden. In totaal gaat het om acht ovens: zes lemen ovens op het Grijpenveld, één oven opgebouwd uit dakpanfragmenten aan de stationszone en een lemen oven bij de villa van SchelpheuveL Mogelijk komen er bij latere opgravingen nog meer aan het licht. Zoals in het museum 'het Toreke' te zien is, gaat het om gedeeltelijk ingegraven ronde of ovale ovens bestaande uit twee niveaus. De stook- en de bakruimte zijn gescheiden door een geperforeerde vloer. Deze typisch Gallo-Romeinse ovens zijn gekenmerkt door een verticale luchttrek: de hete lucht gaat van de haard door het stookkanaal en de stookkamer, om door de tochtgaten van de geperforeerde vloer naar de hoger gelegen bakkamer te stijgen. Bij de meeste ovens is de geperforeerde vloer ondersteund door een centrale tong die aan één zijde aan de ovenwand is vastgehecht. Op het Grijpenveld werd ook een ouder type oven blootgelegd waarbij de geperforeerde vloer op een radiaalsteun rust. Hier werden twee paren ovens teruggevonden met een gemeenschappelijke stookkuil. Hierdoor konden de haarden in beide ovens gelijktijdig gestookt worden.

 

Een chrono-typologische analyse van de productie uit de Gallo-Romeinse ovens van Tienen leert ons dat deze ovens niet allemaal op hetzelfde ogenblik in werking waren. De oven in de stationszone en de ovens op het Grijpenveld waren actief in de loop van de tweede en de derde eeuw na Christus, de oven te Schelpheuvel functioneerde reeds vanaf het einde van de eerste eeuw. Ze produceerden zowel tafelservies, als kookpotten en containers voor transport en opslag. Het lokale aardewerk was ook zeer gegeerd als grafgift of als urne bij de teraardebestelling van overledenen. Hiervan getuigen de vondsten uit het grafveld van het Grijpenveld. De oven te Schelpheuvel produceerde tevens olielampjes en wierookkelken die gebruikt werden voor rituele doeleinden.      

 

Naast aardewerk en ovenfragmenten, werden ook houtskool en ongebruikte tertiaire klei teruggevonden. Onvolkomenheden in het productieproces zorgden tevens voor grote hoeveelheden misbaksels, aangetroffen in de stookkuil en in de andere (mogelijk leemwinnings-)kuilen rond de ovens. Op dit materiaal wordt sinds kort als aanvulling op de traditionele typologische benadering een vernieuwend pastaonderzoek toegepast. Hierbij worden door middel van een binoculair of van slijpplaatjes de klei en de inclusies in de klei  -- zoals kwartskorrels, mica en ijzeroxide -- onderzocht. Dit pastaonderzoek werd in onze streek voor de eerste maal toegepast op het materiaal van de Gallo-Romeinse site van Liberchies, ten zuidwesten van Tienen. Pasta's met dezelfde mineralogische eigenschappen worden gegroepeerd. Een indeling gebeurt dan aan de hand van deze pastagroepen in combinatie met de door de pottenbakker gebruikte productietechniek. Ceramiek kan na toepassing van deze onderzoeksmethode beschreven en vergeleken worden en typologieën kunnen uitgebreid en verfijnd worden. Het biedt de mogelijkheid om onze productie te vergelijken met materiaal uit de omliggende villae, vici en urbane centra. Zo kunnen we inzicht krijgen in de regionale distributie en in het verspreidingsgebied van lokaal geproduceerd aardewerk.

 

Tijdens de Gallo-Romeinse periode was de distributie van goederen afhankelijk van goede verbindingswegen. In het museum toont de kaart van het wegennet in het Romeinse Rijk ons dat de uitbouw ervan tijdens de Tiberisch-Claudische periode zeer veel heeft bijgedragen tot een vlot handelsverkeer en een intensere handel. Ook de rivieren waren belangrijke commerciële routes, te meer daar transport over water goedkoper was en grote voordelen bood voor het verplaatsen van zware en uiterst breekbare waren. Zo waren in de Gallo-Romeinse periode de meeste grote pottenbakkersateliers gelegen nabij goede communicatiewegen. Het belang van contacten met de afzetmarkt wordt ook onderstreept door de vestiging van ateliers in de nabijheid van urbane centra. De kleinere ateliers op het platteland of in de periferie van de steden of vici waren bestemd om aan de meer lokale behoeften te voldoen.

 

Deze theorie wordt bevestigd door veldonderzoek van ceramiekateliers uitgevoerd in Spanje en Marokko tijdens de jaren zeventig en tachtig. De studie heeft aangetoond dat een klein ceramiekproducerend dorp, onder normale omstandigheden, een gebied met een maximale straal van 20 tot 30 km van aardewerk voorziet. Deze kleine productiecentra proberen hun productie volledig te richten op de vraag van de meest nabije omgeving en/of de meest nabije markten. Mogelijk heeft de aardewerkproductie van de vicus van Tienen een soortgelijke uitstraling gekend. Dezelfde studie heeft uitgewezen dat grotere productiecentra op hun beurt verbonden waren met centrale markten en met stedelijke centra door middel van lokale handelaars.

 

Uit recent onderzoek van Gallo-Romeinse sites zou kunnen worden afgeleid dat meestal commerciële aspecten, en niet de aanwezigheid van grondstoffen, een primordiale rol speelden bij het uitkiezen van de vestigingsplaats voor pottenbakkersateliers. De voorlopige onderzoeksresultaten van Tienen wijzen erop dat de basisbenodigdheden voor de productie van ceramiek in de omgeving aanwezig waren en dat de ligging van de nederzetting als handelscentrum uitstekend was. De centrale positie binnen het villalandschap maakte eveneens van Tienen een uitgelezen vestigingsplaats voor ceramiekateliers.

 

Niettegenstaande het feit dat we ons reeds een goed beeld kunnen vormen van de Gallo-Romeinse aardewerkproductie en haar verspreiding, zullen de resultaten van het onderzoek in Tienen hopelijk kunnen bijdragen tot een betere kennis van deze materie in onze streken. Belangrijker echter is dat het onderzoek te Tienen een beter inzicht zal geven in de regionale productie en het belang van de vicus als productie- en handelscentrum.Dit zal ons ook helpen een beeld te vormen van de rol die Tienen in de Civitas Tungrorum heeft gespeeld.

 

(EH)

Afbeelding:

  • Kan in aardewerk opgegraven aan de stationszone te Tienen.    
  • Kruikhalzen afkomstig uit een afvalkuil van een pottenbakkersoven op het Grijpenveld te Tienen.
  • Pottenbakkersoven  en misbaksels afkomstig van het Grijpenveld.

          


5 - Romeins glas in Tienen



Het Romeins glas kreeg, in tegenstelling tot materialen als metaal, been en ceramiek, in het museum 'het Toreke' geen eigen vitrine toegewezen. Dit is vooral te wijten aan het feit dat het materiaal afkomstig van de huidige opgravingen op het Grijpenveld zich nog in een onderzoeksfase bevindt. Slechts enkele voorwerpen werden reeds verwerkt in de huidige tentoonstelling. Buiten een halssnoer bestaande uit meer dan honderd diepblauwe kralen en een unguentarium of cosmeticaflesje in de afdeling 'Smuk', zijn er een aantal glazen voorwerpen te zien in de reconstructie van het Gallo-Romeinse grafveld van het Grijpenveld. Verder is er nog glaswerk te vinden in de vitrine met de rijke inboedel van de tumulus van Avendoren (1951).

 

Met uitzondering van enkele kleinschalige campagnes in de stationsbuurt (station Tienen, 1981-1982 en Zijdelingsestraat, 1994-1996) leveren vooral de huidige opgravingen op het Grijpenveld (sinds 1997) veel informatie over het glas van de Tiense vicus.

 

Hoewel de Kelten reeds het procédé van glasproductie kenden, bleef de toepassing beperkt tot de giettechniek. Uitsluitend juwelen (kralen, vingerringen, oorringen en armbanden) werden vervaardigd door felgekleurde glaspasta's in moules te gieten. Op verschillende plaatsen op het Grijpenveld zijn er fragmenten van dergelijke voorwerpen gevonden. Veelal zijn ze aangetroffen tussen vroeg-Romeins materiaal. Dit wijst op een geleidelijke romanisering, gespreid over verscheidene generaties. Pas in de eerste eeuw na Christus, toen de romanisering in onze gewesten goed op gang kwam, werden op grote schaal glazen voorwerpen geproduceerd. Dit was vooral het gevolg van het invoeren van de techniek van het glasblazen. De Romeinen hadden dit procédé leren kennen in Syro-Palestina op het einde van de eerste eeuw vóór Christus, tijdens de beginperiode van Augustus' regering. Vrij snel raakte de techniek verspreid over het hele Romeinse Rijk. De impact van geblazen glazen voorwerpen op de Romeinse samenleving is misschien te vergelijken met die van de uitvinding van plastic in de twintigste eeuw. Niet alleen was de productie snel en goedkoop, men kon ook glazen voorwerpen in alle gewenste kleuren en vormen maken. Zuiver zand (silicium) lijkt kleurloos, maar gezien er steeds onzuiverheden (ijzer, mangaan en kobalt) inzitten, is Romeins glas veelal blauwig, groenig en blauwgroen. Omdat glas doorzichtig materiaal is en op de koop toe geen geur of smaak afgeeft, werd het ten zeerste geapprecieerd als container voor het inmaken en opleggen van groenten, fruit, vis en vlees. Dit gegeven vindt men terug op fresco's en bij antieke auteurs.

