U bent hier

Scherpenheuvel

Scherpenheuvel
WEES GEGROET MARIA

 


Inhoud

  • Inleiding
  • Het Jeruzalem van de Lage Landen
  1. Het begon met een beeld aan een eik
  2. Vorstelijk heiligdom van Albrecht en Isabella
  3. Bolwerk van de strijdende kerk
  4. Mariale devotie en symboliek
  5. Tabernakel van het Nieuwe Verbond
  6. Liefde gaf U duizend namen
  • De eik van Scherpenheuvel
  • Impressies van een Ziekenzorgbedevaart
  • De duivel op de vlucht
  • Theodor van Loon en de Mariacyclus van Scherpenheuvel
  • Ex voto's
  • Kaarskensprocessie anno 2004
  • Wees gegroet, Maria
  • De tocht naar Scherpenheuvel

 

Inleiding

 

Scherpenheuvel kan bogen op vier eeuwen nationale Mariaverering. Over het precieze beginpunt lopen de meningen uiteen. 1603 is een optie omdat dan de verhalen over wonderbaarlijke gebeurtenissen op de Scherpenheuvel een landelijke weerklank krijgen. Het is ook in dat jaar dat de aartshertogen Albrecht en Isabella het oord in bescherming nemen en er hun eerste pelgrimstocht naar ondernemen. De voorkeur kan gaan naar 1607, wanneer de aartshertogen bekendmaken dat ze een volwaardig bedevaartsoord willen uitbouwen op de Scherpenheuvel. 1609 komt eveneens in aanmerking omdat dan de eerste steenlegging van de nieuwe bedevaartkerk plaatsvindt.

 

In de loop van die vierhonderd jaar is er veel over Scherpenheuvel en de bedevaart naar het Mariaschrijn geschreven. De oudste traktaten zijn apologetisch en brengen het relaas van de vele mirakelen die aan de tussenkomst van de Madonna van de Eik worden toegeschreven. Ze weerleggen de protestantse kritiek op het mirakelgeloof en de bedevaartpraktijk. In de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw verschijnen werken die de historische oorsprong van Scherpenheuvel schetsen of een overzicht geven van de kunstwerken en waardevolle votiefgaven die pelgrims aan de basiliek geschonken hebben.

 

Na een wat stille postconciliaire periode is de belangstelling voor Scherpenheuvel de laatste jaren sterk opgeleefd. De kunstgeschiedenis heeft de herwaardering ingezet. Als koepelkerk is de bedevaartkerk van Scherpenheuvel zonder voorgaande in de Habsburgse Nederlanden. Als totaalkunstwerk dat grotendeels intact bewaard gebleven is, kunnen er maar weinig sites uit de zeventiende eeuw mee wedijveren. Recent zijn er ook vernieuwende interpretaties van het iconografisch programma geformuleerd, heeft het historisch bronnenonderzoek nieuwe gegevens opgeleverd en bracht een doordachte lezing van de devotieliteratuur fundamentele elementen aan het licht. Samen tekenen ze een beeld dat Scherpenheuvel zijn verdiende plaats geeft in de grote religieuze, politieke en culturele bewegingen van het zeventiende-eeuwse Europa.

 

Dit rijke beeld van het Jeruzalem van de Lage Landen vormt het eerste deel van deze aflevering. Daarna volgt een bijdrage over de kunstenaar die in de altaarstukken van de basiliek het leven van Onze-Lieve-Vrouw in beeld bracht: Theodor van Loon, een schilder die meer aandacht verdient. Een laatste hoofdstuk focust op de hedendaagse volksdevotie en wandelt door de geschiedenis van de processies.

 


 

HET JERUZALEM VAN DE LAGE LANDEN

 

 

Het begon met een beeld aan een eik

 

Vanaf het midden van de zestiende eeuw pelgrimeren de inwoners van Zichem naar de Scherpenheuvel, drie kilometer buiten de stad. Bovenop de berg staat een oude eik waaraan een Mariabeeld hangt dat vooral wordt aanbeden om genezing van koortsen af te smeken. In die periode maakt Zichem deel uit van de baronie Diest, een leen dat eigendom is van Willem de Zwijger, prins van Oranje en leider van de Opstand. Dat komt het stadje duur te staan. Farnese neemt Zichem in 1578 in en laat het over aan de plunderzucht van zijn soldaten. De Staatsen heroveren Zichem in 1580 maar moeten het drie jaar later weer prijsgeven. Hun kortstondig bewind is fanatiek. Alle uitingen van katholicisme worden onderdrukt en ook het beeldje in de eik moet eraan geloven. Het herstel van het Habsburgse gezag in 1583 doet de rust niet weerkeren. Rondtrekkende legers maken de streek nog lang onveilig. Het duurt tot 1587 vooraleer een nieuwe Madonna in de eik geplaatst wordt.

 

Het beeld wordt het voorwerp van een snel aanzwellende devotie. Het Spaanse leger speelt hierbij een belangrijke rol. Soldaten uit de garnizoenen van Zichem en Diest, gewond en besmet met allerhande ziekten, volgen het voorbeeld van de lokale bevolking en trekken op bedevaart naar de Scherpenheuvel. Weldra doen verhalen over wonderbaarlijke genezingen de ronde. De roem van Scherpenheuvel verspreidt zich vroeg in Lotharingen en de Franche-Comté, twee gewesten langs de route die het leger van en naar Spanje volgt. Al in 1607 wordt in Noord-Spanje een altaar ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel opgericht.

 

Op initiatief van de Zichemse pastoor van Thienwinckel trekt men in 1602 een klein houten kapelletje op als onderkomen voor het Madonnabeeld. Al snel blijkt dat te klein. Het aantal bedevaarders blijft toenemen. Op het feest van Maria-Geboorte in 1603 zouden twintigduizend pelgrims op de heuvel samendrommen. De tijden zijn er ook naar. De pest waart door het land. Om het einde van de epidemie af te smeken, offert het Brusselse stadsbestuur een verguld zilveren kroontje aan het genadebeeld, de Antwerpenaren bieden twee zilveren kandelaars aan. Hun gift prijkt nog altijd op het hoogaltaar.

 

Nog in 1603 maken de aartshertogen Albrecht en Isabella voor het eerst hun opwachting in Scherpenheuvel. Ze wonen er de mis bij en bieden geschenken aan, onder meer een kleedje voor het Madonnabeeld waarvan men vertelt dat Isabella het voor een deel zelf heeft geborduurd. Vanaf 1603 raakt de groeiende schare bedevaarders niet uitverteld over wat ze op de Scherpenheuvel hebben gezien en gehoord. Blinden kunnen weer zien, kreupelen en lammen lopen. De Madonna zou bloed hebben geweend. De pelgrimsnijverheid heeft het oord ontdekt. De eerste prentjes en vaantjes duiken op. De kerkelijke overheid moet zich uitspreken over deze nieuwe devotie. De aartsbisschop van Mechelen gelast Joannes Miraeus, bisschop van Antwerpen, met een onderzoek. Die gaat ter plaatse een kijkje nemen en neemt meteen een besluit. De eik is aangetast door souvenirjagers en brengt de pelgrims in gevaar. Hij moet weg. De bedoeling is duidelijk. De kerkelijke hiërarchie zit verveeld met het bijgelovige gedoe rond de eik. In haar ogen is het alleen maar koren op de molen voor aanvallen vanuit het protestantse kamp. Door boom en beeld te scheiden, wil ze de verering op de Heilige Maagd toespitsen. De eik wordt in drie stukken gehakt. Het mooiste is voor de aartshertogen, de twee overige blijven onder de hoede van de pastoor van Zichem.

 

Rest het onderzoek naar de mirakelverhalen. Dat wordt toevertrouwd aan Filips Numan, stadsgriffier van Brussel die enige devotionele geschriften op zijn naam heeft. In 1604 kan de aartsbisschop zijn onvoorwaardelijk gunstig verslag goedkeuren. Datzelfde jaar publiceert Numan zijn bevindingen in Historie vande miraculen die onlancx in grooten getale ghebeurt zyn door de intercessie ende voorbidden van die Heylighe Maget Maria op een plaetse genoemt Scherpenheuvel bij die stadt Sichem in Brabant. Er verschijnen meteen ook een Franse en een Spaanse vertaling. Niemand minder dan Justus Lipsius zorgt voor de Latijnse lofzang van de Madonna van Scherpenheuvel. Zijn Diva Sichemiensis sive Aspricollis komt in 1605 bij Jan I Moretus van de pers. Het valt op hoe sterk Albrecht en Isabella bij dit alles betrokken zijn. De Spaanse editie van Numans boek en dat van Lipsius zijn opgedragen aan de infante. Het is evenmin toeval dat hofdrukkers de uitgave van de werken van Numan voor hun rekening nemen. Niet alleen de faam van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel is aan de orde. Ook de reputatie van de aartshertogen is in het geding.

 

Het succes van de publicaties is groot. In 1606 is de Nederlandse versie aan de derde uitgave toe, de Spaanse aan de tweede en er komt een Engelse vertaling. In 1613-14 verzorgt Numan een eerste aanvulling mirakelen, in 1617 verschijnen nog twee toevoegingen. Al deze boeken verspreiden de roem van het Mariaoord. Ondertussen ondergaat de Scherpenheuvel een transformatie. In de loop van 1603 verandert het decor snel. Naast de plek waar de eik heeft gestaan, bouwt men een stenen kapel. De kleine houten kapel wordt afgebroken. Aan het begin van het volgende jaar draagt de eerste kapelaan van het heiligdom het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel in een processie naar het voltooide bouwwerk.

 

 

Vorstelijk heiligdom van Albrecht en Isabella

 

Belangrijk voor de verdere geschiedenis van Scherpenheuvel is de komst van Albrecht en Isabella naar onze gewesten. Op 6 mei 1598 tekent Filips II de Akte van Afstand en schenkt de Nederlanden aan zijn oudste dochter, de infante Isabella. De Akte bepaalt dat ze zal huwen met haar neef, aartshertog Albrecht van Oostenrijk, dat ze trouw moeten blijven aan het katholicisme en dat ze moeten streven naar de hereniging van de Nederlanden. Van meet af aan zoeken Albrecht en Isabella naar een vergelijk met de opstandelingen, maar in de zomer van 1600 onderneemt het Staatse leger een krijgstocht in Vlaanderen. In dit conflict speelt het beleg van Oostende een cruciale rol. Belegeraars en belegerden pompen astronomische bedragen in de onderneming. De Republiek wil de impasse doorbreken. Graaf Maurits van Nassau begint aan de belegering van 's-Hertogenbosch. Den Haag heeft er het volste vertrouwen in. Ofwel verlaat het Spaanse leger zijn stellingen rond Oostende en snelt het Den Bosch ter hulp. Ofwel blijft het ter plaats en valt de Brabantse vesting in handen van de Staten. De aartshertogen vrezen het ergste. De bevelhebber van Den Bosch heeft nauwelijks manschappen en munitie om aan een beleg het hoofd te bieden. Ondanks alles kan men de stad houden zonder de wurggreep om Oostende te lossen.

