U bent hier

Reünie in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal - Een weldadig terugzien

Frans Floris, De val van de opstandige engelen, middenpaneel van de schermerstriptiek, 1554, olieverf op paneel, 303 x 220 cm, KMSK Antwerpen.

 

De renovatie van het KMSKA is niet enkel een zegen voor het museum, het is een godsgeschenk voor Antwerpen. In de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal en het Rockoxhuis komen kunstwerken logeren waarvan sommige verwelkomd zullen worden als oude bekenden. Tien retabels keren terug naar de plek waarvoor ze ooit gemaakt werden.  

 

 

OORSPRONKELIJKE CONTEXT 

 

Op 31 oktober 1815 trok een aantal karren vanuit Parijs noordwaarts. Ze waren tjokvol geladen met het door Napoleon geconfisqueerde vaderlandse kunstpatrimonium. De Van Eycks, Rubens en hun broeders legden de terugtocht af tijdens de barre wintertijd, in een tijdperk waarin klimatologische beheersing nog geen zaak van wetenschappelijke exactheid betrof. In Brussel aangekomen hadden ze volgens de burgemeester hun bestemming bereikt. Het weerzien met de Schelde werd bijna voorgoed uitgesteld. Zover kwam het echter niet en de karavaan trok na inmenging van hogerhand verder, stopte in Mechelen, waarna 4 wagens richting havenstad hobbelden. 

 

Een aanzienlijk aantal retabels zoals De val van de opstandige engelen van Frans Floris en het Miehielsen-epitaaf met Christus op het stro van Rubens, zijn nooit naar hun originele standplaats in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal teruggekeerd. Ze zouden in de Academie voor Schone Kunsten blijven en de basis uitmaken van het latere museum. De kathedraal ruilde hen voor Rubens' De Kruisoprichting, wiens onderkomen, de Walburgiskerk, afgebroken was. Het Franse optreden had de situatie van het kerkelijk erfgoed op schokkende wijze naar een nieuw tijdperk geloodst. De stichting van het Museum voor Schone Kunsten was een positief wapenfeit, waarbij het voorbeeld van het Louvre niet te onderschatten was. Maar dit bracht beperkingen met zich mee. 

 

Overal ter wereld trekken mensen naar musea en kijken er naar kunstverzamelingen. Zij zijn het beste alternatief: de recuperatie van die stukken betekende niet zelden de redding van een schielijke ondergang. Ze worden er in betere omstandigheden bewaard dan particulieren of kerken ooit zouden kunnen verzekeren. Maar de authenticiteit van de kunstwerken wordt er soms zo moeizaam gecommuniceerd. Soms uit pudeur: wat is er nog authentiek na vele restauraties en welk museum wil dat te grabbel gooien? Het grootste struikelblok is echter het teloorgaan van de oorspronkelijke context. Een verhelderende tekst of een digitale reconstructie als het meezit helpen ons op weg, maar niets is zo efficiënt als de exacte opstelling in het historische interieur. Laatste Oordeel met de zeven werken van barmhartigheid van Barend van Orley (ca. 1492-1542) zal in de kathedraal eloquenter zijn dan in de steriele museumzaaL Het museum gaat soms wat gelijken op een mausoleum waar de verzorging zo georganiseerd wordt dat het werk zo lang mogelijk voor de mensheid bewaard wordt. Maar eens thuis zal het weer blaken van levenslust. Als moderne kunstliefhebbers kijken we naar werken in museale context, maar we zien meestal niet dat aan de originaliteit gemorreld is: functie, lijsten, hele onderdelen van polyptieken of de context gingen niet zelden verloren. Kunst in context verkleint in de beleving van de bezoeker de afstand tussen toen en nu; en het is juist die ervaring van het authentieke waarnaar men hongert. 

 

 

DE KATHEDRAAL EN HAAR VERSTROOIDE SCHATTEN 

 

Er is nooit een gebrek geweest aan mythevorming rond de persoon van Quinten Metsys (1460-1530). Zijn drieluik Altaarstuk van het schrijnwerkersambacht is een meer tastbaar bewijs van zijn grote persoonlijkheid. Terug in de kathedraal is het op de plaats waarvoor het in 1508 besteld werd: het ambachtsaltaar van de schrijnwerkers. Al in 1577 verhuisde het naar het stadhuis waar men besliste om Miehiel Coxcie de ogiefvormige lijst te laten aanvullen met lucht en wapenschilden. Reeds in de negentiende eeuw besliste het museum om de originele vorm te herstellen. Eind achttiende eeuw kon men voorkomen dat het richting Parijs verdween en kon het iets later aan een carrière als een van de hoekstenen van de museale collectie beginnen. 

 

Het altaar en de inkleding zijn echter niet overgeleverd. Met de tijdelijk herwonnen plaats komt een stukje van de vroegere impact terug. De verschillende altaren van ambachten en gilden schurkten tegen de bundelpijlers aan, als in een gestadige processie richting transept. Men zag de grisaillefiguren op de gesloten luiken en men diende te wachten tot een feestdag waarop dan het visuele wonder geschiedde: het lamenteren om een deplorabel ogende Christus en op de zijluiken de daarbij vloekende barbaarsheden jegens de patroonheiligen van de schrijnwerkers. Het is het zeer gewaagde landschap, zonder overgang, dat dit eclectische schilderij met ontleningen aan Van der Weyden, Da Vinci en Dürer afmaakt. 

