U bent hier

Stadsversieringen door P.P. Rubens

Stadsversieringen door P.P. Rubens
Peter Paul Rubens (1577-1640). De ereboog van de Munt.1634. olieverf op paneel, achterzijde, 104 x 71 cm. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

 

Het houden van triomftochten en het optrekken van stadsversieringen is tot in onze eeuw bewaard gebleven. Redenen tot het organiseren van zulke feestvieringen waren steeds in overvloed aanwezig: nu eens was de geboorte van een prins of het huwelijk van een vorst en vorstin, dan weer een begrafenis (!) of een belangrijke militaire overwinning reden tot het aanmaken van indrukwekkende stadsversieringen.

 

 

Wellicht de interessantste en boeiendste onder deze plechtigheden waren de Blijde Intredes van koningen en regenten, waarbij het niet louter de bedoeling was om de nieuwe vorst de bevolking van een stad te leren kennen, maar waarbij het evenzeer de bedoeling was de nieuwe koning door de rechten en voorrechten van zijn onderdanen te herinneren aan de beperkingen van zijn macht.

 

 

Om zo'n Blijde Intrede met de nodige luister te vieren werden prachtige stadsversieringen opgebouwd. Het overgrote deel van deze decoratieve monumenten was van tijdelijke aard zodat het merendeel na verloop van tijd als geheel verloren ging. Dit mag dan verklaren waarom de kunsthistoricus lange tijd achterdochtig stond tegenover de studie van deze decoratieve kunsttak waarbij archiefonderzoek noodzakelijk bleek om een nauwkeurig beeld te verkrijgen van omvang en inhoud van zulke feesten.

 

 

Dat de visueel ingestelde kunsthistoricus huiverig stond tegenover onderzoek van deze bronnen werd nog in de hand gewerkt door de gangbare visie om beredeneerde gelegenheidskunst als studieobject af te wijzen.

 

 

Deze houding is echter voorbijgestreefd, wat blijkt uit de talrijke recent verschenen publikaties over dit boeiende onderwerp. De ontwikkeling van de wetenschappelijk gefundeerde iconologie - dit is de beeldenleer - stak daarbij een handje toe, en mag dan ook deze kentering mede verklaren.

 

 

De decoratieve en monumentale bouwwerken zijn in hun geheel verloren gegaan. Men is niettegenstaande dit negatieve aspect toch goed ingelicht omtrent inhoud en vormgeving van deze tijdelijke, maar goed doordachte en uitgewerkte kunstuiting. Vooreerst zijn er allerhande archiefstukken waarbij opdrachten en rekeningen vaak interessante aanwijzingen geven.

 

 

De vooral vanuit historisch standpunt sprekende gegevens worden gelukkig voor de kunsthistoricus aangevuld door allerlei monumentale bronnen waarbij tekeningen en olieverfschetsen als voorbereiding tot de op te richten stadspoorten en erebogen een beeld geven van werkwijze en omvang van de feestdecoraties. Bewaard gebleven fragmenten van zulke erebogen vullen deze ontwerpen aan. Vermits echter door het gebruik van vlug verwerende materialen de monumentale bouwsels als dusdanig niet bewaard zijn gebleven, en men toch een herinnering wilde behouden aan de pompeuze en geld verslindende triomftochten, werden vaak memorialen in boekvorm uitgegeven. Deze zeer luxueuse en meestal met etsen en gravures rijk geïllustreerde werken beschrijven en verklaren de volgorde en inhoud van de triomftochten. Die fraaie boeken vormen thans een rijke (hulp)bron bij de studie van feestdecoraties en openen voor kunsthistoricus, bibliofiel en kunstminnaar nieuwe poorten voor een ongemeen rijke en boeiende gelegenheids- en versieringskunst.

 

 

Niettegenstaande vele van de ontwerpen en in fragmentvorm bewaarde stadsversieringen vanuit esthetisch standpunt minder aantrekkelijk zijn, vormen zij toch een eenheid die buiten hun documentaire karakter om, de moeite lonen naar voren gebracht te worden. Dat er naast deze door velen als 'historische documenten' betitelde werken vaak meesterwerken aanwezig zijn, wordt bewezen door de door Peter Paul Rubens (1577-1640) uitgevoerde olieverfschetsen voor de Blijde Intrede van de Kardinaal-Infant Ferdinand in 1635 te Antwerpen. Als toppunten in uitvoering en inhoud dragen ze een universeel karakter en reveleren op een meesterlijke manier de universaliteit der stadsversieringen. Dit verschijnsel beperkt zich inderdaad niet tot een bepaalde tijd en tot de Zuidelijke Nederlanden maar duikt verspreid over verschillende eeuwen in de gehele Westerse wereld op, waarbij de Italiaanse renaissance en de Franse praalzucht hoogtepunten vormen in de lange rij historische voorbeelden.