 

De aartshertogen zien in die onverhoopte uitkomst de hand van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Ze schrijven hun succes toe aan de financiële steun die ze eerder in 1603 aan het bedevaartsoord hebben gegeven voor de bouw van de stenen kapel. Later dat jaar brengen Albrecht en Isabella een eerste bezoek aan Scherpenheuvel. Wanneer Numan begin 1604 zijn onderzoeksverslag inlevert, bevat het ook de aan de Maagd van Scherpenheuvel toegeschreven redding van 's-Hertogenbosch. Enkele maanden later wordt Oostende na een beleg van drie jaar ingenomen door de zuidelijke troepen. Dit is het beslissende keerpunt in de oorlog met het Noorden. Ook die overwinning wordt toegeschreven aan de Madonna van Scherpenheuvel. Uiteraard krijgt de cultus een enorme stimulans door dat krachtige, door 's lands heersers afgesmeekte ingrijpen van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel in het lot van de Nederlanden.

 

De aartshertogen blijven nadenken over Scherpenheuvel en willen de sacrale plaats veranderen in een nationaal heiligdom. Daarvoor is een grote kerk nodig. In 1607, het jaar waarin de Habsburgers en de Verenigde Provinciën een wapenstilstand sluiten, starten de voorbereidingen en in 1609 leggen de aartshertogen de eerste steen. Het kost twintig jaar voordat de zevenhoekige constructie met de hoge koepel voltooid is. In juni 1627 komt Isabella naar Scherpenheuvel om de wijding bij te wonen. Op dat moment is het oratorium, de residentie van de priestergemeenschap met dezelfde naam, al deels verrezen aan de achterzijde van de kerk. Het kloosterachtige gebouw zal twee vleugels krijgen: een voor de oratorianen, de andere voor belangrijke gasten.

 

In de tussentijd is ten westen van de kerk een stad ontstaan die de naam draagt van de heuvel en diens Madonna. Scherpenheuvel is geen nederzetting die in het wilde weg is gegroeid als gevolg van de bedevaarten. Het is een geplande stad, ontsproten aan de verbeelding van aartshertog Albrecht. Al tijdens zijn eerste bezoek na de redding van 's-Hertogenbosch in 1603 vatte hij het plan op de heuvel te transformeren tot een Hortus conclusus voor de daar residerende Maagd. Deze Besloten Tuin zal de vorm aannemen van een bastion dat het katholieke verzet tegen de nabije calvinistische dreiging symboliseert.

 

Binnen de muren van dit bolwerk ontstaat een stad die is toegewijd aan de Maagd Maria. In de zomer van 1605 krijgt de stad-in-wording voorlopige verdedigingswerken. De werken vallen samen met een periode van vreugde en gespannen verwachting aan het aartshertogelijke hof. Het raakt bekend dat de infante Isabella eindelijk, na zes jaar huwelijk, een kind verwacht. Men kan alleen maar gissen naar de emoties waarmee het vorstenpaar dat nieuws heeft begroet. Zeker is dat het regime nu op een snelle ontwarring van alle politieke vraagstukken rekent. De verwachtingen worden echter teleurgesteld. Het kind blijkt niet levensvatbaar. Deze teleurstelling doet echter niets af aan de ijver waarmee Albrecht en Isabella de uitbouw van Scherpenheuvel blijven bevorderen.

 

In november 1605 schenkt Albrecht de nieuwe nederzetting dezelfde voorrechten, vrijheden en vrijstellingen die hij de heroverde stad Oostende een jaar eerder heeft gegeven. Zichem is niet blij met de stichting van een stad in haar nabijheid, maar moet zich bij de situatie neerleggen. De definitieve fortificaties van Scherpenheuvel zijn klaar wanneer ook de kerk haar voltooiing nadert. Zoals de kerk zijn zij zevenhoekig, verwijzend naar de Zeven Weeën van de Moeder Gods. Aan de westzijde van de kerk is een regelmatig stratenplan uitgemeten tussen het kerkhof en de fortificaties dat het heptagonale patroon van kerk en omwalling volgt. De ruimte die aan de oostzijde van de kerk overblijft, is gereserveerd voor het oratorium met haar boomgaarden en bouwland. Omdat het stadsleven helemaal gericht is op de cultus van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel mogen alleen mensen met een onbesproken reputatie zich in de stad vestigen.

 

 

Bolwerk van de strijdende Kerk

 

Scherpenheuvel ontstaat in een context van heftige polemieken tussen katholieken en protestanten over het belang van Onze-Lieve-Vrouw. Naast de controverse over het aandeel van de Maagd Maria in de verlossing van de mensheid, woedt het debat over haar invloed op het alledaagse bestaan. De katholieke leer beschouwt Onze-Lieve-Vrouw als de bevoorrechte middelares tussen de gewone gelovige en haar zoon Jezus Christus. Op haar voorspraak worden grote en kleine gunsten verleend, door haar tussenkomst krijgt de geschiedenis een ander verloop. De protestanten veroordelen dat alles als paapse dwalingen. De cultus van de heiligen en de verering van relikwieën en afbeeldingen stellen ze gelijk aan afgodendienst. Tijdens de Beeldenstorm voegen de protestanten de daad bij het woord.

 

De Contrareformatie repliceert. Een stortvloed van publicaties moet de wondere invloed van de heiligen aantonen. De mirakelenboeken van Scherpenheuvel passen in dat tegenoffensief. Ook alle visuele middelen van de tijd worden ingezet: van de betrekkelijk goedkope gravure, over het duurdere schilderij of beeldhouwwerk tot het grootse totaalkunstwerk. Het is het krachtigste kanaal. Meer dan het geschreven woord onderbouwt het beeld het mirakelgeloof van de gewone man. Veruit de meeste aandacht gaat naar Onze-Lieve-Vrouw. Maar het is niet de meevoelende Moedermaagd van de late Middeleeuwen of de zeemzoeterige Lievevrouw van de negentiende eeuw die wordt uitgetekend. De Heilige Maagd blijkt nu even combattief als de Contrareformatie.

 

Een voorbeeld hiervan is het Salve Regina, het meest populaire antifoon ter ere van Onze-Lieve-Vrouw. De tekst dateert waarschijnlijk uit het begin van de elfde eeuw, maar is later vervolledigd. Het is een innige smeekbede, waarmee de gelovige Maria vraagt om voor hem ten beste te spreken. In de zeventiende eeuw geldt het als een krachtig instrument. Dat blijkt onder meer in 1620 tijdens de Slag bij de Witte Berg. De katholieke Maximiliaan van Beieren reciteert het Salve Regina terwijl zijn troepen de aanval inzetten tegen de Boheemse protestanten. Op verzoek van de aartshertogen Albrecht en Isabella verzorgt de hofcomponist Peter Philips een toonzetting van het Salve Regina. In dezelfde sfeer publiceren de gebroeders Antoon en Hiëronymus Wierix twee reeksen gravures over de antifoon. De oudste draagt het jaartal 1598, de tweede is vervaardigd tussen 1611 en 1629. Ze bestaan uit zeven afbeeldingen en een titelplaat. Elke plaat stemt overeen met een versregel. Ze geven een goed beeld van de eigenschappen die men op dat moment aan de Heilige Maagd toeschrijft. Zo heet Onze-Lieve-Vrouw op de tweede afbeelding Victrix, of overwinnares en Mater sanctae spei, de Moeder van de Heilige Hoop. Ze zit met het Jezuskind op schoot en ondersteunt met Hem een groot kruis. Het kruis verplettert de vijanden van de Kerk die aan haar voeten liggen. Het is een typisch thema van de Contrareformatie. De Heilige Maagd is de kampioen van het katholicisme. Haar maagdelijke zuiverheid stemt overeen met de zuiverheid van de katholieke leer. Ze voert het bevel in de strijd tegen de ketterij. Onder haar leiding zal de katholieke Kerk zegevieren.

 

In die geest en gebruikmakend van dit soort beeldspraak ondernemen Albrecht en Isabella de uitbouw van Scherpenheuvel als een vooruitgeschoven bolwerk van de strijdende Kerk. Onder hun leiding ontwikkelt een team van medewerkers een versteend manifest van de katholieke leer. Ze maken het bedevaartsoord tot een totaalkunstwerk dat de toenmalige visie op de Heilige Maagd langs emblematische weg gestalte geeft. Stedenbouw, architectuur, schilder- en beeldhouwkunst dragen elk op hun manier bij tot het project. De artistieke leiding vertrouwen de aartshertogen toe aan Wenzel Cobergher.

 

Cobergher is afkomstig van Antwerpen, waar hij het schildersvak heeft geleerd bij de vermaarde Maarten de Vos. In de jaren 1580 trekt hij naar Italië. Hij werkt er als kunstschilder en bestudeert er de klassieke architectuur en numismatiek. Na zijn terugkeer wordt Cobergher in 1605 benoemt tot ingenieur-architect van het aartshertogelijk hof. Zijn eerste grote project is de bouw van het klooster van de ongeschoeide karmelietessen te Brussel (1607-1615). Kort na de eerstesteenlegging van dit klooster krijgt hij de opdracht om de nieuwe bedevaartkerk van Scherpenheuvel te ontwerpen. Cobergher vertaalt het complexe bouwprogramma in een Italiaanse vormentaal. Zijn inspiratie put hij ten dele uit de antieke en moderne gebouwen die hij tijdens zijn verblijf op het schiereiland heeft bestudeerd. Voor het overige richt hij zich sterk naar I sette libri d'architettura van de invloedrijke architectuurtheoreticus Sebastiano Serlio. Na de goedkeuring van zijn ontwerp, neemt Cobergher de leiding over de werkzaamheden. Hij sluit contracten af over materialen, wijst opdrachten toe aan beeldhouwers en kunstschilders en bekommert zich over de aanwerving en het verblijf van de bouwvakkers.

 

 

Mariale devotie en symboliek

 

In Scherpenheuvel verwijzen alle elementen van het bouwprogramma naar Onze-Lieve-Vrouw. De theologische en mariale kennis en bevlogenheid van de aartshertogen en hun entourage zijn allesbepalend. Ze bekommeren zich niet alleen om de formele vormgeving, maar leggen in elk onderdeel van het project ook een diepere mariale symboliek. In de stadsaanleg, de bouwvolumes en hun decoratie is zeker veertien keer vorm gegeven aan de naam van Onze-Lieve-Vrouw. Een aantal ervan komt hieronder aan bod.