 

Om economische redenen werd glasafval door de Romeinen ingezameld en gerecycleerd. Tegenstrijdig blijken de antieke bronnen, die schrijven over de lage prijs van glas. Petronius legt in Trimalchio's mond de woorden: 'Excuseer me dat ik moet toegeven dat ik persoonlijk de voorkeur geef aan glas, want glazen voorwerpen geven geen geur af. Wanneer het glas niet breekbaar was geweest zou ik het zelfs verkiezen boven goud. Te meer dat het nu zeer goedkoop is' (Satyricon, 50-51 ) . De lage prijs van glas moet gerelativeerd worden, want hoewel alle lagen van de bevolking glas gebruikten, was er naargelang de sociale klasse een voorkeur voor bepaalde vormen. De rijken schaften zich drinkbekers en ander drinkgerei aan, de gewone man beperkte zich in hoofdzaak tot voedsel- en drankcontainers.

 

Aangezien glas in veel kleinere kwantiteiten wordt aangetroffen dan ceramiek, moet de informatie van elke vondst, hoe klein ook, gemaximaliseerd worden. Enkel graven en rituele bijzettingen leveren intacte voorwerpen op. Om een beeld te vormen van het leven van alledag is men aangewezen op kuilen en grachten, beerputten en in onbruik geraakte waterputten en die bevatten hoogst uitzonderlijk volledige voorwerpen. Meestal gaat het om kleine losse fragmenten. Die fragmenten zijn gelukkig zeer kenmerkend en kunnen vrij gemakkelijk gedetermineerd worden. Zo kan men nu al stellen dat ongeveer de helft van het materiaal bestaat uit in moule gegoten geribde schalen en in moule geblazen vierkante en zeshoekige flessen. Aan de hand van de context kan men het materiaal dateren en zodoende vastleggen wanneer een bepaald type in gebruik raakte, wanneer het populair was en wanneer het van de markt verdween.

 

In verschillende werkputten op het Grijpenveld werd het zuidwestelijke grafveld van de vicus aangesneden. Een relatief groot aantal graven is voorzien van een of meerdere intacte glazen voorwerpen. In correlatie met de overige grafgiften, zoals de gebruikelijke bronzen munt, het aardewerk en ander materiaal, is het niet alleen mogelijk om de context te dateren, maar ook om patronen te herkennen die verwijzen naar begrafenisrituelen en tradities. Vaak vindt men een glazen aryballos aan de rand van een crematiegraf. Deze bolronde flesjes bevatten geparfumeerde oliën die tijdens het begrafenisritueel werden gebruikt. Vermoedelijk werd de inhoud tijdens de lijkverbranding uitgegoten om de onaangename geur te milderen. De flesjes werden nadien in het graf bijgezet. De crematieresten werden meestal in een zak gestoken of in een urne vervaardigd uit ceramiek. Eenmalig werd ook een crematiegraf aangetroffen met een glazen urne.

 

Tijdens een kleine noodopgraving aan het station in 1999 is materiaal tevoorschijn gekomen dat zou kunnen verwijzen naar de aanwezigheid van een glasatelier. Er werd geen oven of andere constructie gevonden die hiermee in verband zou kunnen staan. Toch werden, zoals in de vicus van Liberchies, in een aantal kuilen heel wat glasscherven, gesmolten glas, een stuk aardewerken smeltkroes en een paar 'glasslakken' gevonden. Gezien er in de Romeinse vicus Tienen een grote ambachtelijke bedrijvigheid was op lokaal niveau kan men vermoeden dat er, naast de reeds vastgestelde ceramiekproductie op het Grijpenveld en de brons- en ijzernijverheid in de Zijdelingsestraat, ook glasateliers bestaan kunnen hebben. Men mag niet vergeten dat de pottenbakkerswijk niet ver van deze werkput ligt. Andere opgravingen hebben reeds aangetoond dat een glasblazer en een pottenbakker vaak naast elkaar werkten aan de rand van de nederzetting. Sommige pottenbakkersovens blijken zelfs geconverteerd te zijn tot glasovens. Uitsluitsel kan enkel gegeven worden bij een uitbreiding van de opgravingen. [PC]

 

Afbeeldingen:

  • Romeins glas afkomstig uit de vicus van Tienen.
  • Ensemble van diverse gerestaureerde glazen voorwerpen.
  • De toestand van een glazen urne na het uitgraven op het Grijpenveld van Tienen.
  • Na grondige reiniging van de glasscherven begint het zorgvuldig puzzel- en plakwerk.   

 


6 - Het Gallo-Romeinse grafveld van Tienen



Het blootleggen van graven met bronzen voorwerpen en intacte potten die met een borstel voorzichtig schoongemaakt worden, is nog altijd het idyllisch beeld dat de meeste mensen hebben van archeologische opgravingen. Teleurstelling en verbazing alom wanneer men archeologen ook verroeste nagels, kleine scherven en een zak vol zwarte 'grond' waarin kleine verbrande botfragmenten zitten, ziet verzamelen. De vraag die dan op ieders lippen ligt is: 'Wat kan men daar nu mee aanvangen?'
 


Tienen ver(r)ast

                                                                                                     
Op het einde van de negentiende eeuw en het midden van de twintigste eeuw werden respectievelijk de drie tumuli van Grimde en de tumulus van Avendoren opgegraven. Tumuli zijn monumentale aarden grafheuvels van een overleden grootgrondbezitter, vaak gelegen langs heirbanen. In de hernieuwde museumopstelling van 'het Toreke' is de inhoud van de houten grafkamer van de tumulus van Avendoren geëxposeerd. Naast de crematieresten in een loden koffer is ook het rijke grafmeubilair bestaande uit glas, brons, zilver en goud tentoongesteld.


 

In de winter van 1997 werd tijdens opgravingen onder leiding van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium op het Grijpenveld van Tienen een vijftigtal Romeinse graven van lieden uit verschillende bevolkingslagen vrijgelegd. Drie jaar later is dit aantal vertienvoudigd. Het gebied waarbinnen de graven liggen, strekt zich uit in NO-ZW richting over een afstand van ongeveer een halve kilometer. Het zwaartepunt van de datering ligt in de tweede en derde eeuw na Christus. Slechts enkele graven dateren uit de eerste eeuw en één graf behoort mogelijk tot de eerste helft van de vierde eeuw. Op een 15-tal voorbeelden van lijkbegraving na werden alle overledenen gecremeerd. Terwijl men vroeger hoofdzakelijk aandacht besteedde aan het opstellen van typologieën en de grafinhoud aangewend werd als dateringscriterium, is men zich de laatste decennia meer gaan toespitsen op een mogelijke reconstructie van de begrafenisrituelen.

 

Wie het kleine niet eert...

  
In het crematieritueel kan men een vijftal fasen onderscheiden die al dan niet archeologisch waarneembaar zijn. Een eerste stap is de voorbereiding van het verbranden. Daarna komt de eigenlijke crematie, gevolgd door het verzamelen van de menselijke botresten en de verbrande grafgiften. De vierde stap omhelst het in een kuil stoppen van de crematieresten met eventuele bijgaven. Tot slot zijn er de rituele handelingen, zoals feestmaaltijden of offers, die mogelijk na de eigenlijke begraving hebben plaatsgevonden.


 

Een reconstructietekening in het museum 'het Toreke', toont de opeenvolgende rites die archeologische sporen hebben nagelaten. Daarnaast heeft men ook geopteerd om de meest frequente graftypes te reconstrueren. Zo krijgt de bezoeker een beeld van het uitzicht van een Gallo-Romeins grafveld op het terrein. Verroeste nagels, haar- en mantelspelden, vingerringen en armbanden die men los verspreid in crematiekuilen aantreft, kunnen een weerspiegeling zijn van de fase vóór de verbranding. De nagels dienden waarschijnlijk voor het opstellen van een brandstapel en het maken van een lijkbaar. Spelden en juwelen kunnen overblijfselen zijn van de smuk van de dode, maar het is evengoed mogelijk dat deze voorwerpen gewoon los op de brandstapel gelegd werden.

 

De tweede fase is de verbranding zelf. Hiernaar verwijzen het verbrande bot en de houtskool in de grafkuilen. Secundair verbrande scherven tonen aan dat er op de brandstapel terracotta recipiënten werden geplaatst, waarin oorspronkelijk voedsel en drank gezeten kan hebben. De meningen hieromtrent lopen nogal uiteen: ofwel interpreteert men ze als restanten van rituele maaltijden van de nabestaanden, ofwel werden deze levensmiddelen meegegeven voor de lange reis naar de onderwereld. In dat kader moet men ook het meegeven van een munt zien die als betalingsmiddel diende om de onderwereld binnen te treden. Gesmolten glas verwijst dan weer naar de aanwezigheid van glazen vaatwerk of juwelen op de brandstapel. Mogelijk werden er oorspronkelijk ook houten grafgiften bijgezet, maar die zijn vanzelfsprekend niet bewaard gebleven.