 

 

Een rijk gestoffeerd voorbeeld was hiervan onlangs nog te vinden in de overzichtstentoonstelling Van intocht tot uitvaart die te Rotterdam in het Museum Boymans-Van Beuningen werd gehouden. Alhoewel vooral verwijzend naar Noordnederlandse triomfalia toonde deze tentoonstelling een brede waaier aan Europese voorbeelden waarbij de etsen van Theodoor van Thulden (1606-1669) naar ontwerpen van Rubens tot het beste van de barokke stadsver-sieringskunst kon worden gerekend.

 

 

De versieringen ter gelegenheid van de Blijde Intrede van Kardinaal-Infant Ferdinand te Antwerpen in 1635 vormen inderdaad een hoogtepunt én een climax in de geschiedenis van de Blijde Intredes.

 

 

Niet alleen het feit dat P.P. Rubens met het ontwerp en de supervisie werd belast, doch ook de luxueuze en immens grootse uitvoering geven deze gebeurtenis een aparte plaats tussen de beroemde voorbeelden. Ontwerp en uitvoering van deze Blijde Intrede zijn niet uit hun historische context te lichten. Dat wordt voldoende geïllustreerd door de politieke en economische toestand van Antwerpen in de dertiger jaren der 17e eeuw.

 

 

Moe en uitgeput door de vele (godsdienst)oorlogen snakt de stad, eens de metropool van het Westen, naar vrede en economische heropbloei. Vermits de Schelde al enkele jaren gesloten is en de handel en nijverheid zienderogen achteruitgaan, neemt de economische macht van Antwerpen gestadig en steeds versnellend af. Hopend op een definitief vredesverdrag met de Noordelijke Staten om de Schelde en handel vrij te krijgen neemt de stad het initiatief om de nieuwe gouverneur van de Zuidelijke Nederlanden voor deze plannen gunstig te stemmen.

 

 

Ferdinand was immers de nieuwe gezant van de Spaanse koning Philips IV in de Zuidelijke Nederlanden en was als een begaafd en beroemd strateeg uit talrijke veldslagen naar voor getreden. Hij zou in de ogen van de Antwerpse magistratuur het politieke en economische tij kunnen doen keren ten voordele van de in de Zuidelijke Nederlanden gelegen zieltogende havenstad. Nadat vredelievende onderhandelingen met de Noordelijke Nederlanden tot geen resultaat hadden geleid, onderhandelingen waarbij P.P. Rubens een actieve rol had gespeeld, hoopte het Antwerpse stadsbestuur dat Ferdinand het pleit zou beslechten.

 

 

Om hem tot zulke plannen aan te sporen, greep het Antwerpse stadsbestuur diep uit de nochtans leeglopende stadskas om een overtuigend huldebetoon te brengen aan de Spaanse gouverneur, te meer daar deze een broer was van Philips IV. Antwerpen bezat een lange traditie op het punt van plechtige ontvangsten en Blijde Intredes. Tot viermaal toe waren er in de 16e eeuw feestelijke versieringen opgericht, nl. in 1520 bij de intrede van Karei V (waarover A. Dürer (1471-1528) ons in zijn bekende reisverhaal inlicht); in 1549 bij de luisterrijke intrede van Prins Philip (de latere Philips II); de plechtige ontvangst van Franpois van Anjou in 1582 en tenslotte de Blijde Intrede van de aartshertogen Albrecht en Isabella in 1599.

 

 

Steeds hadden beroemde kunstenaars en humanisten ontwerpen en opschriften geleverd om de Blijde Intochten te doen slagen. Zo was de bekende en op velerlei gebied beroemde voorganger van Rubens, Frans Floris (1519/20-1570) betrokken bij de voorbereidingen van de Blijde Intocht van 1549 toen Karei V en Prins Philip hun intrede deden te Antwerpen.

 

 

Fr. Floris schilderde talrijke allegorische taferelen die de erebogen en poorten versierden. De Blijde Intrede van Ferdinand in 1635 overtrof, niettegenstaande de benarde financiële toestand van de stad, de voorgaande feestvieringen in grootsheid en uitvoering. Een handig geformuleerde oplossing zorgde ervoor dat niettegenstaande de nodige vertraging de werken konden worden aangevat. Wie anders dan P.P. Rubens zou met het ontwerp en de supervisie van de werkzaamheden belast worden?

 

 

De reeds aan jicht lijdende kunstenaar stemde ondanks zijn ziekte graag toe en schreef in een brief aan Peirex, een humanist en vriend van de schilder, dat hij zich hoewel ziek, geroepen voelde om een overweldigende stadsversiering te ontwerpen. Hij zou er inderdaad in slagen zich als een talentrijk architect en onderlegd kenner van de klassieke literatuur te doen gelden.