 

Frans Floris (1519/20-1570) schilderde voor het schermergilde in 1554 het wervelende De val van de opstandige engelen. Men verleende het geen rustig bestaan want al tijdens de Beeldenstorm in 1566 werd het mismeesterd. Het heeft er alle schijn van dat de zijluiken op dat moment verdwenen zijn. Na 1650 werd het monumentale middenpaneel opgenomen in een portiekaltaar met vrijstaande marmeren sculpturen die aan Artus Quellinus de Jongere (1625-1670) en Hubert van den Eynde (1594-1661) toegeschreven worden. Zij zijn in de kathedraal bewaard gebleven en kunnen de confrontatie met het engelengeweld terug aangaan. 

 

Na de Val van Antwerpen en de religieuze troebelen kwam men tijdens de daaropvolgende eeuw het dieptepunt te boven. Ook 400 jaar geleden bestreed men een crisis door jobs te creëren met het oog op productie en consumptie. Via de Contrareformatie trachtte de kerk haar machtspositie te herstellen. Met de chanterende druk van het zielenheil bouwde men nieuwe kerken en werden de bestaande opgefrist. De grootste en misschien wel mooiste kerk van de Zuidelijke Nederlanden spande nog steeds de kroon. Peter Paul Rubens als bezieler van de stad, dus ook van haar architecturaal juweel. De aanwezige versie van De hemelvaart van Maria voltooide hij pas rond 1626-27, circa 15 jaar later dan verwacht. Het speerpunt van de kathedraal was gevangen in een marmeren portiekaltaar. Een dergelijk barok gesamtkunstwerk was gewrocht: schilderkunst, bouwkunst en beeldhouwkunst werden optimaal benut. Het is daarenboven verre van onaannemelijk dat Rubens zelf ontwerpen maakte voor die omlijsting. Het ensemble ging, nadat Maria naar Parijs ontvoerd werd, verloren en werd later vervangen. Zelfs als we denken dat de setting authentiek is, blijkt dit fictie te zijn. 

 

 

DE KRUISOPRICHTING 

 

Heerschappen als Cornelis van der Geest en Nicolaas Rockox, uit de toplaag van het patriciaat, waren zeer belangrijk voor Rubens' carrière. Dit tweetal had respectievelijk een hand in de commissie van De kruisoprichting en De kruisafneming. Hoe De kruisoprichting tot de gelovigen sprak, valt met wat zin voor het filmische op te maken bij het zien van het binnenzicht van de Walburgiskerk tijdens de jaren 1660. Een schilderij van Antoon Gheringh (1620-1668) geeft ons die documentaire inkijk. Het dramatische effect moet fameus geweest zijn. Vanaf een doksaal leidde een trappenreeks naar het hoger gelegen koor. De triptiek werd onderaan afgehoord door drie predellastukken en afgetopt met geschilderde afbeeldingen van God en engelen. Nadat ze uit de mode waren geraakt, verving men hen door een marmeren omlijsting. Vanaf een verheven podium sorteerde het breedsprakige meesterwerk een uitgekiend effect. Ook al gaat het al jaren een unieke dialoog aan met De kruisafneming, de waarde van de genius loci is nauwelijks te overschatten en nooit meer herstelbaar. Het is wonderlijk hoe genoegzaam bekende kunstwerken eensklaps van karakter en zegging kunnen veranderen als ze hun oorspronkelijke standplaats mogen opzoeken. Of als ze nieuw terrein mogen verkennen, zoals een ander werk dat Rockox door Rubens liet vervaardigen: Het ongeloof van Thomas. Bedoeld als epitaafstuk voor de nu verdwenen Minderbroederskerk, wordt het in zijn eigen paleisje aan de Keizerstraat geconfronteerd met het grote salet en de luxueuze verzameling. 

 

Op 5 december 1815 werden in Antwerpen de klokken geluid en juichte men om de blijde intrede van de kunstschatten uit Parijs. De deportatie was met dit feit ten dele uitgevaagd. In 2009 kan men het werk tijdelijk afmaken en de magie van de plaats laten spreken. De nevel rond het begrip van de context kan langzaam optrekken. 

 

Matthias Depoorter 

 


INFO 

Tentoonstellingen

 

Reünie, van Quinten Metsijs tot Peter Paul Rubens

Van 5 juni t.e.m. 15 november 2009

Open: maandag t.e.m. vrijdag van 10 tot 17 uur, zaterdag van 10 tot 15 uur, zondag van 13 tot 16 uur

O.-L.-V.-Kathedraal Antwerpen

http://www.dekathedraal.be/

 

Godsgeschenk, privémecenaat aan de Antwerpse kerkgemeenschap tijdens de 16de en 17de eeuw

Van 5 juni t.e.m. 15 november 2009

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur

Gesloten: maandag

Rockoxhuis

Keizerstraat 10-12

2000 Antwerpen

Tel. 03 201 92 50

www.rockoxhuis.be