U bent hier

OKV plus 2002.2

OKV plus 2002.2

Edito

 

De Ronde van Vlaanderen voor Primitieven

 

De Primitieven zijn in het land! Uiteraard  is er de tentoonstelling rond Van Eyck in Brugge, maar er is meer. Veel meer. De vaste collectie middeleeuwse schilderkunst va n het Groeni ngemuseum is te gast in Antwerpen en Gent. Zeldzame tekeningen van de Oude Meesters doen het Rubenshuis aan en de Memlings van de Scheldestad ondergaan een fa ce-lift. Vaak gaat het om werken die nog nooit eerder te zien waren in ons land, zo wordt er rondverteld. Zeldzaam en héél oud.

 

Het is allemaal nog waar ook!

 

Qua aanbod is het allemaal misschien wat veel, maar beter dat dan tentoonstellingen waar niemand naartoe komt. Want natuurlijk willen de mensen die schilderijen graag zien. Dat wordt me overal verteld , ik kan het in elke folder lezen. Het publiek is er dol op. Daarom is het ook fantastisch dat ik mijn tickets tegenwoord ig al een half jaar op voorhand kan kopen. Ik heb me dan ook een agenda aangeschaft, want volgend jaar, op de tweede zaterdag van februari wordt ik om half twee verwacht aan de ingang. lk geef toe, ruim op tijd, maar zo ben je ten minste zeker. Een goed gevoel!

 

Iets dergelijks organiseren kost waarschijnlijk veel geld, maar als bezoeker moet ik me daar gelukkig geen zorgen over maken. Daar zijn sponsors voor. Gelukkig.

 

Uiteraard willen die iets in de plaats voor hun geld . Hoe zou je zelf zijn? Wat is er nu gezelliger dan een receptie temidden van Vlaamse Primitieven? Dat het later op zo'n avond soms heel moeilijk is de oude van de nieuwe primitieven te onderscheiden komt het inlevingvermogen in de wereld van de Middeleeuwer alleen maar ten goede.

 

En wordt zo'n werk soms al eens beschadigd, er kan altijd wel iets gebeuren, dan is er nu voor gezorgd dat ik als bezoeker kan toekijken hoe het onderzocht en hersteld wordt.

 

Fantastisch. Er zijn natuurlijk enkelingen die opwerpen dat het toch jammer is dat een museum met plaatsgebrek een volledige zaal ontruimt om twee schilderijen op te knappen, maar zoals u wellicht begrijpt, dat zijn muggenzifters.

 

Het publiek komt er in elk geval massaal op af en zoveel mensen kunnen zich toch niet vergissen. Dat heb ik nu wel geleerd de laatste jaren.

 

Zo zie je maar, de flandriens van het schilderspeloton doen het goed in de klassiekers!

 

Michel Peeters

 


INHOUD

  • ​Edito
  • EXPO - Vlaaamse Primitieven bezetten Antwerpen !
  • UNDERCOVER - Waarom Christus zo droevig kijkt!
  • EXPO - Actuele kunst tijdens Brugge 2002
  • Art Rescue Team : blitse naam voor een lege doos?
  • IN DE KIJKER - DE WERELD VAN DE KLUIZENAAR
  • Publiek & Museum - Luchtige ruimten of de ruime lucht
  • EXPO: Jannis Kounellis
  • EXPO: Clovis Trouille of de vreemde kronkels van het surrealisme
  • MUSEA Een stad aan de Stroom
  • Brusselse musea en hun bezoekers, geen onbekenden voor elkaar

EXPO - Vlaaamse Primitieven bezetten Antwerpen !

 

Het belang van de schilderkunst van de zogenaamde Vlaamse primitieven en het nieuw realisme dat zij introduceerden wordt sinds lang onderkend, maar hun tekeningen blijven tot vandaag vaak verhuld in het duister van de prentenkabinetten. De delicate en met zorg gekoesterde bladen zijn meestal slechts bekend in een kleine kring van deskundigen.

 

De tentoonstelling 'Meestertekeningen van Jan van Eyck tot Hiëronymus Bosch' betekent dan ook een primeur:  in dit overzicht kan een breed publiek voor het eerst kennis maken met de sublieme tekenkunst van ongeveer 1425 tot 1510. De werken zijn van een uitmuntende kwaliteit ­ vaak uitgevoerd in zilverstift op gegrondeerd papier, maar ook hun context is heel bijzonder.

 

De kunstenaar maakte zich toen los uit de strakke middeleeuwse atelierpraktijk, maar tegelijk bleef de traditie belangrijker dan de individuele vern euwing. Dat verklaart waarom vele vroege tekeningen werden gemaakt als kopie of herhaling van bestaande composities.

 

Een belangwekkend aanknopingspunt met de locatie van het Rubenshuis biedt de persoon van Rubens zelf. Als geleerde kenner schatte hij het werk van zijn voorgangers buitengewoon hoog. Enkele van hun tekeningen waren in zijn persoonlijk bezit, sommige daarvan overwerkte hij eigenhandig. Voor dit project selecteerden de tentoonstellingsmakers 55 bladen, een kleine maar wezenlijke keuze van de mooiste en meest representatieve tekeningen. Het overzicht van bijna 100 jaar tekenkunst van de Vlaamse Primitieven voert langs vier kunstenaars die tot de verbeelding spreken: Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes en Hiëronymus Bosch, telkens met hun groep van navolgers.

 

 

Een ware schatkamer

 

De collectie Vlaamse Primitieven van museum Mayer van den Bergh is een goed bewaard geheim gebleven. Tijdens Heerlijke Primitieven zullen de deuren van deze schatkamer wijd opengezet worden.

 

Hier komt u meer te weten over de beeldtaal en de techniek diede Vlaamse Primitieven veelvuldig hanteerden.

 

Het Internationaal studiecentrum voor de middeleeuwse schilderkunst in het Schelde- en Maasbekken garandeert met de resultaten van zijn recent interdisciplinair onderzoek een stevige wetenschappelijke basis voor deze tentoonstelling.

 

 

Restaureer eens een Memling!

 

In het Antwerpse Koninklijk Museum voor Schone Kunsten is sinds 18 december jl de restauratie van drie topstukken uit de collectie gestart. Het gaat om drie panelen van Hans Memling die bekend staan als 'Christus met zingende en musicerende engelen'. Ze maken pas een eeuw deel uit van de permanente collectie van het museum. Dit is niet zomaar een restauratie: het gaat om uiterst belangrijke werken. Het project dat meerdere jaren zal duren, is veelomvattend én zal door het publiek kunnen worden gevolgd .

 

Een eerste tussenstand zal tijdens Heerlijke Primitieven exhaustief belicht worden. Daarnaast speelt ook de eigen, rijke verzameling Vlaamse Primitieven de hoofdrol in deze tentoonstelling, aangevuld door een opmerkelijke bruikleen: een monumentaal en tot hiertoe nauwelijks bekend altaarstuk van rond 1500.

 

 

Slechts een fragment van een altaarstuk

 

De drie grote panelen zijn 'maar' het bovenste deel van een reusachtig altaarstuk. De hemelse, koninklijke Christus en de zestien zingende en musicerende engelen wonen eigenlijk de Hemelvaart van Maria bij. Oorspronkelijk was die waarschijnlijk 'onder' hen te zien, centraal in het geheel. Vandaar Christus' blik naar beneden en de opschriften 'Maria Jesus' op de gewaden van de engelen. Waar dit schilderij én de rest van het retabel (werken die het centrale paneel omgaven en de onderzijde van het geheel) gebleven zijn, is onbekend.

 

De levensgrote schilderijen hingen waarschijnlijk in de kerk Santa Maria la Real van de benedictijnenabdij in het Noord­Spaanse Nájera. Memling kreeg de bestelling vermoedelijk in de late jaren 1480, zijn topjaren, toen de abdijkerk in gotische zin en met koninklijke steun werd gemoderniseerd. Het is een van zijn belangrijkste en meest omvangrijke opdrachten ooit. Men kan vermoeden dat Spaanse handelaars die in Brugge verbleven hierbij een bemiddelende rol hebben gespeeld.

 

 

Engelen in verval

 

De drie schilderijen die samen 'Christus met zingende en musicerende engelen' worden genoemd, zijn in slechte conditie en worden bedreigd door toenemend verval. Door hun beschadigde en vervuilde toestand kunnen ze bovendien niet naar waarde worden geschat. De restauratie heeft dan ook een dubbel doel: het behoud van de drie werken voor de toekomst en een optische verbetering zodat de voorstellingen beter leesbaar worden. De restauratie wordt ook aangegrepen om informatie te vergaren over onder meer de ouderdom van het hout en over de gebruikte materialen en technieken.

 

Geruime tijd geleden is een wetenschappelijk vooronderzoek opgestart. Dat heeft informatie opgeleverd over de toestand van de originele verflagen, de gebruikte schilderstechniek, de ondertekening en de oplosbaarheid van vernislagen en overschilderingen. Hierbij werden onder meer röntgenfotografie en infrarood reflectografie gebruikt. De werken zijn ook uitgebreid gefotografeerd om de conditie voor de restauratie vast te leggen.

 

 

Respect!

 

De restauratie wil de volgende problemen verhelpen: de fixatie van de verflagen, het 'werken ' van de eiken panelen wordt weer mogelijk gemaakt en het hout wordt waar nodig behandeld; niet-originele, storende elementen zoals de vernislagen en verkleurde retouches worden verwijderd.

 

Dit is een complexe en delicate zaak. Het wordt een werk van lange adem waarbij de grootste voorzichtigheid en voortdurend overleg zijn vereist.

 

Het respect voor het oorspronkelijke materiaal en voor Memlings opzet staan echter centraal.

 

Op dinsdag, woensdag en donderdag wordt er door de restauratoren in het museum aan de schilderijen gewerkt en kan het publiek de vorderingen op de voet volgen.

 

Michel Peeters


Afbeeldingen:

Te bekijken in het PDF-formaat.

Jan Van Eyck, H.Barbara, ©KMSKAntwerpen

Hiëronymus Bosch, Het uilennest, ©Rotterdam, Museum Boijmans-Van Beuningen

Hugo van der Goes, De ontmoeting van Jacob en Rachel, © Oxfard, Christ Church Picture Gallery ©Landan, The British Museum

Hans Memling, Christus met Musicerende engelen, middenpaneel, detail voor restauratie in strijklicht, © KMSKAntwerpen

Hans Memting, Christus met Musicerende engelen, middenpaneel, detail voor restauratie in normaal licht, © René Geritsen


PRAKTISCH

HEERLIJKE PRIMITIEVEN

van 14 juni tot 18 augustus 2002

MEESTERTEKENINGEN VAN JAN VAN EYCK TOT HIËRONYMUS BOSCH

Rubenshuis, Wapper 9, 2000 Antwerpen

€8-€5

DE SCHATKAMER VAN MAYER VAN DEN BERGH

Lange Gasthuisstraat 19, 2000 Antwerpen

€4-€2

VAN JAN VAN EYCK TOT HANS MEMLING

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Leopold De Waelplaats 1-9, 2000 Antwerpen

€ 5-€ 4

Combinatieticket

Rubenshuis- Museum Mayer van den Bergh-Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

€11-€8

MEER INFORMATIE?

De Heerlijke Primitieven-lijn: 070/23.37.99

www.heerlijkeprimitieven.be


UNDERCOVER - Waarom Christus zo droevig kijkt!

 

Wie de culturele hoofdstad wil bezoeken neemt best zijn tijd en enkele voorzorgen. Kwestie van niet voor verrassingen komen te staan.

