U bent hier

Roel D'Haese - De saraceen

Roel D'Haese - De saraceen
Roel D'Haese, De Saraceen, Beeldhouwwerk, brons, 75 cm, 1958, Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim, Antwerpen.

 

Roel D'Haese wordt over het algemeen beschouwd als de belangrijkste Vlaamse beeldhouwer van zijn generatie. Hij beschikt over een krachtige verbeelding, en weet die uit te drukken in sterkbewogen vormen. Zijn 'Saraceen', een bronzen sculptuur die hij maakte in 1958, en die zich in het openluchtmuseum Middelheim bevindt, is daarvan een karakteristiek voorbeeld: een voorbeeld van D'Haeses vermogen om schijnbaar onsamenhangende vormen samen te voegen tot een organische eenheid, geanimeerd met eigen leven.

 

Men zou een benaderen van een werk als dit kunnen verdelen in drie tijden, in drie fasen:

 

1. Het eerste oppervlakkig contact geeft een chaotische indruk. Men weet eigenlijk niet goed langs welke zijde men het beeld moet benaderen. Het oog vindt geen onmiddellijk houvast, geen rustpunt. Alles schijnt ordeloos uiteen te vallen.

 

2. In de tweede fase, waarbij men enige afstand neemt, constateert men dat de ogenschijnlijke puzzel samengroeit tot een plastisch organisme. De losse stukken - zo begint men te zien - schakelen zich aan elkaar, grijpen in elkaar. Het beeld krijgt gestalte. Het heeft zijn profiel, zijn houding, zijn karakter.

 

3. De derde fase kan weer gewijd zijn aan het detailleren van de samenstellende elementen: dat wordt dan, als men eerst hun zinvol verband heeft gezien, een verkennen van allerlei onvermoede vormen, een speurtocht over holten en kloven en grillige uitsteeksels, waarin het oog aan alpinisme doet in een fantastisch bergmassief.

 

Grillig is het, inderdaad, op dezelfde wijze als een oud, sterk geërodeerd gebergte: niet zomaar door een toevallige, uiterlijke gril, maar, zou men zeggen, door felle innerlijke krachten - aardverschuivingen, stuwingen, erupties die ganse zones overdekt hebben met gestolde lava.

 

Met deze vergelijking, meen ik, raken wij al dadelijk de kern van D'Haeses kunst. Zij heeft iets van een natuurkracht, iets onbepaalbaar vitaals dat men altijd op de een of andere wijze wil associëren met geologie of gestatie, met geboren worden, met duistere groeikracht. Iets dat schijnbaar nog bezig is zich moeizaam te ontworstelen aan het vormeloze, of elk ogenblik kan terugzinken in de chaos. De vormen lijken nooit definitief, nooit in zichzelf besloten. Zij zouden evengoed toevallig gestolde of versteende momenten kunnen zijn uit het bestendig 'Stirb und Werde' der natuur.

 

Door zulke gevoelens zichtbaar en tastbaar te maken grijpt Roel D'Haese zeer diep in het onderbewustzijn.

 

Wij voelen ons, via wezens als 'De Saraceen', rechtstreeks betrokken bij geheimnisvolle mutaties, bij een kosmisch gebeuren, dat voorbij alle wetenschappelijke kennis reikt en eerder van mythische orde is.

 

Het beeld krijgt dan iets magisch. Men kan het zien als een profane fetisj, als een totem voor moderne mensen. Een beeld dat wortelt in een oeroud verleden en tegelijk een onvoorstelbare toekomst voorspelt. Iets tijdeloos dus, waarin alles samenvloeit en dat over alle grenzen heen reikt. In elk geval iets dat beantwoordt aan de behoefte aan mysterie, aan irrationele symboliek, in één woord, aan poëzie, dat van àlle tijden en ook van de onze is.

 

Het betekent heel wat, als een nog betrekkelijk jong beeldhouwer in staat is ons op die manier aan te spreken. Natuurlijk heeft Roel D'Haese niet onmiddellijk deze hoogte, of liever deze diepte, bereikt. Geboren te Geraardsbergen in 1921 liep hij enige jaren academie te Aalst, en studeerde dan bij beeldhouwer Oscar Jespers aan het Hoger Instituut voor Bouwkunst en Sierkunsten Ter Kameren. Zijn eerste tentoonstelling hield hij te Brussel in 1948. Sindsdien exposeert hij regelmatig in een belangrijke galerij te Parijs, en geniet sedert jaren internationale erkenning.