 

Wanneer men in grafkuilen een urne of een crematieconcentratie aantreft, is dit een indicatie voor de moeite die men gedaan heeft om het verbrande bot uit de overige brandstapelresten te selecteren. Hiermee belandt men in een derde onderdeel van het begrafenisritueel. Van een hoopje crematieresten kan men afleiden dat het ooit in een stoffen of leren zakje of doek werd gestopt. Bodemprocessen hebben ervoor gezorgd dat er na verloop van tijd niets meer van het omhulsel overbleef. Het is ook mogelijk dat rond de verzameling verbrand bot rijen verroeste nagels te herkennen zijn, die de aanwezigheid van een houten kistje verraden. Het kistje zelf is volledig vergaan of heeft in het beste geval een vage verkleuring in de bodem nagelaten. Behalve het bot werden ook de andere voorwerpen, die met de dode waren meegegeven, uit de asresten gezocht. Dergelijke manier van inzamelen was vrij arbeidsintensief. Grafkuilen daarentegen waarin de crematies verspreid zijn tussen de houtskoolresten, getuigen van een minder tijdrovende activiteit. Het dichtgooien van de kuil, al dan niet met wat as van de brandstapel, en het eventueel oprichten van een of ander herkenningsteken boven het graf beëindigden deze rituele fase. Kuilen met hoofdzakelijk houtskool als vulling, soms vermengd met wat verbrand bot en overblijfselen van verbrande bijgaven, kan men interpreteren als kuilen waarin afval van de brandstapel werd gedumpt.

 

Naast de resten van de grafgiften op de brandstapel komen in de grafkuilen ook diverse onverbrande bijgaven voor. Dit wijst erop dat ze pas na de lijkverbranding bij de crematieresten werden geplaatst. Onder de grafgiften zit meestal vaatwerk waarin oorspronkelijke resten van rituele maaltijden zouden kunnen gezeten hebben. Chemische analyse van deze resten (de zogenaamde residu-analyse) kan concretere informatie verschaffen over de eigenlijke inhoud. Andere categorieën van bijgaven waren toiletartikelen, zoals spiegels en zalf- en parfumflesjes, en juwelen, waaronder halskralen, vingerringen en armbanden. Veel grafgiften en greppelstructuren zijn typerend voor een graf uit de IJzertijd (pre-Romeinse periode). Karakteristiek voor een Romeins-mediterraan grafritueel daarentegen is het beperkt aantal bijgaven (onder meer een munt en een olielamp) en grafstèles. Aan de hand van grafensembles kan aldus worden afgelezen in hoeverre de romanisering is doorgedrongen.

 

De laatste fase betreft rituele handelingen na het ter aarde brengen van de dode. Hiervan werd tot nu toe nog geen enkel archeologisch bewijs teruggevonden. Wanneer het lichaam van de overleden persoon begraven wordt, zijn andere rites van toepassing. Normaal gezien is het menselijk bot bij een inhumatie minder gefragmenteerd dan bij lijkverbranding. Bijgevolg is geslachts- en leeftijdsbepaling en onderzoek naar eventuele ziektes en doodsoorzaak van de overledene iets makkelijker. Dergelijke studies zullen door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium uitgevoerd worden op de grotere verbrande botfragmenten en het goed bewaarde skeletmateriaal van het Grijpenveld.

 

Met deze korte bijdrage werd gepoogd het vooroordeel te doorprikken dat archeologisch onderzoek zich enkel zou beperken tot de mooie esthetiek van volledig bewaarde potten of blinkende voorwerpen uit edelmetaal. Uit kleine, op het eerste gezicht onbelangrijke archeologische sporen en voorwerpen kan men meer afleiden dan men zou verwachten.

 

(TD)

Afbeeldingen:

  • Reconstructie van het zuidwestelijke grafveld van de Romeinse vicus Tienen.
  • Bronzen askos uit het tumulusgraf van Avendoren, eerste eeuw.
  • Emailfibula (mantelspeld) afkomstig uit het zuidwestelijke grafveld van de Romeinse vicus Tienen;


7 - De gunsten van de goden : offerrituelen in de vicus van Tienen



In onze westerse samenleving worden religie, politiek en economie als aparte categorieën van het dagelijkse leven beschouwd. In de Romeinse periode waren de verschillende levenssferen zo nauw met elkaar verbonden dat deze categorieën ervaren werden als één niet los van elkaar te beschouwen geheel. De verschillende Gallo-Romeinse godheden hadden elk hun eigen invloedssfeer en hun eigen manier om in het aardse en het niet-aardse leven in te grijpen. Zo werd om de meest uiteenlopende redenen de tussenkomst van de goden gevraagd: bij vruchtbaarheidsproblemen, voor een goede oogst, voor een veilige reis, voor een genezing, voor een geslaagde overval, voor het vervloeken van een vijand …

 

Kort na de verovering van Gallië door Caesar werd uit de Gallische en de Romeinse mythologie de 'Gallo-Romeinse' godenwereld gecreëerd. Het is waarschijnlijk de lokale elite geweest die tijdens contacten met Romeinse ambtenaren beide geloofswerelden samensmolten. Hoe dit juist in zijn werk ging, is niet duidelijk. Vermoedelijk werden de domeinen waarin de traditionele goden actief waren, vergeleken met die van de Romeinse. De goden met de meeste gelijkenissen werden met elkaar geïdentificeerd en als één en dezelfde godheid beschouwd. Soms komen dubbele godennamen voor, waarin zowel de inheemse als de Romeinse god vermeld werden. Meestal werd slechts één van de twee namen gebruikt.

 

Tot in een recent verleden werd de Gallo-Romeinse religie vooral bestudeerd door het analyseren van antieke teksten, inscripties en opgravingsresultaten van tempelcomplexen.
Op tempeldomeinen vindt men vaak offerdeposities terug. Het zijn meestal begraven intacte voorwerpen zoals aardewerk, beeldjes, bronzen voorwerpen en soms ook wapens. Deze deposities worden geïnterpreteerd als offers aan de goden om bepaalde gunsten af te smeken. De laatste jaren wordt steeds meer aandacht besteed aan geloofsuitingen buiten de tempelcontext, zoals in rivieren, aan bronnen en in nederzettingen. Bij opgravingen in nederzettingen komen immers soms ook rituele deposities aan het licht. De opgravingen in Tienen hebben relatief veel dergelijk materiaal opgeleverd. De studie van deze offers verschaft belangrijke informatie over de geloofswereld van de bewoners van Gallo-Romeinse landelijke nederzettingen. Waarschijnlijk zochten de vicusbewoners bij voorkeur de overgangszone tussen de nederzetting en het omringende platteland op voor het begraven van hun offers. Ook de nabijheid van het grafveld en het cultusgebouw voor Mithras kan hierin een rol gespeeld hebben. Overgangszones waren volgens het Gallo-Romeinse geloof bevolkt met goden, geesten, en zielen van voorouders. Dit is een voortzetting van het geloof uit de ijzertijd, van vóór de komst van Caesar.


 

De opgravingssite is gesitueerd aan de zuidwestelijke rand van de Gallo-Romeinse nederzetting. Hier bevond zich in de tweede en derde eeuw na Christus een artisanaal kwartier met hoofdzakelijk pottenbakkersateliers. Er werden geen huisstructuren teruggevonden. De woningen van de ambachtslieden situeerden zich wellicht meer naar het centrum van de nederzetting toe. Aansluitend bij deze ambachtelijke zone bevonden zich in zuidelijke richting de akkers en in noordelijke richting het grafveld. Het grafveld is begrensd door grachten en een weg die de vicus in zuidwestelijke richting verlaten. Verspreid over heel het terrein vinden we sporen terug van rituele activiteiten. Binnen de nederzetting gaat het vooral om rituele deposities bestaande uit intacte voorwerpen die op de bodem van kuilen zijn geplaatst. Op het grafveld zelf en in de grachten die het begrenzen, gaat het eerder om volledige of gedeeltelijke dierenskeletten en intact aardewerk. In de onmiddellijke nabijheid van een van de pottenbakkersovens troffen we het duidelijkste voorbeeld van een offerdepositie: het zogenaamde Fortunadepot. Op de bodem van een kuil werd een beeldje van Fortuna geplaatst, samen met een kom met hoofdzakelijk bronzen voorwerpen. Het bronsensemble bestond uit twee kandelaars, twee wierookbranders, twee armbanden, een beeld van een hond, een ring, een handvat en een mantelspeld. Verder was er ook nog een ring in git met het opschrift 'Ave' en een zilveren ring. De kom was van lokale makelij. Het beeldje stelt de op een troon gezeten godin Fortuna voor met de hoorn des overvloeds in de ene hand en een scepter in de andere. Verder heeft zij als attributen het wiel aan de ene zijde van de troon en de wereldbol aan de andere. De sculptuur werd vervaardigd uit tufsteen van Lincent, een gemeente op ongeveer 15 km afstand van Tienen. Bij opgravingen in de jaren tachtig werd in de stationsbuurt een soortgelijk beeldje van de godin Venus met Amor opgegraven. Na de studie van het vondstmateriaal uit deze kuil bleek dat hierin ook een groot aantal intacte voorwerpen begraven waren, zoals aardewerk, benen haarspelden, munten, een minizwaard, speelschijven, beiteltjes, een ring, twee hondenskeletten, enz. Een andere opvallende offerdepositie is een kuil met drie hondenskeletten en een paardenschedel.