 

Telefonisch op de wachtlijst

 

Voor telefonische informatie over het programma van Brugge 2002 maak je best even tijd. Alle medewerkers zijn steevast in gesprek en de wachttijd bedraagt meer dan twee minuten zodat je door een vriendelijke vrouwenstem voor de keuze wordt gesteld om later terug te bellen of om te wachten. Na een paar keer gebeld te hebben besluit ik toch maar om te wachten. Dat wachten gebeurt zonder het gebruikelijke muziekje zodat ik toch even schrik als er na een tijd een stem weerklinkt die vraagt waarmee ze mij van dienst kan zijn. Op de vraag of Brugge makkelijk met kleine kinderen te bezoeken is, wordt me aangeraden om het programmaboek te raadplegen want daarin staat alles gedetailleerd en het is gratis te verkrijgen in alle KBC-kantoren. Zo kan ik zelf beslissen wat ik wil doen. De zon schijnt en ik heb geen zin om moeilijk te doen dus bedank ik het meisje aan de andere kant vriendelijk voor de informatie.

 

 

Een programma met gebruiksaanwijzing

 

Het programmaboek van Brugge 2002 bevat een enorme hoeveelheid nuttige in formatie, gegoten in een eigentijdse vormgeving. Zo staat een gedicht van Peter Verhelst op de cover dat als leidraad wordt gebruikt om een ordening aan te brengen. Een ordening die toch een gebruiksaanwijzing nodig heeft zodat je als lezer, om er echt je weg in te vinden, best eerst de inleidende tekst "Binnenkomen" van Hugo De Greef leest. Hij beschrijft de achterliggende gedachten van Brugge 2002, geeft verschillende mogelijkheden om de stad te bezoeken en licht zwart op wit de verschillende manieren toe om dit boek te lezen en te gebruiken. Deze worden op een volgende bladzijde wit op zwart voor alle duidelijkheid kort herhaald. In een voorwoord beschrijft burgemeester Patriek Moenaert het tot stand komen en de ontwikkeling van Brugge tot Culturele Hoofdstad van Europa.

 

Het resultaat is een knappe, doordachte catalogus geworden. De lay-out is mooi maar had naar mijn gevoel eenvoudiger mogen zijn want het duurde even voordat de logica het won van de verwarring. De brede zwarte strook onder aan elke bladzijde geeft zeker een gevoel van stabiliteit.

 

Het thematisch overzicht dat op blz. 98 begint is duidelijk en vanaf blz. 146 kan je zien wat er nu vandaag in Brugge allemaal loopt. Op de laatste bladzijde vind ik dan eindelijk de inhoudstafel waar ik al even naar op zoek was omdat wat praktische informatie vooraf altijd welkom is. Bijvoorbeeld over de tentoonstelling Jan Van Eyck. Dit is niet rechtstreeks in de inhoudstafel terug te vinden. Daarvoor moet ik eerst naar het thematisch overzicht. Onder de rubriek tentoonstellingen vind ik Van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden met een vermelding van de prijscategorie en de bladzijde voor meer informatie. Om te weten hoeveel ik zal moeten betalen, moet ik naar de bladzijden met praktische in formatie. Als ik dit even op een rijtje zet, heb ik na vier keer de juiste bladzijde te zoeken, een vrij volledige informatie over deze tentoonstelling.

 

Voor wie nog niet thuis is inhet werken met de Euro staat onderaan de bladzijden met praktische informatie, in een grijze strook, een omrekeningstabel. Omdat verondersteld wordt dat ook onze noorderburen het gereken nog niet helemaal onder de knie hebben, staat er ook een omrekeningstabel met N LG. Voor de verkoop van tickets in Nederland kan je op een volgende bladzijde terecht.

 

 

Lopen  over water

 

Zo komen we uiteindelijk op zondag 24maart in een zonovergoten Brugge terecht waar we veel geluk hebben met het vinden van een parkeerplaats. Het is de parkeermeter die ons twee uur geeft om ons programma af te werken. Ook al beperken we ons tot tentoonstellingen, architectuur en monumenten, die tijd is te kort maar we wagen het er langer op uit te trekken.

.

We wandelen naar de Burg waar het paviljoen van de verbeelding van de Japanse architect Toyo lto staat. Een poëtisch, bijna doorzichtig volume dat volledig wordt met de weerspiegeling van de halve ovalen in het water, dat er in een grote cirkel om heen ligt. Als we over de uit transparante kunststofvervaardigde brug lopen, begi nnen de kinderen te springen alsof het water dat eronder ligt zal opspatten.

 

Een andere brug, meer in de zin van het woord , is die van de Zwitserse ingenieur­ architect Jürg Conzett. Een door de Bruggelingen langverwachte verbi nding over de Coupure. Het is een vernuftige ophaalbrug geworden met een esthetische combinatie van de gebruikte materialen. Een zuivere vorm die geen agressieve confrontatie forceert met zijn omgving.

 

 

Anderhalf uur in tien minuten

 

Brugge is een toeristische stad en er loopt op deze mooie lentedag dus aardig wat volk rond. Omdat op een grote tentoonstelling lang aanschuiven de norm is, gaan we even ons licht opsteken bij de info aan 't Brugse Vrije. Aan de kassa zullen we anderhalf uur op onze beurt moeten wachten. Met de moed een beetje in onze schoenen besluiten we toch maar om een kijkje te gaan nemen. Blijkt dat het gelukkig allemaal nogal meevalt, behalve dan dat de computer van de kassa, er zijn er twee, waar wij aanschuiven het plots laat afweten.

 

Al bij al hebben we na tien minuten onze tickets en kunnen we de pijl "expo in" volgen. Tot aan de detector want daar worden we terug naar de vestiaire gestuurd om mijn rugzak af te geven.

 

Nu moet u zich geen trekkersrugzak voorstellen, gewoon een bescheiden rugzak waarin een trui, wat koeken voor de kinderen en een programmaboek opgeborgen zitten en die ik nota bene nog nooit heb moeten afgeven.

 

 

Buggy's en bikken

 

Aan de vestiaire hangen pictogrammen over wat er nog allemaal niet binnen mag.

 

Bij het pictogram van een buggy heb ik toch even een vraag. De man achter de balie legt uit dat ze wel worden toegelaten voor heel kleine kinderen. Nu weet ik uit ondervinding dat het voor grotere kleuters makkelijker en ook veiliger is om alles vanuit hun buggy te bekijken dan tussen al die benen te dwalen met de kans hun ouders te verliezen. Het plaatsbesparende argument zal van doorslaggevend belang geweest zijn. Men heeft er niet aan gedacht dat vier-, vijf-, en zelfs zesjarigen behoorlijk moe worden en in de derde zaal beginnen te zeuren en gedragen willen worden.

 

Enfin, we willen juist verder gaan als diezelfde man oppert dat er in het museum geen 'bikken' worden toegelaten. Ik lach hem vriendelijk toe en bedenk dat sommigen misschien een oncontroleerbare dwang hebben om hier en daar wat bij te tekenen?

 

Aan de info/shop vraag ik de verantwoordelijken wat het kinderatelier waarvan ik een aanplakbiljet heb zien hangen naast de kassa, te bieden heeft. Geen va n beiden weet waa rover ik het heb en helpen de mensen verder die postkaarten e.d. willen betalen. Achteraf lees ik in de folder "Brugge 2002 uur na uur" dat de museumnamiddagen enkel op woensdag doorgaan voor kinderen tussen zes en twaalf jaar oud. Inschrijven is verplicht.

 

 

Kleur en harmonie

 

Voor we "Jan van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden" binnengaan krijgen we een mooie compacte brochure, de grootte van twee telefoonkaarten.

 

Of twee betaalkaarten, even groot maar het klinkt beter. Een leuk hebbedingn eigenlijk dat ons met zaalteksten en korte beschrijvingen van de tentoongestelde werken wegwijs maakt in de tentoonstelling.

 

De werken zijn indrukwekkend en moeten ook van zeer di chtbij bekeken kunnen worden, wat volgens mij onmogelijk wordt als er nog meer volk is. Dit is dan meteen het grootste nadeel van tentoonstellingen als deze die iedereen gezien wil hebben binnen een bepaalde periode. Permanente collecties kunnen altijd bekeken worden en kennen daarom een grotere spreiding van publiek.

 

In elke zaal gaat de onmiddellijke aandacht naar de werken die gepresenteerd word en tegen een gekleurde achtergrond. Deze is soms in  harmonie met de schilderijen, soms ook helemaal niet.

 

 

Vorm en harmonie

 

lk kan me niet van de indruk ontdoen dat de ontwerper van de tentoonste lling getracht heeft om de verschillende schilderijen op een zo verscheiden mogelijke manier voor te stellen, die hier en daar te vergezocht is en afbreuk doet aan de kracht van het werk zelf.

 

Sommige werken worden op een "onzichtbare" manier gepresenteerd door gebruik te maken van plexiglas dat aan elkaar gehouden wordt met vier grote schroeven die de aandacht van het onderwerp doen afdwalen en dat kan toch niet de bedoeling zijn?

 

Dan is de voorstelling van andere werken in een "kastje" van gelijmd plexiglas veel zuiverder en absoluut niet storend.

 

Kort samengevat bevat het G roeningemuseum een prachtige collectie meesterwerken uit de 15de en 16de eeuw, die echter niet altijd op een geslaagde manier gepresenteerd zijn.

 

Ondertussen is het middag geworden en stillen we onze honger in de cafetaria van het museum dat belegde broodjes en een dagmenu aanbiedt aan zeer democratische prijzen.

 

 

Revisited heeft weinig impact

 

De tentoonstelling  "Les Primitifs Flamands à Bruges" in 1902, waar niet mind er dan 400 werken van Vlaamse Primitieven werden bijeen gebracht, heeft een enorme impact gehad.

 

Toen. Bij de opstelling van "Impact, 1902 revisited", een tentoonstelling over die tentoonstelling, heb ik zo mijn bedenkingen.

 

Een geplastificeerde kopie beschrijft wat er in de verschillende tafels met glazen blad te zien is: handgeschreven brieven aan het Musée des Beaux Arts, een dossier over de bruikleen van schilderijen uit het Konin klijk Museum voor Schone Kunsten van België, voorbladen van de journal de Bruges. Andere tafels bevatten briefkaarten van de tentoonstelling, een vrij slordige collage van krantenartikels over de opening op 15 juni 1902, artikels en publicaties over de tentoonstelling in diverse kranten en tijdschriften, nog meer postkaarten, een brief van Napoleon III.

 

 

Een nummer en een naam

 

Aan een muur hangt een compositie van grote en kleine foto's die een nummer hebben. Op een lijst ernaast krijgen de nummers een naam zodat je telkens moet gaan kijken wie je bekijkt. En of die man met nummer vier de burgemeester is ofwel de provinciegouverneur of de secretaris van de tentoonstelling, vinden we nu misschien niet zo belangrijk. De betrokkenen dachten er toen wellicht anders over. Daarom vind ik dat, uit respect voor het individu, de naam bij de foto moet staan en geen nummer die naar een naam op een lijst verwijst.

 

Verder zien we twee versies van de eerste affiche, een zeldzame foto van een binnengezicht op de tentoonstelling in 1902, een affiche waarop "... kostelooze toegang tot de tentoonste lling van Oude Kunst" wordt vermeld .

 

Tijdens mijn bezoek aan deze tentoonstelling probeer ik te ontcijferen of de stem op de achtergrond iets te vertellen heeft over het hele gebeuren. Tot ik, eerder toevallig, uit het raam kijk en zie dat er regelmatig een toeristenbootje onder deze rui mte doorvaart...