 

 

Op 13 november 1634 verstuurde de Antwerpse magistratuur een uitnodiging aan Ferdinand die toen te Brussel verbleef - waar hij eveneens feestelijk ontvangen werd - met de vraag een dag te bepalen waarop hij feestelijk zijn intrede zou doen te Antwerpen. De Kardinaal-Infant voorzag een dag in januari 1635 zodat men genoodzaakt was vlug met de werken te beginnen. Op 28 november kwam Rubens klaar met de voorbereidende schetsen zodat de moumentale bouwwerken konden aanbesteed worden.

 

 

De wisselende militaire kansen der Spanjaarden, inzonderheid aan de Franse grens noopten er intussen toe de Blijde Intrede uit te stellen en de Kardinaal-Infant Ferdinand zag zich verplicht zijn Blijde Intrede te verdagen tot 17 april 1635.

 

 

Die dag begaf hij zich met zijn gevolg over Rupel en Schelde van Brussel naar Antwerpen en werd hij aan de Antwerpse stadswallen ter hoogte van de Sint-Jorispoort verwelkomd door burgemeester Robert Tuchner. Het uitgebreide gezelschap zette zich met het nodige ceremonieel in beweging en bereikte onmiddellijk de eerste erepoort. Het theater van de Welkomst, een 22,70 m hoge en 22 m brede boog, waarin drie schilderijen naar schetsen van Rubens het prinselijk onthaal weergaven: het middelste toonde Fer-dinand verwelkomd door de allegorische figuur van de stad Antwerpen, terwijl het linkerschilderij een episode uit Ferdinands tocht naar de Nederlanden verhaalde nl. de zeereis tussen Barcelona en Genua: Neptunus bedaart de golven zodat de prinselijke armada veilig naar Italië kan oversteken. Het rechterdoek toonde de ontmoeting van de Kardinaal-Infant met Ferdinand van Hongarije voor het slagveld te Nördlingen. Hier versloegen beide Habsburgse legers op 6 september 1634 een Zweeds-Franse coalitie en bedwongen aldus gewapenderhand de voornaamste belagers van het Habsburgse Rijk. Hierop zette de Kardinaal-Infant Ferdinand als nieuw aangesteld gouverneur der Zuidelijke Nederlanden, zijn reis naar zijn standplaats verder.

 

 

Ter hoogte van het Maagdenhuis passeerde men De boog van de Portugezen, opgericht door de natie der Portugese handelaars, die als enige handelaarsvereniging was ingegaan op de uitnodiging van het stadsbestuur om te delen in de kosten en de opbouw van de versiering. Dat facet illustreert het economische verval van een stad, die eens zo rijk was aan kapitaalkrachtige koopmans- en bankiersverenigingen. De klassieke Ere-boog der Portugezen werd ontworpen door Ludovicus Nunez, een Portugees humanist en vriend van Rubens.

 

 

Langs de feestelijk bevlagde Huidevettersstraat bereikte men nabij het kruispunt met de Meir één van de voornaamste erebogen, nl. De ereboog van Philips. Om de herinnering aan Philips de Schone en de hereniging van het huis der Oostenrijkers met het Bourgondische huis op te roepen, gaf deze met beeldhouwwerk en schilderijen rijk versierde boog belangrijke momenten weer uit de geschiedenis der Habsburgers. De vorm van de boog geleek op een barokke kerkgevel terwijl de talrijke beelden verwezen naar voorbeelden uit de klassieke oudheid. Het dragende onderstel was opgebouwd uit zware pilasters met driekwartzuilen voor, terwijl het overvloedig versierde bovenstel zeer decoratief aandeed. Bovenaan versierden schilderijen het geheel: aan de voorzijde werd het huwelijk van Maximiliaan van Oostenrijk en Margaretha van Bourgondië afgebeeld, achteraan het huwelijk van Philips de Schone en Johanna van Castilië.

 

 

Boven en aan beide zijden van de doorgang waren zowel op voor- als achterzijde vorstenportretten aangebracht: twee ervan worden thans nog bewaard in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel, nl. De portretten van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Beide bevonden zich boven de doorgang aan de achterzijde van de boog. De hierbij getoonde kleurenafbeelding stelt aartshertogin Isabella voor terwijl ze, gekleed in een prachtig zwart staatsiegewaad vanachter een balustrade de menigte (die bij iedere ereboog of triomfpoort halt hield) toekijkt.

 

 

Volgens sommige auteurs is het portret volledig van Rubens' hand, terwijl anderen het, terecht, op naam van Cornelis de Vos (15847-1651) brengen.

 

 

Het was immers zo, dat Rubens de ganse optocht bedacht en de uitwerking en opbouw leidde. De tekst van G. Gevartius in het boek Pompa Introïtus Ferdinandi bevestigt dit: 'Is (Rubens) ille est, qui Pompae universae Architectonicen designaverat, Iconumque ac tabularum a se inventarum prototypa solerter expresserat, quae ab aliis deinde Pictoribus justa magnitudine repraesentata sunt'. (Rubens heeft de plechtige optocht volledig ontworpen en uitgetekend; ook de beelden en schilderijen zijn door hem gecreëerd en daarna door andere kunstenaars op ware grootte uitgevoerd.)