 

Een bijkomende categorie van deposities wordt gevormd door resten van feestmaaltijden die in een kuil werden neergezet. Of het ook hier om offers gaat, zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen. Van groot belang hierbij is de studie van de vondsten van het cultuscomplex voor Mithras. In één van de offerkuilen werden duidelijk overblijfselen van een feestmaaltijd aangetroffen: beenderen van meer dan 100 kippen, een 75-tal wijnbekers, borden, kommen en kannen.

 

In de Gallo-Romeinse periode ging de begrafenis van overledenen gepaard met een reeks rituelen. Van deze rituelen vinden we sporen terug op en rond het grafveld. In de Romeinse tijd was het de regel dat de grafvelden buiten de grenzen van de nederzetting werden aangelegd. Het grafveld werd steeds afgebakend door muren of grachten, om te voorkomen dat geesten of zielen de nederzetting zouden kunnen binnendringen. Daarom moesten niet alleen de goden van de onderwereld maar ook de geesten van de overledenen gevleid worden.

 

Alsof er een vorm van continuïteit bestaat, stemmen de rituele deposities van de nederzetting en het grafveld de gemoederen opnieuw gunstig. Dit keer zijn het wel die van de vakwereld, de museumwereld en overheidsinstanties. Het typische aan bepaalde offerdeposities uit de Romeinse tijd is namelijk dat voorwerpen intact werden bijgezet. Door ze te begraven, vonden de offers een doorgang naar de wereld van de goden en de doden.
 

 

Het gaat hier dus om een collectie van intact Gallo-Romeins materiaal, waaraan interessante theorieën uit de rituele sfeer gekoppeld kunnen worden. De vondsten hebben dus niet alleen een bijzonder esthetische, maar ook een zeer leerrijke dimensie. Ze leveren dan ook een belangrijke meerwaarde aan de Gallo-Romeinse afdeling van het museum.

 

(MM)

Afbeeldingen:

  • Bronzen voorwerpen uit 'het Fortuna-depot',Grijpenveld Tienen, derde eeuw.
  • Zittende godin Fortuna in tufsteen van Lincent, Grijpenveld Tienen, derde eeuw.
  • Bronzen beeldje van een hond met een schijf in de bek,Grijpenveld Tienen, derde eeuw.
  • Terracotta buste van een kind afkomstig uit de Zijdelingsestraat te Tienen.

 



8 - De Mysteriën van Mithras: een tweeduizend jaar oud geheim



In 1998 werd op het Grijpenveld te Tienen een cultuscomplex voor de god Mithras opgegraven. Het gebouw werd opgericht rond het midden van de derde eeuw na Christus in de pottenbakkerswijk aan de rand van de Gallo-Romeinse nederzetting. Aanvankelijk reageerde de vakwereld nogal sceptisch op het nieuws van deze ontdekking. Maar het sluitend bewijsmateriaal deed het tij snel keren. De vondst wekte grote nationale en internationale belangstelling. Het gaat hier namelijk om het eerste cultusgebouw voor Mithras in de Benelux. Daarnaast bleek het vondstenmateriaal ook nog bijzonder belangrijk voor het onderzoek naar de inhoud van de mysterieuze Mithrascultus. De vondsten hebben ondertussen hun weg gevonden naar een bijzondere plaats in het museum.



Weinig van de ons uit de oudheid overgeleverde raadsels zijn zo fascinerend als de Mithrascultus. Zoals de andere uit het oosten afkomstige Romeinse mysteriegodsdiensten
was de inhoud van de Mithrascultus geheim. Enkel de ingewijden - en dit was onveranderd een zeer kleine groep - waren op de hoogte van de mysteriën. Om in de cultusgemeenschap opgenomen te worden, moest men zware proeven doorstaan. In totaal kon men zeven hiërarchische rangen doorlopen. In de juiste volgorde ging het van de corax of raaf naar de nymphus of bruidegom, miles of soldaat, leo of leeuw, perses of pers, heliodromos of zonneloper, om ten slotte de hoogste graad van pater of vader te bereiken. Elke graad had een eigen specifieke klederdracht en functie binnen de cultusgemeenschap.

 

Het bekomen van een hogere rang vereiste telkens een zwaardere proef. De aanhangers van de Mithrascultus kwamen uit alle lagen van de bevolking,van officier in het leger tot slaaf. Dit is geweten door de studie van inscripties op tabletten of altaren, die vaak gemaakt werden ter gelegenheid van een offer aan de god. Over de inhoud van de legende van Mithras en de inwijdingsrituelen tasten we grotendeels in het duister. Vast staat wel dat de mysteriëncultus vanaf de eerste eeuw na Christus over heel het Romeinse Rijk verspreid werd. De studie van inscripties maakte duidelijk dat de cultus vooral overgedragen werd door het Romeinse leger, kooplui en Romeinse overheidsambtenaren. De enige bekende schriftelijke bronnen zijn van de hand van christenen, die trachtten de Mithrascultus in een slecht daglicht te stellen. Zo werd gezegd dat voor het verkrijgen van een bepaalde graad, de ingewijden naakt, met de handen op de rug gebonden met kippendarmen, een test moesten afleggen. Dat deze bronnen niet erg objectief waren, blijkt uit het feit dat deze cultus in de derde eeuw één van de grootste concurrenten van het christendom was.

 

Over het hele Romeinse Rijk is een 470-tal mithraea gekend. Op de meeste afbeeldingen wordt Mithras in een grot voorgesteld. De cultusgebouwen moesten dan ook een grot uitbeelden. Waar geen natuurlijke rotsen aanwezig waren, werden de constructies gedeeltelijk uitgegraven. Daardoor bleven hun oyerblijfselen vaak beter bestand tegen erosie en de gevolgen van bouwactiviteiten dan bij andere gebouwen uit dezelfde periode het geval is. Hun inhoud is dus vaak uitzonderlijk goed bewaard. Dit maakt van de Mithrascultus een van de archeologisch best gedocumenteerde verschijningen. Vaak zijn in deze contexten reliëfs, beschilderde muurpleister en sculpturen bewaard gebleven, zoals bijvoorbeeld in het mithraeum van Santa Maria Capua Vetere in Rome. Zonder uit de Romeinse tijd overgeleverde schriftelijke verklaringen is dit bijzonder rijke beeldmateriaal echter moeilijk leesbaar. Het geheim van de Mithrascultus blijft bijgevolg na tweeduizend jaar nog steeds bewaard.

 

De eerste grote Mithrasonderzoeker was de Belg F. Cumont, die op het eind van de vorige eeuw de hypothese lanceerde dat de Mithrasmythe in Iran ontstaan was. Deze hypothese hield zeventig jaar lang stand. De laatste dertig jaar steken allerlei nieuwe theorieën over het ontstaan van de cultus en de stierdodingsscène de kop op. Verbeterde opgravingsmethoden en· multidisciplinair onderzoek zullen in de toekomst waarschijnlijk ook nieuwe inzichten brengen.

 

In een van de recente en meest plausibele theorieën over het ontstaan van de mythe worden de figuren van de stierdodingsscène geïnterpreteerd als sterrenbeelden. Op deze voorstelling staat Mithras die de stier doodt, een kelk waaruit een slang drinkt, een raaf, een hond die het bloed van de stier drinkt, een leeuw, een schorpioen bij de testikels van de stier, een figuur met een opgeheven fakkel en een figuur met een naar beneden gerichte fakkel. Deze afbeelding bevond zich steeds vooraan in het cultusgebouw in de vorm van een wandschildering of een sculptuur in hout of in steen. De stier, de hond, de slang, de kelk, de raaf en de schorpioen zijn de in de oudheid bekende sterrenbeelden van de hemelequator op het moment dat de lente-equinox in het teken van de stier staat.

 

Het mithraeum van Tienen was ongeveer 1,20 m onder de grond uitgegraven. Alles wat van het houtlemen gebouw is overgebleven, zijn paalgaten, een klein vloertje met terracotta tegels en een haardje afgezet met Romeinse dakpannen. Naast het cultusgebouw bevond zich een reeks kuilen gevuld met overblijfselen van rituele activiteiten. De belangrijkste kuil had een toegang met trappen, uitgegraven in de leem. Op de bodem werden talrijke voorwerpen gedeponeerd: wierookkelken, olielampjes in brons en in aardewerk, slangenvaten, wijnbekers met of zonder opschriften, en de overblijfselen van offerdieren. Deze voorwerpen verwijzen naar bepaalde cultushandelingen, maar ook naar de rituele feestmaaltijden gekend uit antieke bronnen. Zo zijn er overblijfselen van meer dan honderd kippen teruggevonden. Gevogelte komt zeer vaak voor in rituele contexten, maar in het bijzonder in de context van mithraea. Aan de hand van kaakbeenderen van lammeren kon men vaststellen op welke leeftijd de diertjes geslacht werden. Zo hebben we afgeleid dat de vulling van deze specifieke kuil en dus het ritueel dat eraan voorafging, heeft plaatsgevonden rond eind juni. Deze datum komt goed overeen met één van de twee belangrijkste feesten van de cultus, namelijk de langste dag van het jaar of de midzomernacht. Aan de hand van het aardewerk kon het mithraeum gedateerd worden rond de tweede helft van de derde eeuw na Christus. Het laatste woord over deze vondsten is echter nog lang niet gezegd.