 

Meer dan een uitleg op een (op bristol gekleefde) ko pie moet je hier dus niet verwachten. Een aangepaste brochure als bij de toptentoonstelling  in het Groeningemuseum had ik nochtans graag in ontvangst genomen (OKV bracht bij deze tentoonstelling de catalogus uit).

 

Deze nevententoonstelling is een verzameling van alles wat men aan documentatie over de expositie in 1902 heeft teruggevonden, echter op een weinig doordachte manier bijeengelegd in vitrinetafels en dito kasten.

 

 

Kindertaal

 

Het is de hoogste tijd voor een rustpauze op een terras op 't Zand met uitzicht op het Concertgebouw. Een knap staaltje van hedendaagse architectuur dat spijtig  genoeg nog niet voltooid is. Reden genoeg dus om nog eens terug te komen.

 

Jules (6j) en Ona (4j) hebben van deze dag genoten. Het Groeningemuseum vonden ze wel wat groot maar ze waren toch verbaasd over de schilderkunst die ze te zien kregen.

 

Jules: "Ik geloof niet dat dat geschilderd is. Dat moet met een potlood getekend zijn, anders zou ik dat ook kunnen want ik kan goed schilderen."

 

Van één van de werken van Van Eyck wou hij wel een puzzel maken.

 

Ona was erg verbaasd dat Jezus op die schilderijen toch altijd zo droevig kijkt.

 

Lea Van de Wyngaert

 


Afbeeldingen:

Te bekijken in het PDF-formaat.

Ludovico Brea, Sint Pieter, ©Galleria di Palazza Bianco, Genavo

Jean Fouquet, Madonna en kind met serafijnen en cherubijnen, ©KMSKAntwerpen

Piero di Cosimo, Portret van Giuiliano de San Galllo, ©Rijksmuseum, Amsterdam

Jean Hey, Portret van Margaretha Van Oostenrijk, ©Sammlungen des Fürsten Von Liechtenstein, Vaduz

De nieuwe Brugse schouwburg, ©Animotions

Kanaaleiland, ontwerp, algemeen en detail brug ©WestB, Paponcini-Loatens en Lapere


PRAKTISCH

JAN VAN EYCK, DE VLAAMSE PRIMITIEVEN EN HET ZUIDEN

Groeningemuseum, Dijver 12

Nog tot 30/06/2002

€ 10-€ 8

IMPACT, 1902 REVISITED

Arentshuis, Dijver 16

Nog tot 30/06/2002

Voor alle info 070/22.33.02


EXPO - Actuele kunst tijdens Brugge 2002

 

 

Bruges n’est plus morte!

 

Een uitdaging voor de culturele hoofdstad. Hedendaagse beeldende kunst een plaats geven in een stad die het verleden zo onontkeerbaar met zich meedraagt. Verschillende projecten willen op experimentele wijze in dialoog treden met de stad en haar geheugen.

 

 

Attachment+; een korte nabeschouwing

 

Roland Patteeuw, bezieler van de Kunstha lle Lophem, koos voor zijn tentoo nstelling een niet voor de hand liggende locatie. Het neogotische schoolgebouw van de hogeschool West-Vlaa nderen vormt het kader dat zijn selectie hedendaagse kunst uit Belgische privé-verzamelingen een ni euwe dynamiek geeft. Kunst geïntegreerd in een levende schoolgemeenschap. Patteeuw gelooft in de kruisbestuiving. Kunst leert de jonge volwassenen vragen stellen, en anderzijds is de nieuwe context in staat de betekenis van de werken open te breken.

 

Een mooie selectie krijg je te zien en al is de plaatsing soms verrassend, vaak wens je in betere omstandigheden van het werk te kunnen genieten. Het best gedijen de kunstwerken in ruimtes waar de schoolsfeer niet of nauwelijks voelbaar is. Zoals bvb. de zolderruimte, met schitterende installaties van Yves Netzhammer en Mario Airo, of de ritmiekzaal met die vanEulalia Valldosera. Samen met studenten en docenten ontwierp Jef Geys voor de binnenkoer een wereldkaart, die tegelijk een sportveld is. Een bevraging van systemen. Exemplarisch voor Patteeuw's motto "onzekerheid als rijkdom". Met deze tentoonstelling is de toon gezet.

 

 

Lost Locations

 

Een treinstation is een transitzone.  Het is een niet-locatie, een plaats waar men niet blijft, maar passeert. In het treinstation van Brugge geven 4 fotografen hun interpretatie van de mentale energie van een 'verloren ruimte'. Het concept werd bedacht door Kurt van Belleghem (APrior, Office for a rtistic production) en samen met het Nederlands Foto Instituut uitgewerkt.

 

2 Belgen en 2 Nederlanders reisden naar Japan, het land van de Brugse toerist bij uitstek. In de lokethal en gangen, op de trappen en perrons van het station zien we de Japanse en Brugse beelden door elkaar geplaatst.

 

Boven de ingang van het station 5 foto's van Anne Daems (B). Het zijn laconieke "vaststellingen" van onartistieke onderwerpen; een busje op een parking, mensen die picknicken achter hun auto. Daems toont ons hetgeen we wel zien, maar waar we niet meer naar kijken. Uiterst eenvoudige, maar ook raadselachtige beelden. Hans va n der Meer (NL) heeft de Brugse situatie vergeleken met de Japanse. Plechtig poseren afwisselend Bruggelingen en Japanners voor hun werkomgeving.

 

Het werk van Theo Baert (NL) -met foto's verspreid in de gangen- en Jan Kem penaers (B) -met een groot beeld in een lichtbak- is documentair en strak. Beelden uit suburbane omgevingen, die ons de overlapping eerder dan de tegenstelling Japan-Brugge tonen.

 

"Lost Locations" stelt vragen over culturele identiteit. Het is een evoluerend project dat in diverse verschijningsvormen over het hele jaar loopt.

 

 

Onderstromen/Bovenstromen

 

Het kunstenaarscollectief Nice wil het vertrouwde stadsbeeld bevragen door "bijna onzichtbare ingrepen". De voorgestelde interventies in openbare ruimtes zijn ludiek, en soms kritisch. Men wil "de luis in de pels" van Brugge 2002 zijn, doch niet alle voorstellen stijgen uit boven het niveau "goed gevonden".

 

De eerste fase van het project is met enige heisa van start gegaan. Architect LucDeleu kreeg geen fiat van de dienst monumentenzorg om een boomgaard te planten op de vismarkt. De met spiegelende folie beklede taxi's van Marc Godts en Charlotte Geldof moesten het cultureel erfgoed weerspiege len. Ze werden verbannen, wegens niet conform met het gemeentelijk reglement.

 

"Nice to be also presented" is de titel van Daniël Dewaele's bijdrage. Op de voorpagina van het Brugsch Handelsblad verschenen 5 weken lang artikels in de taal van in Brugge levende minderheden. Het zorgde voor enige uiting van xenofobie. Minder ophefmakend zijn de kleine schilderijen die Robert Devriendt presenteert temidden van de filmaffiches aan De Republiek. ln fase 2 en 3 werk van o.a. Ann Veronica Janssens, Sven 't Jolie, Eran Schaerf, ...

 

 

Octopus

 

Octopus (vanaf 17/5) wil een "weefsel" zijn van hedendaagse kunst, met tentakels uitgespreid over tal van initiatieven en locaties in de stad. Een greep uit het aanbod.

 

Kunstenaars Joe Scanlan, Job Koelewijn, Ugo Rondinone, ea. zullen op 5 locaties in de stad - werfplein, veemarkt, ...- neerstrijken en in dialoog treden met de omgeving. Eén kunstenaar zorgt voor creaties op de lijnbus die de locaties zal verbinden. Het Octopus museum, een tijdelijke constructie op een stuk braakliggende grond, vormt een interdisciplinaire onderzoeksruimte.

 

In de zomermaanden zullen geluidskunstenaars uit binnen en buitenland soundscapes loslaten in de binnenstad en in september wordt, tijdens "groen erfgoed", de creatie van het bloementapijt in handen gegeven van een kunstenaar. Verder is er de samenwerking met "de slang" (artiesten van eigen bodem) en met "Art en Marge" ("Kanttekening"), een videoprogramma en wetenschappelijke workshops over het geheugen van de stad (coördinatie Luc Steels).

 

Curator Kurt van Belleghem (A Prior) wil een platform creëren dat kan uitgroeien tot een dynamisch netwerk. Met de geplande initiatieven heeft dat veel kans op slagen.

 

Els Nouwen


Afbeeldingen:

Te bekijken in PDF-formaat:

 

Eija-Liisa Athila, Consalation Service© Kunsthalle, Loppem

Veli Granö, Satr Dweller © Kunsthalle, Loppem

Jean-Luc Moulène, Couloir aux Polox © Kunsthalle, Loppem

Honoré d'O, Tont (de) pis de täches de titre © Kunsthalle, Loppem

 


PRAKTISCH

LOST LOCATIONS

20/2 tot  17/11 in het treinstation.

ONDERSTROMEN/BOVENSTROMEN

21/3 tot 17/11 in 3 fases.

ANKERPUNT IS BAUHAUS

Langestraat 145.

OCTOPUS

17/5 tot 16/9

op diverse locaties in de stad.


Art Rescue Team : blitse naam voor een lege doos?

 

Je kon de laatste tijd geen krant mee open doen of er werd gesproken over één of andere kunstdiefstal in Belgische musea. Aanleiding was het nogal vernietigende onderzoek van ART.

Dit bureau van de federale politie met de spectaculaire acroniem: Art Rescue Team gaf onlangs nog wat cijfers vrij over de kunstdiefstallen in België. Daaruit bleek dat drie op de vier museumdiefstallen in België plaatsvonden in Vlaanderen.

 

 

Pover resultaat

 

In het vakblad Private Veiligheid verscheen het uitgebreide arti kel van Annie Moulin, commissaris bij de Federale Politie en Diensthoofd van A.R .T. Volgens het rapport mangelt het in de Vlaamse musea aan goede bewaking en vooral aan goede preventie. Want bij een eventuele diefstal kan de politie amper het stuk opsporen bij gebrek aan duidelijke foto's van de gestolen stukken. Het aantal opgeloste zaken is dan ook bijzonder laag, zo goed als nihil. Een resultaat waarmee je als Art Rescue Team nu ook niet zo echt mee moet te koop lopen want ART is een overkoepelende dienst in de federale politie die in principe zou moeten coördineren doch dit niet doet (althans niet volgens de terreinmensen). Zij beheren de databank ARTIST, een databank ten behoeve van de speurders. ART doet geen terreinwerk. Die hebben op het terrein heel wat reacties ontvangen op de wat zij noemen "onbezonnen" uitspraken van commissaris Moulin. De speurders vrezen dat de loze uitspraken hun duurzaam opgebouwde vertrouwensrelaties in de museumwereld zullen hypothekeren.

 

In 1997 waren er 17 museumdiefsta llen waarvan één opgelost.  In 1998 nog één diefstal meer, maar van die 18 werden er geen enkele opgelost. In 1999 stalen dieven "slechts" 12 keer iets uit een museum en werden 3 van die diefstallen opgehelderd.  In 2000 waren er maar 9 diefstallen maar opnieuw werd er helaas géén enkele opgelost.

 

Wie de cijfers bekijkt moet alleszins vaststellen dat ze een beetje dalen zoals bij de andere diefstalcijfers.

 

Het is weg, maar hoe zag het er ook al weer uit?

