U bent hier

Onbekend Meester - De vier Heemskinderen

Onbekend Meester - De vier Heemskinderen
Het siersmeedwerk dat wij met u zullen behandelen wordt bewaard In het Vleeshuis te Antwerpen. Het is een rechthoekig paneel voor het bovenlicht van een deur. Het stelt de vier Heemskinderen voor gezeten op het Ros Beiaard. Het stuk is vermoedelijk afkomstig uit een brouwerij te Lier en te situeren in de XVIIIde eeuw. Dat is de legitimatie van het kunstwerk. Hoewel het tot een gans ander genre behoort dan hetgeen men gewoonlijk tot de kunst rekent, meen ik dat het toch thuishoort in deze reeks gewijd aan ons cultureel patrimonium. Want ook de ambachtskunst is een uiting van de beschavingsgeschiedenis van ons volk, er zelfs veel meer mee verwant en verbonden dan de grote kunst, die zeker niet als presentatief voor een ganse natie is te beschouwen. Lang heeft men de toegepaste kunst als een soort minderwaardige produktie aanzien, omdat men er te veel het vakmanschap in zocht - in casu het smederij-vakmanschap - dat slechts een uiting is van de kunstvaardigheid van een, dan nog vaak onbekende, handarbeider. Deze kunst is niet zo zeer de uiting van een individu, van één persoonlijkheid, als van een traditie belichaamd in de persoon van een handarbeider. Daarbij komt nog dat dit kunstwerk een interessant bijkomend aspect vertoont, namelijk door het behandelde thema waardoor het bij de volkskunst aanleunt. Het is inderdaad zo dat wij dit siersmeedwerk ook kunnen rangschikken onder de volkskunst. Ambachts- en volkskunst hebben zeer vele affiniteiten en men kan gerust de vier Heemskinderen bij een van beide onderbrengen. De smid was in elk dorp of stad een van de meest noodzakelijke personen en reeds zeer vroeg kennen wij in het Vlaamse land smedengilden - o.m. te Mechelen - reeds vóór 1254. Dat die mensen niet alleen utilitaire voorwerpen hebben vervaardigd, die dikwijls versierd werden - denken wij maar aan sloten en sleutels, aan beslag voor meubelen, deuren en vensters - maar ook werkelijke siervoorwerpen hebben voortgebracht, bewijst ten volle dit werk. Het komt zeer zelden voor in de volks- en ambachtskunst dat een stuk wordt vervaardigd alleen met het doel mooi te zijn ; 'l'art pour l'art' was onbekend aan de volksmensen die door noeste arbeid hun karig brood moesten verdienen. Wel bezaten velen onder hen een onbetwistbaar kunstgevoel dat zij harmonisch konden verenigen met de nuttigheidsvoorwerpen die zij maakten. Zo ook in dit stuk. Een bovenlicht kan men even goed efficiënt afsluiten door gewoon traliewerk. Naar een andere oplossing heeft de smid hier gezocht : een afsluiting maken die mooi en degelijk is. Laat zijn dat het onderwerp van de voorstelling hem werd gegeven door de besteller ; de uitvoering is het werk van de ambachtsman. En zoals niemand van de generatie van voor 1940 schoonheidsgevoel kon ontkennen aan een kunstsmid als Van Boeckel - ook een Lierenaar - zo geloof ik niet dat men, in alle oprechtheid kan verklaren dat onze onbekende smid geen gevoel had voor proportie, ruimtevulling of ritme, dat hij niet een meester was in zijn vak. Laat zijn dat de vier kinderen loden figuurtjes zijn - het gebruik van lood in combinate met smeedijzer is geen uitzondering in de XVIIIde eeuw en wijst enkel op de stille teruggang van de siersmeedkunst in deze periode - het geheel getuigt niettemin van een zeer diep ingewortelde kunstzin. Het paard wordt als het ware opgenomen in de zich sluitende kosmos van het krullend lijnenspel, met de discreet gehouden bladeren als zovele rustpunten in het geheel. De aandacht verdient vooral het functionele van dit kunstwerk. Door de naar binnen toe buigende lijnen wordt het architecturale kader van de opening, van de houten omlijsting niet verbroken. De smid is zich bewust van de hem toegemeten plaats in het geheel ; hij poogt ook