U bent hier

OKV 2004.4 tento

OKV 2004.4 tento

Edito    

Openbaar Kunstbezit te koop.

 

Nee, u hoeft niet te schrikken.  Het gaat niet over onszelf, maar over een sluipend idee dat af en toe de kop opduikt bij politici die geld zoeken.  Onlangs kwam het weer in het nieuws.  Het OCMW van de stad Antwerpen wit met een enorme put schulden en bezit tegelijkertijd een pak schilderijen en kunstwerken.  Sommigen watertanden al bij de gedachte.  Met de verkoop van enkele schilderijen zou toch alvast een deeltje van die put kunnen gedolven worden?  Vele mensen huiveren bij dit idee en daar zijn vele goede redenen voor.  Ten eerste gaat het niet op dat een eventuele opbrengst van de verkoop van kunstwerken moet dienen om allerlei dubieuze schulden te derven.  Ten tweede verkreeg het OCMW deze werken in vele gevallen door een schenker die stipuleerde dat men de kunstwerken niet mag verkopen.  Ten derde behoort dit openbaar kunstbezit aan iedereen toe.  Wanneer het OCMW dit verkoopt verkopen we een beetje van ieder van ons.  Want al dat erfgoed maakt deel uit van onze identiteit.  Vandaar de oprechte verontwaardiging.  Het raakt ons in ons binnenste.  Wil dit nu zeggen dat musea nooit iets uit hun eigen verzameling mogen verkopen ?  Moeten wij tot in het oneindige alle verkregen kunstwerken en aangekochte stukken bewaren ?  Het is een moeilijke vraag.  In Amerika verkopen musea, meestal in privé-handen regelmatig stukken om de collectie te wijzigen of te veranderen.  Smaken en inzichten evolueren.  Ook de stedelijke musea van Hasselt hielden onlangs een verkoop van stukken die niet meer in hun  collecties pasten.  Reiskoffers gingen naar het Nationaal Museum voor Douane en Accijnzen, de Abdij van Herkenrode kreeg allerlei landbouwwerktuigen.  Wat tot slot overbleef werd aan het grote publiek verkocht.  Dat liep er storm voor.  Het moet voor de musea een gevoel van opluchting zijn dat al die zolang bewaarde stukken nieuwe gelukkige eigenaars hebben gevonden.  Het erfgoed gaat terug naar de gemeenschap.  Want zoals de culdtuurfilosoof Walter Benjamin zei : "We moeten oppassen dat we niet bezwijken onder het gewicht van al die verzamelde kunstschatten op onze rug.  We moeten zien dat we nog de kracht hebben om de kunstschatten van ons af te smijten zodat we er opnieuw greep op kunnen krijgen."

 

Peter Wouters

 


KUNST IN PUBLIEKE RUIMTE

 

Op  de centrale grasperkjes van het Leuvense Sint Donatuspark staan voortaan achttien opmerkelijke vensterramen, die zijn ontworpen door de Franse kunstenaar Daniel Buren.  Ze hebben dezelfde vorm, maar verschillen van kleur.  Elk exemplaar bestaat uit acht vakken in glas.

 

 

Daniel Buren verhoogt kijkplezier in Leuvens Sint Donatuspark 

 

Die weerspiegelen niet alleen de omlig­gende bomen en planten. Gewone en gekleurde raampjes wisselen elkaar af. Wie door het gekleurde glas kijkt, waant zich in een andere omgeving.  Het vijverwater lijkt plots zijn natuurlijke kleur te verliezen en wordt achtereenvolgens oranje en blauw. Herfstbladeren krijgen door de ingreep onverwachte paarse en rode tinten.

 

Toch zijn de 'frames' niet opdringerig. Omdat ze op de rand van de verschillende plantsoenen werden opgericht,  dwingen ze de wandelaar niet om zijn traject aan te passen. Daniel Buren houdt niet alleen rekening met de oorspronkelijke vorm van het parkland­schap. Hij accentueert zelfs de structuur. Bovendien nodigt hij de bezoeker uit tot onthaasting. Wie zijn tijd neemt kan inderdaad het park vanuit talloze invalshoeken en kleuren waarrnemen. Elk raamwerk staat op zichzelf, maar kan ook als een onderdeel van de hele reeks worden beschouwd. Toch kunnen de achttien vensterramen onmoge­lijk tegelijkertijd in één oogopslag worden geobserveerd. Het Sint Donatuspark is im­mers heuvelachtig en werd door de vroegere ontwerper opgesmukt met rotspartijen.

 

 

Het kenmerk van Buren

 

De 66-jarige Buren heeft het zo druk dat hij niet eens op de vernissage van zijn 'Jardin imaginaire' aanwezig kon zijn. Hij ver­toefde op dat moment in de Hemeltempel in Peking, waar hij - net als op de kaders van de Leuvense parkramen - verticale streepjes aanbracht. Al vier decennia bedenkt hij 'in situ' installaties met herkenbare streep­patronen. De gekleurde verticale banden zijn steeds  8,7 cm breed en worden afgewis­seld met witte strepen.

 

'Voor het Sint Donatuspark heeft Buren nadat hij het park als de meest geschikte locatie voor een artistiek project had uitgekozen, drie verschillende voorontwerpen ingediend' zegt Michèle Lachowsky, die met Joël Benzakin curator is van deze permanen­te tentoonstelling.  'We hebben uiteindelijk geopteerd voor de ritmische opstelling van deze achttien vensterramen omdat ze een meerwaarde geven aan het park zonder dat ze de spelende kinderen en de wandelaars of rustzoekers hinderen.'

 

De 'imaginaire tuin' dankt zijn naam aan het magisch karakter: "Door het vernuftig kleurgebruik beeldt de bezoeker zich een park in dat enkel in zijn fantasie bestaat.  Toch overdrijft Buren niet. Enkel wie voor één van zijn 'frames' halt houdt, kan de illusionistische effecten tot zich laten doordringen. Snelle voorbijgangers vangen van de imaginaire taferelen  slechts een korte glimp op. Ze worden echter bij het volgende vensterraam opnieuw met een vreemd kleurenspel gecon-­ fronteerd.  Buren vind het niet eens erg als er na verloop van tijd gewenning optreedt.  Ondanks zijn bescheidenheid, beschouwen wij hem toch als één van de meest notoire artiesten van deze tijd.'

 

 

Start in New-York

 

In de jaren zestig vormde hij met Mosset, Parmentier en Toroni nog de kunstenaarsgroep BMPT, die de schilderkunst wilde demythologiseren.  Hij ontvluchtte musea en galeries, maar intervenieerde in openbare ruimtes. Op straten, pleinen en metrostations verfde hij talloze gelijkmatig verdeelde witte strepen. Toen hij in 1971 in het New Yorkse  Guggenheimmuseum de klassieke museumarchitectuur en de lineaire opstel­ling van de geëxposeerde werken hekelde door in de centrale hal een gigantische lap gestreepte stof op te hangen, kreeg hij wel­iswaar veel kritiek van zijn collega's te ver­duren, maar was zijn naam gemaakt.  Nadat hij voor de eretuin van het Palais Royal in Parijs tweehonderdzestig zwart-wit ge­streepte zuilen van verschillende lengte had ontworpen, werd hij overladen met opdrachten. Meestal om openbare ruimtes met zijn minimalistische kunst, die hij 'objectief' en 'neutraal' noemt, op te vrolijken.

 

De weersomstandigheden laten onvermij­delijk hun sporen na op kunstinstallaties in open lucht. Ook Burens 'imaginaire tuin' ontsnapt niet aan wind, regen, sneeuw en mist. Toen we op een kille morgen door het park liepen was de klammigheid op de ramen af te lezen. "Met de glasfabrikanten onderzoeken we hoe we dit in de toekomst kunnen vermijden' licht Michèle Lachowsky toe. 'De ramen worden alleszins regelmatig door het stadspersoneel gereinigd. Tevens worden herstellers ingeschakeld als de 'frames' door het weer of door bezoekers zijn beschadigd.

 

Maar vandalenstreken verwachten we niet, want haast alle buurtbewoners houden een oogje in het zeil. Zij zijn de peters en de meters van deze 'jardin imaginaire'. Hun prachtige tuin zullen ze met een evenveel liefde koesteren  als hun petekind. Dat is toch bewonderenswaardig !"

 

Ludo Dosogne

 


MUSEUM APART: Charlier Museum   

 

 

In het Charlier Museum aan de Brusselse Kunstlaan waart de geest van de fijnbesnaarde mecenas Henri Van Cutsem en dienst gunsteling Guillaume Charlier.  Er is de stilte, de rust en de kunst.  Wie hier op een doordeweekse dag binnenwandelt, kan een spitsmuis zijn staart horen roeren.

   
 

Charlier Museum: een goudmijn aan kunstschatten

 

Krakend parket, glanzend zilver, fraaie spie­gels en talloze schilderijen ontmoet je in dit eigenaardige museum dat meer huis is dan museum. In dit majestueuze burgerpand kan je vrijelijk het oog laten dwalen. Schilderijen en tekeningen hangen er verstrooid in riante gangen en ruime vertrekken. Architectuur en aankleding weerspiegelen uitstekend de context van de negentiende-eeuwse bur­gerwoning. In het Charlier Museum is deze burgerlijke ambiance van weleer zo goed als intact gebleven. Schilderstukken vol nette dames en heren, weelderige bloemstukken, stillevens en landschappen vind je er tus­sen chic en zwaar meubilair waarmee het huis ordentelijk is gestoffeerd. In een vorig leven, zo'n honderd jaar geleden, was het een heuse  'lieu de rencontre' en werd  ten huize van Van Cutsem en beeldhouwer Guillaume Charlier bij de thee gediscussieerd over kunst, filosofie en muziek. Tussen de dialogen door werd er gemusiceerd aan de vleugel en aandachtig geluisterd naar Cho­pin, Fauré, Brahms, Wagner. Architect Victor Horta, maar  ook talloze kunstenaars waren er vriend aan huis.

 

De jonge Horta schiep in 1890 eenheid in het statige pand dat voorheen bestond uit twee afzonderlijke huizen.  De heldere aanbouw met bovenlichten op de gelijkvloerse verdieping zijn van zijn hand. Temidden van het hectische gebrul van de hoofdstad  - de Brusselse kleine 'ring' loopt hier vlak voor de deur - heerst in dit huis een oase van rust.  Bijna  geen sterveling die hier komt, althans dat zou je denken. Niettemin ont­vangt het Charlier Museum jaarlijks toch zo'n  dertienduizend bezoekers en aan activi­teiten ontbreekt het geenszins.  Conservator Francine Délepine en haar equipe doen er alles aan om de missie van Van Cutsem en Charlier in stand te houden.