 

De belangrijkste vondsten werden na conservatie tentoongesteld in het vernieuwde museum. In een van de voormalige gevangeniscellen werd het interieur van het mithraeum van Tienen gereconstrueerd. De decoratie werd afgeleid van opgegraven fragmenten van beschilderd pleisterwerk. Zo kwam het donkere hol van Mithras, zoals de gebouwen door de christenen werden genoemd, terug tot leven. Tegen deze achtergrond komen de belangrijke vondsten van het Grijpenveld tot hun recht. Ondertussen gaat de studie van de vondsten van het mithraeum verder, andermaal terug in België. F. Cumont moest het weten ... [MM]

 

Afbeeldingen:

  • Bronzen votiefplaatje met opschrift voor de god Mithras,Grijpenveld Tienen, derde eeuw.
  • Reconstructie van het mithraeum met cultusvoorwerpen in een van de voormalige gevangeniscellen van 'het Toreke'.
  • Aardewerken deksel met slang, krater en gebaarde godheid, Grijpenveld Tienen, derde eeuw.
  • Bronzen olielampje in de vorm van een silenenhoofd (mythologische figuur), Grijpenveld Tienen, derde eeuw.
  • Aardewerken leeuwtje op het handvat van een mengvat,Grijpenveld Tienen, derde eeuw.

 



9 - Werkend Tienen



Tijdens het Ancien Régime werd het sociaaleconomische leven van Tienen vrijwel volledig gedetermineerd door het ambachtswezen. De ambachten groepeerden nagenoeg de gehele actieve bevolking van de stad. Daarnaast kende het vroegere sociale bestel ook een vrij omvangrijke groep van non-actieven, bestaande uit geestelijken en grootgrondbezitters die zich doorgaans binnen de adellijke klasse situeerden. In de latere achttiende en vooral tijdens de negentiende eeuw werd dit systeem aangevuld door een belangrijke nieuwe component van industriëlen en fabrieksarbeiders.

 

Tijdens de Middeleeuwen ontwikkelde zich te Tienen, net als in de andere steden, een bloeiend gilden- en ambachtswezen. Het lakengilde of het gilde van de draperie was veruit de belangrijkste Tiense beroepsvereniging. Ook toen haar economische rol na het verval van de Brabantse lakenindustrie tanend was, bleef deze gilde leidinggevend in het stedelijke politieke bestel. Het lokale economische leven werd daarnaast gedomineerd door een reeks andere ambachtelijke verenigingen. Tot in de Nieuwe Tijd genoten ook zij, via hun vertegenwoordiging in de acht stedelijke naties, medezeggenschap in het stadsbestuur.

 

Elk ambacht had zijn eigen reglementering waarin opleiding, toelatingsvoorwaarden en rechten en plichten van de leden nauwkeurig omschreven werden. Door het verlies van de meeste corporatieve archieven is er hierover slechts weinig bekend. De oudst bewaarde reglementen dateren immers pas uit de zeventiende eeuw, de periode dat de Tiense beroepsverenigingen hun politieke macht verloren ten gunste van de schuttersgilden.

 

Hoewel de Franse Revolutie de oude corporatieve organisatie volledig ondersteboven haalde, bleven de beoefenaars van de ambachten nog tot lang in de twintigste eeuw actief. Door het feit dat zij toen niet meer gebonden waren aan een strakke beroepsreglementering konden zij zich gemakkelijker aan de nieuwe tijdgeest aanpassen en overschakelen naar de technische verworvenheden van de Nieuwste Tijd. Deze ontwikkeling wordt in 'het Toreke' geïllustreerd aan de hand van het smedenambacht. Hoewel de oudste vermelding pas uit 1649 dateert, mogen wij ervan uitgaan dat dit ambacht reeds in de veertiende eeuw actief was. Het groepeerde naast de hoefsmeden ook de geelgieters, de slotenmakers, de witwerkers, de ketelaars, de pottenbakkers en de tingieters. De beroepen zelf bleven in het stadsbeeld aanwezig tot in de eerste helft van de twintigste eeuw.

 

Het eeuwenoude maatschappelijke bestel was aan het einde van het Ancien Régime aan een omwenteling toe. Dit was het resultaat van een langzame evolutie die door een radicale politieke revolutie in een stroomversnelling geraakte. Door de verkoop van de nationale goederen ten tijde van het Franse Bewind werd het leeuwenaandeel van de vroegere kerkelijke en corporatieve goederen doorgesluisd naar de meest kapitaalkrachtige bevolkingsgroep. Er ontwikkelde zich toen een belangrijke klasse van gegoede handelaars en nijveraars, merendeels afstammelingen van de belangrijkste ambachtelijke families uit het oude bestel. Van de extra inbreng aan grond en gebouwen werd dankbaar gebruik gemaakt om nieuwe bedrijfstakken te introduceren. Dit was onder meer het geval met de toen nog vrij experimentele suikerwinning uit bieten. Aanvankelijk ging deze nieuwe bedrijfstak op een vrij ambachtelijke wijze van start en hielden de nieuwe bedrijfsleiders, die vrijwel allemaal grootgrondbezitters waren, zich voornamelijk bezig met de verwerking van de eigen productie. Een eerste impuls van industrialisatie ging uit van Henri Vinckenbosch die in 1862 de andere suikerfabriekjes onder zijn beheer wist te groeperen. Pas na 1894, toen samen met de familie Wittouck een nieuwe naamloze vennootschap werd gevormd, volgde voor de Tiense Suikerraffinaderij de industriële doorbraak.

 

Ongeveer gelijktijdig kwam te Tienen een ander bedrijf met wereldklasse tot stand. Het waren de werkhuizen Gilain of Ateliers de Construction Mécaniques de Tirlemont (A.C.M.T.). Ontstaan als wolspinnerij ontwikkelde deze onderneming zich in de loop van de negentiende eeuw tot een toeleveraar van stoommachines voor de verwerking van de producten van de voedingsindustrie. In de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw groeide dit bedrijf uit tot één van de Belgische marktleiders in de metaalverwerkende sector.

 

Op deze wijze ontstond er in het negentiende-eeuwse Tienen een groep van hogere bourgeoisie die naast haar toonaangevende economische bedrijvigheid ook het politieke
en het sociale leven van de stad zou domineren. Zij waren de grootste werkgevers en bepaalden hierdoor ook het leven van de lagere klassen. Aan beide sociale klassen wordt in het museum uitgebreid aandacht besteed.

 

(LV)


Afbeeldingen:

  • De Tiense hoefsmeden in het gedeelte 'Tienen Werkt'.
  • Reconstructie van de winkelpui van de Tiense tingieter Henricus Franciscus Steveniers, 1837. De winkelpui werd in het museum gereconstrueerd op ongeveer 75 % van de ware grootte. De winkelvitrines werden opgevuld met tinnengoed, glas en aardewerk.
  • Petrus Peeters,Vijzel en tafelbel, 1743 en 1755:Petrus Peeters (ca. 1709-Tienen, 1789) was ongetwijfeld de belangrijkste Tiense geelgieter. Zijn naam komt ook veelvuldig voor in de stads- en kerkrekeningen van Tienen en omgeving.

 


10 - Het Tiense feestcomité

 


Tijdens het Ancien Régime was het maatschappelijke leven ingebed in een corporatief systeem van gilden en ambachten. Ze bepaalden het sociaal-economische en het politieke leven en regelden bovendien de religieuze en de culturele activiteiten van de stedelingen. De talrijke religieuze vieringen vormden een wezenlijk bestanddeel van de leefwereld van onze voorouders. Elk ambacht kende zijn eigen patroonsfeest dat uitgebreid werd gevierd. De verschillende processiedagen vormden voor de ambachten een bijkomende reden om hun leden te verzamelen. Het religieuze gedeelte verliep dan in de grootste sereniteit, maar eindigde achteraf gewoonlijk tussen pot en pint op de kermis. Zoals het arbeidswezen was ook de stedelijke feestcultuur aan corporatieve regels onderworpen. Vooral de rederijkerskamers en de schuttersgilden speelden hierin een toonaangevende rol. Bij de organisatie en het gangmaken van de ommegangen en andere festiviteiten kregen zij de volstrekte prioriteit. Binnen de maatschappelijke structuur der middeleeuwse steden vervulden de schuttersgilden een vooraanstaande rol. Ontstaan als stedelijke milities wisten zij gaandeweg ook politieke medezeggenschap te verwerven. In de loop van de Nieuwe Tijd namen zij binnen het stadsbestuur de rol van de beroepsverenigingen over. Samen met het lakengilde waren zij trouwens de enige corporatieve verenigingen die met de term 'gilde' werden aangeduid. De beroepsverenigingen werden in Tienen steeds als 'ambachten' benoemd.