 

Uit een analyse van de cijfers zou moeten blijken dat vooral Vlaamse musea zo slecht scoren. Sinds 1999 zou er slechts één museumdiefstal in Wallonië voorkomen per jaar. Vooral Gent komt slecht uit de cijfers, maar de cijfers zijn te relativeren. Wanneer je in de statistieken van één naar twee diefstallen gaat op één jaar dan heb je natuurlijk wel een stijging van 100%. In 1999 en 2000 werd overdag in het Designmuseum ingebroken en werden er ka ndelaars en zilverwerk ontvreemd. In 2000 kwamen dieven 's nachts op bezoek in het Bijloke-museum, maar in 2001 sloegen gewapende gangsters zelfs toe in het Museum voor Schone Kunsten.

 

Volgens A.R.T. is de beveiliging in de musea niet altijd perfect en zijn sommige suppoosten te loslippig. Routine is één van de grote gevaren voor de suppoosten en in het algemeen vindt het rapport is het bewakingsniveau eerder te laag dan te hoog. Ook over de motivatie van sommige personeelsleden is niet iedereen te spreken . Zo verwijt Lieve Daenens sommige van de door de stad aangeworven toezichters een gebrek aan kwaliteit en verantwoordelijkheidszin. Het grote probleem volgens A.R.T. Is het schrijnend gebrek aan fotomateriaal van de eigen verzameling. Want terwijl het Erfgoedweekend kon rekenen op duizenden belangstellenden blijkt dat diezelfde musea en erfgoedbeheerders niet altijd in staat zijn aan de politie te tonen of uit te leggen wat er nu eigenlijk verdwenen is.

 

 

(Weeral) geen middelen

 

Niet iedereen binnen het team is het met de cijfers eens. Veel heeft immers te maken met de inzet van de middelen bij de politie en ook dat laat veel de wensen over. Een inspecteur die liever anoniem wil blijven:

 

"Als er ergens een container gestolen wordt met bijvoorbeeld 20.000 mobiele telefoons dan worden er daarvoor direct behoorlijk wat middelen ingezet. Bij de verdwijning van kunstvoorwerpen die niet alleen een veel hogere financiële waarde hebben, maar daarenboven ook nog  een belangrijk erfgoed vertegenwoordigen, zijn die middelen absoluut niet toereikend. Daarenboven bezit elk land een andere informaticasysteem en is het zeer moeilijk om op internationaal plan samen te werken. "

 

 

Art Loss Register

 

Dat beseften de gedupeerden kunsthandelaars en particulieren ook en hun ergernis en belangen stegen zo veel dat ze besloten het Art Loss Register op te richten. Een privé-initiatief die voortdurend een lijst aanlegt van gestolen of verdwenen kunstwerken. Aan de basis van het Art Loss Register ligt het International Foundation for Art Research (IFAR). Deze non-profitorganisatie begon reeds in 1976 met het handmatig bijhouden van alle informatie over verloren en gestolen kunstvoorwerpen van dat moment.

 

Ze gaven een maandblad uit waarin de voorwerpen beschreven stonden Stolen Art Alert. Tien jaar later bevatte de databank reeds zo'n 30.000 beschreven voorwerpen. Na een haalbaarheidsstudie over de commerciële onafhankelijkheid van zo'n project zag het Art Loss Register het levenslicht in 1991. Nu maakt het ALR reeds winst en bevat informatie over 110.000 gestolen objecten waaronder onder andere 428 Picasso's, 287 Miro's, 191 Dali's en 158 werken van Dürer.

 

 

Eén op 5000 is verdacht!

 

Elke maand komen er niet minder dan 1200 nieuwe gestolen of verdwenen voorwerpen bij. Wa nt ook bij brand of bij'abnormale' verdwijningen van kunstvoorwerpen probeert het ALR de gegevens bij te houden. De oplichter heeft het nadien veel moeilijker om de voorwerpen ergens te koop aan te bieden.

 

Oorspronkelijk diende het voorwerp een minimumwaarde van 1500 euro te hebben, maar hiervan werd onder druk van de politiediensten en de verzekeringen snel afgestapt. Het bleek immers dat de vondst van één voorwerp zeer dikwijls aanleiding gaf tot het vinden van meerdere voorwerpen.

 

Wie maakt er nu gebruik van de gegevensbank? Alle grote veilinghuizen laten systematisch hun loten controleren.  De cijfers leren dat ongeveer één op de 5000 voorwerpen als verdacht wordt bevonden.

 

Verder maken alle mogelijke politie-en douanedie nsten gebruik van het systeem. Musea en particulieren bij de aankoop van een kunstvoorwerp en verzekeringen die de herkomst van te verzekeren voorwerpen willen controleren.

 

Het zijn die laatste trouwens die ervoor zorgen dat er voldoende in komsten zijn.

 

De verzekeringsmaatschappijen betalen jaarlijks een bijdrage en een commissie op het vindersloon. Bijna 400 verzekeringsmaatschappijen hebben zich bij het Art Loss Register ingeschreven.

 

Alle voorwerpen staan minutieus beschreven en van vele kunststukken is er ook een afbeelding beschikbaar.

 

 

Samenwerking met de politie

 

Het ART werkt ook samen met de officiële politiediensten die zich in de verschillende Europese landen met kunstdiefstal bezighouden.  In Groot-Brittannië is het ART één van de eerste private systemen die deel uitmaken van het Police National Network, in de Verenigde Staten staat de databank ter beschikking van de FBI. Het ART stelt vast dat de eigen databanken van de politie relatief weinig gebruikt worden omdat ze meestal teveel gestolen voorwerpen door elkaar bevatten zoals auto's en andere dure luxegoederen.

 

In Italië beschikt de Carabinieri over een gesofisticeerd systeem en niet minder dan 80 mensen houden zich met kunstdi efstal bezig. In Frankrijk gebeurt dit met het Office Central de lutte contre le trafic des Biens Culturels. Deze dienst beschikt ook zelf over een eigen databank TREIMA (Thesaurus de Recherche Electronique et d'lmageri e en Matière Artistique). Via de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken kunnen professionelen inzage krijgen in de lijst van gestolen en gevonden voorwerpen.

 

 

Van het Jubelpark naar het kanaal

 

Hier kan je trouwens de buit zien die de Franse gendarmerie in januari van dit jaar terugvond in een kanaal in de Elzas. De méér dan honderd voorwerpen staan op de website en onlangs geraakte bekend dat er ook een reeks gestolen voorwerpen uit Belgische musea bijzaten. Het gaat over tien stukken waardevol Duits zilver uit de 16de en 17de eeuw en over een ivoren reliëf de Drie Gratiën, toegeschreven aan G. Van Opstael (1594-1668). Dieven namen de stukken met behulp van een valse sleutel mee in 1997 uit het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. IJverige Brusselse rechercheurs ontdekten ook nog andere stukken die in België uit een museum werden gestolen. In het belang van het onderzoek zoals dat dan heet, kan er nog niet gezegd worden over welk museum het gaat.

 

Musea of particulieren die in de periode januari en februari 1997 ook het bezoek kregen van kunstdieven nemen het best contact op met de Federale Politie, Afdeling Kunst & Antiek. De kans is immers groot dat de dieven ook elders in België toesloegen. Met die vondst werd meteen ook één van de geruchten en verdachtmaingen tegen wijlen hoofdcon servator Francis Van Noten als zou hij iets met de diefstal te maken hebben de kop ingedrukt.

 

Peter Wouters


Afbeedlingen:

Te bekijken in het PDF-formaat.

Suikerstrooiers in zilver. Engeland 18de - 19de eeuw. © KIK

Chocoladekan, Parijs 1753 © KIK


PRAKTISCH:

ART LOSS REGISTER

www.artloss.com

Office Central de lutte contre le traffic des Biens Cultureles

www.interieur.gouv.fr

Belgische Federale Politie (Afdeling Kunst & Antiek)

Justitiepaleis

4 Quatre-Brasstraat 13, 1000  Brussel

Telefoon: 02 508 75 52


IN DE KIJKER - DE WERELD VAN DE KLUIZENAAR

 

…een mentale reis die hij maakt, alsof hij door de gedachte zichzelf kan transponeren naar andere, nog onbekende, genieden… 

 

Velen zullen in de National Gallery in Londen het schilderij 'San Girolama nello studio' van Antonello da Messina met enige verwondering en met vragende ogen bekeken hebben. San Girolama is bij ons beter bekend als Hiëronymus. Meestal wordt de heilige afgebeeld als een eremiet die in barre omstandigheden vertoeft. Denken we maar aan het bekende paneel van Jeroen Bosch in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. We zien er de kluizenaar die zich in zijn onderkleed biddend op het kruisbeeld heeft geworpen. Achter hem ontvouwt zich een sereen en schitterend landschap, de eremiet heeft er geen oog voor.

 

 

Vrijwillige afzondering

 

Antonello da Messina beeldt de kluizenaar af in een studeerkamer, een open constructie waar de kerkvader zich terugtrekt. Die houten constructie maakt deel uit van een groter geheel, een denkbeeldige, gotische ruimte die zowel naar een kerk als een palazzo kan refereren. Er zijn ranke zuilen en doorkijkjes naar het landschap, maar die zijn er enkel voor de toeschouwer, niet voor de figuur die er zich teruggetrokken heeft. Hij heeft zich vrijwillig afgezonderd in een strak gestructureerde studio met eigenlijk slechts twee wanden. De studio is wat verheven boven de wereld, het is als een podium. De geleerde kerkvader leest een boek en is omringd door diverse voorwerpen. Hij bestudeert de wereld niet door rechtstreekse observatie, maar via studiemateriaal, hij bestudeert de wereld waaruit hij zich teruggetrokken heeft. Vergeten we ni et dat de man een monnik en een geleerde was die verantwoordelijk tekent voor de Latijnse standaardversie van de bijbel, de Vulgaat. Zijn kardinaalschap is hem postuum toegekend, vandaar de rode mantel en kardinaalshoed, attributen waarmee hij meestal wordt afgebeeld.

 

 

Het filosofische pad

 

ln deze toestand van teruggetrokkenheid uit de wereld herkennen vele kunstena ars, wetenschapslui, filosofen zichzelf en hun eigen situatie. Zo ook Stefaan Van Biesen die een installatie wil realiseren die precies vertrekt vanuit dit intrigerend schilderij. Hij schrijft in zijn voorbereidend dossier over de geleerde: "Het is een mentale reis die hij maakt, alsof hij door de gedachte zichzelf kan transponeren naar andere, nog onbekende, gebieden. Het lijkt of zijn studio de enige wereld is die hij werkelijk kent. De studio is een projectie van zijn eigen denken." Van Biesen is zelf schilder van opleiding maar zijn werk is voornamelijk plaatsgebonden in de betekenis van gemaakt voor een bepaalde plaats. "Ik vertrek altijd vanuit de plek", vertrouwt hij me toe.

 

Zo werd hij uitgenodigd voor een solotentoonste lling in Park Ter Beuken te Lokeren. Hij vertrok hiervoor van uit het bestaande en aangelegde wandelpad.

 

Hij beschouwde het als een filosofisch pad , een pad dat je volgt terwijl je denkt onderweg. Je filosofeert al wandelend, je praat met jezelf. je gedachtegang wordt onderbroken wanneer je een werk ontmoet. Zijn 'Fluisterhuisje' bijvoorbeeld staat tegen een boom aangeleund en nodigt je uit om binnen te treden en te fluisteren, je spreekt tegen een boom, je spreekt eigenlijk tot jezelf.

 

 

Een tijdelijke imaginaire ruimte

 

Stefaan van Biesen beschouwt het park "als een imaginaire ruimte waarin hij tijdelijk verblijft". Hij houdt eraan zijn werk sterk af te stemmen op de plaats en te integreren in de gegeven site. Soms zijn de werken hierdoor moeilijk te vinden, ze gaan immers zo wezenlijk deel uitmaken van de omgevi ng. Toch zijn de meeste werken heel duidelij k verschillend van die omgeving, verschillend van de natuur.