 

De mariale devoties domineren het hele patroon van de aartshertogelijke vroomheid en het cijfer zeven speelt daarbij een overheersende rol. In de bijbel zijn talrijke passages te vinden waarin het getal zeven de heiligheid of het wonderbaarlijke van de gebeurtenis aangeeft. God schiep de wereld in zes dagen, de zevende rustte Hij. Koning Salomon had zeven jaar nodig om zijn tempel te bouwen, de wijding ervan vond plaats in de zevende maand en de feestelijkheden duurden zeven dagen. Jozef verklaarde de droom van de farao over de zeven vette en zeven magere jaren... Met zulk een achtergrond is het niet verwonderlijk dat de katholieke traditie heel gevoelig is voor alles dat zich in een reeks van zeven laat opsommen. In het passieverhaal wijst men op die manier drie zeventallen aan; de zeven godslasteringen, de zeven laatste woorden van Christus en de zeven wonderlijke tekenen na zijn dood. Elke katholiek associeert het getal met de sacramenten, de deugden, de werken van barmhartigheid en de hoofdzonden. Traditioneel zijn er ook zeven situaties waarbij men Onze-Lieve-Vrouw om bescherming smeekt: onweer, watersnood en brand, gevangenschap, oorlog, epidemieën en doodsgevaar. Er is de devotie voor Onze-Lieve-Vrouw van Smarten die zich richt op de zeven weeën van de Maagd Maria: de profetie van Simeon, de vlucht naar Egypte, de terugvinding van het Jezuskind in de tempel, de ontmoeting van Maria met Christus tijdens de kruisweg, de kruisiging en de dood van Jezus, de kruisafneming en de begrafenis. Het hof van Albrecht en Isabella viert zeven mariale feestdagen: Onbevlekte Ontvangenis (8 december), Lichtmis (2 februari), Maria-Boodschap (25 maart), Onze-Lieve-Vrouw Visitatie (2 juli), Maria-Hemelvaart (15 augustus), Maria-Geboorte (8 september) en Onze-Lieve-Vrouw Presentatie (21 november).

 

 

Besloten Tuin

 

De Besloten Tuin is een van de vele namen van Onze-Lieve-Vrouw. Voor de omvorming van de Scherpenheuvel tot een Hortus conclusus sturen de aartshertogen in de zomer van 1605 hun ingenieur Sylvain Boullin naar het bedevaartsoord. Hij begint met de afbakening van het schrijn. Rondom de kapel laat hij een versterkte tuin aanleggen. De tuin heeft de vorm van een zevenhoek en is zo geconstrueerd dat de plek waar eertijds de eik stond, precies in het centrum ligt. Binnen de zevenhoek laat de aanplanting een zevenpuntige ster vrij. De ster en de besloten tuin behoren tot de mariale emblematiek. Ten oosten van de tuin bouwt Boullin een schans. Ze moet er voor zorgen dat niets of niemand nog de cultus van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel komt verstoren. Deze werken leggen de basis voor de urbanisatie van Scherpenheuvel. Ze introduceren het cijfer zeven, het cijfer dat de verdere ontwikkeling van het pelgrimsoord grotendeels zal bepalen.

 

 

Sterke Stad en Asielstad

 

In Jesaja 26:1-6 zingt de profeet de lof van een stad met sterke muren die bescherming bieden. Ze opent haar poorten voor wie rechtvaardig is en standvastig in het geloof. Omdat de stad haar vertrouwen in God stelt, handhaaft Hij er de vrede. Meer dan eens eigent de mariale symboliek zich het beeld van de Sterke Stad toe. De onneembare stadsmuren verbeelden dan dat alle zonde uit het leven van Onze-Lieve-Vrouw was gebannen. Auteurs onderkennen nog andere analogieën. Door in te stemmen met de boodschap van de engel Gabriël, bewees de Heilige Maagd hoezeer ze haar vertrouwen op God had gevestigd. Zoals ze eertijds Jezus Christus in haar schoot beschermde, zo beschermt ze nu de Kerk tegen haar vijanden.

 

De mariale symboliek van de Sterke Stad is perfect toepasbaar op Scherpenheuvel. Het schrijn staat op een geïsoleerde heuvel, een locatie die de eeuwige rots van Jesaja's profetie oproept. Het is als het ware een natuurlijke sterkte. Men is er maar zeshonderd passen verwijderd van waar de Demer door een gebied stroomt dat aan de Staatse legers contributie betaalt. Bij mooi weer kunnen de meest vooruitgeschoven posten van de protestanten het af en aan op de heuvel moeiteloos observeren. Als Sterke Stad ontfermt de Madonna van Scherpenheuvel zich over de getrouwen en kondigen haar wondere daden de ondergang aan van de trouwelozen.

 

Met evenveel recht is Scherpenheuvel een wijkplaats voor wie asiel zoekt. Dit symbool vult het vorige aan. De vestingwerken houden de vijanden van het katholicisme op afstand. Tegelijkertijd beschermen ze wie steun zoekt in het ware geloof. Het symbool van de Asielstad komt uit Numeri 35:1-29. In die passage beveelt God de joden zes dergelijke steden in te richten. De functie van de asielsteden, zo redeneert men, is in het Nieuwe Verbond overgedragen op Maria. Als moeder van de Verlosser is ze de toevlucht il van de christenen. Bovendien looft de litanie van Onze-Lieve-Vrouw haar als de Toevlucht van de Zondaars en de Troosteres van de Bedrukten. Naar haar kan men vluchten van verleiding en zonde. Ze geeft bescherming en troost. Haar nabijheid weert de machten van het kwade af. Door haar voorspraak blijft de mens gespaard van Gods toorn en wraak. Elk Mariaoord fungeert als wijkplaats. Bij de realisatie van Scherpenheuvel gaat men echter een stap verder. De ruimtelijke organisatie van het bedevaartsoord visualiseert het mariale symbool van de Asielstad. De vestingwerken die de stad omringen, houden de vijand op afstand. Binnen de muren is de stad verdeeld in twee zones. De ene staat open voor bebouwing door de lekenstand. De andere is voorbehouden aan de clerus. Omdat het kerkelijke deel het grootste is, valt het niet mee om de burgers de scheidingslijn te laten respecteren. Om een einde te maken aan de betwistingen, maakt men 1630 twee identieke plannen op. Net zoals bij de huidige gewestplannen worden de zones verschillend ingekleurd. Een exemplaar van de kaart gaat naar de Kerk, het andere naar de burgerlijke overheid. Zo kunnen beide instanties op de naleving toezien.

 

 

Toren van David

 

Samen met de vestingmuren op de heuvelflank vormt de vijftig meter hoge klokkentoren een vierde mariaal symbool: de Turris David cum propugnaculis, de Toren van David met zijn vooruitgeschoven bolwerken. De Toren van David komt maar één keer voor in de bijbel, met name in Hooglied 4,4. Hij wordt er vergeleken met de hals van de bruid. De metafoor slaat zowel op de ranke schoonheid van haar hals, als op de kostbare juwelen die haar tot opsmuk dienen. Het beeld verwijst naar het onderdeel van de versterkingen van Jeruzalem dat Toren van David genoemd wordt. Het gebouw staat er nog steeds, al is het in de loop van de eeuwen meermaals verbouwd en aangepast. Zoals het vers aangeeft, is de Toren van David een soort citadel met vooruitgeschoven bolwerken, de kenners zouden zeggen lunetten. Ten tijde van de koningen bevatte het gebouw een arsenaal en waren zijn muren getooid met honderden schilden en trofeeën.

 

De toren van Scherpenheuvel is nooit voltooid. Hij is tot en met de derde verdieping opgetrokken, maar daarna zijn de werken stilgevallen. Gravures tonen hoe hij er in gedachte heeft uitgezien. Bovenop de constructie die er nu staat, was nog een verdieping voorzien met galmgaten en een koepelvormige bekroning. In zijn volle hoogte zou de toren boven de lantaarn van de grote koepel hebben uitgestoken.

 

Bezoekers die in de zeventiende en achttiende eeuw tot op het dak van de onafgewerkte toren zijn geklommen, hebben de mariale symboliek van het gebouw nog ten volle kunnen ontraadselen. Daarna heeft de ontmanteling van de vestingwerken de site verminkt. Op het moment dat de fortificaties er nog staan, roept de gordel van bastions die rondom de toren en de kerk is aangelegd, de propugnacula van het bijbelvers op. Bij het afdalen van de trap komt men voorbij de schatkamer. Ze is letterlijk volgestouwd met votiefgaven die herinneren aan de gunsten die generaties pelgrims bij de Madonna van Scherpenheuvel hebben afgesmeekt. Het zijn evenzoveel trofeeën van de overwinningen die de Heilige Maagd op het kwaad heeft behaald. De opvallende tabletten die in de vensters op de zijgevels van de toren zijn aangebracht, dienen wellicht een gelijkaardig doel. Ze lijken voorbestemd om er inscripties op aan te brengen en zo de roemrijke daden van Onze-Lieve-Vrouw te verkondigen. Op het gelijkvloers staat de bezoeker in de sacristie, de bewaarplaats van liturgische gewaden en vaatwerk. Dit is het arsenaal waarmee de Katholieke Kerk haar vijanden bekampt en waarmee ze bijdraagt tot het heil van de gelovigen.

 

 

Leger in Slagorde

 

Wanneer de aartshertogen in april 1619 in Scherpenheuvel aankomen om er hun jaarlijkse noveen te volbrengen, zien de zaken er niet goed uit. De bedevaartkerk is tien jaar na de start van de werken nog verre van klaar. In de Verenigde Provinciën komt de 'oorlogspartij' aan de macht en het ziet er niet naar uit dat het Twaalfjarig Bestand zal worden verlengd. Bovendien gaat Albrechts gezondheid achteruit. De periodes dat hij onder jichtaanvallen gebukt gaat, duren almaar langer. In de voorbije zes maanden zijn aartshertog Maximiliaan en keizer Mathias overleden. De kinderloze Albrecht is de enige overlevende zoon van keizer Maximiliaan II.

 

De twee volgende weken besteden Albrecht en Isabella bijna al hun tijd aan godsdienstige ceremonies. Bij hun vertrek laten ze de nodige middelen achter om nog eens twintig novenen in hun afwezigheid te vieren. Elke noveen is gericht tot een andere heilige. De volgorde wordt bepaald door die van de litanie van alle heiligen. Op het lijstje staan: Sint-Andreas, patroonheilige van het Bourgondische Huis; Sint-Jakobus de Meerdere, schutsheilige van Spanje; Petrus en Paulus, stichters van de Heilige Stoel. Meer dan de helft van de novenen zijn ter aanroeping van engelen die in de toenmalige iconografie als bewapende krijgslieden zijn afgebeeld. De Heilige Michaël krijgt de titel 'algemeen-kampoverste' mee, de aartsengelen Sint-Gabriël en Sint-Rafaël worden respectievelijk 'generaal van de cavalerie' en 'gids van het leger genoemd'. De Heilige Maagd staat tweede op de novenenlijst van Albrecht en Isabella. Ze wordt voorafgegaan door Jezus. Alles bij elkaar is het een militair appel. De aartshertogen smeken de hemelse troepenmacht om zich achter de Habsburgse zaak te scharen in hun strijd tegen de protestanten.