 

 

Met de door hem uitgevoerde olieverfschetsen kon hij het stadsbestuur een eerste beeld voorleggen. Deze schetsen boden tevens de mogelijkheid om bij de vervaardiging van de schilderijen en beelden op ware grootte, de werkzaamheden op een vlotte manier te superviseren. De kunstenaars waaraan deze werken werden toevertrouwd konden aan de hand van de schetsen hun schilderijen op ware grootte vervaardigen. Ter hoogte van het kruispunt van de Lange Klarenstraat en de Meir werd er over de laatste straat een zeer brede, halfronde poort gebouwd, De keizerspoort.

 

 

De zeer monumentale portiek, een halfronde arcade - met in het midden een doorgang versierd met een obelisk en de kolommen van Hercules -werd aan beide uiteinden bekroond door kleinere doorgangen die op hun beurt door twee monumentale beelden werden afgesloten. De middendoorgang was met beide uiteinden verbonden door een reeks kleinere bogen waaronder een hele serie stenen vorstenbeelden stonden. Een fries versierd met cartouches met de vermelding van de namen van de keizers, liep boven de bogen door en verduidelijkte de reeks van keizers- en vorstenbeelden. Een balustrade, ritmisch versierd met kandelabers, bekroonde het geheel, terwijl symbolische en allegorische figuren, vaandels en wimpels het geheel verlevendigden. Talrijke bewaard gebleven olieverfschetsen tonen de ontwerpen van Rubens voor de konings- en keizersbeelden die door de beste beeldhouwers uit de tijd in Avesnes-steen werden vervaardigd.

 

 

De hierbij getoonde ets van De keizerspoort komt uit het boek Pompa Introïtus Ferdinandi Austriaci Hispaniarum Infantis... dat als blijvende herinnering aan de Blijde Intrede door het Antwerpse stadsbestuur uitgegeven werd en in 1642 verscheen bij Jan van Meurs. Als kenner van de Latijnse taal beschreef en verklaarde stadssecretaris Gaspar Gevartius de ganse Blijde Intrede. Als één van de initiatiefnemers had hij reeds de Latijnse verzen aangebracht op de erepoorten en erebogen en was hij uiteraard de aangewezen man om nadien het ganse vertoon tot in de kleinste details te beschrijven.

 

 

De schilder en graveur Theodoor van Thulden etste de talrijke versieringen en bracht nauwgezet het geheel in beeld, zoals dit voorbeeld van De keizerspoort bewijst. Naast de etsen van de versieringen van de Blijde Intrede werd de Pompa Introïtus die trouwens na de dood van de Kardinaal-Infant Ferdinand in 1641, verscheen in 1642, ook verlucht met de ets van De zegewagen van Calloo, waarvan het model eveneens door P.P. Rubens ontworpen werd.

 

 

Deze schets wordt thans bewaard in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. De wagen werd gebouwd om in de Ommegang van 1638 de roemrijke overwinning van Ferdinand op de Fransen in 1638 nabij Kallo te herdenken. Uit piëteit tegenover de overleden gouverneur werd de zegewagen door Th. van Thulden in prent gebracht en opgenomen in de uitgave van de Pompa Introïtus Ferdinandi.

 

 

Nadat de ganse optocht de Keizerspoort gepasseerd was, vervolgde de weg langs de Klarenstraat, Lange Nieuwstraat waar zich Het theater van Isabella bevond. De eerder sobere, gevelachtige constructie, versierd met zuilen en kandelaars, riep de herinnering op aan Infante Isabella, eens aartshertogin en landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden. Het schilderij dat het fronton van deze boog versierde, is als geheel verloren. Zoals de ets van Theodoor van Thulden weergeeft werd Isabella op een allegorische manier afgebeeld terwijl ze aanwezig is bij de plechtigheid waarop Philips IV, Ferdinand als nieuwe landvoogd der Zuidelijke Nederlanden aanwijst. Een fragment van dit door G. Seghers (1591-1651) naar een schets van P.P. Rubens uitgevoerde schilderij wordt bewaard in het Rubenshuis te Antwerpen en geeft Philips IV weer die de Kardinaal-Infant Ferdinand tot gouverneur der Zuidelijke Nederlanden aanstelt. Minerva en Jupiter op de achtergrond kijken nauwlettend toe.