niet met zijn nederig kunstwerk die plaats te overschrijden. In de hem toegemeten ruimte verwezenlijkt hij een werk dat die ruimte vult en terzelfder tijd het geheel van de architectuur eerbiedigt. Het is werkelijk toegepaste kunst in de volle betekenis van het woord : kunst in toepassing van het geheel. Het behandelde onderwerp is een bij uitstek volkskundig onderwerp, dat ook heden ten dage nog zeer bekend is. Wie kent er niet de ommegangen van Dendermonde en Aalst, waarin het Ros Beiaard opstapt dat aanleiding gegeven heeft tot een hevige twist tussen beide Vlaamse steden. Het thema zelf van de vier Heemskinderen is zeer oud. Het was vooral in de volksboeken een zeer geliefd onderwerp. Er is zelfs een fragment bewaard van een XVde-eeuwse uitgave. En die uitgave gaat ongetwijfeld terug op de middelnederlandse ridderroman 'Renout van Montelbaen'. Dit gedicht kan gedateerd worden uit de XVIIde of XVIIIde eeuw. Zoals vele van die middelnederlandse gedichten gaat ook het verhaal van de vier Heemskinderen waarschijnlijk terug op een nog oudere mondeling overgeleverde sage. Zoals voor alle 'chansons de geste' ligt hier een deel historische waarheid en een deel verbeelding aan ten grondslag. Waar vandaan komen de zonen van Haymijn : Ritsaert, Adelaert, Wridsaert en Reinout ? Als een gedeeltelijke bron vermeldt men de Vita Sancti Agilolfi (uit de abdij van Stavelot-Malmédy). Of is het misschien een Rijns-Westfaalse Sint-Renoutlegende die inspirerend heeft gewerkt ? Wat is nu het eigenlijke verhaal. Ter gelegenheid van een plechtige hofdag vroeg Hugo van Ardennen aan koning Karel Martel zijn ooms Aymon en Aymery voor hun getrouwe dienst te belonen. Maar Karel weigerde en bij de twist die daarover volgde doodde Karel Hugo. Natuurlijk zwoeren beide ooms de dood van hun neef te wreken. Er komt echter een verzoening en Aymon huwt met Aye de zuster van de koning. Deze verzoening was echter maar schijn want de haat van Aymon was zo groot dat hij zelfs als hij er kreeg zijn eigen kinderen wilde vermoorden omdat zij familie waren van Karel Martel. Terwijl haar echtgenoot ten strijde was, baarde Aye vier kinderen : Ritsaert, Adelaert, Writsaert en Reynout. En zoals vaak in sagen werden zij in het geheim opgevoed. Op zekere dag slaat Reynout, zijn vader neer die hij nooit had gezien. Gevleid door het wilde karakter van zijn zoon schenkt Aymon het Ros Beiaard aan zijn zonen die ermee op avontuur vertrekken. Zeer populair is het volksboek bij ons geweest ; dat getuigen de talrijke uitgaven die ervan verschenen zijn, ook nog in XIXde eeuw. De oudste uitgaven van het volksboek werden in 1621 te Antwerpen veroordeeld daar zij 'krioelen van hekserijen ; ten slotte ziet men plots dat de tovenaar een heilige wordt ; men looft zijn mirakelen, doch zegt geen woord over het feit dat hij zijn leven betert'. Dat is dus het populaire volkskundige gegeven dat door de smid uit Lier werd gebruikt om zijn smeedwerk te maken. Het is een onderwerp dat in de plastische kunsten weinig voorkomt ; bekend is het in speculoosvormen en ook in de patakons. Dat is trouwens een algemeen verschijnsel : thema's die bijna het ganse Westen door geliefd waren in de literatuur en dan voornamelijk in de volksliteratuur, worden zeldzaam overgenomen in de overige kunsten. Denken wij maar aan de meer dan bekende Tijl Uilenspiegelfiguur uit de letterkunde - tevergeefs zal men haar zoeken in de plastische kunsten van vóór de XIXde eeuw. Wel worden de volksboeken geïllustreerd met houtblokken die de figuur tot onderwerp hebben, en worden die houtblokken later gebruikt voor het drukken van volksprenten, verder echter gaat die invloed bijna nooit. Ik meen dan ook dat dit tafereel wel uw aandacht verdient als een voorbeeld van werkelijk goede ambachtskunst van eigen bodem geïnspireerd door een onderwerp uit de volksliteratuur.