 

Om de haverklap vinden in het Charlier Museum colloquia, ontmoetingen, jazz­namiddagen, en allerhande multiculturele bijeenkomsten plaats. Het museum is dan ook geen slapend oord maar wil door het scheppen van tal van initiatieven  ervoor waken dat het museum zijn maatschappelijk georiënteerde en intellectuele opdracht niet uit het oog verliest, precies zoals Van Cutsem het had gewenst.

 

 

Geld genoeg maar ook goede smaak

 

Henri Van Cutsem (1839-1904) was een gefortuneerd man vooral dan dankzij de gigantische nalatenschap van zijn ouders. Zo erft hij niet alleen een weelderig fortuin maar ook nog eens het bloeiende Hôtel de Suède in de Bisschopsstraat. Zijn materiële welstand laat hem toe allerhande kunstvoor­werpen te verzamelen.

 

Al is zijn keuze op het gebied van de deco­ratieve kunsten nogal eclectisch, toch gaat al zijn aandacht, wat schilderkunst,  beeld­houwkunst en architectuur betreft, naar de kunstenaars van zijn tijd. Ze worden zelfs zijn vrienden en Van  Cutsem laat ze ruim­schoots meegenieten van zijn vrijgevigheid en rijkdom. Guillaume Charlier is een van de gegadigden die dicht bij het leven staat van zijn weldoener en daar ook de financiële vruchten van zal plukken. Van Cutsem laat in 1855 een ruim atelier bouwen voor de beeld­houwer-schilder die zich tijdens zijn verblijf in Rome had aangesloten bij de avant-gardistische kunstvereniging les XX.

 

Nog eens vijf jaar later erft Van Cutsem het huis nr 16 aan de Kunstlaan dat door zijn moeder was gekocht. Ondertussen leeft Van Cutsem zich uit in de kunst. Zijn eerste aankoop dateert uit 1874 : Het atelier van Hendrik de Braekeleer. Vervolgens koopt hij werk van landschapsschilder Joseph Cose­maans en in 1876 Het naderend onweer van Hyppolyte Boulenger.  Later schaft hij werken van Du Groux, Oyens, Agneessens, Fantin-La-Tour, Manet, Bastien Lepage aan.  Allemaal kunstenaars  die je met het realisme van de negentiende eeuw kunt verbinden", zegt Constantin Ekonomides die als wetenschap­pelijk medewerker het museum door en door kent en tal van publicaties op zijn naam heeft staan. "Je mag gerust zeggen dat Van Cutsem voor het modernisme koos. De kunst die op dat moment bon ton was.  Het natu­ralisme was zijn 'dada'.  Charlier erfde na de dood van Van Cutsem bijna heel de verzameling en trad in het spoor van zijn vriend door ook regelmatig aankopen te doen. Maar je merkt, als je goed kijkt, dat de kwaliteit toch van een ander niveau is. Aan wat dat gelegen is?  In het aankopen van kunst had Charlier bijlange niet de ervaring en het raf­finement van Van Cutsem."

 

Met de steun van Charlier en met de goede raad van zijn vriendenkring - schilders, schrijvers en bekende figuren uit Belgische en Franse kunstkringen - weet Van Cutsem belangrijke werken te verwerven. Werk van latere modernen als Finch, Ensor en Van Strydonck maken hun intrede in de almaar groeiende collectie.  De twee grote tentoonstellingsruimten die Horta inrichtte, moesten de werken beter tot hun recht laten komen en doen dat nog steeds.

 

Geheel naar de oude museologische ge­woonte hingen schilderijen boven en naast elkaar.  De muren waren overdadig bezet en het oog aanschouwde één grote plastische beweging. De sfeer van destijds is in het Charlier Museum gebleven, alleen is de pre­sentatie niet meer zo weelderig als weleer.  De door Van Cutsem vergaarde schilderijen verhuisden immers volgens zijn testamen­taire beschikking naar Doornik waar Horta intussen vorm gaf aan het nieuwe Museum voor Schone Kunsten. Een overijverig ambtenaar van de stad Brussel had tevoren de verzameling geweigerd wegens 'teveel bloot'.  De overgehevelde collectie van Van Cutsem vormt er dan ook de kern van de Doornikse verzameling met op kop het zonnige schilde­rij Chez le père Lathuille van Manet. Verder vind je in Doornik een fraai stilleven Stille­ven met een eend van Ensor, voorts werken van Edouard Agneesens, landschappen van Théordore Baron. Van al deze kunstenaars treffen we ook werken aan in het Charlier Museum.

 

Bloem en vlinders van Ensor op de gelijkvloerse verdieping is hier nog altijd een van de pronkstukken.  Maar doeken als De wan­deling van Eugène Laermans en wat verder het heerlijk dromerige Spelende kinderen in de zon van Jenny Montigny laten toe kwali­teitsverschillen te onderscheiden . Charlier bouwde voort op de collectie van Van Cutsem en vervolledigde die met kunstwerken van Van Zevenberghen, Oleffe en Heymans, zeg maar de postimpressionisten.

 

Alles bij elkaar bezit het Charlier Museum ongeveer een duizendtal schilderijen. Natuurlijk worden die niet allemaal in een keer getoond. "Ze bevinden zich op de zol­derverdieping", zegt Ekonomidas waar ze binnenkort in optimale omstandigheden zullen worden geconserveerd. Wat met het archief Van Cutsem en Charlier?  "Een groot deel van de persoonlijke correspondentie is op een mysterieuze wijze verdwenen', weet Ekonomidas "er zijn helaas weinig persoon­lijke brieven bewaard gebleven."  Gefluisterd wordt dat criticus Sander Pierron ze zou heb­ben meegenomen, hij was op dat moment een monografie over van Cutsem aan het schrijven.

 

Na Van Cutsem en Charlier heeft het mu­seum nog kunnen profiteren van andere milde schenkers. Zo is er de verzameling Thibaut. Yvan Thibaut, jurist (1906-1951) en gelegenheidsschilder, en zijn vrouw Blanche waren fijnbesnaarde kunstminnaars. Ze had­den oog voor schoonheid en bezaten een even grote kennissenkring als verzameling. We vernoemen: Henry Wagemans, Charles Seharrès, Alexander Denonne, Eugène Laermans, Jakob Smits. Vlak voor haar over­lijden in december 2001 schonk mevrouw Thibaut de mooiste werken aan het Charlier Museum.  De verzameling geldt als één van de betere legaten die het museum sedert haar ontstaan mocht ontvangen. Een van de topstukken is Moederschap van Jakob Smits. Van laatstgenoemde kunstenaar komt er volgend jaar in het Charlier Museum een retrospectieve.

 

Ook de schenking van de biochemicus Jean de Heinzelin de Braucourt willen we hier niet onvermeld laten.  Uit zijn verzameling stammen de intieme landschapjes van de minder bekende Louis-Joseph-Désiré Crépin (1828-188?).   De in Noord-Frankrijk geboren kunstenaar had een onwaarschijnlijk schilderstalent.  Zijn suggestieve toetsen en smeuïge verfaanbreng leveren landschapjes op om in onder te duiken.  Voorwaar, in het Charlier Museum liggen ontdekkingen voor het grijpen.  Een illusie waar we ons graag aan willen laven.

 

Ludo Dosogne

 


TALENT: Joris ghekiere

 

Het is duidelijk dat Joris Ghekiere niet enkel een goede schilder is, hij beheerst het ambacht, hij is daarenboven een goede kunstenaar, hij heeft iets te vertellen en datgene wat hij wil vertellen doet hij met zijn plastische taal, met beelden.  En die beelden zijn er niet alleen voor de goede verstaanders.

 

 

Joris Ghekiere, beelden voor de goede verstaander  

 

Het eerste werk dat ik ooit van Joris Ghekiere (°1955) zag, was op de tentoonstelling van de Europaprijs 1980 in Oostende. Hij kaapte er één van de zilveren medailles weg.  Later was hij nog wel meer te zien op die prestigi­euze wedstrijd. Het was leuk om telkens een evolutie waar te nemen in het werk van deze talentvolle schilder.

 

In 1982 was hij geselecteerd voor de ten­toonstelling 'Actuele Beelding' in het ICC te Antwerpen en een jaar later exposeerde hij in de tentoonstelling '7 x Actuele Kunst' in de Gele Zaal.

 

Het waren de jaren van de "nieuwe wilden", de jaren dat het gestuele, expressieve en picturale schilderen de Europese kunstscène opnieuw in beweging bracht als een reactie tegen het puur conceptuele, het koele en afstandelijke in de kunst.

 

Willy Van den Bussche schrijft in de catalagus van '3 x Schilderen. Jonge schilderkunst in Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeland' (1985): "Wel theatraal, niettegenstaande het monochroom kleurgebruik, is door de monumentaliteit en de vormverwijzingen naar oerculturen het werk van Joris Ghekiere. Zijn groots opgezette doeken, los tegen de wand opgehangen, herinneren nog, door het gebruik van onregelmatig gesneden zeildoek, aan de Arte  Povera en zijn dan ook conceptualistisch van opzet. Hij gaat eigenlijk in tegen zijn eigen juist vooraf­gaande werk dat vooral de expressieve schil­derwijze en felle kleuren prefereerde om uitdrukking te geven aan een grote ritmische dynamiek van figuratieve voorstellingen.

 

De vormen komen thans rechtstreeks uit het decoratief alfabet van primitief rituele voor­werpen die hij uitvergroot en verandert tot monumentale structuren. Alleen de inhou­delijke verwantschap met zijn vroege werk blijft behouden."

 

Hiermee wordt duidelijk dat de jonge kunstenaar volop aan het zoeken en experimen­teren is.

 

 

Een jaar op reis

 

De jaren '80 zijn een boeiende periode met heel wat jong aanstormend talent en met exuberante prijzen op de internationale kunstmarkt, die evenwel instort met de economische crisis. De kunst plooit zich op zichzelf terug, de royale formaten van de schilderwerken worden beduidend kleiner en sommige kunstenaars verdwijnen zelfs volledig uit het blikveld.  Joris Ghekiere kiest ervoor een jaar op reis te gaan.  Hij verkent India en het Verre Oosten.  Het is een bezinningstocht, een periode waar indrukken worden opgeslagen en inzichten rijpen.  Hij komt verrijkt terug.