 

De aanroeping wordt bestendigd in de nieuwe bedevaartkerk. Ze leeft voort in de iconografie en in de toewijding van de altaren. Het hoogaltaar van de bedevaartkerk bevat relieken van de apostelen Andreas, Petrus en Paulus. Samen met Sint-Jakobus, staan ze ook afgebeeld op de Hemelvaart van Onze-Lieve-Vrouw die Theodor van Loon in de jaren 1620 voor het altaar heeft geschilderd. Van de kapellen ter weerszijde van de toegang, is degene die bij het binnenkomen aan de rechterkant ligt en als doopkapel dienst doet, toegewijd aan alle engelen. Die aan de overkant is de overbekende kaarskenskapel toegewijd aan alle heiligen. Aan de buitenkant bewaken beelden van de aartsengelen Michael en Gabriël de toegang. Het schema wordt vervolledigd met de toewijding van twee buitenaltaren. Om de hoek aan de kant van de Heilige Michael, heeft het eerste altaar, dat de Aanbidding der herders toont, deze aartsengel en Sint-Jacobus de Meerdere als patroonheiligen. Het tegenoverliggende altaar van de Kroning van Onze-Lieve-Vrouw is onder andere aan de aartsengel Rafaël gewijd. In zijn geheel komt het neer op een hemelse legermacht. De Heilige Maagd voert het bevel. De troepen staan in slagorde opgesteld, klaar om de katholieke vorsten te hulp te snellen.

 

Ook dit is een Mariaal symbool: het Leger in Slagorde uit Hooglied 6:3. Net zoals de Toren van David dient het in zijn oorspronkelijke context als metafoor voor de schoonheid van de bezongen bruid. En net zoals de Toren wordt het Leger een symbool voor de bescherming die Onze-Lieve-Vrouw aan de rechtgelovigen verleent.

 

 

Hemelpoort

 

In de zuilen die de koepel van de bedevaartkerk schragen, zijn zes nissen uitgespaard. Op initiatief van aartshertog Albrecht komen er beelden van profeten. De Scherpenheuvelse profetencyclus is van de hand van Robrecht de Nole. Cobergher heeft hem in april 1622 samen met het hoogaltaar en nog zeven andere beelden bij de meester besteld. Met de profetencyclus wil Albrecht de protestantse kritiek op de cultus van Onze-Lieve-Vrouw weerleggen door zich te beroepen op het gezag van Mozes, Jesaja, Ezechiël, Daniël, Jeremia en David. Volgens katholieke theologen hebben deze profeten immers de komst van Onze-Lieve-Vrouw voorspeld.

 

Tot de opdracht die Cobergher in 1622 bij Robrecht de Nole heeft geplaatst, behoren ook de engelen die aan de twee zijden van de toegangsdeur staan. De engel aan de linkerkant heeft een vlammend zwaard in de hand. De engel rechts van de toegang houdt een tak met lelies vast. Het zijn respectievelijk de attributen van de aartsengelen Michael en Gabriël. Michael wordt met dit wapen voorgesteld, omdat hij na de zondeval en gewapend met een vlammend zwaard, de toegang versperde tot het Aards Paradijs. De tak met lelies van Gabriël is een vast onderdeel van de iconografie van Maria-Boodschap. Op basis van die gegevens, valt het niet moeilijk de engelen te duiden. De aartsengel Michael verwijst naar de gevolgen van de zondeval. Van generatie op generatie beladen met de erfzonde, is de mens voortaan sterfelijk. Bovendien wordt hem de toegang tot de hemel ontzegd. De Heilige Maagd, die bovenop het timpaan van het poortgebouw verschijnt, staat letterlijk en figuurlijk boven zonde en dood. Bij de boodschap van de aartsengel Gabriël heeft ze haar fiat gegeven. Daardoor is ze de nieuwe Eva geworden en heeft ze de poort van de hemel opnieuw voor de mensheid geopend. Om die reden eren de katholieken haar met het embleem van de Porta caeli of Hemelpoort.

 

 

Jacobsladder

 

In de architecturale ornamenten van de buitengevel zit er nog een mariaal symbool verscholen. De rib van de koepel die vanaf de klokkentoren naar de lantaarn loopt, is uitgebouwd als een trap. Dit is de Scala Jacob of Jacobsladder die zich van op de aarde, tussen de talloze sterren die aan de koepel zijn bevestigd, een weg baant tot aan de hemel. De Jacobsladder stamt uit Genesis 28. In de oosterse Kerk past onder meer Johannes Damascenus het beeld van de trap waarlangs engelen tussen hemel en aarde reizen, al in de achtste eeuw toe op de Heilige Maagd. In het westen vindt het pas echt ingang gedurende de Contrareformatie.

 

 

Tabernakel van het Nieuwe Verbond

 

Bijzondere aandacht verdient de unieke rol die de mariale symboliek toekent aan Onze-Lieve-Vrouw bij de totstandkoming van het Nieuwe Verbond en hoe die vorm krijgt in Scherpenheuvel.

 

 

De eik en het Sichem van het Oude Verbond

 

In zijn voorwoord op de Historie vande miraculen (1604) bouwt Filips Numan zijn betoog op aan de hand van analogieën tussen de Scherpenheuvel en de locaties van belangrijke bijbelse gebeurtenissen. Hij legt ondermeer een verband tussen de heuveltop waarop het bedevaartsoord tot ontwikkeling komt, en de bergen waarop God zich in de bijbel aan de mensen openbaart. Enkele voorbeelden. Volgens het boek Exodus 19-31 onderhield God zich dagenlang met Mozes op de berg Sinaï. Daar onderwees Hij Mozes over de tien geboden en sloot Hij het Verbond met zijn uitverkoren volk. De profeet Elia ontmoette God op de berg Horeb, die 1 Koningen 19,8-18 de berg van God noemt, en kreeg er de opdracht om zijn strijd tegen de volgelingen van Baal uit alle macht voort te zetten. Ook Christus, vervolgt Numan, zocht de nabijheid van zijn Vader in de bergen. Het zijn plaatsen waar de mens in contact treedt met het bovennatuurlijke. Dat geldt ook voor de eik. In Rechters 6:11-24 verschijnt een engel aan Gideon onder de eik van Orfa en hij bouwt er een altaar.

 

Uit al die passages haalt Numan elementen die hem van toepassing lijken op de locatie en op het ontstaan van Scherpenheuvel. Nergens lijkt de analogie met Scherpenheuvel hem sterker dan bij de heuvel nabij het bijbelse Sichem. Numan verwijst naar Genesis 12:1-7 met het verhaal van Abraham die op Gods bevel voor het eerst het Beloofde Land betrad. Bij de heilige plaats Sichem hield hij halt aan de eik van More. Daar verscheen God aan Abraham en beloofde hem dat zijn nageslacht ooit dat land zou bezitten. Hierop richtte Abraham aan de voet van de eik een altaar op. Het is naar precies dezelfde plek dat zijn kleinzoon Jakob weerkeert.

 

Onderweg verzamelde de aartsvader alle afgodsbeelden die zijn gemeenschap had vergaard. Aangekomen bij de eik van Sichem, begroef hij ze. Met dat ritueel nam hij afscheid van het heidendom. Voortaan zullen hij en de zijnen alleen nog Jahwe aanbidden. In Jozua 24,1-28 wordt het Verbond tussen God en het volk van Israël vernieuwd. Aan het einde van zijn leven riep Jozua de twaalf stammen bijeen op de heuvel bij Sichem. Hij herinnerde de aanwezigen aan de wijze waarop God hen naar het Beloofde Land had geleid en hoe ze, door Hem gesteund, hun vijanden hadden onderworpen. Daarop vernieuwden Jozua en het verzamelde volk het Verbond.

 

Voor Numan is het zonneklaar. De voorbeelden uit het Oude Testament tonen aan dat Scherpenheuvel niets minder is dan Gods werktuig tot heil van de Nederlanden. De mirakels die er worden verleend, verkondigen die unieke missie. Ze weerleggen de protestantse dwalingen en leveren het bewijs voor de katholieke leer inzake de voorspraak van heiligen, vooral dan van Onze-Lieve-Vrouw. Op de heuvel nabij Zichem komt er een eind aan opstand en ketterij. Het gebed en de offergaven van de pelgrims bewerken niet alleen hun persoonlijke zieleheil. Ze bewegen God ook tot barmhartigheid tegenover de ontrouwe Nederlanden. Ze herstellen het verbond dat Hij eertijds heeft afgesloten met de inwoners van de Lage Landen. Naar het voorbeeld van Abraham, Jozua en Gideon, plannen de aartshertogen de bouw van een altaar aan de voet van een eik. Hun onderneming bezegelt het herstel van het verbond. Ze wekt de hoop dat God, zoals bij Abraham, hun de langverwachte troonopvolger zal schenken. Dat hun legers de vijanden van de Kerk en de Habsburgers definitief zullen verslaan.

 

 

Het Nieuwe Verbond en Scherpenheuvel

 

Om de bijdrage van Onze-Lieve-Vrouw tot het Nieuwe Verbond gestalte te geven, eigent de mariale symboliek zich een hele reeks beelden, voorwerpen en citaten toe die in de bijbel naar het Oude Verbond verwijzen. Hier volgen slechts enkel voorbeelden. Onder het Oude Verbond geldt de Ark als het heiligste bezit van de Israëlieten. In de ark berusten voorwerpen die een rechtstreeks verband hebben met het Verbond. Ze is het schrijn van de joodse heilsgeschiedenis. Die rol gaat onder het Nieuwe Verbond over op Onze-Lieve-Vrouw. In haar schoot is Jezus Christus tot leven gekomen. Haar zoon heeft met zijn bloed het Nieuwe Verbond bezegeld. Dat maakt Maria tot het kostbaarste van deze aarde.

 

In Jeruzalem bouwt Salomon een tempel voor de Ark. Die wordt vernield door de Babyloniërs en de tweede tempel wordt door de Romeinen verwoest. De christenen verwachten dat God in de eindtijd het Verbond zal vervolmaken door de bouw van een Nieuw Jeruzalem. De stad zal het Tabernakel van God onder de Mensen zijn (Openbaringen), de Berg van het Huis van God (Jesaja) of de Tempel van de Heilige Geest (Korintiërs). Deze drie beelden fungeren in de mariale symboliek. Salomon is de 'wijste' van alle koningen. "De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, zeven zuilen heeft zij zich uitgekapt," leest het bijbelvers over de bouw van de tempel voor de Ark van het Verbond. Ook het Huis van de Wijsheid wordt een naam voor Onze-Lieve-Vrouw. Al deze symbolen zijn bepalend voor het concept van Scherpenheuvel. Het nieuwe huis van God in Scherpenheuvel past helemaal in dit plaatje. Vormelijk breekt de bedevaartkerk met alle lokale tradities. Ze is de eerste centraalbouw die in de Nederlanden wordt opgetrokken. Nooit voordien heeft men zich in onze gewesten aan zulk een koepel gewaagd. Het grondplan is allesbehalve evident. De hele constructie gaat uit van een zevenhoek, waardoor de koepel, zoals het Huis van de Wijsheid, geschraagd wordt door zeven zuilen.