 

Het werk van Van Biesen is stil werk, beschouwend en aanzettend tot beschouwing, tot ervaren ook. Zijn 'Windkamer', die hij realiseerde in Zonnebeke, is daar zo'n schitterend voorbeeld van. Het gaat om een aan een hoge boom opgehangen cirkelvormige koker in zwarte tule, veertien meter hoog met een diameter van 1,80 m. Er is een opening in de koker zodat je kan binnentreden. Je kan je midden in de natuur even afzonderen om diezelfde natuur door een zwarte waas te bekijken, je kan je even alleen weten zelfs al ben je voor iedereen zichtbaar en de anderen evenzeer voor jou. Het is een mentale ruimte die op een sublieme en poëtische manier wordt vormgegeven, als een bundel van zwarte zonnestralen, zwart licht dat door de bomen priemt.

 

 

In transit

 

De imaginaire ruimte is iets wat hem al jaren bezig houdt. Het schilderij van da Messina is op dat vlak een werk dat steeds weer naar voor is gekomen. De werkruimte van Girolama is een open plaats, het is een imaginaire kamer die alleen door de gedachte, voor het oog van de ander, kan worden afgesloten.

 

Het is een plek waarin je zowel "binnen" als "buiten" bent. Het is een georchestreerde ruimte, een transitzone, een plaats van in en uit de wereld staan. Bij het bekijken van het schilderij wordt de toeschouwer gedwongen in de rol van voyeur, hij kan het tafereel observeren zonder te kunnen participeren. Het is een wereld die niet de zijne is of kan zijn.

 

 

In het werk stappen

 

Stefaan Van Biesen geeft zijn project de titel "skin-huid-peau-pelle". Hij wil hiermee de gelaagdheid aangeven die in het werk schuil gaat.

 

Het project bestaat uit een na uwgezette reconstructie in hout van de op het schilderij zichtbare studio. De reconstructie is ontdaan van iedere anekdotiek, hij toont de werkkamer in driedimensionale en pure, naakte vorm zodat ze effectief als zodanig kan functioneren. Ze kan door iedereen worden betreden en op een of andere wijze ingevuld of gebruikt als een mentale ruimte.

 

Daar waar de gegevens die op het schilderij zichtbaar zijn, nauwgezet worden gevolgd, blijft er natuurlijk de invulling van de niet zichtbare gedeelten. Zo wordt het poortje links in beeld wel degelijk vervolledigd. Anders is het met de achterzijde. Hier is de kunstenaar helemaal niet gebonden en voorziet hij een flexibele installatie met tafels en video's. Op de videoschermen zijn opnames te zien van de bibliotheken van enkele bekenden en vrienden. Het boek staat er als drager van kennis, als een van de middelen om de wereld te verkennen.

 

De installatie wordt afgerond door het aanbrengen van grote monochrome doeken, ook zij zorgen voor een interactie met de toeschouwer want kleuren hebben een onmiskenbare invloed op ons gedrag.

 

 

Onzekere toekomst

 

Dit project zou niet misstaan in een stad als Brugge waar nu de tentoonstelling "Jan van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden" hoge toppen scheert. Het zou een interessante reflectie en aanvulling kunnen zijn. Ik kan alleen maar hopen dat het project kan gerealiseerd worden en dat de reconstructie een waarachtige functie kan vervullen, want het is wel de bedoeling dat ze niet alleen dient om naar te kijken ...

 

Daan Rau


Publiek & Museum - Luchtige ruimten of de ruime lucht

 

 

In het MuHKA, Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen en het Openluchtmuseum voor beeldhouwkunst Middelheim te Antwerpen werd deze vrijheid van de toeschouwer de kern van hun publiekswerking.

 

 

Op eigen houtje

 

Na de uitvinding van de fotografie gooiden de kunstenaars het 'juk' van de afbeelding van zich af. Een kunstwerk hoefde niet langer een kopie van de werkelijkheid te zijn. De kunstenaars werden door de jaren heen volledig vrij bij het scheppen van hun kunstwerk.

 

Bijna twee eeuwen na deze verandering is het nu ook de beurt aan de toeschouwers om zich te bevrijden. Ze krijgen de vrijheid om zelf kunstwerken te ontdekken. Daarin worden ze bijgestaan door de publiekswerking in de musea. De bedoeling van de publiekswerking is een brug slaan tussen de kunstwerken en het publiek. Ze wil vanuit het museum een dialoog aangaan met de verschillende publieksgroepen uit de samenleving. Daarbij richt ze zich zowel naar individuele bezoekers, als naar groepen, zowel naar volwassenen als naar jongeren en kinderen.

 

In het MuHKA, Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen en het Openluchtmuseum voor beeldhouwkunst Middelheim te Antwerpen werd deze vrijheid van de toeschouwer de kern van hun publiekswerking.

 

In beide  musea maakt men werk van media waarbij men de bezoekers helpt kijken. Dat helpen gebeurt door een gids maar ook door publicaties, audioguides, ateliers en museum spelen.

 

 

Gidsen goed gehoord

 

Marijke Van Eeckhaut (Wetenschappelijke medewerker dienst publiekswerking MuHKA) vertelt ons dat ze in het museum signalen ontvingen van het publiek dat de klassieke rondleiding, waarbij een gids vertelt en de bezoekers luisteren, niet langer voldeed aan ieders verwachtingen. Zo ontsproten de interactieve rondleidingen. De gids kreeg een nieuwe taak, deze van bemiddelaar in het kijken naar het kunstwerk. De wetenschappelijke, moeilijke termen maakten ineens plaats voor een dialoog op niveau waarbij ieders mening wordt geapprecieerd. Er ontstaat een wisselwerking tussen het kunstwerk, de gids en het publiek. Elk mag vrij kijken en oordelen.

 

 

Aan de slag...

 

De kinderen kregen al eerder die vrijheid en privileges. Speciaal voor hen bestonden reeds langer deze actieve gidsbeurten. Nu en dan gekoppeld aan atelieractiviteiten. De kinderen kunnen tussen de kunstwerken hun eigen kunstkriebels botvieren. Het Middelheim daarentegen heeft een specifieke ruimte. Er was nood aan een plaats waar creatieve geesten (jong en oud) zelf aan de slag konden nadat ze kennis hadden gemaakt met de ruimtelijke werken in het park. Voorlopig kan dat in een tent maar vanaf het najaar zal er een heus atelier beschikbaar zijn.

 

 

Veel in huis

 

Beide musea hebben ook een eigen museumspel in huis. Het Middelheim pakt uit met MuseJA! en het MuHKA creeërde de Kunstpluk waarin de permanente collectie centraal staat. Doordat de collectie van het MuHKA meestal als uitgangspunt dient voor tijdelijke tentoonstellingen is er weinig tijd voor het werken met de blijvende collectie. Daarom ontwierpen ze de MUST, een groot museumspel waarmee je spelenderwijs allerlei te weten komt over het museum, de collectie, de tijdelijke tentoonstellingen, de museumregels, de museumfuncties enz. Nadien kan je zelfs je eigen ideeën en bevindingen op een postkaart schrijven en in de museumbrievenbus gooien. Floris, de MuHKA-museummedewerker in stripformaat, krijgt zo zijn 'fanmail' in de bus. Floris begeleidt ook de Kinderpraat.  Dit is een folder waarin kinderen op een eenvoudige manier wegwijs worden in de tentoonstelling.

 

Dan is er voor elke tentoonstelling ook een Jongerengids en een Tentoonstellingsfolder voor volwassenen, naast de catalogi. Het Middelheim brengt, naast de catalogus en folders omtrent de vaste collectie, ook telkens specifieke brochures voor jong en oud naar aanleiding van de tijdelijke tentoonstellingen.

 

 

En het verschil

 

Het MuHKA en het Middelheim zitten dus op dezelfde golflengte. Maar tussen beide musea is één groot verschil. Het ene museum heeft zijn kunstwerken voornamelijk binnenshuis, het andere is letterlijk: openlucht. We vroegen ons af wat dit grote verschil met zich meebrengt.

 

Greet Stappaerts (Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim) merkt op dat het werken in een openluchtmuseum veel voordelen biedt maar al evenveel praktische problemen met zich meebrengt. Het Middelheim is een vrij en gratis toegankelijk park. Zowel kunst- als natuurliefhebbers komen er op bezoek. Daardoor bereikt het museum een heel ruim publiek en vinden mensen soms vlugger hun weg erheen.

 

De kunstwerken in het park ondergaan elk weertype en kunnen eventueel ook aangeraakt worden. Deze mogelijkheid opent ook de deur voor een publiek dat in de gewone musea heel vaak in de kou staat: de blinden of slechtzienden.  Het Middelheim denkt eraan om in de toekomst ook voor hen een rondleiding op maat te voorzien .

 

Men werkt in Middelheim, genoodzaakt door ons klimaat, vooral seizoensgebonden. Daardoor heeft het museum tijdens het laagseizoen de kans om de werking grondig te evalueren en nieuwe projecten te creëren.

 

Aan de andere kant treden er, door het openluchtaspect regelmatig praktische moeilijkheden op. Er is geen centrale inkomhal in een park. Folders en plattegronden moeten dus gratis worden aangeboden bij de ingang van het park. En doordat de weerlui ons een groot deel van het jaar natte dagen voorschotelen zitten deze allemaal in waterdichte bakjes.

 

In openlucht kan je ook geen zaalteksten voorzien, zelfs titels en namen zijn niet makkelijk bij de kunstwerken te plaatsen.

 

Om deze ongemakken te omzeilen is Greet bezig met het ontwerpen van audiogidsen die de bezoeker als ondersteuning zal kunnen gebruiken bij een bezoek.

 

 

Combineren

 

Niettemin bestaat er een nauwe samenwerking tussen beide musea. Zo is er al een mogelijkheid om tijdens een schoolreis het MuHKA en het Middelheim te combineren. Binnen- én buitenmuseum zetelen regelmatig in de vergaderingen van de Koepel van Antwerpse Musea en nemen beiden deel aan initiatieven van de  Vlaamse Museumvereniging. Ook spelen ze soms in op elkaars programma, waar Honoré d'O in het voorjaar te zien was in het MuHKA, komen er in het najaar werken van hem in het Middelheim.

 

 

In de zomerzon...

 

Ook de kalender van komende zomer staat bomvol. In beide musea zijn zomerateliers gepland. Je kan dromen in het beeldenpark, of dwalen in de ruime museumzalen. Een eigen performance creëren op het MuHKA-terras of deelnemen aan het grote vuurritueel in het prachtige park.

 

Zelf een kunstwerk maken of een zelfgekozen werk becommentariëren, de nachtelijke sfeer opsnuiven tijdens de nacht van de musea. Ouders en kinderen kunnen samen ontbijten in het MuHKA of beeldend spelen in de Middelheimzon.

 

Alles is mogelijk deze zomer. Jong en oud komen aan hun trekken, binnen of buiten, zinnig of onzinnig, ernstig of ludiek, ... Het volledige programma kan je terug vinden op de websites. Liever luchtig buiten, of ruim binnen, aan jou de keuze...

 

Marieke Holvoet


Afbeeldingen:

Te bekijken in het PDF-formaat

Nocturne in het Muhka © Muhka

links: Kinderatelier in Middelheim,

© Middelheim-Openluchtmuseum onder: Kinderatelier in het Muhka © Muhka


PRAKTISCH

OPENLUCHTMUSEUM VOOR BEELDHOUWKUNST MIDDELHEIM

Publiekswerking- Greet Stappaerts en Greet Cooreman

Middelheimlaan 61

2020 Antwerpen

Tel.: 03/ 827 15 34

middelheimopenluchtmuseum@cs.antwerpen.be

www.dma.be/cultuur/museum_middelheim

 

MuHKA

Publiekswerking- Geertrui Pas,

Peggy Saey en Marijke Van Eeckhaut

Leuvenstraat

2000 Antwerpen

Tel.: 03/ 238 59 60

muhka@skynet.be

www.muhka.be


EXPO: Jannis Kounellis

 

 

Het orakel van Delphi stelt ten toon in het SMAK. Het is zijn eerste grote solopresentatie in België. Ze overspant een periode van meer dan veertig jaar.