 

In 1993 is zijn werk opnieuw te zien op de Europaprijs, het is anders nu, het heeft in zich al de aanzet voor zijn huidige oeuvre. Het werk straalt een zekere dreiging uit en toch is het afgebeelde neutraal of 'onschuldig', het gaat om meubelair, architectuur.  In 1995 exposeert hij in de toenmalige Galerie Art Box in Waregem samen met Philip Ag­uirre y Otegui.  Eén van de werken daar is me altijd bijgebleven, niet omdat ik het 'mooi' vond, wel omdat het me zo intrigeerde, omdat het beeld zo sterk appelleerde.  Het toont een meubel in een landschap. Het meubel is rechthoekig en redelijk diep, althans zo lijkt het.  De linkerkant van het meubel wordt in beslag genomen door een reeks van vier boven elkaar geplaatste laden.  De gesuggereerde diepte van de binnenkast klopt helemaal niet met de zichtbare afmetingen van het meubel. Het landschap waarin het zich bevindt is rijk aan bomen en struikgewas en toch is het geen vriendelijk of uitnodigend landschap, het roept geen arcadische fantasieën op. Hoe komt dat? Het is de dreiging die van die kast uitgaat, met zijn veel te grote binnenzijde, die het landschap een onbehaaglijk accent geeft.  Een bijzonder werk.

 

 

Opnieuw erbij

 

In 1999 wordt in het Muhka een bijzondere tentoonstelling gehouden: 'Trouble Spot Painting', een tentoonstelling samengesteld door de inmiddels internationaal gerenom­meerde Luc Tuymans en door Narcisse Tordoir.  Ook hier is Ghekiere met twee belangrijke werken aanwezig.  Het gaat hier nog om olieverfschilderijen op doek, maar overdekt met een laag polyurethaan. Het ene doek stelt twee luxueuze uurwerken voor, ze lijken zo uit de reclame weggeplukt. De reclame zoals je ze kan vinden in glossy magazines. Toch zie je meteen dat het hier niet om reclame kan gaan, de horloges zijn niet gedetailleerd weergegeven, een merk­naam ontbreekt.  Het is een beeld dat je niet loslaat, het irriteert je een beetje, het lijkt zo gewoon en het is het niet.  En daardoor juist gaat er weer dat dreigende, dat verontrus­tende sfeertje van uit. In de polyurethaan­ vernis heeft de kunstenaar zwart pigment vermengd. Het beeld dat ooit moest verlei­den, verliest zijn glans en wordt bedreigend.

 

Ook het andere werk in de tentoonstelling is overgoten met polyurethaan en op het eerste  gezicht van  een stralende onschuld.  Op een lichtgroene achtergrond zitten twee (exotische?) vogels in de takken.  De takken werpen heel afgetekende schaduwen af op die groene achtergrond. Ook de takken zijn groen. Eigenlijk heb je weinig houvast om­trent het beeld. Gaat het hier om een beeld uit de natuur?  Of is het een momentopname uit een volière? Of zou het hier kunnen gaan  om een setting met opgezette vogels?  Het lijkt wel een een onscherpe foto met een gebrekkige kadrering.  Het is een beeld dat je voorbijloopt en je even daarna afvraagt wat je nu precies gezien hebt.  Weer die onrust.  

 

Joris Ghekiere zegt van zichzelf:  "Ik ben geen fundamentalistische schilder, schil­derijen zijn voor mij objecten die ik bewerk met zeer diverse middelen. Met mijn schil­derijen ga ik in op een concrete situatie, op wat er leeft in de wereld."  Eigenlijk gaat het hem om de boodschap, om het beeld zelf. De beelden die Joris Ghekiere neerzet zijn van een veelvoudige gelaagdheid, ze zijn makkelijk herkenbaar en sluiten aan bij de beelden die ons elke dag weer omringen en beïnvloeden. Die banale en triviale beel­den trekken onze aandacht - hoe zou de reclame anders werken?  - omdat ze hier als schilderij worden gepresenteerd. Maar ze zijn veel meer dan dat: elk van die beelden heeft een bewerking ondergaan die bij de toeschouwer een drang laat ontstaan om bij het voorbijgaan terug te blikken. De netel is wel erg groen geschilderd, hij baadt in een lichtende, groene achtergrond, daar is wat mis.  Het kitscherige exotische landschap trekt helemaal niet aan, maar is dreigend, hier is de zondvloed nabij.  Bij een vrouwen­portret zijn de ogen, de lippen en de juwelen groen overschilderd, de verleiding is mond­dood gemaakt. De beelden van Ghekiere zijn sterke beelden, beelden die beklijven, beelden die bedriegen.

 

Op een dag was ik met een groep mensen bij hem op atelierbezoek. Zowat de ganse groep, mezelf incluis, was  bijzonder aan­gegrepen door een zeer kleurrijk werk. Van veraf gezien had het iets zeer feestelijks en blij, bij nader inzicht was het een vluchtelin­genkamp ... In een vluchtelingenkamp kan natuurlijk ook plaats voor blijheid zijn, maar toch maakte het werk iets in ons los, je zou het ontroering kunnen noemen, een schit­terend werk.

 

Dat Joris met beide voeten in de wereld leeft, kan ook afgeleid worden uit zijn project dat hij realiseerde met bewoners van een asielcentrum. Hij had er langdurig  individu­ele ontmoetingen met mensen van diverse origine en liet zich door hun verhaal inspire­ren om op hun rug een schilderij te maken. Van al die rugschilderijen werden foto's genomen die samen een installatie vormden (2003).  Een volgens de kunstenaar zeer verrijkende en menselijke ervaring.

 

In een ouderlingentehuis in Izegem reali­seerde hij in 1999 een pakkend integratie­ werk:  een muur vertoont een keur van aantrekkelijke rozen, alleen zijn de rozen te zien in verschillende stadia van verval...

 

Een monografie met interessant beeldmateriaal en teksten van Gerrit Vermeiren en Hilde Van Gelder werd in 2004 gepubliceerd door Galerie Koraalberg.  www. koraalberg.be

 

Daan Rau

 

JORIS  GHEKIERE exposeert in Galerie Transit in Mechelen vanaf 21 november tot 23 januari 2005. Zandpoortvest 10 in 2800  Mechelen, tel. 015 336 336, www.transit.be

 


OPEN  NIEUW 

 

 

Op 17 december 2004 is het precies honderd jaar geleden dat Henriëtte Mayer van den Bergh een privé-museum opende in Antwerpen.  Meer dan 3000 kunstvoorwerpen vormden ooit de verzameling van de Antwerpenaar Fritz Mayer van den Bergh (+1901) en werden in 1904 ondergebracht in een museum.  Zijn moeder Henriëtte Mayer van de Bergh liet dit speciaal bouwen.

 

 

Museum Mayer van den Bergh viert eeuwfeest met expo Breviarium

 

Een gesprek met Brigitte Dekeyzer  

 

Zeventig jaar na de opening breidde het oorspronkelijke museumgebouw uit met moderne zalen.  Nu opent met deze  tentoon­stelling een gloednieuwe tweede uitbreiding met een publieksruimte en een zaal voor tijdelijke tentoonstellingen.

 

Schilderijen, tekeningen, laat-gotische  beeldhouwwerken, wandtapijten, glasramen en nog veel meer worden gepresenteerd in een huiselijke omgeving. Voor een breviarium, dat rijkverlucht werd door Gents­-Brugse miniaturisten, betaalde de kieskeu­rige verzamelaar de hoogste prijs van al zijn kunstwerken. Het kostte dus nog meer dan Pieter Breughels 'Dulle Griet', die ook tot de pronkstukken van de collectie behoort.

 

Het museum viert het eeuwfeest met een expositie van de belangrijkste bladen uit het gebedenboek, die - in afwachting van een soepelere band - apart kunnen bewonderd worden. Bovendien zijn alle miniaturen uit het Breviarium gereproduceerd in het luxueus jubelboek 'Herfsttij van de Vlaamse miniatuurkunst', waarin Brigitte Dekeyzer, die over dit luisterrijk brevier aan de afde­ling Kunstwetenschap van de K.U.Leuven onlangs een uitvoerige doctoraatsstudie maakte, haar nieuwste bevindingen op een heldere manier heeft verwerkt. We zochten haar voor een verhelderend gesprek op in het Leuvense Erasmusgebouw.

 

 

De stroman, die Fritz Mayer van den Bergh naar de veiling van Christie's in Londen had uitgestuurd telde voor dit brevier op het einde van de 19de eeuw 1420 pond neer. Hoe hoog zou dit bedrag anno 2004 in euro's zijn?

 

Dekeyzer: "Dat valt moeilijk te zeggen. Door de goede staat en de uitzonderlijke versieringen was het brevier zeer gegeerd bij de kenners. Aan dat ene boek hebben vele hoogwaardige kunstenaars meegewerkt. Zodra je het open slaat word je geconfron­teerd met een hele serie meesterlijke schil­derijtjes, die met de Vlaamse Primitieven in verband kunnen worden gebracht."

 

De verwantschap met het oeuvre van Hugo van der Goes en Dirk Bouts bewijst U op de tentoonstelling met fotoreproducties van gelijkaardige werken.

 

Dekeyzer:  "Vaak waren de miniaturisten en de paneelschilders lid van eenzelfde gilde. Ze kenden elkaars werk. De zegenende Christus op het Laatste Avondmaal in het Breviarium wordt in dezelfde houding afgebeeld als op het beroemde schilderij van Dirk Bouts. Waarschijnlijk heeft de mi­niaturist het ooit gezien. De beïnvloeding gebeurt in de twee richtingen. Paneelschil­ders konden zich ook op de miniaturisten inspireren."

 

Is de indeling van een brevier aan strikte regels gebonden ?

 

Dekeyzer: "In principe bestaat dit soort ge­beden boeken uit vijf luiken. Het 'temporale', dat alle officies voor de zon-, feest- en week­dagen van het kerkelijk jaar omvat, is het belangrijkste deel. De teksten zijn vanaf de eerste zondag van de Advent, als het kerkelijk jaar begint, chronologisch geordend. In het 'Proprium sanctorum' is voor elke heilige een  apart gebed voorzien. Het 'Commune sanctorum' bevat daarentegen gebeden, die voor alle heiligen bruikbaar waren. Een kalender en een Psalterium of psalmenboek maken een brevier kompleet. De maanden in het kalendergedeelte van het Breviarium Mayer van den Bergh zijn bovenaan versierd met een teken van de dierenriem en kinder­spelen. Onderaan zien we de 'werken' uit­ gebeeld die typisch zijn voor een bepaalde maand, zoals het hakken van hout, het hooien of het oogsten."