 

Het zou verkeerd zijn om de originaliteit van de bedevaartkerk als absoluut voor te stellen. Het is inderdaad zo dat ze in wezen los staat van de architectuurtaal die op dat moment in de Nederlanden gangbaar is, maar dat wil nog niet zeggen dat ze helemaal zonder voorgaande is. Er zijn heel wat elementen uit de bouwkunst van Sebastiano Serlio aan te wijzen. De Italiaanse meester staat bekend als een uitgesproken voorstander van de centraalbouw. Het lijdt geen twijfel dat Cobergher voor zijn ontwerp van de bedevaartkerk te rade is gegaan bij Serlio's traktaat over architectuurtheorie. De invloed van Serlio spreekt overigens ook uit allerhande architectonische ornamenten en details. Daarnaast treft men in de bedevaartkerk nog een reeks ontledingen aan die teruggaan op gebouwen die Cobergher te Rome heeft bestudeerd. Andere mogelijke inspirerende gebouwen zijn de Akense Paltskapel, de onafgewerkte kapellen van de abdij in het Portugese Batalha, het mausoleum voor prins Ernst von Schaumburg-Holstein in Stadthagen en de bedevaartkerk van Mondovi.

 

De originaliteit van Scherpenheuvel ligt niet in de architectuurtaai. Ze moet echter gezocht worden in het emblematische discours. Het brengt een systematisch en op zichzelf staand verhaal. Dat blijkt het duidelijkst uit de inplanting van de bedevaartkerk. In tegenspraak met de traditie, is ze niet georiënteerd op Jeruzalem. Integendeel, zoals eigen aan elke centraalbouw, is ze in zichzelf besloten. Het perspectief verwijst niet naar Jeruzalem, maar is op het hoogaltaar gericht. Dat staat in de meest noordelijke hoek van de zevenhoek en markeert de plaats waar eertijds de eik stond. Zo treden de aartshertogen in de voetsporen van Abraham, Jakob, Jozua en Gideon en bouwen ze hun altaar op de plaats waar God zich heeft geopenbaard. De ruimtelijke organisatie van de kerk maakt het de pelgrim duidelijk dat hij het einde van zijn tocht bereikt heeft. Hij is binnengetreden in het Nieuwe Jeruzalem. Onder de koepel van de bedevaartkerk bevindt hij zich in het heilige der heiligen van de nieuwe tempel. Hij staat er oog in oog met de Ark van het Nieuwe Verbond, het wonderdadige Madonnabeeld. Het troont in een nis bovenaan het hoogaltaar. Men zou kunnen denken dat het zijn oorspronkelijke plaats aan de eik nooit verlaten heeft. In de negentiende eeuw wordt het beneden op het hoogaltaar geplaatst.

 

 

Liefde gaf u duizend namen

 

Vandaag staat Scherpenheuvel bekend als de vroegste uiting van contrareformatorische kunst die in de Lage Landen is bewaard gebleven. De bedevaartkerk geldt terecht als het eerste voorbeeld van een centraalbouw in onze gewesten. De urbanisatie van de omliggende stad staat in binnen- en buitenland geboekstaafd als het meest geslaagde voorbeeld van maniëristische stedenbouw. Dat is op zich een indrukwekkend palmarès. Toch ontbreekt er wat aan. De opgesomde primeurs beperken zich tot het formele. Ze gaan voorbij aan de functie, de diepere betekenis en de vormentaal van het programma. Meer nog dan omwille van het opgesomde, verdient Scherpenheuvel een plaats in de Europese kunst- en cultuurgeschiedenis als een hoogst uitzonderlijk voorbeeld van emblematische totaalkunst. In de stad, de gebouwen en de decoratie zijn vele namen van Onze-Lieve-Vrouw verbeeld. Ze is de Sterke Stad, de Berg van het Huis van God, de Asielstad, de Besloten Tuin, de Ster der Zee, de Tempel van de Heilige Geest, de Hemelpoort, het Huis van de Wijsheid, het Tabernakel van God onder de mensen, de Ark van het Nieuwe Verbond, de Toren van David, het Leger in Slagorde, de Lelie tussen de Doornen en de Jacobsladder. Het is een geheel zonder voorgaande en latere voorbeelden die zich van een vergelijkbare emblematische architectuurtaal bedienen, kan men op de vingers van een hand tellen.

 

Luc Duerloo en Marc Wingens

 


De eik van Scherpenheuvel


Met het vellen van de eik in 1603 is de jacht op Scherpenheuvel-hout groter dan ooit. In plaats van kleine stukjes van de boom te moeten prutsen, zijn er nu veel grotere stukken te bemachtigen. Wie de hand kan leggen op een behoorlijk stuk laat er een Madonnabeeld uit snijden. Anderen tonen trots hun paternoster uit authentiek Scherpenheuvel-hout. In 1605 verbindt de Antwerpse bisschop Miraeus aflaten aan de Mariabeeldjes die het begijntje Barbara van Ursel uit het hout van de eik heeft vervaardigd. Een jaar later volgt nuntius Ottavio Frangipani dat voorbeeld voor de Madonna die de Antwerpse jezuïeten in hun prefessenhuis bewaren.

Nog in 1606 vestigt een stukje van de eik de roem van Scherpenheuvel in Rome. Een jezuïet is in de Romeinse woonst van de markies van Castiglione ontboden. De zieke dochter van de edelman is door haar geneesheren opgegeven. Als laatste redmiddel geeft de jezuïet het meisje een drankje waarin hij een splinter van de eik van Scherpenheuvel heeft gemengd. Het kind herstelt vrijwel onmiddellijk. Binnen de kortste keren praat de hele stad erover. Velen willen meer te weten komen over het nieuwe pelgrimsoord. De wonderlijke genezing komt enkele dagen na de breve waarmee Paulus V een volle aflaat verbindt aan de bedevaart naar Scherpenheuvel. Het effect is bijzonder groot. De naam van Scherpenheuvel staat voortaan duidelijk gemarkeerd in de Mariale geografie van de Katholieke Kerk.


De duivel op de vlucht

Catherine du Bus, een jonge vrouw uit Rijsel, beschikt over bovenmenselijke kracht en is in staat om Hebreeuws en Grieks te spreken, hoewel zij die talen nooit heeft geleerd. Beide vermogens gelden indertijd als typische kenmerken van bezetenheid. De vrouw wordt enkele malen geëxorciseerd, maar zonder resultaat. Een van de vergeefse uitdrijvingspogingen wordt gedaan in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Loreto op Allerheiligen 1603. Zij werpt een opmerkelijk licht op de wijze waarop de politieke situatie op dat moment in de zuidwestelijke hoek van de Habsburgse Nederlanden wordt opgevat. De duivel, die spreekt met de stem van de vrouw, meldt dat de geruchten die in de stad verspreid worden als zouden de Spanjaarden Oostende ingenomen hebben onjuist zijn. Inderdaad zal de inname nog enkele maanden op zich laten wachten. Bovendien openbaart de duivel dat de valse geruchten zijn verspreid door twee Zwitserse soldaten die de ciborie met het Heilig Sacrament uit de parochiekerk van Nieuwpoort hebben gestolen. Het noordelijke leger heeft hier in 1600 onder leiding van Maurits van Nassau een grote overwinning behaald en aan katholieke zijde heerst het gevoelen dat de inname van Oostende deze nederlaag ongedaan kan maken. Tot ieders verbazing worden de Zwitserse soldaten kort na de onthulling van de duivel met Heilig Sacrament en al ingerekend en te Nieuwpoort geëxecuteerd. Natuurlijk is de openbaring door de duivel een wonder op zich; kennelijk was de macht van het exorcisme groot genoeg om satan te dwingen zich voor de goede zaak in te zetten. Enkele weken later onthult hij tijdens een volgende uitdrijvingspoging dat een man die het exorcisme bijwoont, een stukje hout van de Scherpenheuvelse eik bij zich draagt. Satan tekent hiermee zijn eigen vonnis, want nadat de vrouw gedwongen is om het stukje hout door te slikken, moet de duivel haar lichaam verlaten.


 

THEODOR VAN LOON EN DE MARIACYCLUS VAN SCHERPENHEUVEL

 

 

Als tijdgenoot van Peter Paul Rubens is Theodor van Loon totnogtoe in de kunstgeschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden in de schaduw blijven staan. Het oeuvre van Van Loon is vandaag verspreid over musea, privé-verzamelingen en kerken in Europa en de Verenigde Staten. De zeven schilderijen die de bedevaartskerk van Scherpenheuvel sieren, zijn Van Loons bekendste werken en de enige die als geheel nog op hun oorspronkelijke plaats bewaard worden.

 

Theodor van Loon is rond 1581-1582 geboren in Erkelenz, toen een stadje in Spaans Gelderland, nu in Duitsland, niet ver van Maastricht waar de schilder in 1649 stierf. Doorheen zijn leven verbleef Theodor van Loon op verschillende plaatsen in de Nederlanden en Italië. Zo woonde hij onder meer in Brussel, Leuven, Breda, Maastricht en Rome. Waar en bij wie Van Loon zijn eerste opleiding in de schilderkunst genoot, is nog onbekend. Zeker is wel dat Italië de bakermat vormde voor de ontplooiing van zijn talent en stijl.

 

Het eerste verblijf van Theodor in Rome is gedocumenteerd van 1602 tot 1608. In die periode verbleef hij in de wijk aan de voet van de Trinità de' Monti, nu beter bekend als de Spaanse Trappen, waar vele kunstenaars uit de Nederlanden zich groepeerden. Onder hen ook Wenzel Cobergher en zijn schoonbroer Jacques Francart, die beiden bij de bouw van de kerk en de stad Scherpenheuvel betrokken waren. Cobergher verlaat Rome in 1604 om in dienst van de aartshertogen, Albrecht en Isabella, te treden. Cobergher en Van Loon moeten elkaar reeds in de Eeuwige Stad gekend hebben.

 

In het begin van de zeventiende eeuw maakt een reis naar Rome traditioneel deel uit van de opleiding voor kunstenaars uit het Noorden. Theodor van Loon houdt het in tegenstelling tot zijn collega's niet bij die ene reis. In zijn verdere leven keert hij minstens nog tweemaal terug naar Rome (1617 en 1628-1632). 

 

In 1608 verlaat Van Loon Rome en komt hij naar Brussel. Op ongeveer hetzelfde moment keert Peter Paul Rubens uit Italië terug naar Antwerpen. De twee schilders hebben tijdens hun verblijf op het schiereiland dezelfde kunstwerken van de Renaissance en vroeg-barok kunnen bestuderen. Vele leerlingen en tijdgenoten gaan Rubens' stijl imiteren en navolgen, maar Theodor van Loon niet. Op zeer persoonlijke wijze komt Van Loon tot een eigenzinnige synthese van de Italiaanse kunst en oogst daarmee groot succes.