 

 

De volgende halte was De ereboog van Ferdinand. Overvloedig versierd met allerhande schilderijen en portretten, beeldhouwwerken, reliëfs en teksten werd de boog bekroond door een paardenvierspan. Het grote schilderij op de voorzijde gaf een beroemde episode weer uit het leven van de Kardinaal-Infant, nl. de slag bij Nördlingen, waar hij samen met Ferdinand van Oostenrijk de Zweden en Fransen versloeg. Het schilderij aan de achterzijde verbeeldde Ferdinands triomfantelijke intocht als een Romeins veldheer. Met deze vleiende voorstellingen hoopten de Antwerpenaars Ferdinand te kunnen bewegen om de strijd aan te binden met de Hollanders en zodoende de handel vrij te krijgen.

 

 

Op de Melkmarkt bevond zich De tempel van Janus. Hoéwei de titel de Romeinse geschiedenis oproept, gaf Rubens een barok koepelgebouw weer waarvan de strenge architectonische lijnen verlevendigd werden door allerhande figuren die tussen kolommen en zuilen wegvluchten.

 

 

Langs de Grote Markt waar De stamboom van het huis van Oostenrijk opgesteld stond, kwam het gezelschap aan de kathedraal - waar een Te Deum werd gezongen - om langs de Hoogstraat de Sint-Jansbrug te bereiken waar Het theater van Mercurius op een allegorische wijze het verval van Antwerpen als handelscentrum weergaf. Verderop in de Kloosterstraat stond De triomfboog van de Munt, waarvan de ontwerpen van voor- en achterzijde door Rubens uitgevoerd, zich thans in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen bevinden. Beide schetsen tonen ons Rubens als een uiterst bedreven en vlot penselend kunstenaar, en als een eminent kenner van de antieke mythologie.

 

 

In de vorige ontwerpen waren de erebogen nog opgebouwd rond klassieke thema's, herinnerend aan erebogen uit de oudheid en werden de architectonische principes zeer nauwkeurig gevolgd. Met De triomfboog van de Munt ontwierp Rubens een massieve rotsmassa waarin doorgangen worden uitgespaard.

 

 

Aan de hand van Gevartius' Latijnse tekst in de Pompa Introïtus kan men, niettegenstaande er verschillen zijn tussen ontwerp (de schets) en de uitvoering (ets van Th. van Thulden), de ingewikkelde beeldspraak van deze boog begrijpen. De voorzijde geeft de zilverhoudende Potosiberg in Peru weer. In het midden, boven de doorgang, de Munt gesymboliseerd door een vrouw met slangenstaf, weegschaal en beurs, en hoorn des overvloeds.

 

 

Aan haar rechter- en linkerzijde geldstukken en Herculeszuilen bewaakt door leeuwen. Boven op de berg doodt Hercules de draak en plukt Spanje, gepersonifieerd door een vrouw, de vruchten van de boom met gulden appelen. Aan haar voeten een konijn, symbool van goud- en zilvermijnen.

 

 

Naast de doorgang, geflankeerd door zuilen bekroond met Hermeskoppen, de Perurivier (links), uit de streek waar het goud werd gevonden, en de Rio de la Plata, uit de streek waar het zilver werd gehaald (rechts). Op de achterzijde wordt boven de doorgang Vulcanus in zijn smidse weergegeven. Hij zit schrijlings op het aanbeeld waarop hij Jupiters gouden bliksem smeedt. Links twee mijnwerkers die goud en zilver delven, rechts twee mannen die de delfstoffen ophalen. Boven Vulcanus een geldstuk waarop drie vrouwen zijn afgebeeld, symbolen van goud, zilver en koper. Boven op de berg rooft Jason het Gulden Vlies, vastgemaakt aan een boom en bewaakt door een draak. Tegenover Jason de Welvaart, gesymboliseerd door een vrouw met een schip in de ene hand, terwijl ze met de andere haar sluier opheft om er, als een zeil, wind mee te vangen. Op de flanken van de berg, achter ieder personage, een aap. Naast de middendoorgang, twee riviergoden, steunend op hun urn; links boven de boog van de opening, de Condorillus met een cornu copiae, rechts in een nis, de Maragnon.

 

 

De ingewikkelde iconografische en symbolische inhoud van deze voorstelling van de Goudberg en het mijnwezen werd op de erepoorten zelf verduidelijkt door de Latijnse opschriften van Gevartius, zodat de betekenis voor iedere geleerde toeschouwer duidelijk was.

 

 

De magistrale ontwerpen van Rubens waarbij naast de rijke inhoud en thematische vernieuwing, de vlotte uitvoering en soepele en rake schilderwijze opvallen, werden in opdracht van de Antwerpse Munt, bouwheer van deze erepoort, ontworpen. Als laatste triomfboog sloot De erepoort van St.-Michiels de feestelijke rij af. Deze klassiek van vorm opgebouwde en sobere erepoort stond in de buurt van de thans verdwenen Sint-Michiels-abdij waar de Blijde Intrede-optocht werd ontbonden. Antwerpen had hiermede zijn nieuwe gouverneur plechtig ontvangen en verwachtte een spoedige verbetering in de economische toestand. Deze kentering zou nog op zich laten wachten want de stad zou pas vrede kennen met het Verdrag van Munster in 1648.