 

Hoe belangrijk was een brevier in de gods­dienstige praktijk?

 

Dekeyzer: "De 'breviaria' ontstonden in de twaalfde eeuw en wortelen in de monastieke traditie.  Bedelmonniken - en dan vooral de franciscanen - hadden nood aan een hand­zaam gebedenboek. De teksten konden door de geestelijken in stilte worden gelezen. De psalmen werden waarschijnlijk gereciteerd. Een lekenbrevier zoals dat van Mayer van den Bergh telt per gebedsdag maar negen in plaats van de twaalf  'lectio's' van een 'regulier monnikenbrevier'.  In de adellijke en vorstelijke milieus werd de lezing vaak gedelegeerd aan een kapelaan."

 

Waarop rust uw vermoeden dat dit Breviarium bestemd was voor Maria van Castilië?

 

Dekeyzer: "Uit externe documenten kan dit alleszins niet worden afgeleid. Wapenschil­den of herkenbare emblemen ontbreken evenzeer. Maar er wijzen wel allerlei ele­menten in die richting. Uit de tekst en de heiligenkalender blijkt dat het toebehoorde aan iemand van de Portugese elite, die een religieus leven leidde. Maria van Castilië was de dochter van de Spaanse koning Fer­dinand van Aragon en lsabella van Castilië. Zij was lid van de Derde Orde van Sint Fran­ciscus. Maria, die haar patrones is, duikt in opmerkelijk veel verschijningsvormen op. Niet alleen haar geboorte en haar 'presen­tatie in de tempel' worden uitgebeeld en met gebeden herdacht. Ook het mirakel van Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw wordt als mini­atuurschildering opgenomen."

 

Hoe kwam Maria van  Castilië - als zij tenminste de oorspronkelijke eigenares was - in het bezit van dit brevier?

 

Dekeyzer:  "Het handschrift dateert uit 1500. In dat jaar trouwde Maria van Castilië met de koning van Portugal, Manuel l. Het kan een huwelijkscadeau geweest zijn. Bijvoorbeeld van Margareta van Oostenrijk.  Haar patro­nes komt tweemaal in de kalender voor en zij had belangrijke familiebanden. Het zou kunnen dat ze vanuit de Nederlanden dit brevier als geschenk had meegebracht. Op de miniatuur van Johannes de Doper meen ik haar zelfs in het gezelschap van Maria van Castilië te herkennen!"

 

In hoeverre zijn tekst en beeld nauw met elkaar verweven?

 

Dekeyzer:  "Vooral het Psalterium, dat de honderdvijftig oud-testamentische lofliede­ren van de Israëlieten bundelt, is uniek. De beelden vertellen tot in de kleinste details de verhalen.  De lotgevallen van David, Tobi­as en de vis, de aanbidding van het gouden kalf, de verkoop van Jozef en de tocht door de Rode Zee worden op een originele en genuanceerde manier uitgebeeld. Ongetwij­feld kregen de kunstenaars advies van een intellectueel."

 

De Gents-Brugse miniatuurkunstenaars creëren zelfs illusionistische effecten.

 

Dekeyzer: "De ene figuur ziet er al wat realis­tischer uit dan de andere.  Maar doorgaans zijn het mensen van vlees en bloed, die in een naturalistische omgeving worden neer­gezet. Steeds met betekenisvolle gebaren en sprekende gezichten.  De kleren zijn over hun lijf gedrapeerd. Er is vaak een licht- en schaduwspel. Ook de randversieringen zijn oogstrelend. Niet enkel bloemen- en plan­tenmotieven sieren de marges. De doodskoppen, de meubeltjes en de juwelen, die het geheel decoreren, lijken net echt. Het Breviarium is een typisch voorbeeld van de Gents-Brugse miniatuurkunst. Al moeten we opletten met deze  omschrijving, die pas op het einde van de 19de eeuw in voege kwam en ook naar miniaturisten uit andere steden verwees, die in dezelfde trant werkten."

 

Hoe kunnen de talloze miniaturisten, die aan het Breviarium Mayer van den Bergh hebben meegewerkt, van elkaar onderscheiden worden?

 

Dekeyzer: "Dat is niet altijd eenvoudig om­dat er in de Gents-Brugse bloeiperiode, die tussen 1470 en 1560 wordt gesitueerd, vaak naar eenvormigheid werd gestreefd. Maar met allerlei gesofisticeerde technieken zoals infrarood  reflectografie, pigmentanalyse en codexonderzoek kom je al een eind op weg. Dat er bij het breviarium vele miniaturisten betrokken waren, wordt door deze research nog maar eens  bevestigd."

 

Hoewel signaturen ontbreken, worden een niet onbelangrijk aantal miniaturen toegeschreven aan bepaalde figuren. Wie zijn de opvallendste?

 

Dekeyzer: "De monumentale figuren met brede lichamen en ingekeerde houdingen, die we aantreffen op de Boodschap aan Maria en bij Maria Magdalena worden aan de Maximiliaanmeester toegedicht. Die dankt zijn naam aan een gebedenboek, dat hij voor de latere Habsburgse keizer illustreerde. Vaak wordt hij vereenzelvigd met Alexander Bening, die rond 1500 in de Vlaamse contreien werkte.

 

Ik ben er ook bijna zeker van dat de minia­tuur, waarop de zwangere Maria de even zwangere Elisabeth ontmoet, is vervaardigd door Gerard David. De stilistische en inhou­delijke verwantschap met zijn paneelschilderingen wijst alleszins in die richting. Vijf dynamische miniaturen, waaronder die van Sint Benedictus, zouden door Gerard Horen­bout, die de hofschilder van Margareta van Oostenrijk was, geschilderd kunnen zijn."

 

Van de oorspronkelijke band, die de bladen moest samenhouden, is ieder spoor verdwenen?

 

Dekeyzer: "Banden bleven indertijd niet noodzakelijk rond dezelfde bladen zitten, maar werden hergebruikt.  In de Middeleeu­wen werden boeken doorgaans horizontaal bewaard.  Pas later kwam de verticale ordening in voege. Heel nefast waren de bolle ruggen. Toen Fritz Mayer van den Bergh in het bezit kwam van het breviarium had het nog een roodfluwelen band.  Maar, uit een aangehecht papiertje bleek, dat die uit de achttiende eeuw dateerde.  In het begin van de jaren dertig kreeg het Weckesser atelier uit Brussel, de opdracht om de zwaar beschadigde band te vervangen. Maar de omhulling bleek achteraf te strak.  Niet alle miniatuurversieringen waren zichtbaar en bij het openvouwen kwamen er soms plooien in het kwetsbare perkament.  Daarom werd tien jaar geleden besloten om het brevier opnieuw te ontmantelen. Vooraleer het opnieuw in een aangepaste band wordt opgeborgen, kunnen de bezoekers ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het museum de meeste miniaturen in al hun pracht en schoonheid in de nieuwe tentoon­stellingszaal bewonderen.  Een uitzonderlij­ke gelegenheid, want zelden of nooit wordt een zo immense hoeveelheid uit één boek getoond.  Bij ingebonden boeken moet het publiek zich immers tevreden stellen met de opengeslagen bladzijden."

 

Het jubileumboek 'Herfsttij van de Vlaamse miniatuurkunst' samengesteld en geschreven door Brigitte Dekeyzer, bevat alle miniaturen. Het is uit­gegeven bij Ludion en verkrijgbaar in het museum.

 

Ludo Dosogne

 


OPEN  NIEUW

 

 

Nieuwe kunsthal Extra City opent met veel goesting en ambitie  

 

Meest bekend is de Kunsthal in Rotterdam die niet minder dan vijfentwintig tentoon­stellingen per jaar brengt over de meest uiteenlopende onderwerpen.

 

Bij ons noemt de Sint-Pietersabdij in Gent zichzelf Kunsthal. De ruimten worden vooral gebruikt voor een zeer heterogeen tentoon­stellingsbeleid gaande van etnische kunst tot eigen tentoonstellingen zoals 'Vlamingen op de Titanic'.  In Antwerpen mikt men hoger en anders. Extra City wil een nieuw centrum voor hedendaagse kunst zijn in een voor­malig graansilocomplex op het Antwerpse Eilandje. De initiatiefnemers willen de eerste plek in Vlaanderen worden met een sterk internationaal profiel als passage-, toon- en reflectiepunt tussen de grote centra in Lon­den (Tate Modern), Parijs (Centre Pompidou) en Nordrhein-Westfalen (met musea in Keu­len en Düsseldorf).

 

Begin, dit jaar startte Extra City met de renovatie van het silocomplex aan het Kat­tendijkdok. 

 

Enkele Antwerpse havenbedrijven waaron­der vooral de Trouwnatie die het initiatief gunstig gezind zijn stelden die ruimte ter beschikking en namen de restauratiekos­ten op zich. Het is de bedoeling om vanaf november dit jaar een flexibel en werkbaar kader te hebben voor tentoonstellingen, lezingen en publieke voorstellingen.  De totale beschikbare tentoonstellingsruimte bedraagt ruim 1600 m2. Het geheel oogt in elk geval zeer indrukwekkend. Het silocom­plex bestaat uit twee aparte bouwdelen: een silo en een loods die in elkaar overlopen. De silo priemt als een naald de lucht in en meet 51 meter en bestaat uit 16 betonnen kokers. De vroegere opslagboxen voor graan lagen er bij ons bezoek indrukwekkend leeg bij maar er is weinig fantasie voor nodig om je hier hedendaagse kunstwerken voor te stel­len . Een raam in de muur is een schilderij.  Je ziet een grote luchtpartij en de drijvende wolken weerspiegelen zich op het kabbelende water van het Kattendijk­dok. Schepen varen af en aan en in de verte torenen de kathedraal en andere Antwerpse gebouwen boven de stad uit.

 

 

De blauwe long van Antwerpen

 

De inplanting is in elk geval goed bestu­deerd. Het silocomplex aan Kaai 44 kan de schakel worden tussen reeds bestaande initiatieven zoals het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de Filharmonie, Metropolis en het goed draaiende restaurant het Pomp­huis. Als het Museum aan de Stroom er ooit nog bijkomt zit Extra City in goed gezel­schap. De leiding over het nieuwe centrum is in handen van Wim Peeters die eerder al de artistieke leiding had in het Nieuw Internationaal Cultureel Centrum (NICC) op het Antwerpse Zuid. Vraag is of zijn soms avant­ gardistische keuzes niet te hoog gegrepen zijn voor een initiatief dat toch mikt op een breed publiek.

