U bent hier

Paul Delvaux - Het ijzertijdperk

Paul Delvaux - Het ijzertijdperk

Op gevaar af met de deur in huis te vallen, wens ik onmiddellijk te verklaren dat m.i. 'Het ljzertijdperk' behoort tot de allergaafste en allercompleetste meesterwerken van Paul Delvaux. Gewis, er zijn er méér, doch dit is, in zijn eenvoud en in zijn monumentaliteit een bijzonder knap schilderstuk en meteen een lyrisch poëma, verrassend, klassiek en toch volkomen van onze tijd. Paul Delvaux was reeds een eindje in de vijftig toen hij dit werk voltooide in zijn atelier te Bosvoorde, waar hij ongetwijfeld een aantal van zijn beste composities heeft geschapen. Hij had toen zijn hardste, zwaarste en onzekerste tijd achter de rug. Niet dat hij armoe had geleden, doch de faam was toch - behalve in zeer beperkte kringen - laat en moeizaam afgedwongen geworden. Alhoewel in de buurt van Hoei geboren, heeft hij zijn vorming en zijn opleiding te Brussel genoten, waar hij o.m. college liep aan de Academie voor Schone Kunsten, samen met Robert Giron en René Magritte. Daar stonden zij aanvankelijk - hun leermeesters ten spijt - sterk onder de invloed van Gustaaf van de Woestijne. Dit moge wel zeer eigenaardig klinken, doch voor de Brabantse en Waalse kunstenaars, die zochten aan te leunen bij het Vlaams expressionisme, waren Permeke, Gust de Smet en Frits van den Berghe te zwaar, te stroef en te krampachtig. Van de Woestijne daarentegen, met zijn idyllische, serene taferelen, meer getekend dan geschilderd en toch zó harmonisch, oefende op de Cartesiaanse, Waalse schilders een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Wat heeft Delvaux van dit alles overgehouden ? Allereerst de drang aan de poëzie de voorrang te geven op al de rest. Vervolgens, de bezorgdheid aan de grafiek, aan de lijn, de grootst mogelijke klassieke zuiverheid en gevoeligheid te verlenen, desnoods ten koste van het koloriet, dat ingetogen en sober moet zingen, net als bij Ingres. De werkelijke openbaring, de illuminatie is echter later gekomen, toen het surrealisme alle Latijnse landen en hun randgebieden in beroering bracht. Voortaan zou het bovennatuurlijke, het redeloze, het verrassende van de droom in-wakende-toestand, de grilligheid van het toeval, kortom de logica van het absurde, de énige onuitputtelijke inspiratiebron vormen voor een nieuwe kunst en levenswandel, waarbij de absolute vrijheid van denken en handelen wordt opgeëist, wars van elke stelregel van morele, godsdienstige of sociale aard. Een orthodox surrealist, zoals René Magritte bijvoorbeeld, is Paul Delvaux nooit geweest. Trouwens, hij heeft nimmer om aansluiting verzocht bij de zeer gesloten secte van André Breton, de geestelijke vader van de revolutionaire beweging. Desondanks is 'Het Ijzertijdperk' een typisch, zij het dan ook mild voorbeeld van een surrealistisch tafereel, door zijn inhoud, zijn klimaat zijn techniek. Laten wij daarbij niet uit het oog verliezen dat het surrealisme een levenshouding is en geenszins een nieuwe manier van schilderen, zoals het cubisme, het impressionisme en andere stijlen wél geweest zijn. Hier komt het in de allereerste plaats aan op de poëtische boodschap, op de plastische vertolking van een droombeeld ontsproten uit een vrijgevochten en ongeremde fantasie. In dit droombeeld ligt ook het zwaartepunt van 'Het ljzertijdperk', eenvoudig en ondoorgrondelijk tevens. Een lang, blond naaktfiguur, slank en toch weelderig, uitgestrekt op een divan en gekapt met een vorstelijke hoed vol struisveren... Op zichzelf niets bijzonders: het witte linnen, het blankroze lichaam, het haar, en vooral de sierplant in de hoek zijn los en zwierig maar niettemin met een academische nauwgezetheid getekend en geschilderd. En toch, er gaat uit de pose, uit het armgebaar en vooral uit de blik van die al te grote ogen een gevoel uit van volslagen afwezigheid, van zich in-dromen in een andere wereld,... een rustende slaapwandelaarster, gedoemd doch kalm in haar onbewustzijn, verlokkelijk en onvatbaar, water en vuur. Dit ongemeen poëtisch beeld, bijna niets dan geest en gevoel, tekent zich af tegen een harde, koude, nachtelijke achtergrond van steen en staal, prozaïsch in de oude zin van het woord, doch omgetoverd door de liefdevolle zorg waarmee Delvaux al deze banaliteit op een hoger vlak weet te verheffen, en om zo te zeggen, van de ondergang wil redden. Zelden werd zoveel ouderwetse wanstaltigheid tot zoveel moderne schoonheid herschapen. Het zal nu iedereen reeds duidelijk geworden zijn, dat heel het gebeuren - want het is méér dan een situatie - steunt op een vernuftig spel van contrasten: het warme, weke, kwetsbare vrouwennaakt tegen de koele, scherpe nuchterheid van de metaalconstructies en de trieste spoorwagen; de intieme, koesterende klaarte van het voorplan tegen het lei-blauwe nachtlicht van het verlaten station. Voorgrond en achterplan zijn innig verbonden, trots hun diepe verscheidenheid. Ook het palet, afgestemd op een harmonie van overwegend koude kleuren, neemt deel van dit subtiel contrapunt van leven en materie, beide zó verstrengeld dat de twee rijken der natuur niet meer uit elkaar te houden zijn. Het mysterie dat schuilt in die laatste wagen van de nachttrein is even ondoorgrondelijk als de bestendige obsessie die de naakte dame met onmacht heeft geslagen. En zie, in heel die gedempte samenklank van grijsgroen, blauw en bister, wit en roze, schitteren als zes robijnen de rode lampen van het gevaar. Denk aan het rode kapje van het onvermijdelijke herderinnetje in de landschappen van Corot. Tegenstrevers van Delvaux' kunst wrijven hem aldoor de zogezegde koelheid van zijn koloriet en de armoede van de materie aan. Net alsof die ingetogenheid van de kleur en de objectiviteit van de materie niet integraal deel moeten uitmaken van de zeer bijzondere sfeer waarin de kunstenaar, zijn modellen en zijn arsenaal van ten-dode-opgeschreven dingen doet leven op een vergeten planeet, zonder zorg en zonder vreugde, zonder hoop en zonder verlangen. Dit alles zou reine literatuur zijn, moest Paul Delvaux niet beschikken over een ongemeen meesterschap over de vorm, een kalm beheersen van de compositie en een uitzonderlijk talent als tonalist, evenveel gaven die hem toelaten ieder van zijn wonderbare droombeelden tot een blijvend, tastbaar kunstwerk om te scheppen, dat altijd plastisch volkomen verantwoord is en de literaire valstrikken rustig negeert.