 

Tijdens het Ancien Régime telde Tienen drie schuttersgilden die bij de verdediging van de stad elk een wijk of district toebedeeld kregen. De gilde der voetboog- of kruisboogschutters, met Sint-Joris als schutspatroon, was de oudste. Hun leden hanteerden het meest dodelijke handwapen dat in de toenmalige oorlogsvoering in gebruik was en ze waren dan ook zeer gegeerd in het middeleeuwse krijgsgebeuren. Onder leiding van hoofdmeier Gilles van den Berghe hadden de Tiense kruisboogschutters zich weten te onderscheiden in de slag bij Woeringen van 1288 waar zij streden aan de zijde van Jan I, hertog van Brabant. Als beloning hiervoor werd de stad in 1291 in een aantal van haar vrijheden bevestigd. De kruisboogschutters stonden in voor de verdediging van het westelijke stadsdeel. De schutters van den edele handtboghe verenigden zich vermoedelijk in de veertiende eeuw. Zij kozen Sint-Sebastiaan als beschermheilige. Zij waren verantwoordelijk voor de verdediging van de noordelijke vestingsgordel. Toen op het einde van de vijftiende eeuw het gebruik van vuurwapens veralgemeende, werd de kolveniersgilde opgericht met de Heilige Barbara als patrones. Zij verdedigden de zuidelijke vesten, gelegen aan de Borggracht De verdediging van de overblijvende oostelijke zone werd ingevuld door de 'Jongmans' van de rederijkerskamers.

 

Het hoogtepunt van het gildenleven werd gevormd door de jaarlijkse schietingen, waarbij traditioneel een koning werd aangeduid. De koningsschietingen van het Sint-Sebastiaansgilde vonden plaats nabij de Vogelpoort, de oude stadspoort aan de Borggracht. De benaming van dit poortgebouw verwijst trouwens naar de schieting van de 'vogel'. De namen van de koningen werden op zilveren plaatjes gegrift die aan de koningsketting werden bevestigd. Deze zilveren breuk of braak werd bij officiële gelegenheden en bij optochten en processies om de hals gedragen.

 

De tweede pijler van de middeleeuwse feestcultuur werd gevormd door de rederijkerskamers. Over het ontstaan van deze literaire genootschappen is men het voorlopig nog niet eens. Hun bezigheden overschreden vrij snel de grenzen van het louter literaire, waarbij zij ingeschakeld werden in de meest uiteenlopende domeinen van het stedelijke leven. Zo werden zij, ondanks het feit dat zij in sommige gevallen vrijstelling van militieverplichtingen genoten, systematisch ingeschakeld bij de verdediging van de stad. Het vierde district van de verdedigingsgordel rond de stad was trouwens in hun handen. Daarnaast werden zij door de stedelijke overheid gezien als de mentoren van ommegangen, processies en optochten.

 

In Tienen waren de Corenbloem en de kamer van Onze-Lieve- Vrouw Fonteyne actief. Zij werden voor het eerst samen vermeld in de stadsrekening van 1521-1522, waarin beiden door de stadsmagistraat vergoed werden voor het inzetten van een speelwagen bij de ommegang van 1521. De ommeganck was een jaarlijkse gebeurtenis die op pinkstermaandag plaatsvond. Oorspronkelijk was het een religieuze optocht, die geleidelijk een meer profaan karakter kreeg. Beide kamers namen ook deel aan de grote kermisprocessie. Het meest besproken moment uit de Tiense rederijkerij was evenwel de deelname van de Fonteynekamer aan het landjuweel van 1539 te Gent. Dit evenement vormde tezelfdertijd het hoogtepunt als de aanzet van de neergang van de literaire activiteiten van de Tiense rederijkers. In de achttiende eeuw gingen hun activiteiten zich steeds meer toespitsen op de organisatie van de Tiense festiviteiten. Meer en meer viel het zwaartepunt op het begeleiden van religieuze en profane optochten. De archieven van de stad vermelden hun deelname aan de feestelijke verwelkoming van Joannes Germanus Landeloos, die in 1705 primus in de wijsbegeerte aan de Leuvense universiteit werd. Ook bij de doortocht van de nieuwe landvoogden Albert van Saksen-Teschen en Maria-Christina van Oostenrijk in juli 1781 waren zij manifest aanwezig. Tijdens de achttiende eeuw begonnen de fonteynisten zich eveneens te manifesteren als de officiële lijkdragers van de stad, een activiteit die in de volgende eeuw een van hun hoofdbezigheden zou worden.

 

Na hun tijdelijke afschaffing tijdens de Franse periode namen zowel de schuttersgilden als de rederijkers in de negentiende eeuw resoluut de draad weer op. Ook gaven zij het ontstaan aan nieuwe Tiense schuttersverenigingen en toneelgezelschappen die tot in de twintigste eeuw actief bleven.

 

(LV)

 

Afbeeldingen:

  • De standaarddrager van de rederijkerskamer van Onze-Lieve-Vrouw van de Fonteyne.
  • Vlaamsche kermis, 1895: Originele foto van een liefdadigheidsfeest dat doorging op de Velodrom van de Leopoldsvest te Tienen.
  • Balloteerkast afkomstig uit het bezit van Onze-Lieve-Vrouw van de Fonteyne, achttiende eeuw:Houten stemdoos die gebruikt werd bij de werving van nieuwe leden. Het stemmen gebeurde door middel van ballotage, een systeem van witte en zwarte balletjes, wit was voor, zwart was tegen.
  • Zilveren breuk van de Sint-Urbanusgilde van Nerm, een gehucht van Hoegaarden.
  • Drie bekers afkomstig uit de gildenschat van de rederijkerskamer van Onze-Lieve-Vrouw van de Fonteyne, zeventiende eeuw.


 



11 - Tienen bidt



' ... this together with the number of religious houses (greater in proportion than any place we saw) .. . '
  

 

In 1766 ondernam de Engelsman Samuel Vernon een mini Europatrip. Uit zijn dagboeknotities blijkt zijn verbazing over het grote aantal religieuze gebouwen dat hij gedurende zijn korte verblijf in Tienen aantrof. Tijdens het laatste kwart van de achttiende eeuw behoorde bijna 4% van de bevolking tot de religieuze stand. Behalve twaalf conventen, telde de stad nog zes kerken, een begijnhof, een hospitaal en zeven refugiehuizen. Ondanks de nadrukkelijke aanwezigheid van het kerkelijke establishment in het oude stadsbeeld bleef hiervan tot op heden slechts een kleine fractie bewaard. Enerzijds raakte het patrimonium verspreid door de afschaffing van de kerkelijke instellingen en de verkoop van hun goederen tijdens het bewind van Jozef II en onder de Franse overheersing. Anderzijds werd veel meubilair door de kerkfabrieken verkocht naar aanleiding van de modernisering van de kerken in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zo bleef geen spoor bewaard van de merkwaardige collectie van M. Dewilde, pastoor van het Sint-Jansgasthuis. In het stadsrapport van 1850 werden 160, voornamelijk religieuze schilderijen beschreven die vooral afkomstig waren uit Tiense instellingen. Beleidsmatig tracht het museum dat oude patrimonium te documenteren en, indien de mogelijkheid zich voordoet, ook te reconstrueren. De museale opstelling rond het thema 'Tienen bidt' sluit volledig aan bij deze visie.

 

In het centrale deel van het museum staat een monumentaal arduinen beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Dit kunstwerk bekroonde een grote waterpomp die in 1729 op de Grote Markt in gebruik werd genomen. Aan de bouw ervan ging een hevige hetze tussen de inwoners en de magistraat vooraf. Aanleiding hiertoe waren de plannen van het bestuur om de oude poel, die een groot deel van het marktplein in beslag nam, te dempen. Tegenstanders spanden een geding in bij de Raad van Brabant. In 1724 werden zij in het ongelijk gesteld, maar bekwamen wel dat het stadsbestuur twee pompen voor de waterbevoorrading moest oprichten. In uitvoering van de wet van 7 vendémiaire IV (29 september 1795) die de verwijdering beval van alle openbare tekenen van de eredienst, werd het beeld van de pomp afgehaald. Nadat de pomp verplaatst was naar de zijgevel van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw te Poel werd het beeld er in 1806 terug opgeplaatst.

 

Devotiepraktijken maakten eertijds een wezenlijk deel uit van het alledaagse leven. Als behoeders tegen allerlei ongelukken of als genezers werden heiligen veelvuldig gesolliciteerd om hun heilzame invloed. In een landelijke omgeving als die van Tienen bezat haast elke parochiekerk een specifieke devotie tot een welbepaalde heilige die in het bijzonder aanroepen werd tegen ziekten van mens en dier. In de museale opstelling werden twee computers geïntegreerd waarop een eenvoudig raadpleegbaar bestand werd geïnstalleerd dat informatie geeft over volksdevoties in en rond Tienen. Uit een beperkte lijst kan de bezoeker de naam van een ziekte aanklikken. Daarop wordt onmiddellijk informatie gegeven over de heilige die tegen de desbetreffende kwaal aanroepen wordt. Op het scherm verschijnt behalve een afbeelding van de heilige ook een korte biografische nota en een foto van de kerk of kapel waarin het heiligenbeeld zich bevindt. Op deze wijze worden op een interactieve manier historische gegevens gecombineerd met toeristische informatie.