 

De middelen komen van verschillende kan­ten en Extra City streeft naar een samenwer­king tussen de publieke overheden en ver­schillende privé-partners.  Geld kwam er al van de Vlaamse Gemeenschap, de stad Antwerpen en de Provincie Antwerpen.  Ook de AhIers Axe Group (logistieke en maritieme dienstverlening) deed een duit in het zakje en gesprekken met mogelijke andere privé­-partners lopen nog. Radio Klara en kran­tenuitgever De Tijd trekken mee aan de kar. Voor 2004 mikt men op zo'n € 180.000 wat in 2005 zou moeten stijgen tot € 750.000. Opvallend aan het hele initiatief is de on­conventionele aanpak die enerzijds vertrekt vanuit respect voor het kunstwerk en vooral ook voor het publiek. Zo kan je Extra City bezoeken tussen  11u en 23u waarmee de organisators  inspelen op de behoefte van de mensen om ook 's avonds naar een  museum te gaan. De vlotte toegang vanuit de ring rond Antwerpen en vooral de instroom van de vele Nederlanders belooft veel. Extra City zal voorlopig ook maar open zijn op vrijdag en in het weekend.  Wie overdag in de week eens een tentoonstelling voor hedendaagse kunst bezoekt weet wel waarom.

 

 

Kunstenaars in de sasmeesterswoning

 

Extra City zou graag zo'n vijf tentoonstel­lingen per jaar maken en "op een confron­terende manier kleine en grote projecten door elkaar programmeren". Voor elk project nodigt ze ook kunstenaars uit die kunnen beschikken over atelier -en woonruimtes van Air Antwerpen met wie Extra City zal samenwerken.  In de vroegere 19de eeuwse sasmeesterswoning aan de Royerssluis op het Eilandje heeft Artists in Residence (AIR) een mooie locatie gevonden op amper drie­ honderd meter van Extra City. Hiermee sluit AIR aan bij de traditie van Antwerpen als gastvrije stad waar kunstenaars zoals in de 16de en 17de eeuw hier het vak kunnen leren of inspiratie opdoen.

 

Voor de openingstentoonstelling nodigde Extra City een twintigtal nationale en inter­nationale kunstenaars uit. Drie combineren hun deelname aan het project met een werkverblijf van drie maanden en realiseren nieuwe producties voor deze openingsten­toonstelling.

 

"Dedicated to a Proposition" heet de exposi­tie wat verwijst naar een toespraak van Abra­ham Lincoln uit 1863 en beschrijft een utopi­sche horizon in de politiek onrustige periode van de Amerikaanse burgeroorlog.  De ten­toonstelling zal een staalkaart bieden van de terreinen waarop kunstenaars vandaag ac­tief zijn: van tv-commercials over muurteke­ningen, performances en veeleisende instal­laties.  Onder hen bekende namen zoals Luc Tuymans, Francis Alys en Paul Graham. Een hele krachttoer gezien de piepjonge leeftijd van het centrum.  In de wandelgangen kon je de ambitie ruiken en de geestdrift voelen. Al naargelang je gesprekspartners varieerde het verwachtte bezoekersaantal tussen de 40.000 en 80.000. Ambitieuze cijfers waar­ mee ze enkele traditionele Antwerpse musea het nakijken zouden geven.  Dat er in de vroegere brouwerij Ceuppens in Brussel met het Centrum voor hedendaagse kunst Wiels! dezelfde plannen gesmeed worden met 1700 m2 tentoonstellingsruimte lijkt niemand te deren. Die openen toch pas in 2006.  Het marktaandeel moet verworven worden.

 

Peter Wouters

 


IN BEELD

 

Tentoonstellingen prijs je niet aan met een exacte omschrijving van wat zij te bieden hebben.  Ontwapenende eerlijkheid schiet tekort om drommen bezoekers in beweging te zetten.  Maar goedklinkende beeldspraak, eventueel gekruid met een omfloerste toespeling; dat kan wonderen verrichten.  Zegt u nu zelf.  Waar zou uw voorkeur naar uitgaan : naar 'Hoogtepunten uit Abdijbibliotheken in de Provincie Antwerpen' of naar 'Een Zee van Toegelaten Lust '?  Nochtans één en dezelfde tentoonstelling in de Koningin Fabiolazaal in Antwerpen.

 

 

Dobberen op een zee van toegelaten lust

 

De naam Godefridus Bouvaert zegt u waar­schijnlijk niets. De samenstellers van de tentoonstelling kenden hem ook niet, maar tijdens hun opzoekingen hebben zij zijn verdiensten leren waarderen. Hij was ergens in de achttiende eeuw bibliothecaris van de Sint-Bernardusabdij te Hemiksem. Die taak moet hem erg veel voldoening gege­ven hebben. In het document waarin hij de boekenrijkdom van de abdij  beschrijft (een echte catalogus durven wij het niet noemen) laat hij zijn geestdrift de vrije loop. Zijn po­etische kwaliteiten zijn maar aan de povere kant en hij rijgt de karamelleverzen moeite­loos aan elkaar.  Toch inspireren de boeken hem tot één genster zuivere poëzie. De bibliotheek omschrijft hij als 'So een plaats verciert met Boeken' die hij vergelijkt met een 'aengenamen schat', nogal onhandig rijmend met 'als dat'. Maar dan komt het:

 

''ia 'k en vreese niet te seggen, dat zy is soo vol van rust;

dat sy schynt een zee te wesen vol van toegelaten lust. "

 

Het ontuchtige 'lust' wordt op merkwaar­dige wijze salonfähig gemaakt door er het epitheton 'toegelaten' aan te koppelen: een prachtige vondst ontstaan in een bibliofiele roes!  De tentoonstelling in spe die het tot dan toe met een werktitel had moeten stellen, had meteen een titel met panache.   Maar wat moeten wij ons daarbij voorstellen ?

 

 

Eco achterna?

 

Het is een reflex geworden.  Telkens het onderwerp bibliotheek ter sprake komt, volgt automatisch de verwijzing naar Umberto Eco's succesboek In de naam van de Roos.  Professor Pierre Delsaert en zijn medewerkers reageren niet echt geprikkeld op mijn opmerking in die zin.  Maar ik ben blijkbaar niet de eerste die hiermee komt aandraven, want zij pareren gevat.  "Bij Eco gaat het om een verborgen bibliotheek, de tentoonstelling stelt gebruiksbibliotheeken in de kijker.  Dat is toch iets anders."

 

De opdracht van het Antwerpse Provinciebestuur aan de Universiteit Antwerpen was duidelijk omschreven : het valoriseren van het oude boekenbestand van vijf abdijen uit de provincie, met name Averbode, Bornem, Postel, Tongerlo en Westmalle.

 

Stuk voor stuk hebben die abdijen inderdaad een belangrijk patrimonium weten te bewaren.  Nochtans is een dergelijk bezit erg kwetsbaar   Het kan ten prooi vallen aan oorlogen en revoluties,  aan water en vuur, om van de menselijke bekrompenheid maar te zwijgen. 

 

Het onderzoek heeft het vermoeden meer dan bevestigd.  Wat die bedreigingen betreft, zijn er in onze gewesten twee sleutelmomenten : de godsdienstige strubbelingen in de zestiende eeuw en vooral de Franse Revolutie.  Beeldenstormers handelden eerder in een opwelling die plaatselijk erg radicale gevolgen kon hebben.  Je kon pech hebben, maar het kon ook meevallen.  Daarentegen gingen de Franse Revolutionairen wel systematisch te werk.  Kloosters en al hun bezittingen werden verbeurd verklaard en dat hield meteen ook de inbeslagname van hun boekenbezit in.  Zo kwam de overheid in het bezit van een enorme massa boeken waarvan zij niet altijd wist wat ermee aan te vangen.  Een deel ervan belandde in de Ecoles Centrales, de pronkstukken van het nieuwe onderwijsstelsel.  Zo kwamen bijvoorbeeld de boeken uit Averbode in de Universiteit van Luik terecht.  Wanneer ook de grote openbare bilbiotheken bediend waren, bleef een aanzienlijke massa papier over dat op één of andere manier zijn weg op de markt moest vinden, onder meer via veilingen.

 

De inbeslagname gebeurde niet altijd met dezelfde doortastendheid.  Niet elke commissaris gaf zich de moeite om na te gaan of alles wel degelijk aan hem was afgedragen.  Kostbare boeken en documenten werden verstopt en doken in meer rustige tijden op in pastorijen of in privé-bezit.

 

Na 1830 tekent zich een beweging af om een aantal opgeheven kloosters opnieuw tot leven te brengen.  Hierbij hoort de samenstelling van een bibliotheek, want "een klooster zonder bibliotheek is als een fort zonder wapens".  In de mate van het mogelijke wordt het vroegere patrimonium opnieuw samengesteld, maar dat is niet de eerste opdracht.  Het komt er vooral op aan een werkzaam wetenschappelijk instrument uit te bouwen.  Hierbij speelt vaak de persoonlijke belangstelling van bibliofiele abten en bibliothecarissen een rol.  Rond de helft van de negentiende eeuw hebben de abdijen opnieuw een patrimonium samengesteld : de boeken die tijdens de Franse tijd verborgen werden, hebben meestal hun plaats opnnieuw ingenomen, aangevuld met gerichte aankopen en milde schenkingen.  Dit is alvast het geval voor de vijf Antwerpse abdijen.

 

Binnen dat rijtje bekleedt Westmalle een enigszins aparte plaats : het is een creatie uit de negentiende eeuw.  De collectie volgt echter hetzelfde patroon als de andere abdijen die aanzienlijk ouder zijn en reeds een patrimonium hadden.

 

 

Duizend jaar boekgeschiedenis

 

Het stereotiepe beeld van de abdijbiblio­theek is dat van het scriptorium en een weelde aan handschriften al dan niet met de rijkste miniaturen versierd.  De tentoon­stellingbouwers verzetten zich tegen dat vertekende beeld.  Rijkversierde handschrif­ten waren pronkstukken en geen werkin­strumenten. Op de tentoonstelling zal wel een selectie handschriften te zien zijn, maar deze vertegenwoordigt slechts tien procent van de tentoongestelde voorwerpen.

