U bent hier

Piet Mondriaan - Compositie nr. 3 - boom

Piet Mondriaan - Compositie nr. 3 - boom
Piet Mondriaan, Compositie nr. 3 (boom), 1912/13 olieverf op doek, 95 x 80 cm.
 
Wanneer we dit schilderij op zich zelf bekijken, kunnen we het abstract noemen. Het bevat slechts lijnen en vlakjes. Daarom wordt het aangeduid als een compositie. Wanneer we het echter plaatsen temidden van de werken die Mondriaan in de jaren vlak voor de eerste wereldoorlog maakte, nemen we duidelijk waar dat het deel uitmaakt van een serie schilderijen en tekeningen, waarin het gaat om verschillende stadia van abstrahering van een boommotief. Vandaar de toevoeging aan de titel.
 
In de krijttekening 'Boom II' (zie p. 74) zijn boom en omringende ruimte van elkaar onderscheiden elementen. De boom staat in een landschap met een lage horizon. In het midden verdicht zich de wirwar van takken tot een rondende beweging, ondersteund door de lichte kromming van de stam. In het schilderij 'De grijze boom' (zie p. 74) zijn de takken teruggebracht tot boogvormige lijnen, geschilderd in donkergrijs en zwart. Er is geen onderscheid meer tussen voor- en achtergrond. Boom en omringende ruimte zijn met elkaar verweven en voegen zich naar het platte vlak van het schilderij.
 
In het schilderij 'Bloeiende appelboom' (zie p. 74) heeft Mondriaan het thema niet langer herkenbaar voorgesteld. In plaats van een boom zien wij een veelheid van vlakjes en licht rondende lijnen, die, als de bogen van een ellips tegenover elkaar geplaatst, ritmisch zijn herhaald. In het verloop van deze lijnen overwegen twee richtingen, waarbij de horizontale in evenwicht wordt gehouden door de verticale. Een harmonische groepering van min of meer gelijkwaardige vormen en kleuren is het eigenlijke hoofdonderwerp geworden.
 
In 'Compositie nr. 3' is dat nog duidelijker het geval. De grote beweging van de boom is daarin nog verder opgesplitst in een aaneenschakeling van kleine zelfstandige vormen. Sporen van een boommotief kunnen we slechts terugvinden in suggesties van schaduwaccenten in de onderste helft. De bovenste helft is egaler en meer aan het vlak gebonden, en daardoor abstracter.
 
Kenmerkend is het vervagen van de vormen naar de hoeken toe. We kunnen dat beleven alsof de beweging in een neutrale omringende ruimte verdwijnt, maar ook alsof hij daaruit naar voren komt door een geleidelijke verdichting en verheviging naar het centrum toe. Dit werken vanuit of naar een centrum toe heeft Mondriaan waarschijnlijk geleerd van de Franse kubisten, waarvan hij het werk in deze jaren leerde kennen. Ook de in deze periode in zijn werk dominerende grauwe en grijze tinten wijzen op een invloed van het kubisme.
 
Mondriaan schreef in 1914: 'Heeft men de oppervlakte (hij bedoelt de uiterlijke verschijningsvorm) lang liefgehad, dan zoekt men iets meerders' (uit: 'Piet Mondriaan', M. Seuphor, Magazine of Art, 1952, p. 218).
 
In de jaren na 1914 ging hij dit meerdere in volledig abstracte werken uitdrukken. Hij ontwikkelde een volstrekt eigen beeldtaal, waarin iedere verwijzing naar de herkenbare werkelijkheid verdwenen is. Deze eigen beeldtaal werd vanuit de kleine vlakjes van het kubisme ontwikkeld. Maar geleidelijk aan vond een verstrakking plaats met tegelijkertijd een steeds belangrijker worden van de kleur. Totdat omstreeks 1920 er slechts eenvoudige grote vlakken zijn in heldere kleuren, meestal rood, geel en blauw, aangevuld door wit, zwart en grijs. Ze worden begrensd door strakke lijnen, uitsluitend toegepast in de twee meest elementaire richtingen: horizontaal en verticaal.
 
Het contrast tussen horizontaal en verticaal was voor Mondriaan essentieel, omdat het voor hem een symbool was van de fundamentele tegenstellingen waar we in ons menselijk bestaan mee te maken hebben: mannelijk tegenover vrouwelijk, geest tegenover materie, licht tegenover donker enz. Deze tegenstellingen moesten volgens hem in evenwicht, in harmonie gebracht worden. Ook in de hier afgebeelde compositie uit 1921 gaat het om een evenwicht tussen in grootte ongelijke, doch in werking gelijkwaardige, horizontale en verticale lijnen en kleurvlakken.
 

Piet Mondriaan, Amersfoort 1872- 1944 New York.

Leerling van de Amsterdamse Academie; ontving aanwijzingen van zijn vader en zijn oom de Haagse schilder Frits Mondriaan. Werkzaam te Amsterdam tot 1904, Uden 1904-1905, Amsterdam 1905-1911, Parijs 1911-1914, Amsterdam, Domburg, Laren 1914-1919, Parijs 1919-1938, Londen, New York 1938-1944. Begonnen in de trant van de Haagse school, ontwikkelde hij zich tot één van de belangrijkste geheel abstract werkende kunstenaars uit de eerste helft van deze eeuw. Hij was één van de hoofdfiguren in de Nederlandse beweging 'De Stijl'.