 

 

De grootsheid van opvatting en de monumentaliteit van uitwerking van de Antwerpse Blijde Intrede-optocht hebben steeds grote indruk gemaakt op tijdgenoten en kunstenaars. Toen de Kardinaal-Infant Ferdinand enkele maanden voordien, in januari 1635, zijn Blijde Intrede hield te Gent, toonden de stadsversieringen aldaar een grote gelijkenis met wat Antwerpen te bewonderen gaf. Niet alleen het feit dat naast typisch Gentse schilders als Nicolaas Roose (1600-1646), Anselmus van Hulle (1601-na 1674) ook Gaspar de Crayer (1584-1669) en Cornelis Schut (1547-1655) meewerkten aan de uitvoering der bouw- en schilderwerken, kan de overeenstemming met de Antwerpse voorbeelden verklaren; doch ook de alles overheersende artistieke invloed van Rubens zelf bepaalde de aard en stijl van de kunstwerken. Dat een schilder als Cornelis Schut quasi gelijktijdig zijn medewerking verleende aan zowel de versiering te Antwerpen als te Gent, werkte uiteraard de stilistische raakpunten tussen beide versieringen in de hand.

 

 

En evenals te Antwerpen een hulde- en gedenkboek werd uitgegeven, stond ook Gent erop een blijvende herinnering aan de Blijde Intrede van de Kardinaal-Infant te bewaren. Alhoewel er van de schilderijen uit de triomfpoorten te Gent veel meer is bewaard gebleven dan te Antwerpen, waar buiten de schetsen van P.P. Rubens en enkele in fragmentvorm overgeleverde schilderstukken niet veel meer bewaard is, kreeg de begaafde classicus en theoloog, de jezuïet Willem van der Beken of Guillelmus Becanus opdracht deze uitgave te verzorgen.

 

 

Het boek verscheen te Antwerpen bij Moretus in 1636 onder de titel Serenissimi Principis Ferdinandi Hispaniarum S.R.E. Cardinalis Triumphalis Introïtus in Flandriae Metropolim Gandavum en Becanus beschrijft hierin de ganse optocht, waarbij de versieringen op de Gentse Vrijdagmarkt het meest merkwaardige en in het oog springende deel uitmaakten.

 

 

Hier bevonden zich namelijk twee triomfbogen, de Arcus Ferdinandi, nabij de Kammenstraat, en de Arcus Caroli aan de overzijde van de Vrijdagmarkt. De voorzijde van de Arcus Ferdinandi toonde vijf grote schilderijen, waarin de reis van Ferdinand naar de Zuidelijke Nederlanden werd voorgesteld. Met nadruk werd hierbij gewezen op de moeilijkheden die hij daarbij diende te overwinnen, nl. de zee en de Alpen en de vijandige legers. Het opschrift bovenaan, Serenissimo Ferdinando Hispaniarum infanti felici, forti, invicto, pio, per mare, per Alpes, per hostes advenienti Gandavum (Aan de doorluchtige Infant van Spanje Ferdinand, de gelukkige, dappere, onoverwonnene, godvruchtige, die over zee, over de Alpen en trots de vijanden naar Gent is gekomen) verduidelijkte dit en droeg tegelijk deze boog op aan Ferdinand.

 

 

Het hierbij getoonde schilderij van Cornelis Schut stelt de reis van de Kardinaal-Infant over zee naar Genua voor. In 1631 benoemd tot nieuwe landvoogd der Zuidelijke Nederlanden, begaf Ferdinand zich pas in april 1632 op weg naar zijn nieuwe standplaats. Vanuit Barcelona zeilde hij naar Genua om zijn tocht over land (met o.a. de overtocht van de Alpen!) verder te zetten.

 

 

Dit schilderij geeft een scène weer uit deze zeereis en stelt Ferdinand voor, staande op de achterplecht van een galei, die door roeiers wordt voortbewogen. Hij kijkt vol vertrouwen voor zich uit, terwijl naast hem een man staat met een bevelhebbersstaf in de hand. Aan de hand van een prent van Paulus Pontius naar Antoon van Dyck kan deze man geïdentificeerd worden als Diego Messia Felipe de Guzman, markies van Leganes. Hier is echter een vergissing gemaakt, vermits de markies van Leganes ten tijde van Ferdinands zeereis naar Genua nog geen deel uitmaakte van diens gevolg. Het vloothoofd dat de gouverneur tijdens diens zeereis vergezelde was in werkelijkheid de markies van Villafranca.

 

 

Vergeleken met een zelfde tafereel in Rubens' Theater van de Welkomst geeft het Gentse schilderij de personages weer op een statische en ietwat naïeve manier. Het brengt op een eenvoudige, verhalende toon de bewogen zeereis in beeld, maar mist de dynamische kracht van het Antwerpse werk.