 

Het ligt veel meer in de bedoeling een idee te geven van de functie van deze bibliothe­ken. De voorbereiding van de tentoonstel­ling heeft hieromtrent wel duidelijkheid gebracht. Er bestaat geen vast patroon waarop de bibliotheken zijn uitgebouwd, maar de collecties lopen in grote trekken parallel.  De hoofdthema's zijn godsdienst, recht, wetenschappen en geschiedenis. Typerend is ook de belangstelling voor de plaatselijke geschiedenis. Die evenwichtig­heid en diversiteit  gaan wel in dalende lijn in de tweede helft van de negentiende eeuw en in de twintigste eeuw. De collectie spits zich dan meer toe op religieuze werken.

 

De aanwezigheid van theologische werken, zowel algemeen als betrekking hebbend op de eigen orde is een voorspelbare con­stante.  De juridische werken horen ook tot het normale bezit. Prelaten en abten hebben immers wereldlijke macht ook als politieke mandatarissen, in de Staten van Brabant bijvoorbeeld. Als grootgrondbezit­ters hebben zij belangen te verdedigen, liefst met onweerlegbare argumenten! Bij de wetenschappen valt het aantal werken op in verband met geneeskunde, maar ook mechanica, architectuur, natuurkunde, aard­rijkskunde en kosmografie zijn goed verte­genwoordigd . Linaeus en Diderot staan er broederlijk naast Augustinus en Thomas van Aquino, naast Erasmus en La  Fontaine.

 

De bibliotheken zijn duidelijk opgevat als werkinstrumenten. Zij waren en zijn er niet enkel voor de persoonlijke geestelijke ver­rijking maar ook voor de ondersteuning van studerende confraters. Voor de duur van hun studies konden hun werken worden uitge­leend.  Die bewegingen zijn traceerbaar.

 

De wetenschappelijke opsplitsing wordt soms ook fysisch weergegeven, bijvoorbeeld door een vierkante opstelling van de boek­rekken, één wand per discipline. Daar heb je Eco weer!

 

Die diverse aspecten worden op de tentoon­stelling belicht aan de hand van represen­tatieve werken;  verrassingen worden niet geschuwd.  De klemtoon ligt natuurlijk op werken van vóór 1830.  Na die tijd gaat de diversiteit wat verloren. Het voorwerp boek wordt ook minder spectaculair. Vermits de tentoonstelling voor een breed publiek bedoeld is, wordt geopteerd om met een aantal verrassende stukken uit te pakken, naast werken die representatief zijn voor de mo­nastieke spiritualiteit, indruk of in prachtig regelmatig handschrift.

 

Abdijbibliotheken zijn oorden van studie en rust. Zij vormen een patrimonium dat op discrete manier onderhouden en gekoesterd wordt. Tentoonstellingen zoals deze honore­ren deze lovenswaardige dagelijkse inspan­ning. Hetzelfde thema had natuurlijk ook landelijk of nog breder kunnen behandeld worden, maar dan zou aan de charme van de abdijbibliotheek als een kleine wetenschap­pelijke microkosmos voorbij gegaan zijn.

 

De gebruikers van die bibliotheken wisten en weten die eigen sfeer, als uitstraling van geestelijke rijkdom naar waarde te schat­ten. Beweerde een geestdriftige lezer in de bibliotheek van de abdij van Tongerlo niet dat deze in rijkdom die van het Vaticaan overtrof? Het zegt alvast meer over de tevre­denheid van die man dan over zijn inschat­tingsvermogen. Klaarblijkelijk zonk hij weg in 'een zee van toegelaten lust'.

 

Rik Sauwen

 


ERFGOED  LOKAAL

 

 

De Groene Boulevard - Een promenade langs 700 jaar Hasselt 

 

Een nieuwe reeks van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen

 

Eerstvolgende titels in de serie Erfgoed Lokaal zijn: De Grote Markt van Sint-Niklaas en Sint-Katelijne-Waver.

 

Elk dorp of stad heeft een bijzonder verle­den dat doorleeft in verhalen van mensen, in markante gebouwen en monumenten, in straten en pleinen, in natuur en cultuur. Het lokale erfgoed is zowel geheugen als inspi­ratiebron. Het is boeiend gevarieerd in al zijn 'eigen'-'aardigheden.  Daarvan getuigt een nieuwe reeks van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen: Erfgoed Lokaal. Ze schrijft de culturele biografie van een gemeente of een stadsbuurt en illustreert ze met schitterende kunstwerken, unieke archiefbeelden en typi­sche volksvertellingen. Erfgoed Lokaal opent met De Groene Boulevard.  Een promenade langs 700 jaar Hasselt.

 

Ooit omarmde de Groene  Boulevard het hele leven van de Hasselaar.  Hij of zij kon het levenslicht zien in het moederhuis; stude­ren aan de gemeenteschool, het college of het atheneum; legerdienst vervullen in de Kolonel Dusartkazerne; werken in de kera­miekfabriek, de jeneverstokerij of de bank; ontspannen aan de kiosk, in het casino en de Cercle-Militaire-Kring; deugdzaam naar de kerk gaan of in de gevangenis belanden; ziek zijn en sterven in het Oud Hospitaal.

 

Deze gids vertelt het verhaal van al deze gebouwen en heeft oog voor de mensen achter de gevels en op de straat.

 

U kuiert met hen mee door zevenhonderd jaar Hasseltse geschiedenis. Van de eerste grachten en wallen in de dertiende eeuw tot de charmante promenade van vandaag.

 

Onderweg ontdekt u prachtige art nouveau­ huizen, kan u proeven van de Spéculation Deplée en maakt u kennis met de mid­deleeuwse dichter Hendrik Van Veldeke, Zuidoolreiziger Adrien de Gerlache, de koninklijke schilder Jos Damien ... De grote geschiedenis en de kleine histories komen tot leven in bijna honderd foto's en docu­menten, waarvan de meeste nooit eerder zijn gepubliceerd. De Groene Boulevard garandeert veel lees- en wandelplezier.

 

 Mark Vanvaeck

 


OPEN NIEUW

 

 

BE - PART,  een initiatief van de provincie West-Vlaanderen

 

Architect Frank Delmulle tekende in 1994 een concept uit waarbij de bezoeker een architecturale wandeling maakt.  De wande­ling vangt aan in de eerste villa en leidt de bezoeker naar een moderne nieuwbouw en vandaar weer verder naar de tweede villa. Het geheel werd  omgeven door een tuin ontworpen door Denis Dujardin. De galerie werd Art Box genoemd en had een interes­sant programma.  Helaas werd de galerie in 2001 opgeheven.

 

In 2003 werd het complex aangekocht door de Provincie West-Vlaanderen en kreeg het een nieuwe bestemming: het wordt BE-PART, Platform voor actuele kunst.  Het complex beschikt niet enkel over een aantal inte­ressante ruimtelijke mogelijkheden, er is blijkbaar ook een werkingsbudget en - niet onbelangrijk - een kleine staf.  Kunsthistori­cus Patriek Ronse is diegene die de werking van dit nieuwe centrum in goede en vooral interessante banen moet leiden.

 

BE-PART wil drie tentoonstellingen per jaar programmeren, telkens in de herfst, de winter en de lente. De zomer wordt gere­serveerd voor workshops met jongeren. Het tentoonstellingsbeleid is zonder meer ambi­tieus te noemen. je kan Waregem bezwaar­lijk als een artistiek centrum beschouwen en toch wil de provincie BE-PART "aan  het front van de actuele ontwikkeling positioneren". Men wil hierbij vooral de jongere generatie kansen bieden, ze laten primeren op het geconsolideerde en het geconsacreerde.

 

Er worden buitenlandse kunstenaars uitge­nodigd zodat die in dialoog kunnen treden met de kunstenaars uit de provincie en met het publiek. Voor de tentoonstellingen wordt beroep gedaan op gastcuratoren. Dit is een wijze beslissing want gastcuratoren komen op die manier met de lokale situatie in con­tact, gebruiken hun netwerk en zo zal BE­ PART wellicht in zeer korte tijd de uitstraling verkrijgen die men beoogt.

 

De eerste tentoonstelling wordt samenge­ steld door Moritz Küng, Zwitser met vaste stek in Vlaanderen.  De tentoonstelling Schö­ner Wohnen vertrekt vanuit de site zelf, met name de oorspronkelijk als woning funge­rende villa's. De titel refereert naar het Duitse woontijdschrift met diezelfde naam dat onder de vele interieurtijdschriften als een klassieker mag worden beschouwd. Vertrek­kend vanuit de voormalige woonkamer (met haard) wordt het huis door tal van kunste­naars heringericht.

 

Op het eerste gezicht vormen alledaagse voorwerpen het inte­rieur. De omgeving zorgt als het ware voor een ideale con­text en integreert de kunstwerken op een dermate perfecte wijze dat de nietsver­moedende bezoeker de werken wellicht niet als 'kunst' zou waarnemen.

 

Er is ook een tweede gelaagdheid in de tenoonstelling: van sommige installaties gaat een zekere dreiging uit die toeneemt naarmate men de kelders nadert.

 

Tal van kunstenaars participeren aan deze eerste tentoonstelling: Robert Gober, Richard Artschwager, Ann Veronica Jans­sens, Martin Kippenberger, Allan McCollum, Andreas Slominski en vele anderen. Het is duidelijk dat men voor deze  eerste mani­festatie even is afgeweken van het hoger­ genoemde principe om minder bekende kunstenaars aan bod te laten komen. Het is de organisatoren vergeven, een openings­tentoonstelling moet meteen een schot in de roos zijn.

 

Naast de tentoonstellingen geeft men ook de gelegenheid aan een kunstenaar om in het centrum te resideren, hiervoor is een studio ingericht en ter beschikking. Hij of zij krijgt er de kans om er werk en ideeën tot ontwikkeling te brengen waarbij het centrum een rol wil spelen in de productie van nieuw werk.

 

Als eerste resident werd gekozen voor Dany Deprez. Deze kunstenaar is bij een breder publiek bekend als regisseur van de films 'De Bal' en 'Science Fiction'. Hij heeft even­wel een oeuvre als beeldend kunstenaar waarin zowel tekeningen en schilderijen, installaties en kortfilms een rol spelen. Van hem is eveneens werk in de tentoonstelling opgenomen. Het gaat hier om een ouder werk van een vroegere installatie en om een nieuw gecreëerde kortfilm over Waregem.

 

In het werk van Deprez staat de (fictieve) figuur 'James' centraal. James kan min of meer als het alter ego van Deprez worden beschouwd. Hij is tegelijk betrokken en afstandelijk waarnemer. Hij neemt een aan­tal (dwangmatige) patronen in de samenle­ving waar en reflecteert die. De kunstenaar Deprez gaat als het ware op zoek naar de James in ieder van ons.