 

Zijn grote opdrachtgevers zijn de aartshertogen, en kerken en kloosters in de omgeving van Brussel en Leuven. Bij opdrachten uitgevoerd ten dienste van de aartshertogen gebeurde dit steeds in samenwerking met Wenzel Cobergher: de voormalige Sint-Gorikskerk (circa 1609) en de kerk van de Ongeschoeide Karmelietessen (1613) in Brussel, en de Sint-Hubertuskapel in Tervuren (1617). Scherpenheuvel sluit de reeks af als grootste en belangrijkste project.

 

De monumentale schilderijen voor de kerk van Scherpenheuvel verhalen in zeven taferelen het leven van de heilige Maagd Maria. De thema's sluiten aan bij de zeven mariale feesten die aan het aartshertogelijk hof gevierd worden.

 

De Ontmoeting bij de Gouden Poort waarbij Anna en Joachim elkaar omhelzen of zoenen wordt door de verdedigers van de Immaculata Conceptio gezien als de conceptie van Maria. In die zin illustreert het tafereel het feest van de Onbevlekte Ontvangenis, gevierd op 8 december.

 

Negen maanden later, op 8 september viert men de Geboorte van Maria. Anna ligt op de achtergrond te rusten op het kraambed. Het voorplan wordt volledig in beslag genomen door drie vrouwen die het kind met zorg omringen. Dit thema kende een groot succes in de Middeleeuwen, in Italië en in het oeuvre van Theodor van Loon, maar is eerder zeldzaam in de contemporaine Zuid-Nederlandse kunst. In tegenstelling tot de traditie, beperkt Van Loon de ruimtelijke setting tot een minimum. De monumentale vrouwen worden nauw omsloten door de lijst en er is weinig plaats gelaten voor de summiere weergave van het interieur.

 

Wanneer Maria drie jaar oud is, brengen haar ouders haar naar de tempel opdat ze haar leven aan God zou wijden (21 november). De apocriefe geschriften verhalen hoe wonderbaarlijk het was dat zo een klein meisje de trap zelfstandig en zonder achterom te kijken beklom. Dit gevoel wordt weerspiegeld door de ouderlijke bezorgdheid van Anna en Joachim en de verbazing van de toeschouwers boven aan de trap op de Presentatie van Maria in de tempel.

 

Bij de Annunciatie ontvangt Maria, door Gods woord, Jezus in haar schoot (25 maart). Traditioneel staat Gabriël links en wordt de leesrichting van links naar rechts gevolgd. Hier staat Maria links, zij is niet het doel van het verhaal maar wel het uitgangspunt. Dit maakt de persoonlijke identificatie van de gelovige met de nederige Maagd mogelijk en ondergaan ze beiden de krachtige aanwezigheid van God.

 

Na haar ontmoeting met de aartsengel Gabriël bezoekt Maria in de Visitatie haar eveneens zwangere nicht Elisabeth (2 juli). In de schoot van deze laatste voelt Johannes de Doper de aanwezigheid van de Messias bij Maria. Elisabeth looft Maria voor haar wonderbaarlijk moederschap en uit dank zingt de Moeder Gods het Magnificat waarin zij de Heer eert. De lichtjes voorovergebogen houding van Elisabeth is een favoriet type van Theodor van Loon. Alleen al in Scherpenheuvel vindt men het terug bij Anna in de Presentatie van Maria in de tempel; de vrouw rechts bij de Geboorte van Maria, Maria in het Lof van Simeon en de heilige Petrus rechts bij de Tenhemelopneming van Maria. Deze houding is geïnspireerd op een figuur uit de Presentatie van Maria in de tempel van Federico Barocci in de Chiesa Nuova te Rome.

 

Het laatste tafereel van de rondgang verdient niet zozeer de titel van Presentatie van Jezus in de tempel als wel Lof van Simeon (2 februari). In zijn profetie onthult de oude Simeon dat een scherp zwaard Maria's hart zal doorboren. Dit wordt gezien als de voorspelling van de zeven smarten, waaronder Maria zal lijden met als ergste de kruisdood van haar zoon.

 

Het hoogtepunt van Maria's leven is de Tenhemelopneming van haar lichaam en ziel (15 augustus). De bloemen in haar graf verwijzen door hun aangename geur naar de onvergankelijkheid van haar lichaam. Tussen de apostelen wijst Jacob de Meerdere, in zijn pelgrimsplunje links onder bij het graf, de bedevaartganger van Scherpenheuvel er op dat deze zijn doel bereikt heeft en nu mag rusten.

 

Voor de ontstaansperiode van de zeven schilderijen is de begin- en einddatum nauwkeurig gedocumenteerd. Twee schilderijen uit de reeks zijn gedateerd. De Ontmoeting bij de Gouden Poort draagt het jaartal 1616. Ook de Tenhemelopneming van Maria is van een datum voorzien, maar deze is praktisch onleesbaar. Op basis van documenten en brieven van de geleerde Erycius Puteanus, Van Loons goede vriend, is zeker dat de Mariacyclus voltooid was in 1623. Dit jaartal kan in overeenstemming gebracht worden met het beschadigde opschrift op de Tenhemelopneming.

 

Deze data zijn van groot belang voor de Zuid-Nederlandse kunstgeschiedenis waarin men Theodor van Loons vernieuwende stijl zoals in Scherpenheuvel steeds rond 1630 situeert. De vroege data voor de zeven schilderijen wijzen erop dat Van Loon op onafhankelijke wijze binnen de Zuidelijke Nederlanden een sterk op Italië gerichte beeldentaal en stijl ontwikkelde. In de vorming van zijn eigenheid toont Van Loon zich een eclectist, die elementen van de renaissance, zoals van Giulio Romano en Correggio, en van het Florentijns maniërisme als Cigoli en Marco Pino da Siena tot een persoonlijke eenheid verwerkt met aspecten van de contemporaine kunst van Cavalier d'Arpino, Caravaggio en Orazio Borgianni.

 

Sandra Janssens

 


Ex-voto's


In oktober 1603 worden op de Scherpenheuvel 135 krukken geteld die zijn geofferd door mensen die deze hulpstukken niet meer nodig hebben. De cultusleiding verkoopt in haar winkel kleine representaties van lichaamsdelen, gemaakt van goud, zilver en tin. De pelgrims kunnen het metalen ex-voto kopen dat past bij het lichaamsdeel dat is genezen of genezen moet raken. Waarschijnlijk worden deze representaties verondersteld de kwaal over te nemen, zodat die op de heilige plaats kan worden achtergelaten.


WEES GEGROET, MARIA

 

'Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.' Met die woorden begroet de aartsengel Gabriël de Heilige Maagd in Lucas 1,28, waarna hij vervolgt: 'Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.' Weinig verder bevestigt Elisabeth die gedachte in Lucas 1,42, wanneer ze Maria verwelkomt met: 'Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.' Deze twee teksten liggen aan de basis van het Weesgegroet. Het eerste deel van het huidige gebed is er in wezen een samenvoeging van.

 

'Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u' is gebaseerd op de begroeting door de engel. Het daaropvolgende 'gezegend zijt gij boven alle vrouwen' combineert beide verzen. In de Vulgaat stemmen de twee betrokken passages immers goeddeels overeen. De woorden van Elisabeth weerklinken in: 'en gezegend is de vrucht van uw lichaam Jezus.' Aanvankelijk - en dan gaat het over bronnen uit de twaalfde eeuw - bidden de gelovigen alleen het eerste deel. De smeekbeden uit het tweede deel ontstaan gedurende de Late Middeleeuwen. Rond 1500 is het proces afgerond en heeft het Weesgegroet zijn definitieve vorm bereikt.

 

In de zeventiende eeuw gelooft men echter dat het Weesgegroet veel ouder is. Een vrome legende verbindt het ontstaan ervan met een wondere gebeurtenis in de kathedraal van Toledo. Tijdens een nachtelijke eredienst zou Onze-Lieve-Vrouw er aan de Heilige Ildefons verschenen zijn. Ildefons was aartsbisschop van Toledo in de zevende eeuw. Hij stond bekend als een vurige verdediger van de Mariacultus, heel in het bijzonder van de leer van de Onbevlekte Ontvangenis. De vrome aartsbisschop was op weg naar vespers, toen de Heilige Maagd in een visioen aan hem verscheen. Als bij inspiratie begroette Ildefons haar met de twee verzen uit Lucas 1. Zo legde hij de basis voor het Weesgegroet. Vervolgens bekleedde Onze-Lieve-Vrouw hem met een kazuifel die ze zelf zou hebben gemaakt.  


 

DE TOCHT NAAR SCHERPENHEUVEL

 

 

De aartshertogen Albrecht en Isabella bouwden Scherpenheuvel uit tot een bastion van de strijdende Kerk. De bedevaartskerk en de stad verbeelden een nieuwe tempel in een nieuw Jeruzalem. Bovendien brengt Scherpenheuvel een apologie van de Heilige Maagd. Dit is een uitgesproken intellectueel discours. Hoeveel de doorsnee pelgrim hier van begrepen heeft, valt moeilijk uit te maken. Zeker is dat de 'gewone' bedevaarders niet naar Scherpenheuvel trokken om het weidse politiek-religieuze programma te kunnen overschouwen.

 

Al eeuwenlang, ook voor de komst van Albrecht en Isabella, maken pelgrims voor heel uiteenlopende redenen de tocht naar Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Vaak is dit uit devotie of dankbaarheid. Anderen gaan om vergeving te vragen of om een gunst af te smeken. Voor nog anderen is de bedevaart het resultaat van een gedane belofte of gewoon een sportieve uitdaging. De traditie en het samenzijn in groep drijven vele bedevaarders ertoe om elk jaar de tocht te maken. De redenen zijn dan een complex samenspel van religieuze en socio-culturele motieven.

 

Toch zijn er enkele specifieke problemen waarvoor de Maagd op de heuvel, hoofdzakelijk in vroegere tijden, meer opgezocht wordt dan voor andere. Ooglijders komen water halen van de waterput van Scherpenheuvel, omdat in de zeventiende eeuw een vrouw van blindheid genas nadat ze haar ogen met dit water gespoeld had. Zakjes zout worden op het altaar gelegd om kinderen van bedwateren te verlossen. Alleenstaanden bidden bij Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel om een levensgezel te vinden, verloofden om Maria's goedkeuring te vragen en gehuwde vrouwen om vruchtbaarheid. Eenmaal zwanger komen ze nog eens terug om een kaarsje te branden voor een voorspoedige zwangerschap.