 

Na een eerste periode waarin hij vooral naakten boetseerde schakelde hij over naar de metaalsculptuur. Zijn produktie ontwikkelt zich dan gedurende een aantal jaren parallel in twee technieken: enerzijds maakt hij sterk ritmische, zuiver abstracte constructies uit gelast metaal en soms ook wel uit plaatijzer, anderzijds ontstaat een lange reeks vreemde, ingewikkelde wezens, in brons gegoten volgens het procédé van de verloren wasvorm. Deze tweede soort werken, waarvan 'De Saraceen' er een is, lijkt mij wel de rijkste, de sterkste en de meest persoonlijke te zijn geworden.

 

Toch heeft D'Haese intussen ook deze ader opgegeven. Achtte hij hem uitgeput, of vreesde hij tenslotte in maniërisme te vervallen? In 1962 schakelde hij over naar de houtsculptuur, in een moedige poging om zichzelf te vernieuwen door zich een andere discipline op te leggen. Begrensd door de afmetingen van het houtblok, waaruit hij kapt, en door de aard van het minder soepel materiaal, is zijn stijl compacter en stroever geworden.

 

Toch betekende dit geen definitief afscheid aan het boetseren, en in 1964 verbaasde hij opeens met een reusachtig ruiterbeeld, in brons gegoten, in een bijna renaissancistisch realisme uitgevoerd, maar toch ook weer met die typisch geëxalteerde uitdrukkingskracht waardoor al zijn werk zich onderscheidt.

 

De dramatische kracht en de grootsheid, die hierin werden bereikt, overtroffen al wat D'Haese tevoren gemaakt had; maar toch kan men zich afvragen of hij meteen ook niet juist dat natuurlijke, die openheid, dat onbepaalbaar mysterie - waardoor werken als 'De Saraceen' ons fascineren - heeft prijsgegeven. De duidelijkheid van man en paard, de verscheurende pijn van de getroffen mens, de tragiek en de aanklacht laten geen plaats tot eigen vrije interpretatie. Het werk is 'definitief', is 'gesloten'. Met 'De Saraceen' daarentegen is het juist andersom. Men is er eigenlijk nooit mee klaar. Men kan er telkens opnieuw aan beginnen, zonder dat het uitgeput raakt. Het bewaart zijn geheim en het blijft troebleren.

 

Misschien ook wel beïnvloed door de naam, die de kunstenaar aan zijn beeld gaf, is men geneigd er iets Arabisch in te zoeken. Men ontdekt dan inderdaad, met enige fantasie, gedeelten van een soort oosterse helm, gedeelten van een middeleeuwse harnas. Maar het kunnen net zo goed vreemdsoortige schelpen zijn, of keverachtige schalen. En soms twijfelt men dan weer tussen gesteenten en vervormde machine-onderdelen. De versmelting van al die elementen is echter zodanig, dat hun herkomst weinig belang heeft en dat zij hun afzonderlijke betekenis verliezen. Zij bestaan slechts in functie van het geheel, waarvan zij de bouwstoffen worden.

 

Is dit vreemde, ingewikkelde wezen vriendelijk of boosaardig, of beide? Is het angstaanjagend, of alleen maar drollig? Behoort dit prachtige gedrocht tot onze planeet, of tot een andere? En, als het op de aarde thuishoort - wat volgens mij geen enkele twijfel laat - welke zijn dan zijn verwantschappen met de menselijke, dierlijke, vegetale rijken?

 

Het zijn vragen waar uiteraard geen antwoord op mogelijk is, en dat maakt het raadsel alleen maar boeiend. De enige zekerheid tegenover dit werk is, dat het authentieke kunst is, een wereld op zichzelf waarin het wezenlijke zich aan alle woorden, aan elke rationele verklaring onttrekt.


Keuze uit te raadplegen boeken :

  • Michel Seuphor, La sculpture de ce siècle, Le Griffon, Neuchatel
  • Gilberte Gepts, Beeldhouwkunst in België, Helios, Antwerpen
  • Francine Legrand, Dictionnaire de la sculpture moderne, Parijs