 

De omkadering krijgt in BE-PART ook bijzondere aandacht. Er worden rondleidingen voor volwassenen, jeugdateliers voor kinderen en workshops voor jongeren voorzien, Amarant geeft er een cursus, een ontmoeting met de kunstenaar in residentie schept gelegenheid tot discussie.  En dat is wat BE-PART beoogt, een sterke participatie vanwege zowel kunstenaars als publiek.

 

We wensen het nieuw initiatief alvast een goede start!

 


IN BEELD     

 

 

Floris Jespers is een belangrijk avant-gardekunstenaar uit de eerste helft van de twintigste eeuw.  Daar twijfelt niemand aan.  Toch is er iets vreemds met hem aan de hand.  Noch zijn talent, noch zijn virtuositeit worden in twijfel getrokken.  Hij kon alle stijlen, alle technische pirouettes aan.  En dat juist wordt hem zwaar aangerekend.  Vier maanden lang probeert het PMMK te Oostende met het vertekende beeld af te rekenen.  Floris Jespers, vernieuwer of navolger ?    

 

 

Alles goed met Floris Jespers? 

 

De tentoonstelling die gastcurator Jean F. Buyck in het PMMK opstelt, is als één groot fresco opgevat waaruit de enorme diversiteit van Jespers' talent moet blijken. Dat dit overzicht de kritiek de mond zal snoeren, valt te betwijfelen. Of je het wil of niet, in de schilderijen van Jespers zie je keer op keer schoolvoorbeelden van de belangrijkste kunststromingen van de voor­bije eeuw: van het Brabants Fauvisme tot de 'Jeune Peinture beige', soms zelfs een ab­stract probeersel, dat dan met een  knipoog van de meester toch figuratief blijkt te zijn. Voor sommigen is deze ratjetoe de laagste vorm van hoereren, een kunstenaar onwaar­ dig. Weg met Jes pers!

 

 

De Belgische Picasso?

 

Roger Avermaete schreef ooit over hem dat, mocht hij in Frankrijk geleefd hebben, zijn reputatie niet voor die van Picasso had hoeven onder te doen.  De overdrijving is sympathiek vanwege een stadsgenoot en medestander.  Ook Gaston Burssens werkt zich uit de naad om de diversiteit van zijn werk te duiden.  Hi j aarzelt daarbij niet om openstaande deuren in te trappen: 'Voor hem is ieder procédé welkom, niet de wijze van schilderen maar het resultaat alleen van die wijze interesseert hem. '

 

Waar niemand omheen kan dat is inderdaad de heel sterke periode eind jaren tien, begin jaren twintig, met meesterwerken als 'Prin­ses  Jiji' en de snelle evolutie naar een eigen mengvorm van kubisme en expressionisme.

 

De Kongolese periode, grosso modo van de jaren vijftig tot zijn dood in 1965, wordt als een tweede hoogtepunt gezien, een opnieuw aanknopen bij de grote creatieve eigenheid. Hetgeen daartussen ligt, wordt gemakshalve als een soort doelloos zoeken en tasten gezien. Ik geef grif toe dat ik mij ook aan deze  simplistische beeldvorming bezondigd heb. Tot ik bij vrienden een werk onder ogen kreeg uit de periode rond 1950: een interieur, tafel met koffiepot en andere prullaria, haast monochroom geschilderd in grijze en melkwitte tonen: een in drukwek­kend, eenvoudig werk, een 'Jeune Peinture beige' van het zuiverste water.  Bravo Jes­pers!

 

 

'Da kan ik oek !'

 

Tweehonderdvijftig werken sieren het PMMK, in alle hoeken en kanten. Het biedt ruimschoots de kans om werken individueel te bekijken. Dat is misschien wat wij tot­ nogtoe te weinig gedaan  hebben met Jes­pers. De man is nu eenmaal niet onder één noemer te vatten, in één stijl of zelfs in één rechtlijnige evolutie, zoals broer Oscar bij­ voorbeeld. In de perstekst voor de tentoon­stelling wordt hij een  'proteïsch kunstenaar' genoemd.  De term is erg duidelijk, zelfs lichtjes pejoratief. Veelvormigheid betekent onbestendigheid, onbetrouwbaarheid.

 

Floris Jespers was een kunstenaar die blaakte van zelfvertrouwen. Zo deed hij zich ten minste voor.  Hij was bovendien geen diplomaat.

 

Jaloerse collega's bazuinden met genoe­gen zijn ongenuanceerde uitspraken uit. De ruzies met Paul Joostens (door Paul van Ostaijen uit de 'Heilige Kubistiese Kerk' geëxcommuniceerd) waren episch, maar niets uitzonderlijks in het Antwerpse kun­stenaarswereldje. Als er dan over één of andere kunstenaar met lof gesproken  werd, volgde onvermijdellijk een sneer van Jes pers: 'Da kan iek oek!'.  Hi j heeft nooit beseft dat deze uitspraak zijn reputatie ernstig geschaad heeft.  In plaats van bewondering te oogsten voor zijn inzicht in techniek en stijl van anderen (dat hij ongetwijfeld had), kreeg hij het etiket van windvaan en naloper opgekleefd.

 

De tentoonstelling in het PMMK biedt de kans om die hardnekkige,  in anekdote gedrenkte beeldvorming te herzien. Ja, de stilistische diversiteit is erg groot, verras­send soms.

 

Het expressionisme van een werk als  'De Fietser' uit 1924 past helemaal in de sfeer van de hoogdagen van het Vlaams expressi­onisme, met steil oplopend perspectief, ver­vormingen en al. Toch dobbert hij niet rustig verder op het verticalisme dat zich door het onderwerp haast aan hem opdringt:  de straat, de huizen, de telefoonpalen, alles loopt in één beweging van de onderkant van het schilderij  tot de horizon,  ergens heel bovenaan.

 

Die beweging breekt hij abrupt af door een eigenzinnige horizontale kadrering.  De fietser zit gevangen in een web waar hij zich door vecht.  Een epigoon zou voor zoveel vrijpostigheid terugschrikken of er zich ten minste erg in verslikken.

 

Heel anders gaat hij tewerk als hij maritieme onderwerpen aanboort.  Franse en Duits expressionistische elementen brengt hij tot een hoogst persoonlijke synthese. Jespers bedient zich zonder schroom van technische vondsten die hij voor een eigen sfeerschep­ping het meest werkzaam acht.

 

Zijn toon is wervend en luchtig,  ideaal voor een toeristische promotieaffiche. De compo­sitie verwijst duidelijk naar een collage, ook qua technieken.  Met een vette knipoog ge­bruikt hij zelfs een soort 'frottage', om even duidelijk te maken dat niet enkel Max Ernst die techniek onder de knie heeft.

 

 

De andere figuratie

 

Het zou mooi zijn een overzichtstentoonstel­ling samen te stellen over de excentrieke paden die de figuratieve kunst bewandeld heeft tijdens het Interbellum, los of min­stens in de marge van de grote kunststro­mingen. Gemakshalve worden die momen­teel op één hoop gegooid als 'art déco' (te vaag) of 'Nieuwe Zakelijkheid' (naast de kwestie). In dat onontgonnen gebied ver­dient Jespers zeker een  plaats. Het zou ook de kans bieden om af te wegen in welke mate een 'Retour à l'Ordre' aansloeg.  Zo zou een reeks achterglas schilderijen van Floris Jespers kunnen culmineren in zijn  'Circus' uit 1932, als een soort afrekening met het thema dat sinds Lautrec en Seurat een deel van de figuratie monopoliseert. Het is een werk vol dubbelzinnigheid: droefheid en vrolijkheid, intrige en romance, helder en donker,  barok  en naïef. Een  collage van  zijn eigen  iconog rafie, een  snerpende demon­ stratie dat hi j dat ook ka n!

 

Binnen deze vormen van ongebruikelijke figuratie mogen wij niet de ontwerpen vergeten die hij voor de wereldtentoonstel­lingen van Parijs en New-York realiseerde. Zij passen in een door de oorlog gekortwiek­te poging om de monumentale schilderkunst nieuw leven in te blazen.  Het getuigde van grote zelfzekerheid om op dat terrein de concurrentie met de Mexicaanse muralisten op hun eigen continent aan te gaan.

 

Jean Buyck wil zich niet opwerpen als de onvoorwaardelijke propagandist van het werk van Jespers. Zijn optiek is veel breder.  Het grieft hem wel dat door te veel vooringenomenheid (door de kunstenaar zelf gedeeltelijk in de hand gewerkt) Floris Jespers niet de erkenning krijgt die hij verdient, noch binnen de historische  avant­ garde, noch als beeldend kunstenaar. Het beeld dat wij  doorgaans van hem hebben is een karikatuur.  Floris Jespers verdient beter. In al zijn diversiteit, valt het op dat hij een eigen invalshoek heeft nagestreefd.

 

Aan ons om die opnieuw te ontdekken.

 

Rik Sauwen

 


KUNSTTOER

 

 

In de sporen van Reynaert de Vos

 

Wie denkt dat Reynaert de Vos nooit echt heeft bestaan, zal in het Waasland de ogen wijd opentrekken.

 

 

Met de dieren op de fiets

 

Reynaertbeelden en Reynaertbanken, Rey­naertbier en Reynaertgebak. De schalkse vos uit het middeleeuwse dierenepos kom  je in het Waasland overal tegen. Ook de andere personages uit het verhaal zijn nadrukkelijk present: de haan Canteclaer, lsegrim de wolf, Grimbeert de das, Tibeert de kater en natuurlijk koning Nobel. Deze vijf hebben hun naam gegeven aan evenveel beweg­wijzerde fietsroutes die het Waasland laten ontdekken.

 

De Canteclaerroute neemt de fietser mee naar de bosrijke streek van Stekene en Sinaai. Grimbeert de das, een neef van Rey­naert, brengt de bezoeker naar Lokeren en Waasmunster. De wolf lsegrim toont de weg naar de suikergemeente Moerbeke en het grote Provinciaal Domein Puyenbroeck in Wachtebeke. Koning Nobel leidt onder meer  naar Sint-Pauwels, waar de grootste wind­molen van ons land staat. Tibeert de kater, ten slotte, laat kennismaken met de meest oostelijke uithoek van het Waasland, aan de boorden van de Schelde.