 

In een apart thema wordt meer aandacht besteed aan de bedevaarttraditie te Hakendover. Deze gaat terug tot het legendarische verhaal van de bouw van de kerk van de Goddelijke Zaligmaker. Omstreeks 690 besloten drie godsvruchtige maagden om een kerk te bouwen ter ere van de Zaligmaker. Tot tweemaal toe werd het werk van de bouwvakkers gedurende de nacht door engelen afgebroken. Na een louteringsproces wees een engel de drie vrome vrouwen een plaats aan waar de kerk definitief opgericht zou worden. Dertien bouwvakkers zetten zich aan het werk, maar bij de maaltijden en tijdens de uitbetalingen kwamen er maar twaalf opdagen: de dertiende was immers de Heer zelf. Ter ere van de dertiende arbeider ontstond een bedevaart die de pelgrims aanvankelijk op 17 januari, later ook in de paasdagen ondernamen. Dertien keer trekken bedevaarders hierbij heen en weer tussen de kerk van de Goddelijke Zaligmaker in Hakendover en de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Steen in Grimde, een gehucht van Tienen. In dit heiligdom wordt behalve Onze-Lieve-Vrouw ook de Heilige Maurus aanbeden, in het bijzonder tegen allerlei vormen van hoofdpijn. Gewoonlijk zetten gelovigen hierbij een ijzeren devotiekroon op het hoofd. Het originele zestiende-eeuwse devotiebeeld bevindt zich nu in het museum.

 

Het dertienmaal heeft steeds veel gelovigen aangesproken en geniet vandaag nog steeds veel bijval. Kunstenaars vonden hun inspiratie in dit volkse gebeuren. Het museum bezit een merkwaardige reeks studietekeningen van de hand van Frans Van Leemputten. Tussen 1907 en 1909 maakte hij een aantal interessante schetsen van de processie zelf en van de bedevaarders in hun typische streekkledij.

 

Naar aanleiding van de heropening in september 1999 werden een aantal religieuze schilderijen uit privé-bezit aangekocht en aan het museum geschonken. Het gaat om
een aantal werken die oorspronkelijk thuishoorden in kerkelijke instellingen uit Tienen. Verwijzend naar de zorg die 'het Toreke' wenst te besteden aan de bewaring en valorisatie van het kunstpatrimonium uit de regio werden twee belangrijke schilderijen door toedoen van derden gerestaureerd en in het museum tentoongesteld. Een voorstelling van het Laatste Avondmaal uit de kerk van Sint-Joris te Oorbeek wordt toegeschreven aan het atelier van Pieter Coecke van Aelst. Het betreft een schildering op eikenhouten paneel met Antwerps merkteken. Uit de Sint-Lambertuskerk te Overlaar bewaart 'het Toreke' het altaardoek met een afbeelding van de heilige voor een achtergrond die een achttiende-eeuws panoramisch gezicht op Luik weergeeft.

 

(ST)

 

Afbeeldingen:     

  • Zilveren ex-voto afkomstig uit de Sint-Germanuskerk van Tienen, 1793. Deze votiefplaat toont een panoramisch zicht op de stad met de torens van zowel de Sint-Germanus- als de Onze-Lieve-Vrouw-ten-Poelkerk.
  • Devotiebeeld van de Heilige Maurus uit de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Steen te Grimde. Deze heilige wordt speciaal aanroepen tegen hoofdkwalen.
  • Sint-Lambertus, achttiende eeuw. Altaardoek afkomstig uit de Sint-Lambertuskerk van Overlaar bij Tienen.
  • Stralenmonstrans uit het Begijnenhof van Tienen, begin zeventiende eeuw met latere omvormingen en toevoegingen.
  • Frans van Leemputten. De Paardenprocessie van Hakendover 1907-1909.

 


12 - De apothekerskast van het Burgerlijk Gasthuis



Vanaf de dertiende eeuw werden te Tienen behoeftige zieken opgevangen in het Sint-Janshospitaal, dat bediend werd door gasthuiszusters. Na de Franse revolutie ressorteerde de instelling onder het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen. De gasthuiszusters werden verdreven, maar keerden alras naar hun vertrouwde stek terug.

 

In 1822 werd de Commissie der Burgerlijke Godshuizen geconfronteerd met de erbarmelijke toestand van de oude ziekenzaal van het Sin-Janshospitaal. Na enkele jaren van plannenmakerij werd uiteindelijk gekozen voor de bouw van een totaal nieuw Burgerlijk Gasthuis in de boomgaard van het voormalige Tiense begijnhof. De beroemde Brusselse ingenieur-architect en urbanist Jean-Baptist Vifquin stond in voor het ontwerp. Het moderne ziekenhuis omvatte onder meer een apotheek, een laboratorium, twee operatiezalen, een aantal ziekenzalen en een kapel. Spoedig bleek ook dit complex te klein en werd het plan opgevat om uit te breiden. Op 25 mei 1944 werd het gebouw volledig vernield door een geallieerd bombardement. Verschillende mensen, onder wie deken Rochette van de Sint-Germanuskerk, kwamen hierbij om het leven. De diensten van het ziekenhuis werden toen tijdelijk ondergebracht in het Weeshuis op het Kapucijnenplein. Van de vroegere neoklassieke constructie is er niets meer overgebleven. Op 7 april 1950 kwam de grond van het vroegere Gasthuis door ruil in handen van de Tiense Suikerraffinaderij. Alleen het oude smeedijzeren hekken, dat uitgeeft op de Boststestraat, en de oprijlaan herinneren nog aan de vroegere toestand.

 

Op 21 februari 1829 liet het Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen in het Journal de la Belgique een advertentie plaatsen voor de aanwerving van een eigen apotheker. Hij zou de bejaarde Jean-Baptiste Chappel vervangen die in dienst van de gasthuiszusters had gewerkt. Op 23 december van dat jaar werd er een overeenkomst opgesteld tussen de toenmalige overste van de zusters, Lucia Van Looy, en het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen betreffende de overname van de apotheek. Op 1 januari 1830 trad apotheker Lambert Pluijmers officieel in dienst van de Commissie. Deze regeling werd op 1 april 1831 weer ongedaan gemaakt. De apotheek kwam opnieuw in handen van de gasthuiszusters die tot aan hun vertrek in 1968 het beheer bleven waarnemen. De apotheker werd bijgevolg niet meer door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen, maar door de gasthuiszusters aangeworven en betaald.

 
Na de indienstneming van Pluijmers in 1828 werd de apotheek van het Gasthuis volledig in orde gezet. In 1850 werd ook het laboratorium verder uitgebouwd. De apotheek beschikte uiteraard over het bijpassende apothekersmeubilair. De exacte datum van aankoop van de originele apothekerskast die zich nu in 'het Toreke' bevindt, hebben wij niet kunnen achterhalen. Tijdens het bombardement in 1944 werd zij zwaar beschadigd. De restanten werden van onder het puin gehaald en kwamen aanvankelijk terecht op de zolder van het stadhuis. In 1988 werd de kast op initiatief van het Stedelijk Museum en door toedoen van de Koninklijke Apothekersbond van Tienen en Omliggende gerestaureerd. De leerlingen van de afdeling houtbewerking van het toenmalige Provinciaal Instituut voor Technisch Onderwijs en de Schildersbond van Tienen zorgden voor de afwerking. Recent werd de kast gevuld met materiaal afkomstig van apotheker Grammet, die als laatste apotheker verbonden was aan het Stedelijk Gasthuis van de stad.

 

(LV)

 

Afbeelding:

  • de apothekerskast

 


13 - De engelenpoort



'un chef d'oeuvre de sculpture'


 
De eikenhouten engelenpoort behoort ongetwijfeld tot de topstukken van de Vlaamse barokke beeldsnijkunst. Zij werd in het derde kwart van de zeventiende eeuw vervaardigd door Mattheus van Beveren (1630-1690) naar een ontwerp van Abraham van Diepenbeeck (1596-1675). Twee ontwerptekeningen, waarvan een in Antwerpen en een in Boedapest, bleven tot op vandaag bewaard. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel bezitten een maquette in terracotta.


 

De poort werd vermoedelijk vervaardigd voor of in opdracht van de Tiense augustijnengemeenschap en diende voor de verfraaiing van hun kerk. Deze verfraaiingswerken werden uitgevoerd omstreeks 1650 en moesten een einde maken aan de lamentabele toestand waarin de kloostergebouwen zich bevonden na de plunderingen en vernielingen van 1635. Op 9 juni van dat jaar werd de stad immers verwoest door de verenigde troepen van Fransen en Hollanders in hun gezamenlijke strijd tegen de Spanjaarden. Toen de kloostergebouwen op 7 oktober 1798 verkocht werden, verhuisde de poort naar de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Poel op de Grote Markt in Tienen. Hier diende zij als afsluiting van een sacristie die tijdelijk ingericht was in het gotische middenportaal van de kerk. Naar aanleiding van de restauratiewerken waarbij het portaal in zijn oorspronkelijke luister werd hersteld, gaf de kerkfabriek in 1913 het kunstwerk aan de stad in bewaring.