 

 

De Arcus Ferdinandi gaf, zoals reeds gezegd, scènes weer uit het leven van Ferdinand. De op de voorzijde aangebrachte taferelen werden op de achterzijde van de boog gecompleteerd door parallelle voorbeelden uit de klassieke oudheid.

 

 

De Arcus Caroli daarentegen toonde scènes uit het leven van Ferdinands beroemde en te Gent geboren voorvader, Karei V of keizer Karei. Zoals de Arcus Ferdinandi gaf de Arcus Caroli, die groter en hoger was dan de vorige, op de voorzijde roemrijke verhalen weer uit het leven van Karei V, terwijl historische voorbeelden uit de oudheid op de achterzijde van de boog deze levendige voorstellingen op een merkwaardige wijze aanvulden.

 

 

Taferelen die het begin en einde van keizer Kareis regering voorstelden versierden de wanden van de doorgang in deze ereboog. Karei V tot keizer gekroond beeldt de ceremonie uit waarop Karei V door paus Clemens VII op 24 februari 1530 in de San Petroniokerk te Bologna tot keizer wordt gekroond. Clemens VII, bijgestaan door drie kardinalen kroont Karei V die neerknielt op een bidbank en boven zijn harnas een rijk versierde koorkap draagt, alsmede een gewijd zwaard. Een edelman draagt op een fluwelen kussen de gouden rijksappel en scepter, waardigheidssymbolen van het keizerschap en rechts knielt een tweede edelman die de baret en de ketting van de Orde van het Gulden Vlies op een kussen aanbrengt. Het vers onder het schilderij luidde Perpetuo terris imperet illa domus (Moge dit huis voor eeuwig over de wereld heersen) en sprak als een gewijzigde versie van Ovidius' vers Perpetuo terras ut domus illa regat (Dat dit huis voor eeuwig over de wereld regere) (Ovidius, Tristia, IV, 2, 10) de hoop uit op een voorspoedig koningschap.

 

 

Karel V was zeer geliefd bij de Gentenaars, wat blijkt uit de ereplaats die de Arcus Caroli innam bij de intocht van de Kardinaal-Infant. Als geducht maar te Gent geboren heerser, werd hij in zijn geboortestad vaak weergegeven in allerlei historische en allegorische taferelen. Een voorstelling, De geboorte van Karel V uit het Museum van de Bijloke te Gent werd door Lucas de Heere (1534-1584) in 1559 geschilderd voor de feestversieringen ter gelegenheid van het 23e kapittel van het Gulden Vlies te Gent. Deze allegorische voorstelling van de geboorte van Karel V toont de kleine prins omgeven door allerlei figuren die met attributen als de keizerskroon en de scepter zijn latere heerschappij aankondigen. De drie lotsvrouwen aan het voeteinde van het bed spinnen, bepalen de lengte en knippen de levensdraad door. Ze stellen op een allegorische wijze een mensenleven voor en symboliseren aldus geboorte, levensloop en dood. Links toont een doorkijk op een stadsdeel van Gent, het Prinsenhof, waar keizer Karel geboren werd.

 

 

De Latijnse opschriften verduidelijkten de inhoud van dit werk, dat bij de Intrede van Albrecht en Isabella in 1600 te Gent opnieuw ingeschakeld werd in de stadsversiering.

 

 

Zo dikwijls de Gentenaars er prat op gingen dat een keizer van een wereldrijk in hun stad geboren was, zo dikwijls beeldden ze hun beroemde stadsgenoot af. Bij de Blijde Intrede van Ferdinand nam de Arcus Caroli een ereplaats in en hoopte men door keizer Karels voorspoedige regering in beeld te brengen, Ferdinand tot gelijke daden aan te sporen. Het was tevens een uiting van de uitbundige vreugde der Gentenaars bij de begroeting van de nieuwe gouverneur.

 

 