 

Op hoogdagen lokt het bedevaartsoord veel bezoekers. De opening van het bedevaartseizoen in de Mariamaand mei is een topdag, maar vooral de kaars-kensprocessie op de eerste zondag na Allerheiligen, waarmee het seizoen traditioneel wordt afgesloten, zorgt voor een grote volkstoeloop. Dan wordt het Mariabeeld van het altaar gehaald en maakt het een ommegang rond de kerk. De bedevaarders steken kaarsen aan, die gedoofd worden zodra het beeld voorbij gekomen is. De kaarsen worden mee naar huis genomen om bij speciale gebeurtenissen of als bescherming terug ontstoken te worden. Mensen hebben in de loop der tijden om veel verschillende redenen de weg naar Scherpenheuvel gevonden. De bedevaarten zelf ondergingen een hele evolutie.

 

 

Op weg naar de heuvel

 

Volgens de legende kwamen er al in de veertiende eeuw mensen naar een eik tussen Zichem en Diest. De eerste officiële bedevaarten ontstonden pas rond 1600. In 1598 ging een militaire bedevaart van het Spaans leger in Diest uit en in 1602 organiseerde pastoor Godfried Van Thienwinckel de eerste kerkelijke bedevaart van Zichem naar Scherpenheuvel.

 

Nadat de basiliek en de stad voltooid waren, was Scherpenheuvel helemaal klaar om de vele bedevaarders te ontvangen. In de loop van de zeventiende eeuw maakten meer dan vijfentwintig parochies een eigen bedevaart naar Scherpenheuvel. Op enkele uitzonderingen na kwamen die allen uit de onmiddellijke omgeving van de nieuwe stad. Uit een rekenboek van de congregatie van Oratorianen, die destijds de organisatie van het bedevaartsoord op zich genomen hadden, blijkt dat in de achttiende eeuw dit aantal was opgelopen tot negenenveertig. De regio rond Scherpenheuvel was nog sterk vertegenwoordigd, maar de bedevaarders kwamen nu ook van veel verder. Het laatste kwart van de achttiende eeuw betekende een terugval voor Scherpenheuvel. Enerzijds zorgden de kerkelijke hervormingen van Jozef II voor een tijdelijk verbod op bedevaarten. Anderzijds waren er de antigodsdienstige maatregelen tijdens het Franse bewind, waardoor de bedevaarders uit Scherpenheuvel wegbleven.

 

 

De negentiende en twintigste eeuw: een bloeitijdperk voor Scherpenheuvel

 

In 1801 sloot Napoleon een concordaat met de paus. Na verloop van tijd gingen de kerken weer open en keerde een viertal Oratorianen terug naar Scherpenheuvel. Zij zorgden ervoor dat het bedevaartsoord opnieuw klaar was voor zijn functie. Het commerciële leven bloeide weer op en voor de inwoners lag er een betere economische toestand in het vooruitzicht. Al snel hervatten de bedevaarders de tocht naar de heuvel. De toenemende devotie in de eerste helft van de negentiende eeuw hing samen met het fenomeen van het katholieke reveil. Door deze religieuze heropleving kregen gezamenlijke processies en bedevaarten naar heilige plaatsen een extra duw in de rug. Het aantal bedevaarten naar Scherpenheuvel bleef in de loop van de negentiende eeuw stijgen. In 1851 werden er 99 georganiseerde bedevaarten vermeld. In 1875 was dit aantal gestegen tot 194, in 1900 tot 258.

 

Het hoogtepunt in de negentiende eeuw was 1872 toen het beeld van Maria plechtig werd gekroond. In het begin van de twintigste eeuw bleef het aantal bedevaarten stijgen. Topdagen waren de kroningsfeesten in 1922 en 1947. In 1954 kon de stad rekenen op 435 georganiseerde bedevaarten. De stijging in het aantal georganiseerde bedevaarten heeft te maken met het ontstaan van een aantal nieuwe verenigingen. Voorheen werden de bedevaarten meestal georganiseerd door bedevaartbroederschappen. Die brachten speciale handboekjes voor de bedevaarder uit, waarin - naast gebeden en liederen - ook de regels van de bedevaart beschreven werden. Niet zelden moesten vrouwen en mannen strikt gescheiden op tocht gaan en werd er de hele weg gebeden en gezongen. Deze broederschappen bleven bestaan, maar kregen in de negentiende eeuw het gezelschap van een aantal nieuwe katholieke organisaties. Zo stimuleerde het katholieke reveil het ontstaan van verenigingen als het Sint-Vincentiusgenootschap, die ook jaarlijks op bedevaart naar Scherpenheuvel gingen. Daarnaast ontwikkelden zich er in de periode van modernisering, democratisering en massificatie vele katholieke maatschappelijke organisaties als mutualiteiten, werkliedenverenigingen en later jeugdorganisaties (scouts, chiro, KAJ, BJB), vrouwenorganisaties en gepensioneerdenbonden, die elk op hun beurt hun leden de mogelijkheid boden om samen naar Scherpenheuvel te gaan

 

In de twintigste eeuw zorgde de toenemende mobiliteit voor een wijziging in de manier waarop men op bedevaart ging. Terwijl vroeger iedereen te voet naar Scherpenheuvel en andere bedevaartsoorden trok, had men nu de mogelijkheid om per trein, tram, bus, auto of fiets op tocht te gaan. Vanaf 1894 was er een spoorlijn van Zichem naar Scherpenheuvel. Vele bedevaarders verkozen toen om per spoor naar het bedevaartsoord te komen. Vanaf de jaren 1950 tot de definitieve sluiting in 1974 werd de spoorlijn nog uitsluitend gebruikt voor de speciale bedevaartstreinen. Autocarondernemingen begonnen tevens bedevaarten naar Scherpenheuvel aan te bieden.

 

Na de Tweede Wereldoorlog, vooral tijdens de jaren 1950 en 1960, werden collectieve busreizen en familiale tochtjes met de auto heel gebruikelijk, mede door de verbetering van het wegennet. Een merkwaardig gevolg van deze ontwikkeling is het ontstaan van de autowijding. Dagelijks kunnen bedevaarders in Scherpenheuvel hun voertuig laten zegenen om hen te behoeden voor ongevallen. Door de groeiende mobiliteit werden buitenlandse bedevaartsoorden als Lourdes, Compostella of Rome ook veel toegankelijker. Het lokale Scherpenheuvel dreigde zo vergeten te worden door de bedevaarders. Opvallend was echter dat velen er toch bewust voor kozen om te voet naar Scherpenheuvel te blijven gaan. Traditie speelt hierbij een grote rol, maar er kan ook de bedenking worden gemaakt dat het prototype van een bedevaart een voettocht is. Bedevaarders leggen de weg naar Santiago de Compostella nog vaak gedeeltelijk of zelfs volledig te voet af. Dat voetbedevaarten naar Scherpenheuvel ook vandaag nog populair zijn bewijst De Grote Trek, de voettocht van Antwerpen naar Scherpenheuvel, waarbij de scouts actief betrokken zijn. De Grote Trek werd in 1930 specifiek als voetgangersbedevaart opgericht. Deze bedevaarten zijn vooral populair bij jongeren.

 

 

De jaren 1960: crisis van het oude model

 

De kerkelijke hervormingen van de jaren 1960 en de algehele modernisering en secularisering van de maatschappij betekenden een crisis voor Scherpenheuvel en bedevaarten in het algemeen. In deze periode stelden kritische stemmen de Mariadevotie zelf in vraag. Wegens gebrek aan deelnemers werden sommige bedevaarten afgeschaft. Deze periode betekende het twintigste-eeuwse dieptepunt voor Scherpenheuvel. Er werden slechts een tweehonderdtal georganiseerde bedevaarten in de lijsten genoteerd. Opvallend is dat Scherpenheuvel de terugval van de jaren 1960 goed te boven kwam. Mede dankzij de energieke aanpak van de toenmalige pastoor en een modernere kijk op het bedevaartgebeuren steeg in de jaren 1970 het aantal bedevaarten opnieuw tot 444. Door de bouw van de Mariahal in 1972 konden - vooral bij slecht weer - ook grotere groepen in Scherpenheuvel worden opgevangen. Tijdens de jaren 1980 en 1990 liep het aantal georganiseerde bedevaarten op tot 800 en sprak men van een miljoen bezoekers per jaar. Dat de bedevaarder nog steeds heel belangrijk is voor Scherpenheuvel werd bewezen met de opening in 2003 van het onthaalcentrum De Pelgrim. Hier kan de bedevaarder terecht voor informatie en meditatie en zijn er zelfs slaapzalen en een cafetaria voorzien.

 

 

Een hedendaagse bedevaart

 

Voor de traditionele bedevaarder maakt de pelgrimstocht deel uit van zijn geloof. Het is een traditie die hij in ere houdt om zijn devotie te uiten. Dit is voor iedereen echter niet zo evident. De toenemende interesse in spiritualiteit vandaag kan mede verklaard worden door het feit dat vele mensen op zoek zijn naar zingeving in een steeds sneller veranderende maatschappij. Op bedevaart gaan is voor sommigen een hulpmiddel. De tocht naar Scherpenheuvel of naar Santiago de Compostella wordt dan een 'zoektocht' naar zichzelf of naar een transcendente ervaring. De bedevaarder maakt zich los uit zijn vertrouwde alledaagse wereld en gaat op weg naar het onbekende. De lichamelijke uitdaging vormt hierbij een bijkomende factor. De fysieke vermoeidheid zorgt in vele gevallen voor een sterkere beleving van de omgeving en een intenser bewustzijn. Een voetbedevaart groeit daardoor soms uit tot een geloofservaring.

 

Religie en zingeving zijn vandaag echter niet de enige beweegredenen om op bedevaart te gaan. Ook culturele en historische interesses spelen een grote rol. In dit opzicht wordt bedevaart een meer folkloristisch-toeristisch gegeven. Het verblijf in Scherpenheuvel zelf blijft vandaag meestal beperkt tot een dag. Vroeger was het vaak onmogelijk heen- en terugreis op dezelfde dag te maken. Men verbleef dan ook dikwijls twee of meerdere dagen ter plaatse, waarbij gewoonlijk een volledige dag gespendeerd werd aan bidden en bezinnen. Tegenwoordig brengt de bedevaarder het merendeel van zijn tijd in Scherpenheuvel door in het handelscentrum, en niet in de kerk. De devotionele dimensie, de zoektocht naar zingeving en het folkloristisch-toeristisch aspect vormen aldus een complex samenspel van verklaringen waarom de hedendaagse mens op bedevaart gaat.

 

Het fenomeen van de bedevaart heeft in de loop der jaren een hele ontwikkeling doorlopen. De nieuwste trend is de website http://www.scherpenheuvel-zichem-info.be /Scherpenheuvel / kaarsje.htm waar iedereen een virtueel kaarsje kan branden bij Maria. Men kan zelfs een persoonlijke intentie neerschrijven. 'Opgebrande' kaarsjes worden na een tijdje verwijderd. Deze evolutie kan vandaag de traditionele bedevaarten nog niet verdringen, maar misschien spreken we in de toekomst wel van bedevaarten in cyberspace.