 

De twee deuren van de poort, gescheiden door een brede middenstijl, zijn in drie registers verdeeld. Onderaan werden twee reliëfpanelen ingewerkt met taferelen uit het leven van de Heilige Augustinus: links de gekende scène over zijn roeping in de tuin van Milaan, rechts de kerkvader aan een schrijfbank. Deze twee voorstellingen werden door Van Beveren gekopieerd naar prenten van Schelte à Bolswert. Het midden- en bovenregister is bevolkt met vier groepen stoeiende engelen die zich verdringen rond de attributen van de heilige: zijn geschriften, het vlammende hart, de bisschopsmijter en -staf. Drie kariatiden op de poortnaald personifiëren de goddelijke deugden. Van onder naar boven zijn dit de Liefde, de Hoop en het Geloof.

 

Het blijft tot op vandaag onduidelijk wie verantwoordelijk was voor het iconografische programma dat Abraham van Diepenbeeck en Mattheus van Beveren opgelegd kregen. Evenmin weten we wie het kunstwerk bestelde. Het buitengewone artistieke karakter ervan
onderstreept het belang van het Tiense augustijnenklooster. Gedurende het Ancien Régime bezat deze orde het onderwijsmonopolie in de stad en waren zij de eigenaars van een college.

 

(ST)

 

Afbeeldingen:   

  • Mattheus van Beveren, De engelenpoort, derde kwart van de zeventiende eeuw.
  • Detailfoto van de putti. De engeltjes verdringen zich rond de attributen van de H.Augustinus .
  • Schelte à Bolswert, Tafereel uit het leven van de Heilige Augustinus, 1624, Gravure. De onderste registers van de engelenpoort werden gekopieerd naar deze afbeeldingen.

 


14 - Sint-Martinus van Tours



Aan de noordwestelijke rand van het stadscentrum ligt het oude, nu volledig verstedelijkte gehucht Avendoren. Hier bevond zich de oudste parochiekerk van Tienen. Zij was toegewijd aan de Heilige Martinus van Tours, hetgeen wijst op een ononderbroken bewoning sinds de Romeinse tijd. In een document uit 1140 werd de Sint-Martinuskerk beschreven als de eigenkerk van de familie van Averendoren. Omstreeks 1190 verloor zij haar belang ten voordele van de collegiale Sint-Germanuskerk, die gedurende het volledige Ancien Régime de enige parochiekerk van de stad bleef. In 1798 werd de oude Sint-Martinuskerk verkocht en later, in 1810 afgebroken. Notaris E. Swinnen kocht de beeldengroep en bouwde er zelfs een nieuwe kapel voor in de Viaductstraat. Zijn opvolger, Gustave Swinnen, die behalve notaris ook senator en burgemeester van Tienen werd, schonk het beeld in 1894 aan de stad.

 

Martinus werd in 316-317 geboren te Sabaria als zoon van een Romeins tribuun. De beeldengroep stelt het bekende wonder met de mantel voor. Toen Martinus omstreeks 331 op een koude winterdag te paard de stadspoort van Amiens naderde, keek een bedelaar naar hem op en vroeg hem om een aalmoes. Omdat hij geen geld bezat, trok hij zijn zwaard, sneed zijn rode soldatenmantel in tweeën en gaf de ene helft aan de arme man. Daarop zag Martinus in een droom Christus voor zich staan met de doorgesneden mantel om de schouders. Korte tijd later begaf Martinus zich naar de Heilige Hilarius te Poitiers waar hij zich bekeerde.

 

Het eikenhouten Martinusbeeld, toegeschreven aan een Leuvens of misschien zelfs aan een Tiens beeldsnijder, werd vervaardigd tussen 1510 en 1520. Een negentiende-eeuwse overschildering verbergt de oude polychromie. Naar links rijdend draait Martinus zich om en snijdt met het zwaard een stuk van de mantel. Hij draagt een volledige wapenrusting, bestaande uit een borstplaat, een maliënkolder en beenbeschermers. Het doorgroefde gelaat is niet dat van een jonge krijger, maar reflecteert eerder vermoeidheid of zelfs droefheid. Verrassend realistisch is de figuur van de gebrekkige bedelaar.

 

Hoewel het paard van een betere makelij is dan de meeste andere ruiterbeelden van Martinus, vallen toch enkele onhandigheden op: de kop is te klein en te kort, de oren zijn te lang. Ondanks de tekortkomingen behoort deze voorstelling van de manteldeling tot de betere Martinusbeelden. Het diende mogelijk als model voor het gelijkaardige beeld uit de Sint-Martinuskerk in Onze-Lieve- Vrouw Tielt.

 

(ST)

 

Afbeeldingen:    

  • Detail van het hoofd van de bedelaar.(foto KK)
  • Brabants atelier, Sint-Martinus van Tours, ca. 1510-1520.(foto KK)

   


15 - Een museum voor iedereen...



In 'het Toreke' worden de meest geavanceerde audiovisuele technieken aangewend om de bezoeker in te wijden in de geschiedenis van het alledaagse leven van de gewone Tienenaar. Ook de vondsten en resultaten van een van de grootste archeologische opgravingscampagnes van het land, worden hier voor het eerst wereldkundig gemaakt. Wie dit wenst kan het museum bezoeken onder de deskundige leiding van een gids. Rondleiduingen kunnen worden besproken op de verschillende contactadressen.

 

De educatieve dienst


Sinds 1985 beschikt 'het Toreke' over een eigen educatieve dienst. In dat jaar werden verschillende programma's opgestart die specifiek rond de museumcollectie opgebouwd werden. Vrij snel stelde men echter vast dat er veel vraag was naar 'alternatieve' invalshoeken. Vooral voor het basisonderwijs ontbrak een aangepast onthaal. Van bij het begin was men erop gericht om aan de leerlingen meer te bieden dan de vaste collectie. De educatief medewerker ging er dan ook van uit dat hij zijn totale kennis ter beschikking moest stellen van de potentiële school, vereniging of doelgroep die het museum wilde aandoen.

De educatieve dienst biedt een twaalftal programma's aan die op een 'niet-museale' wijze worden gebracht. Bij ons geen voorgekauwde gidsbeurten in de stijl van: 'Goedemorgen, ik ben Mark en zal uw gids zijn gedurende de volgende twee uur. Gelieve mij te volgen.' De kinderen worden door de educatief medewerker op een speelse wijze ontvangen en moeten ook actief deelnemen.

Van in het begin werden ook eigen programma's voor kleuters aangeboden. Wij mogen gerust stellen dat wij op dit gebied pioniers waren. Onze aanpak stuitte eerst op het scepticisme van de grote musea. Enkele jaren later pakten zij echter zelf uit met grootse persconferenties om hun aanbod voor kleuters voor te stellen.

Onze educatief medewerker is van alle markten thuis. De ene keer is hij een 'Romeinse magister', de andere keer een 'Romeinse soldaat' die door de kleuters in zijn dagelijkse bezigheden wordt gestoord. Soms ontvangt hij zijn bezoekers als de perfecte 'Romeinse gastheer' die een uitgebreid maal aanbiedt in zijn triclinium, of is hij een scriptor in een middeleeuws scriptorium. Hij is tevens een gewaardeerde gids op een boeiende stadswandeling.

 

De kinderen kunnen knutselen, koken, gaan op ontdekkingstocht met 'mijnheer Romein' of zwoegen als echte monniken aan hun versierde initialen. Ze brengen zelfs toneelstukjes en stellen hun eigen museumboekje samen.

Geïnteresseerden kunnen contact opnemen met de educatief medewerker van het museum

Mark Kempeneers, tel. 016 80.56.63,

e-mail: educatieve.dienst.toreke@skynet.be


(MK)
 

Afbeeldingen:

  • Het archiefdepot op de tweede verdieping van het verbouwde museumdepot.
  • De ontvangstruimte van het Stedelijk Museum 'het Toreke'. De projecties op het de schermen tonen het alledaagse leven van de huidige Tienenaar.
  • De educatieve medewerker Mark Kempeneers aan het werk.

 


Informatie en reservatie van rondleidingen Stedelijk Museum 'het Toreke'

Grote Markt 6

B-3300 Tienen

Tel. 016 80 56 66

Fax 016 81 04 79

E-mail: museum. toreke@skynet.be

 

Stadsinfo

Grote Markt 4

B-3300 Tienen

Tel. 016 80 56 86

Fax 016 82 27 04

 

Dienst cultuur Stad Tienen

Grote Markt 3

B-3300 Tienen

Tel. 016 80 56 60

Fax 016 81 04 79



Auteurs:

EH       Else Hartoch, archeoloog opgravingscampagne Grijpenveld

LV       Lutgart Vrancken, sectiehoofd museum-archief

MK      Mark Kempeneers, educatief medewerker

MM     Marleen Martens, archeoloog lAP-verantwoordelijke opgravingscampagne Grijpenveld

PC      Peter Cosyns, archeoloog-tekenaar opgravingscampagne Grijpenveld

TD      Tom Debruyne, archeoloog opgravingscampagne Grijpenveld

ST       Staf Thomas, conservator-archivaris 'het Toreke'

Foto's: Harrie Spelmans , Hans Denis