 

 

Arte povera

 

Jannis Kounelllis werd in 1969 op slag wereldberoemd met zijn tentoonstelling van 12 paarden in een galerie in Rome. Ze stonden tegen de wanden opgesteld, met hun achterste naar de toeschouwer gericht. Meer was er niet te zien, tenzij stro en uitwerpselen. ln feite was de ruimte tijdelijk tot paardenstal getransformeerd. Voor het eerst maakte de beeldende kunst gebruik van levende dieren. De tentoonstelling veroorzaakte controverse. Het was duidelijk dat Kounellis grenzen had overschreden, zowel artistiek als ethisch.

 

Het zijn de jaren van het geloof in de veranderende kracht van kunst. In 1967 lanceert criticus Germano Celant de term Arte Povera ter gelegenheid van een groepstentoonstelling van jonge Italiaanse kunstenaars. Ook de uit Griekenland afkomstige Jannis Kounellis (°1937, Piraeus) neemt deel aan deze tentoonstelling. Sinds zijn verhuis naar Rome midden jaren '50 beschouwt hij zichzelf als een Italiaans kunstenaar.

 

De Italianen verzetten zich tegen de dominerende invloed van de Amerikaanse Pop en Minimal Art. Celant ontleent de term aan "teatro povero" van Jerry Grotowski. Het is een verwijzing naar het gebruik van armoedige materialen als aarde (Pascali) kolen (Jannis Kounellis) takken (Mario Merz) en krantenpapier (Luciano Fabro). De term is in zekere zin misleidend.

 

De kunstenaars gebruiken immers ook "rijke" materialen als marmer en zijde.

 

Ze hebben vooral een voorkeur voor onorthodoxe materialen, die va ak op een raadselachtige wijze gecombineerd worden.

 

"Wat de kunstenaars met elkaar verbond was  (. .) de wil om een nieuwe taal te ontwikkelen die in staat was de werkelijkheid weer te geven" aldus Kounellis.

 

 

Hij die het leven beschrijft

 

Al heeft Kounellis in 1963 zijn penselen opgeborgen, hij blijft zichzelf beschouwen als een schilder. "Schilderen is een mentaliteit, die zowel mét als zonder linnen bestaat. In het Grieks betekent schilder 'zografo',  'hij die het leven beschrijft'. "

 

Kounellis wil een concrete dialoog aangaan met de dingen zoals ze in de realiteit bestaan.

 

In eenvoudige configuraties creëert hij een spanning tussen verschillende materiaalsoorten. Ze prikkelen de vijf zintuigen, en brengen een nieuwe fysieke perceptie tot stand.

 

Komen aan bod : wol, katoen, sta al, steenkool, jutezakken, lood, cactussen, levende di eren, koffiebonen ... Een typisch kenmerk is het uitspelen van tegenstellingen; een strakke, harde structuur tegenover gevoelig en kwetsbaar materiaal.

 

Geschiedenis en kunst zijn onlosmakelijk verbonden in de werken van Kounellis. Door brokstukken van antieke beelden uit de oudheid te plaatsen tegenover staal of steenkool brengt hij een geladen confrontatie tot stand tussen culturele archetypes. Een botsing tussen voorbije tijdvlakken en het heden. De vervreemding is voelbaar.

 

Het element vuur, en de afgeleide vorm 'rook', zijn een constante in Kounellis' oeuvre. Ooit bevestigde hij butaanbranders op rij aan de muren van een tentoonstellingsruimte. De bezoekers werden door het vuur omringd. De hitte en dreiging gaven een beklemmend, maar ook magisch effect. In andere werken wordt de symboliek opgeroepen door de sporen die het vuur heeft nagelaten; roetvlekken op muren en gipsen afgietsels van antieke beelden.

 

Kounellis werk is, hoeft het nog gezegd, theatraal, barok en imponerend. "Aan het streven naar theatraliteit ontleent de kunst haar vitaliteit en energie."

 

 

Verdwenen "centralitelt"

 

Omwille van zijn bondige en mysterieuze uitspraken over (zijn) kunst en de rol van de kunstenaar wordt Kounellis wel eens het Orakel van Delphi genoemd. Een steeds weerkerend concept is eenheid, "centralità".

 

De huidige wereld is volgens hem in fragmenten uiteengevallen. Zekerheden zijn verdwenen.  Het schilderij, dat een geïntegreerd beeld van de werkelijkheid oproept, heeft daarom afgedaan. Het geeft een illusie van eenheid, die niet meer bestaat. Sinds WO II is het "centraal uitgangspunt dat ons helpt de cultuur opnieuw te definiëren" definitief zoek geraakt. In bevlogen momenten roept Kounellis kunstenaars op "de waarden te bewaken en de cultuur te verdedigen. "

 

Hijzelf wil de breuk met het verleden helen. Daarom maakt hij kunstwerken, opgebouwd uit fragmenten die aan andere tijden herinneren, toen tradities nog intact waren.

 

 

De tentoonstelling

 

In het SMAK wordt werk uit de jaren '60 en '70 tentoongesteld naast grote recente installaties, gemaakt op maat van de museumruimtes.

 

Presentaties van Kounellis' werk in de jaren '90 toonden geen ni euwe invloeden of verschuivingen  in zijn alom bekende beeldtaal en concepten.  De materiaalkeuze had zich nauwelijks gewijzigd . De ruwe, krachtige en directe presence van de oudere beelden leek te verzanden in herhaalde citaten. Of zijn kunst nog steeds "waarachtig" en "revelerend" is, is een prangende vraag.

       

Els Nouwen


Afbeeldingen:

Te bekijken in het PDF-formaat.

 

Senza titolo, 1989, © Dirk Pauwels

Senza titolo, 1993, © Dirk Pauwels

Senza titolo, 2000, © Dirk Pauwels

Senza titolo, 1966,© Dirk Pauwels   

 


PRAKTISCH

Jannis Kounellis

Nog tot 23/06/2002

Stedelijk Museum voor Actuele Kunst

Citadelpark

9000 Gent

09/221.17.03

museum.smak@gent.be

www.smak.be


EXPO: Clovis Trouille of de vreemde kronkels van het surrealisme

 

 

Zowat overal in Europa lijkt het surrealisme weer in opmars. Parijs zet de toon met een uitgebreide overzichtstentoonstelling. In eigen land hebben we de keuze tussen diverse tentoonstellingen waaronder die in het PMMK te Oostende de kroon spant. Zo dachten we tenminste.

 

Conservator Willy Van den Bussche heeft vier kunstenaars bij elkaar gebracht die in mindere of meerdere mate bij het surrealisme aanleunen:

Desmond Morris, met biomorfe uitbeeldingen die niet zonder verwantschap met Tanguy, Arp of Miro zijn, zelfs soms met een vleugje Matta of Lam;

Ergin lnan, een Turkse kunstenaar wiens magische wereld doorspekt is met Oosterse en Westerse elementen en die bovendien de techniek v n het tro pe­ l'oeil perfect beheerst;

Emile Salkin; zijn werk mag gerust een openbaring worden genoemd. Zijn omgang met Paul Delvaux en met Marcel Broodthaers roept interessante vragen op in verba nd met verwantschap en beïnvloedi ng; Clovis Trouille tot slot, die wel degelijk in de bewogen geschiedenis van het surrealisme voor de nodige deining heeft gezorgd.

 

 

Censuur

 

Trouille was berucht en kon er prat op gaan dat hij het meer dan eens met de censuur aan de stok heeft gehad. Zijn werk is dan ook onomwonden erotisch en hevig antiklerikaal. Aan pausen had hij de pest en hij dreef evengoed de spot met Pius XII als met André Breton (de ene paus van Rome, de andere van het surrealisme). Schilderijen van Clovis Trouille waren vooral bekend geraakt via publicaties in surrealistisch gezinde tijdsch riften. Trouille heeft bitter weinig tentoongesteld: af en toe eens een schilderij in een groepstentoonstelling en één enkele indi viduele tentoonstelling. Aan verkoop dacht hij helemaal niet. Een schilderij dat met het oog op winstbejag geconcipieerd werd, kon in zijn ogen niet valabel zijn.

 

Voor de surrealisten die met de nodige tamtam hun werk aan de man brachten, had hij enkel misprijzende woorden over, al heeft hij nooit iemand met naam genoemd. Het was eerder een collectief afwijzen van de kunsthandel en van zijn leveranciers.

 

 

De laatste zondagsschilder?

 

Hij bestempelde  zichzelf zonder complexen als een zondagsschilder -een uitstervend ras vond hij- en een eerste oogopslag bevestigt dat predikaat. Niet zelden kiest Trouille voor een correcte, maar banale compositie. Hij schuwt de schreeuwerige kleuren met kitscherige inslag niet. De stilistische verwantschap met het goedkope chromowerk uit de populaire tijdschriften uit de Belle Epoque is gewild. Op het schilderij 'Stigma Diaboli' herkennen we André Breton als één van de prelaten die met samengeperste lippen en volle aandacht naar het bezwarende plekje op een mooi gewelfde en subliem geschilderde bil speurt. Hij was aanvankelijk een groot bewonderaar va n de pseudo-volkse inslag van Trouilles werk. Maar de zorg waarmee hij zijn schilderwerk uitoefende vond hij overdreven. Trouille die inderdaad een perfectionist was, kon niet instemmen met Bretons misprijzen voor de Oude Meesters. Verwijten en schimpscheuten waren niet van de lucht. Trouille hield er een surrealistische kater aan over, in de vorm van een regelrechte excommunicatie uit de beweging, maar bleef zijn eigen stijl trouw. Hij schildert met brio als een fijn­ schilder, dit in tegenstelling tot Magritte die aan de vorm veel minder belang hechtte. Hij was niet te beroerd om bepaalde schilderijen soms na jaren nog eens onder handen te nemen. Heel wat werken dragen daarom twee data . Het meest extreme geval is wel 'La Partouse' uit 1930-1966!

 

 

Alkoofgeheimen te Oostende

 

Het PMMK heeft op de sfeer van dit buitensporige werk ingespeeld. Zinnelijk en heiligschennend pronken de meer dan zestig werken in zwart behangen alkoven. Voor de bezoekers werd de rode loper uitgelegd . Schilderijen van Clovis Trouille krijg je zelden te zien, op veilingen zelfs helemaal niet. Een dergelijk ensemble was in ons land nooit eerder te zien. En zelfs voor de happy few die ooit de enige retrospectieve te Parijs gezien hebben, blijft dit een buitenkans. Doch wat blijkt? De opkomst van het publiek blijft ondermaats.

 

De persbelangstelling  is meer dan matig geweest. Conservator Willy Van den Bussche betreurt deze gang van zaken, maar vindt er geen redelijke uitleg voor. Deze eigenzinnige vorm van figuratie past volledig in de tentoonstellingspolitiek die hij sinds de geruchtmakende tentoonstelling " Between Heaven and Earth" voert. Figuratie heeft inderdaad een eigentijds gezicht en uit zich in sterk uiteenlopende vormen. Eén van die vormen is het herrezen surrealisme dat niet samen met zijn voornaamste vertegenwoordigers is verdwenen en dat meer dan een rijk arsenaal aan bevreemdende beelden heeft opgeleverd. De reacties van het schaarse publiek wezen vooral op verwondering bij werk dat, behalve dat van Desmond Morris, volledig onbekend is. Bij Trouille worden de erotische iconen in eerbiedige stilte gemonsterd , alkoof na alkoof. Hooguit hoorde ik een Nederlandse bezoeker zijn echtgenote iets toefluisteren van : "Erg ondeugend". Er klonk blijmoedige goedkeuring in zijn stem.