 

Bieke Verhoelst

 


Auteurs

Prof. Dr. Luc Duerloo is hoofddocent Politiek en Instellingen van de Nieuwe Tijd aan de Universiteit Antwerpen. Hij raakte gebeten door Scherpenheuvel toen hij de succesvolle tentoonstelling Albrecht en Isabella organiseerde in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel (17 september 1998 - 17 januari 1999).

 

Dr. Marc Wingens is hoofd van de Gelderland Bibliotheek te Arnhem. Hij promoveerde in 1994 op Over de grens. De bedevaart van katholieke Nederlanders in de zeventiende en achttiende eeuw (Nijmegen, SUN, 1994). Dr. Marc Wingens heeft naam verworven als specialist in het historisch onderzoek naar bedevaarten.
Prof. Dr. Luc Duerloo en Dr. Marc Wingens publiceerden samen het boek Scherpenheuvel. Het Jeruzalem van de Lage Landen. Davidsfonds, Leuven, 2002.

 

Sandra Janssens is licentiaat Kunstwetenschappen en licentiaat Sociale en Culturele Antropologie. Haar onderzoeksdomein is Italiaanse kunst en cultuur in de periode einde zestiende - begin zeventiende eeuw en de schilder Theodor van Loon, die het onderwerp is van haar proefschrift. Sandra Janssens is wetenschappelijk medewerker van Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen.

 

Bieke Verhoelst is licentiaat Moderne Geschiedenis. Ze is medewerkster voor het project '400 Jaar Scherpenheuvel' bij het KADOC, het Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving van de K.U.Leuven.


Illustraties (De illustraties kan u bekijken in PDF-formaat)

 

De pelgrims hebben het einde van de tocht bereikt. Belgische Boerenbond en Boerenjeugdbond uit Oost-Brabant en de Antwerpse Kempen op bedevaart naar Scherpenheuvel, 1957 - KADOC, K.U.Leuven

Met vlag en wimpel treden bedevaarders het Nieuwe Jeruzalem binnen. Ingekleurde postkaart, Luc Van Hoek, 1943 - KADOC, K.U.Leuven

De basiliek van Scherpenheuvel: een koepelkerk zonder voorgaande in de Nederlanden

De Madonna van Scherpenheuvel, zestiende eeuw. In 1587 hangen de inwoners van Zichem dit beeld op in de eikenboom. Het voetstuk dateert uit een latere periode - Basiliek, Scherpenheuvel

De Latijnse lofzang van de Madonna van Scherpenheuvel. Voorpagina van Diva Virgo Aspricollis van Justus Lipsius, heruitgave, Leuven, Hastenius en Zangrius, 1623 -  Ruusbroecgenootschap, Antwerpen

Succesvolle boeken verspreiden de roem van het Mariaoord. Filips Numan, Historie van de Mirakelen, derde druk, Brussel, Velpius, 1606 - Ruusbroecgenootschap, Antwerpen

Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel, schilderij met het interieur van de stenen kapel, na 1610 - Basiliek, Scherpenheuvel

Kopergravure uit Filips Numan, Historie van de Mirakelen, Brussel, Velpius, 1604. Op de achtergrond de oude en de nieuwe kapel - Basiliek, Scherpenheuvel

Scherpenheuvel: het project van Albrecht en Isabella. Ingekleurde postkaart, verstuurd in 1930 - KADOC, K.U.Leuven

De aartshertogen Albrecht en Isabella door Frans II Pourbus, 1599 - Patrimonia Nacional, Monasterio de las Descalzas Reales, Madrid

Bedevaartvaantje, ca. 1900, tweezijdig bedrukt, zinkografie, papier. Aan de ene zijde (onder) de eik en het beeld waarmee alles begon. Aan de ommezijde (boven) de houten en de stenen kapel en de bedevaartkerk - KADOC, K.U.Leuven

Een strijdende Onze-Lieve-Vrouw in de Contrareformatie: een groot kruis verplettert de vijanden van de katholieke kerk. Gravure uit de reeks Salve Regina van Antoon Wierix, 1598 - Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel

De Hortus conclusus of Besloten Hof, gravure van Jan Wierix, 1606 - Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel

De vestingstad Scherpenheuvel. Gravure uit de Chorographia sacra Brabantiae van Antonius Sanderus, Brussel, Vleurgat, 1659 - Ruusbroecgenootschap, Antwerpen

De bedevaartkerk met het niet gerealiseerde torenontwerp. Kopergravure op de titelpagina van Puteanus, Diva Virgo Aspricollis, Leuven, Van Haften en Zangrius, 1322 - Ruusbroecgenootschap, Antwerpen

De klokkentoren achter de koepel van de bedevaartkerk: symbolen voor de Toren van David en de tempel van Salomon

Andreas, Petrus, Paulus en Jakobus: belangrijke 'officieren' van de hemelse troepenmacht op De ten-hemelopneming van Maria, een schilderij van Theodor Van Loon voor het hoogaltaar van de basiliek, tussen 1622 en 1628 - Basiliek, Scherpenheuvel

Bas-reliëf uit een van de zeven buitenaltaren (zeventiende eeuw) die elk een vreugde of smart van Onze-Lieve-Vrouw verhalen. Hier is de Aanbidding der Herders uitgebeeld - Basiliek, Scherpenheuvel

Vier buitenaltaren zijn ingepast tussen de vooruitspringende zijkapellen. Drie andere bevinden zich in nissen in de klokkentoren

De cyclus van zes profeten die Robrecht de Nole voor de centrale ruimte van de basiliek beeldhouwde, na 1622 - Basiliek, Scherpenheuvel

De aartsengelen Michaël en Gabriël van Robrecht de Nole aan de twee zijden van de toegangsdeur, na 1622 - Basiliek, Scherpenheuvel

De Jacobsladder. Over een van de ribben van de koepel loopt een trap. Zoals zijn bijbelse voorbeeld klimt hij omhoog tussen de sterren.

De Arca testamenti of Ark van het Verbond, embleem uit het Pancarpium Marianum van Jan David (Antwerpen, Moretus, 1607) trekt analogieën tussen het Oude en het Nieuwe Verbond.  De oorspronkelijke Ark van het Verbond (A) staat tegenover Onze-Lieve-Vrouw (B). De inhoud van de Ark, die bovenaan is uitgestald, bestaat uit de tafelen van de wet (C), de urne met manna (D), en de staf van Aäron (E). Als tegenhanger krijgen we onderaan het Nieuwe Testament (C), de monstrans met gewijde hostie (D) en de symbolen van het kerkelijke en wereldlijke gezag (E) - Ruusbroecgenootschap, Antwerpen  

Het Domus sapientiae of Huis van de Wijsheid, embleem uit het Pancarpium Marianum van Jan David (Antwerpen, Moretus, 1607) verenigt een aantal mariale symbolen. De rondbouw rust op zeven zuilen en verwijst naar de tempel van Salomon, de wijste aller koningen. De aanwezigheid van het Jezuskind maakt het gebouw tot tabernakel van God onder de Mensen. De duif boven de toren maakt er de Tempel van de Heilige Geest van. Het geheel rust op een rots, de Berg van het Huis van God - Ruusbroecgenootschap, Antwerpen

Het hoogaltaar staat op de plaats waar vroeger de eik groeide

Beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel, gesneden uit de eik (voor 1606) in de Sint-Carolus Borromaeuskerk te Antwerpen

Huisaltaar met beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel, gesneden uit de eik (eerste helft zeventiende eeuw). Albrecht en Isabella schonken het aan de gravin van Berlaymont - Klooster van Berlaymont, Waterloo

Impressies van een ziekenzorgbedevaart naarcherpenheuvel. Vermoedelijk einde jaren 1950 - begin jaren 1960 - KADOC, K.U.Leuven

Schilderij Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel (anoniem, eerste helft achttiende eeuw). Op de voorgrond de twee meest spectaculaire wonderen uit de eerste jaren van Scherpenheuvel: de genezing van de kreupele Hans Clements en de duiveluitdrijving van Catherine du Bus - Niederrheinisches Museum für Volkskunst und Kulturgeschichte, Kevelaer

 

Theodor Van Loon, gravure uit de zogenaamde iconografie van Antoon van Dyck, rond 1630 - Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel

Ontmoeting bij de Gouden Poort behoort tot de cyclus van zeven altaarstukken (1616-1623) die Theodor Van Loon schildert voor de bedevaartkerk van Scherpenheuvel - Basiliek, Scherpenheuvel

Geboorte van Maria door Theodor Van Loon. Het thema kende een groot succes in de Middeleeuwen en in Italië, maar is zeldzaam in de zeventiende-eeuwse Zuid-Nederlandse kunst - Basiliek, Scherpenheuvel

Presentatie van Maria in de Tempel, van Theodor Van Loon - Basiliek, Scherpenheuvel

Presentatie van Maria in de Tempel (detail). Maria, een wonderbaarlijk klein meisje

Annunciatie door Theodor Van Loon. In tegenstelling tot de traditie staat Maria links - Basiliek, Scherpenheuvel 

Visitatie door Theodor Van Loon. De lichtjes voorover gebogen houding van Elisabeth is een favoriet type van de schilder - Basiliek, Scherpenheuvel

Presentatie van Jezus in de Tempel door Theodor Van Loon - Basiliek, Scherpenheuvel

Presentatie van Jezus in de Tempel (detail)

Presentatie van Jezus in de Tempel (detail)

Schilderij Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel (anoniem, 1671). Aan de takken van de eik hangen krukken en andere ex-voto's - Eglise Saint-Michel, Luxemburg

 

De kaarskensprocessie, anno 2004 - Foto's Lander Loeckx

Frans van Leemputten, Kaarskensprocessie te Scherpenheuvel, onderdeel van een triptiek, 1903-1905 - Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

Devotieprentje, ingekleurde kopergravure, achttiende eeuw - Basiliek, Scherpenheuvel

Speciale handboekjes voor de bedevaarders: Den devoten pelgrim uit 1750 en een boekje uit 1925 - Aartsbisschoppelijk Archief, Mechelen

Affiche voor een jubileum Kroningsfeest - Aartsbisschoppelijk Archief, Mechelen

Aankomst te Scherpenheuvel. Postkaarten uit de collectie Ziekenzorg - KADOC, K.U.Leuven

Affiche LCM-bedevaart naar Scherpenheuvel - KADOC, K.U.Leuven

Vroeger verbleven bedevaarders meerdere dagen in Scherpenheuvel. Hotel Het Gulden Vlies. Foto uit de periode 1914-1918 - KADOC, K.U.Leuven

 

 

Herkomst van de illustraties

Uit het boek Scherpenheuvel. Het Jeruzalem van de Lage Landen, Davidsfonds, Leuven: 4-5-6-7-9-11-12-13-14-15-16-17-18-19-20-21-23-28-29-30-31-32-33-34-35-38-39

KADOC, K.U.Leuven: 3-8-10-24-25-26-27-41-42

Aartsbisschoppelijk Archief, Mechelen: 40 

Lander Loeckx: cover -22-36-37-43