Rubens' hernieuwende invloed op het ontwerpen van stadsversieringen is niet beperkt gebleven tot zijn eigen tijd. Zijn voorbeeld zou lange tijd nagevolgd worden en model staan bij allerlei feestversieringen. Erasmus Quellin (1607-1678) die onder Rubens' leiding had meegewerkt aan de versieringen van de Blijde Intrede in 1635, ontwierp in 1648 bij de Blijde Intrede van Leopold Wilhelm, de nieuwe landvoogd in de Zuidelijke Nederlanden, te Antwerpen een hele reeks versieringen die in vorm en stijl teruggaan op Rubens' beroemde schetsen. Twee tekeningen in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen geven één van de erebogen uit die stadsversiering weer. Als een ontwerp voor de voor- en achterzijde van de Arcus Germanicus stellen ze een monumentale erepoort voor. Versierd met beeldhouwwerk, architecturale elementen en schilderijen bracht deze vrij gesloten triomfboog hoogtepunten uit de strijd van Leopold Wilhelm in Saksen en Bohemen in beeld. Het centrale schilderij aan de voorzijde van de boog toonde Leopold Wilhelm op het slagveld te Saalfeld waar hij in 1640 het Zweedse leger van maarschalk Banier versloeg. Links worden de buitenlandse belagers van Oostenrijk, dat bovenaan gepersonifieerd wordt door Austria, weergegeven door een vrouw die zichzelf kroont en een brandende toorts in de hand houdt. Als Ambitio Externa is ze het symbool voor de vijandige mogendheden. De figuur rechts van het schilderij stelt Heresia of de ketterij voor, bedwongen door Ecclesia of de kerk. Het onderschrift Bohemia recepta verwijst naar Leopold Wilhelms strijd om Bohemen te vrijwaren van het protestantisme en te behouden voor de Habsburgse kroon.

 

 

De boog wordt bekroond door de figuur van Austria waarvan het onderschrift Unam omnia contra (Eén tegen allen) een allusie maakt op de politieke toestand der Habsburgers in het begin der veertiger jaren van de 17e eeuw, toen Oostenrijk door allerlei vreemde mogendheden werd belaagd. Austria wordt verdedigd door Providentia Divini, de Goddelijke Voorzienigheid en Timor Domini, Vrees Gods.

 

 

Vorm en stijl van deze zeer schetsmatige tekening herinneren zo sterk aan Rubens, dat men tot vóór kort meende dat het eigenhandige ontwerpen van deze meester waren. Recent onderzoek bracht de tekeningen op naam van Erasmus Quellin die als officieel schilder in dienst van de stad Antwerpen instond voor de versieringen bij Blijde Inkomsten. De tekentechniek verraadt een losse hand, terwijl de summiere aanduiding der personages nadere aanvulling vereist van bijschriften.

 

 

Vele schrijvers hebben reeds gewezen op de invloed van Rubens op de Vlaamse schilderkunst. De Prins der Vlaamse schilders drukt niet alleen zijn stempel op de kunst der 17e eeuw, zijn invloed blijft nawerken op een duidelijke wijze tot in de 19e eeuw. Een meestal vergeten aspect brengt hem naar voor als het lichtende voorbeeld voor kunstenaars bij het ontwerpen van erepoorten en triomfbogen.

 

 

De talrijke stadsversieringen opgericht ter gelegenheid van Rubensfeesten getuigen op een overtuigende wijze van deze invloed. Het lag immers voor de hand dat de ontwerpen van Rubens bij diens herdenkingen zouden gebruikt worden als model voor op te richten stadsversieringen. De talrijk bewaard gebleven, getekende ontwerpen van P.A. Verlinden, J.B. de Cuyper, F. Brakeleer en Van Bree wijzen P.P. Rubens als creatief voorbeeld aan. Tussen deze kunstenaars neemt H. Leys (1815-1869) een aparte plaats in. Zijn Ontwerp voor een triomfboog ter gelegenheid van de Rubensfeesten te Antwerpen in 1840 verraadt latente invloed van Rubens.

 

 

De massieve erepoort, waarvan een aan de olieverfschets voorafgaande tekening bewaard wordt in het Antwerpse Stadsarchief wordt versierd door beeldhouwwerk en drie schilderijen met taferelen uit de Antwerpse geschiedenis. De drie schilderijen geven de verovering weer van Antwerpen door de Fransen en tonen onder andere de bestorming van de citadel. H. Leys' werk verwijst echter niet alleen inhoudelijk en stilistisch naar de 17e-eeuwse ontwerpen, ook diens techniek roept Rubens' werkwijze op. Vertrekkende van een eerste getekende voorstudie, maakt hij vervolgens een olieverfschets die als model gebruikt wordt bij het optrekken van de erebogen. Deze bouwwerken overweldigden de toeschouwers en spoorden hen aan tot bewonderend opkijken naar P.P. Rubens. Het was een tijd waarin de Groenplaats een Rubensstandbeeld kreeg, een getrouwe kopie van de Zegewagen van Calloo door de Antwerpse straten trok en Rubens een strijdend voorbeeld werd genoemd in de opkomende Vlaamse Beweging.

 

 

Een tijd erg verschillend van de onze. Verwondert het dan dat er thans, honderd jaar later, geen erebogen meer worden opgetrokken? Rubensfilms op televisie en in de cinema, rijk geïllustreerde boeken en tijdschriften brengen het werk van de geniale kunstenaar op een directe wijze bij de kunstliefhebber, terwijl de hedendaagse economische regressie geldop-slorpende stadsversieringen als oudmodisch afwimpelt. Misschien terecht, want ook herdenkingen en stadsversieringen evolueren op een merkwaardige manier.