 

Rik Sauwen


Afbeeldingen:

Te bekijken in het PDF-formaat.

Mijn begrafenissen, 1940 ©Adagp, Paris

Justine, 1937. Coll. Lambert ©Adagp, Paris


PRAKTISCH

Oostende

Nog tot 16/06/2002

Provinciaal museum voor moderne kunst

Romestraat, 11 - 8400 Oostende – België 059/ 50.81.18

pmmk.oostende@west-vlaanderen.be             

www.pmmk.be

€ 5 - € 4 


MUSEA Een stad aan de Stroom

 

Het Museam aan de Stroom, dat in 2005 moet openen, zal de collecties van drie stedelijke musea gaan verenigen. Omdat zoiets niet vanzelfsprekend is en omdat je beter goed voorbereid aan zo'n avontuur begint, is men in Antwerpen al een tijdje geleden begonnen aan een reeks proefopstellingen, zeg maar tentoonstellingen, voor het nieuwe museum.

 

Tot na de zomer loopt in de Scheldestad het project 'Stroomversnelling', in drie musea: het Hessenhuis, het Volkskundemuseum en het Scheepvaartmuseum. De bedoeling is uit deze experimenten te leren en bij te sturen waar nodig.

 

Vorig jaar was al een begin gemaakt met, 'Van torens stekelig'. Maar tussen streefdoel en resultaat ligt vaak een diepe kloof. De ietwat 'rommelige' en zeer kunstzinnige aanpak van deze tentoonstelling deed vermoeden dat de 'look' zou gaan primeren op de inhoud. Iets wat ik ook deze keer vreesde.

 

 

Evenwichtig en doordacht

 

In het Hessenhuis loopt 'Stroomversnelling. De Antwerpse haven tussen 1880 en nu'. Rond drie thema's (arbeid, groei en organisatie) brengt men het verhaal van de grote expansie die de Antwerpse haven de afgelopen 120 jaar heeft gekend. Vermits het laden en lossen tot in de jaren '60 zeer traditioneel gebeurde, zijn de stukken die getoond worden dat ook!

 

Hoe combineer je nu in godsnaam zware metalen schepbakken, een tractor, een glijbaan voor meelzakken met foto's, schilderijen, scheepsmodellen, grote kaarten en com puters? Bovendien zijn het véél voorwerpen en zijn ze vrij groot, sommige zelfs ronduit plomp. Het risico dat het al gauw een rommeltje wordt als je dit samenbrengt is dan ook vrij groot.

 

Het is geen rommeltje geworden. Integendeel, de presentatie is zeer evenwichtig, doordacht en met veel oog voor detail. Het gedeelte met de grote panorama's van de stad en de kaarten is zonder meer boeiend en leerrijk. Enkele goed gekozen citaten zorgen voor een meerwaarde. De functie van vele voorwerpen is niet altijd meteen duidelijk, maar alles wordt op een begrijpelijke manier uitgelegd, nu eens door tekstjes, dan weer door een video waar je een (gepensioneerde) dokwerker zijn verhaal hoort doen.

 

Op de eerste verdieping van het Hessenhu is ligt de nadruk meer op foto's en modellen, maar ook hier is alles zeer evenwichtig opgesteld. Deze verdieping van het Hessenhuis is ook geen gemakkelijke ruimte, met zijn lage zoldering. Al vele tentoonstellingen werden hier letterlijk 'doodgedrukt'.

 

Deze keer is dat niet het geval. Helemaal bovenaan in het Hessenhuis is een collectie foto's van Roger Van Vosset ondergebracht, die gedurende de laatste twintig jaar de havenarbeiders heeft gevolgd . Een mooi geheel, soms pakkend, soms grappig.

 

 

Het boek is beter

 

Het volkskundemuseum vormt met 'Havenkwartier. Het dagelijkse leven aan de waterkant' het tweede luik van de tentoonstelling. Een jaar geleden deed het museum een oproep aan de bewoners van Antwerpen om foto's en verhalen rond dit onderwerp in te sturen. Het resultaat is nu te zien in een tentoonstelling en een boek.

 

Men probeert de havensfeer te vatten door de foto's en de voorwerpen te tonen in een decor van iets wat een oude houten loods of zo moet voorstellen. Zelfs een heus 'hoeren kotje' werd eraan toegevoegd .

 

Maar wat je uit het boek wél leert, de context, haal je niet uit de tentoonstelling zelf. Het geheel oogt zeer povertjes. Zat er echt niet méér in dan 1 zaal? Bovendien is de architectuur van het volkskundemuseum zo dwingend aanwezig dat de illusie geen moment overeind blijft.

 

Dit is geen museumzaal die geschikt is om een tentoonstelling in te bouwen. Mogelijks werkt dit decor wél in een andere ruimte, hier komt het alleen maar zeer oubollig over. Een proefopstelling in een dergelijk decor is een op voorhand verloren zaak.

 

Wat leer je hier nu van?

 

Het bewijst wél hoezeer dat nieuwe museum nodig is in Antwerpen.

 

 

Het Steen, maar dan van metaal

 

Het laatste luik van de tentoonstelling loop in het Scheepvaartmuseum. 'Landverhuizers. Antwerpen als kruispunt van komen en gaan' probeert een beeld te schetsen van de vaak moeilijke en tragische reis die velen op het einde van de 19de eeuw ondernamen, allen op zoek naar een beter bestaan.

 

Het Steen is ook niet meteen de meest voor de hand liggende locatie als je een tentoonstelling wil bouwen, en toen me voorafverteld werd dat de binnenzijde bekleed zou zijn met metalen panelen hield ik eerlijk gezegd mijn adem even in.

 

Maar wat een geslaagde opstelling is het geworden!

 

De zalen met de zware boegbeelden erin zijn onherkenbaar geworden, de beelden weggemoffeld in een metalen omhulsel. Wie het Steen een beetje kent weet dat er midden in de tentoonstllingsruimte een zware vaste vitrine staat. Een misbaksel van formaat dat dwingend aanwezig is en dat je hele opstelling gaat bepalen.

 

Hoe pak je zoiets aan?

 

In deze tentoonstelling loop je er gewoon doorheen en merk je niet eens dat ze er is! Schitterend!

 

Eigenlijk kan deze inrichting zó verhuizen naar het nieuwe museum, een goeie vondst moet je behouden!

 

 

Van onder het stof

 

Niets is boeiender dan een stad die haar verhaal kan vertellen. Een rijk verhaal van een rijk verleden. Aspecten hiervan uitwerken in proefopstellingen is een zeer goed idee. Zo krijgt men de kans om kleinere tentoonstellingen te maken met een duidelijke meerwaarde, zonder in de bekende 'blockbuster'-val te trappen.

 

Er waait duidelijk een nieuwe wind doorheen de Antwerpse musea.

 

En dat er daarbij soms pareltjes van onder het stof opdoemen is met dit project alweer bewezen.

 

Soms zijn de conclusies die je uit dergelijke initiatieven trekt zeer onverwacht en verrassend. Zo leer je bijvoorbeeld bij 'landverhuizers' dat er 120 jaar geleden een veel groter migrantenprobleem was in Antwerpen dan nu ... Cultuur schaadt dan toch minder de gezondheid als sommigen beweren. Kortom, meer van dit. Laat maar komen dat Museum aan de Stroom!

 

Michel Peeters

 

Ook toen al terrasjes in Antwerpen © Etnografisch Museum Antwerpen Hypsoskaart, © Bart Huysman


PRAKTISCH:

STROOMVERSNELLING

Nog tot 1 september 2002 Hessenhuis Falconrui 53 2000 Antwerpen € 5-€ 2,5

HAVENKWARTIER

Nog tot 1 september 2002 Volkskundemuseum Gildekamersstraat 2-6 2000 Antwerpen € 2,5 -€ 1,25

LANDVERHUIZERS

Nog tot 31 december 2002 Nationaal Scheepvaartmuseum Steenplein 1 2000 Antwerpen € 4-€ 2


Brusselse musea en hun bezoekers, geen onbekenden voor elkaar

 

 

Vorig jaar liet de Brusselse museumraad (BMR) met de steun van de Vlaamse Gemeenschapscommissie een publieksonderzoek uitvoeren.

 

 

Geen louter academische oefening, wel een belangrijke bouwsteen van een doordachte museale politiek in onze hoofdstad. Zo weten wij nu wie belangstelling heeft voor schilderkunst, krijgskunst, witloof, trams of computers, want daarover- en over nog zoveel meer - bestaan er musea in Brussel.

 

De kantoren van de Brusselse Museumraad bereik je via een duistere trap in een negentiende-eeuws pand in de Beenhouwersstraat. Het kader is niet meteen riant te noemen, wel authentiek, hetgeen in hartje Brussel al veel waard is. De vergaderruimte daarentegen kijkt uit op de hele lengte van de Sint Hubertusgalerij en dat uitzicht is ronduit prachtig.

 

Heel veel naambekendheid heeft de Brusselse Museumraad nog niet, al bestaat hij sinds 1995. Dat neemt ni et weg dat hij meer dan nuttig werk verricht in een stad (en regio) met een aanbod van rond de honderd musea van de meest uiteenlopende pluimage.

 

 

Niet te veel prietpraat

 

Directrice Leen Ocheten is alvast strijdvaard ig: "De BMR is een initiatief uit de basis en dat is interessant. Het zijn de verantwoordelij ken van diverse musea die samen met de mensen uit de toeristische sector de basis ervan gelegd hebben tijdens rondetafelgesprekken over het Brussels toerisme in 1994. Het jaar daarop werd de Raad opgericht.

 

Er waren twee doelstellingen:

 

1° intern : het bevorderen van de communicatie tussen de musea onderling, het stimuleren van de onderlinge synergie en de collectieve identiteit,

 

2° extern : het promoten van de musa als essentiële elementen van het culturele leven en van de regionale identiteit" In mensentaal, komaf maken met de ivoren­ torenmentaliteit in het besef dat die samenwerking iedereen ten goede komt en ervoor zorgen dat het publiek weet krijgt van het rijke aanbod aan musea te Brussel. Zoals het betaamt stelde de algemene vergadering een raad van bestuur aan, vervolgens een dagelijks bestuur en het werk kon beginnen.

 

Meest in het oog springend voor het publiek was de publicatie in 1998 van een museumgids (zonder toeristische prietpraat, wel met een heldere omschrijvi ng van de eigenheid van elk museum), die eerlang in een geactualiseerde vorm een tweede oplage zal kennen. Het wordt een geheel nieuwe uitgave met een andere uitgever. Er werd ook een overzichtelijk stadsplan met de locatie van een tachtigtal aangesloten musea verspreid.

 

 

Geraak er maar wijs uit

 

Die musea werken momenteel vlot samen, ondanks hun erg uiteenlopende signatuur (federale instellingen, gemeentelijke, privé, vzw's) en ondanks het feit dat ze niet enkel in het Brusselse gewest gevestigd zijn, zoals het Museum voor Oudere Technieken te Grimbergen of het Wellingtonmuseum te Waterloo (geen enkele overheidsinstantie zou daaraan uit geraken).

 

In de herfst van vorig jaar werden zelfs een hele reeks nocturnes ingericht waarop het publiek extra werd verwend, met demonstraties, animaties, rondleidingen en al. Tussen september en december trokken die ruim vierduizend bezoekers aan, een niet onaardig cijfer in de Brusselse context. De bezoekers moesten ook via een centrale telefoon reserveren, wegens de beperkte capaciteit van een heel aantal deelnemende musea. Van meet af aan had de Brusselse Museumraad op de wensbaarheid van een publieksonderzoek gewezen. In 2000 werd met een proefonderzoek gestart en in 2001 werd dit met de steun van de Vlaamse Gemeenschapscommissie tot een goed einde gebracht.

 

 

Het publieksonderzoek

 

"Het nut van het onderzoek ligt voor de hand", legt projectverantwoordelijke Daphné Maes uit. "Als we weten welk publiek onze musea bezoekt, kunnen marketing- en communicatiebeleid beterop de doelgroepen afgestemd worden."

 

Het onderzoek werd op twee vlakken gevoerd : de individuele bezoekers en de groepsbezoekers. Voor elk van de luiken werd een andere methode toegepast.

 

Voor de individuele bezoekers werd het publiek aan de tand gevoeld in musea van drie onderscheiden genres (kunst, geschiedenis, wetenschap / techniek) en van elk genre een groot, een middelgroot en een klein, een totaal van negen musea, voldoende om een duidelijke staalkaart van het aanbod te krijgen. Voor de Kunstmusea waren dat respectievelijk Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Het Horta­museum en het Museum voor Schone Kunsten van Elsene. Voor de geschiedenis werden Het Legermuseum, het Broodhuis en het Museum van de Dynastie weerhouden. Als vertegenwoordigers voor de wetenschappen en techniek koos men het Museum voor Natuurwetenschappen, Autoworld en het Museum voor Oudere Technieken .

 

De kernvragen waren 'Wie komt er naar Brusselse musea? Hoe kan men deze bezoeker beter bereiken? Waarom komt men naar het museum? Met wat combineert men het museumbezoek?'

 

Voor de groepsbezoeken werd een andere methode gevolgd , met name gerichte discussiegesprekken met organisatoren van groepsbezoeken: toeristische organisatoren, de organisatoren van volwassenengroeperingen, leerkrachten en jongerenleiders.

 

 

Positieve resultaten

 

Na verwerking van de gegevens blijkt dat de Brusselse musea het lang niet slecht doen. Ze vallen zeker in de smaak bij de buitenlanders die goed zijn voor 45 % van de entrees, met de Britten (10%) en de Fransen (9%) als koplopers. Van de Belgen komt nagenoeg de helft uit de Brusselse regio, 33% uit Vlaanderen en 17% uit Wallonië. Tussen de genres bestaan er ook schommelingen. De kunstmusea scoren heel hoog bij de buitenlanders (70%), wetenschap en techniek krijgen vooral Belgische bezoekers overde vloer.

 

De actieve bevolking (25-54 jarigen) vindt goed zijn weg naar het museum. De jongeren en de senioren zijn ondervertegenwoordigd. "Dat was een verrassende vaststelling", zegt Daphné Maes, "we dachten juist dat we heel veel senioren zouden tegenkomen." Detailcijfers zullen die vaststelling wel nuanceren, want het blijkt dat senioren vooral de kunstmusea bezoeken en veel minder de musea voor geschiedenis en techniek. 60 % van de ondervraagden beweert de musea te bezoeken omwille van hun permanente collecties, 74 % van de buitenlanders tegen 47 % van de Belgen, maar deze laatsten komen ook vaker voor een specifieke afdeling of voor een tentoonstelling.

 

Museumbezoek is voor 46 % van de bezoekers de hoofdreden van hun verplaatsing. De musea zijn dus duidelijk aantrekkingspoten voor Brussel. Voor buitenlanders is dit percentage uiteraard geringer. Hun museumbezoek past meestal in een globale vakantietrip.

 

Het bezoeken van een museum is duidelijk een sociale aangelegenheid. Niet minder dan 72 % bezoekt het museum in gezelschap. Belgische kinderen vergezellen hun ouders, in wetenschappelijke musea zelfs 52 %. ln 16 % van deze gevallen (dus wat betreft de wetenschappelijke musea) hebben de kinderen het initiatief tot het museumbezoek genomen.

 

Organisatoren van groepsbezoeken vinden de Brusselse musea nuttig en interessant. Ze zien ze als bewaarders en overdragers van het culturele erfgoed van de bevolking.  

 

 

De mindere kantjes

 

Dat er ook negatieve kanten naar bovenkwamen was te verwachten. Bij het toetsen van de cijfers aan het opleidingsniveau van de bezoekers blijkt dat de hoger opgeleiden sterk vertegenwoordigd zijn. Als voorbeeld : universitairen zijn goed voor 44 %. Opgesplitst geeft dat 55.8 % (!) bij de buitenlanders, tegen 35,1 % bij de Belgen. Uiteraard is er weer een sterk verschil tussen de kunstmusea (meest hoger opgeleiden) en musea voor wetenschap en techniek waar de lager geschoolden wel behoorlijk scoren.

 

Zoals al eerder vermeld zijn ook de senioren en de jongeren ondervertegenwoordigd. Daar moet iets aan gedaan worden. De jongeren zijn immers het publiek van de toekomst en door de vergrijzing groeit de categorie senioren aan. Wie zou er nog moeten aangesproken worden om de musea te bezoeken? Alvast de thuisblijvers, nu slechts goed voor 4,9 %. terwijl die groep toch 18.,7% van de bevolking uitmaakt. Wel zijn de thuisblijvers extra moeilijk bereikbare, juist omdat zij niet buiten komen!

 

 

Een imagoprobleem

 

Er is blijkbaar nog te weinig gedaan in de richting van de congres- en zakenreizigers, die ruim 60 % van de overnachti ngen in de Brusselse hotels vertegenwoordigen.

 

Andere minpunten zijn de gebrekkige bewegwijzering naar de musea en het feit dat heel wat van die musea quasi onbekend zijn. Haast niemand heeft er een idee van dat Brussel en omgeving rond de honderd musea telt.

 

Eenzelfde vaststelling bij de organisatoren van groepsbezoeken die bovendien vinden dat de musea een ernstig imagoprobleem hebben: te statisch, onvoldoende positieve uitstraling. Opvoeders betreuren de onpersoonlijkheid waarmee de musea hun boodschap overbrengen.

 

Jonge mensen voelen zich te weinig aangesproken. Ook voor de volwassenen zou er en betere communicatie moeten zijn. Ook fysische aanpassingen zijn gewenst, zoals meer rustmogelijkheden voor oudere bezoekers.

 

Samenvattend vinden de organisatoren dat de musea een losstaand, weinig gevarieerd aanbod hebben. De communicatie met de doelgroepen laat veel te wensen over.

 

 

Werk aan de winkel: een Vijfjarenplan

 

Directrice Leen Ocheten is tevreden methet werkstuk. "We zijn dadelijk begonnen met het wegwerken van de problemen. De musea waren alvast vragende partij .,

 

Het meest eenvoudige, en dat past in een grotere toeristische aanpak, is het verbeteren van de bewegwijzering. Ln Brussel worden sinds enige tijd masten met toeristische en algemene informatie geplaatst. Iemand de weg naar een museum wijzen is er veel gemakkelijker door geworden. Ik heb het zelf ondervonden.

 

Alle betrokken musea hebben de resultaten van de enquête ontvangen.

 

De Brusselse Museumraad zal in de tooekomst voorstellen doen om hun imago te verbeteren, ook om materiële faciliteiten en het onthaal te verbeteren ."

 

Maar er wordt ook op langere termijn gewerkt.

 

Op 14 maart ll. keurdede Algemene Vergadering van de Brusselse Museumraad een vijfjaren plan goed, een aangepaste versie van een vroeger driejaren plan als gevolg van de enquête en van de positieve resultaten van bepaalde activiteiten, zoals de nocturnes.

 

Het plan bouwt voort op hetgeen verwezenlijkt werd. In eerste instantie zal gewerkt worden aan de verbetering van de dienstverlening, zowel naar de musea als naar het publiek.

 

Leen Ochehelen : "Het secretariaat van de Museumraad wil meer en meer een 'huis van de musea' zijn. We hebben inderdaad al heel wat ervaring opgebouwd om musea te helpen bij specifieke vragen, zoals hulp bij het opmaken van berichten, bezorgen van specifieke adressen: museologen, decorateurs, drukkers, grafici, leveranc iers, traiteurs, enz. Het zijn vooral de kleine musea, met weinig personeel en beperkte financiële middelen die hier baat bij hebben.

 

Maar we zullen in de toekomst ook hulp proberen te bieden voor de kwalitatieve verbetering van hun aanbod : ontwikkeling van het vormingsprogramma voor het onthaal- en informatiepersoneel, bijbrengen van elementaire kennis van een tweede en derde taal, ontdekking van de andere musea en van de stedelij ke context, publicatie van een tweemaandelijks bulletin, bijstaan bij vragen naar opleiding. Voeg daar nog aan toe het bevorderen van de sociale functie van de musea als plaatsen van ontmoeting en van dialoog. "

 

 

De City-card

 

Promotieacties zijn onontbeerlijk om de musea in de kijker te plaatsen. Hier wordt een waaier aan mogelijkheden geopperd waarvan sommige al in de uitvoeringsfase staan. Aan een portaalsite wordt hard gewerkt. Deze moet 'het adres van de Brusselse musea' worden en bijdragen tot de lancering en de verkoop van de 'culturele city-card'.

 

De toeristische sector drong erg aan op deze 'city-card ', een nieuwe soort museumkaart zoals die in een aantal andere steden al wordt aangeboden. De ontwikkeling ervan is in grote mater rond. Ze zal geldig zijn voor één of meerdere dagen. Het is de bedoeling dat ze in zoveel mogelijk musea geldig is, dat ook andere toeristische attracties van de stad worden opgenomen en dat ze eveneens op het openbaar vervoer geldig zou zijn (dit luik ligt blijkbaar het moeilijkst en daar wordt nog aan gesleuteld). Het verspreiden van affiches, nationaal en internationaal, het uitnodigen van gespecialiseerde journalisten, een aanwezigheidspolitiek op beurzen en op alle mogelijke plaatsen waar Brussel gepromoot wordt, dat allemaal moet de Brusselse musea zichtbaar maken. De acties van de voorbije jaren hebben vruchten afgeworpen. De formule van de nocturnes sloeg aan en zal voortaan in de tweede helft van het jaar als 'de donderdag van de musea' bestendigd worden.

 

 

Wordt nog vervolgd

 

Op de actiebereidheid staat blijkbaar geen maat, want tegen 2005 leggen de musea samen voor 'De grote tentoonstelling', een groots opgevat in itiatief met de mooiste stukken uit de Brusselse musea. Wordt vervolgd. Voor de jeugd, traditioneel een moeilijk te bereiken doelgroep, worden diverse pedagogische programma's uitgewerkt, o.m. een speciaal internetprogramma aansluitend bij de portaalsite.

 

Leen Ochelen is duidelijk opgetogen over de werking van de Brusselse Museumraad. "We vertegenwoordigen zowat tachtig musea, tachtig culturele instellingen met hun eigen geschiedenis, hun eigen problemen, hun eigen prioriteiten, maar we werken samen. Het uitwisselen van ervaringen is enorm belangrijk. We kunnen van elkaar leren. Het is ook prettig om zien dat grote en kleine musea zonder onderscheid naar gemeenschappelijke oplossingen streven. Brussel is een zeer rijke museumstad en de musea gaan nu zelf die rijkdom uitdragen. ledereen wordt daar beter van."

 

Rik Sauwen