 

 

Twee autoroutes

 

De Reynaertroute Noord verkent het noord­-oosten van de provincie Oost-Vlaanderen en oostelijk Zeeuws-Vlaanderen.  De rode draad langs het traject zijn plaatsen die met het Middelnederlands dierenverhaal Van den vos Reynaerde kunnen verbonden worden. De tocht begint in het vestingstadje Hulst en loopt via een landschap van oude polders naar de geologische site Nieuw-Namen. Van daaruit volgen onder meer Stekene, waar ooit de Boudela-abdij stond, het natuurge­bied Het Groot Eiland,  het stemmige vissers­dorpje Paal aan de uithoek van het unieke Verdronken Land van Saeftinge.

 

De Reynaertroute Zuid vertrekt op de Grote Markt van Sint-Niklaas, de hoofdstad van het  zoete Waasland.  Via bolle akkers voert de tocht naar Kruibeke, waar de Schelde in zicht komt, het kasteel Wissekerke met de Malpertuiskelder in Bazel, de Graventoren en de Spaanse getijdenmolen in Rupelmonde..

 

 

Natuur en cultuur

 

Het land van Reynaert verkennen hoeft niet perse met fiets of auto.  De bezoeker kan een huifkartocht reserveren voor een tochtje door een onbekend, maar schitterend stukje Waas krekengebied.

 

Naast de alom aanwezige natuur biedt het Waasland eveneens een heerlijke brok cultuur : de Stedelijke Musea in Sint-Niklaas en Lokeren, het Molenmuseum in Wachtebeke, het Museum Heraldiek in Temse, het stemmige dorpsplein van Daknam en natuurlijk het Reynaertmuseum in Rupermonde.

 

Een weekendje Waasland is ook de ideale gelegenheid om kennis te maken met de culinaire troeven van de streek.  Er is veel meer dan Reynaertbier en Reynaertgebak.  Elke gemeente heeft wel zijn specialiteit.  Bijzonder gesmaakt zijn de Wase vlaaien en de paling in Temse en Eksaarde.

 


WEBSTEK

 

Tento. be, de meest complete museumgids en tentoonstellingsagenda van Vlaanderen en Brussel kennen we allemaal.  De Nederlandse tegenhanger is u misschien  minder bekend.  Hoog tijd voor een burenbezoek!

 

 

MUSEUM .NL

 

Maandelijks vinden meer dan 30.000 surfers hun weg naar de "meest complete en actu­ele museumsite van Nederland". En binnen­kort zullen er daar nog een pak bijkomen, want deze webstek gaat internationaal. Speciaal voor de buitenlandse toerist kregen de infopagina's van de 50 meest bezochte musea nu ook een Engelse vertaling mee. Gelukkig hoeven Vlaamse cultuurtoeristen zich niet tot deze selectie te beperken. Niet gehinderd door taaldrempels kunnen zij de volledige website doorkruisen op zoek naar informatie en ontspanning.

 

MUSEUM.nl zoals deze museumsite heet, is een initiatief van de Stichting Museumjaar­kaart, de organisatie achter de Nederlandse museumkaart die gratis toegang biedt tot meer dan 400 musea in heel Nederland. Informatie over al deze musea en veel meer vindt u sinds begin 2002 gebundeld op hun prachtige website.  MUSEUM.nl is in de eer­ste plaats een mooie site met aangename kleuren en een originele vormgeving.  Daar­naast is het ook een uitermate functionele webstek die erin slaagt om een ruim aanbod aan museum- en tentoonstellingsinformatie op een eigenwijze, maar toch gebruiksvrien­delijke manier te presenteren.

 

De vertrouwde navigatiebalken die u tradi­tioneel links en bovenaan websites ziet, zal u hier vinden, noch missen. Want de home­pagina is onderverdeeld in 4 grote blokken die de surfer meteen op weg zetten.  En omdat elke rubriek steeds gelinkt blijft aan de meeste andere rubrieken, raakt u nooit het Noorden kwijt bent. Voor wie snel een museum of tentoonstelling wil opzoeken, is er de zoekgids die gericht zoeken naar bijvoorbeeld  kindvriendelijke musea mogelijk maakt.

 

De evidente praktische informatie zoals openingstijden en toegangsprijzen zijn netjes opgelijst.  Maar MUSEUM.nl gaat nog een stapje verder met handige pictogrammen die ook de speciale voorzieningen (zoals winkel, bibliotheek, autoparkeerplaats, busparkeerplaats) aanduiden waarover het museum in kwestie beschikt, en een link die u vertelt hoe u deze locatie gemakkelijk per auto of per trein bereiken  kan.

 

 

Musea in de buurt

 

Een tip voor fervente museumliefhebbers is de rubriek "musea in de buurt". Ideaal wanneer u het halve land afreist om die ene tentoonstelling te gaan bekijken en u nog tijd over heeft om nog een extra museumpje mee te pikken. Wil u op de hoogte blijven van de activiteiten van een bepaald muse­um, dan abonneert u zich via  een  eenvoudig invulformulier op de digitale agenda.

 

En dat is geen overbodige luxe.  Want de achilleshiel van deze schitterende website is toch de tentoonstellingsagenda. U vindt er wel een pak informatie, maar uiteraard enkel van de tentoonstellingen die in deze agenda opgenomen zijn. En die biedt u slechts de keuze tussen "Laatste week, laatste kans" voor expo's die ten  einde lopen, en "Zojuist gestart" voor  tentoonstellingen die nog maar net geopend zijn.  Ver vooruit blikken is hier niet mogelijk.

 

Wie MUSEUM.nl  gebruikt om een tripje te plannen, houdt hier dus best rekening mee en vergeet ook niet naar de uiterst handige rubriek  "Een dagje uit in ... " te surfen. Met één klik op de naam van een kunststad  roept u een pagina op met een compleet overzicht van wat Amsterdam, Groningen, Leiden, Den Haag, Maastricht,  Rotterdam en Utrecht u op museaal vlak te bieden hebben. Alle tentoonstellingen staan er voor uw gemak bij elkaar en de musea zijn aangeduid op een stadsplannetje.  U kan zelfs thematisch zoeken naar musea die uw voorkeur weg­  dragen: kunst, archeologie of wetenschap? U kiest het allemaal zelf. Nog nooit was een culturele citytrip sneller geregeld. Want op diezelfde pagina vindt u links die u naar an­dere, gerelateerde websites leiden waarop u een hotel boekt, een leuk restaurantje uitzoekt of meer te weten komt over de stad in kwestie.

 

 

Kattenkabinet

 

Indien u wel eens een minder voor de hand liggend museum wil bezoeken,  moet u beslist gebruik maken van de tiplijstjes die MUSEUM.nl samengesteld  heeft. "Dierenmanieren" bijvoorbeeld is zo'n thema dat verrassend uit de hoek komt. Of wist u al dat Nederland een Kikkermuseum, een Kattenkabinet en een Pluim­veemuseum rijk is? Deze rubriek illustreert ook hoe veelzijdig deze webstek is. Al naar gelang de noden en interesses krijgt de be­zoeker telkens een andere toegang aange­reikt tot dezelfde gegevensbank die achter deze webstek huist. En die databank bevat niet alleen praktische, feitelijke informatie. Daarom beschikt MUSEUM.nl over een eigen redactie die nieuws en achtergrondinforma­tie verzorgt. Wekelijks schotelt deze ploeg u de laatste nieuwtjes voor zodat u voortaan geen enkele museumnacht meer hoeft te missen en op de hoogte blijft van belang­rijke aanwinsten. Maar het zijn niet alleen professionele redacteurs die deze website van nieuw materiaal voorzien.  leder die zich geroepen voelt kan op allerlei manieren commentaar leveren op musea en lopende tentoonstellingen.  De eenvoudigste manier is het kwoteren aan de hand van sterren. Maar wie écht uitgebreid zijn of haar mening kwijt wil, klikt gewoon op "Geef je mening". Een leuke uitlaatklep voor de amateurre­censenten. Omdat de bijdragen afkomstig zijn van doorsnee website- en museum be­zoekers, zijn ze erg waarachtig en toch de moeite om even na te lezen voor  u beslist een bepaald museum te bezoeken.

 

 

Prikbord

 

MUSEUM.nl  bevat nog meer  mogelijkheden tot interactie. "Prikbord"  is zoals de naam het zegt een berichtenbord met allerlei aankondigingen en vragen over kunst, erfgoedtentoonstellingen en musea. Zoekt u een restaurator voor een schilderij of gezelschap voor een museumdagje in Maastricht?  Dan kan u er gemakkelijk zelf een berichtje op hangen. "Tip een vriend(in)"  is dan weer een ludieke manier om vrienden en kennissen te contacteren.  De bezoeker knutselt er eigen­handig een e-card  in elkaar met op de voor­ zijde een door u uitgekozen illustratie.  Op de achterzijde komt uw persoonlijke  bood­schap en - zoals het hoort - een  postzegel die afgestempeld is op de dag dat u het bericht verstuurde! Een e-mail is misschien sneller verzonden, maar niet half zo leuk als deze digitale postkaart.

 

Aan de jonge museumbezoeker is eveneens gedacht.  Een deel van de webstek werd voor hen gereserveerd en omgedoopt tot "Kinder­web".  De kids vinden er links naar museum­sites die "verboden zijn voor ouders", maar evengoed ook andere leuke dingen zoals spelletjes en quizen. Kortom: u heeft geen excuus meer om een (virtueel) bezoek aan de Nederlandse museumwereld nog langer uit te stellen!

 

De Nederlandse startpagina voor museum en tentoonstellingsinformatie vindt u op www. museum.nl. Ook op de Link-pagina van www.tento.be kan u dit artikel en de bijbe­ orende links terugvinden.

 


Keuze van de redactie

 

 

4de Triënnale voor Vormgeving - (lm)perfect by design

 

De 4de Triënnale voor Vormgeving vindt niet traditiegetrouw in het Gentse Designmuseum plaatst maar verhuist naar de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.  In Gent is er op dat ogenblik geen plaats door de Maarten Van Severen tentoonstel­ling. Een opsteker voor de KMKG want straks opent dit federale museum een gloednieuwe designafdeling.  De door Design Vlaan­deren - het vroegere Vizo - opgezette Triënnale draagt dit jaar als titel (lm)perfect by design. Daarbij vertrekt men van de perfecte industriële vormgeving.  Maar, zo wordt in deze tentoonstel­ling hardop gedacht: wat is de maatstaf van perfectie?  Voor lampen koning lngo Maurer bijvoorbeeld is het klassieke peertje (gloeilamp) hét schoolvoorbeeld van industriële vol­maaktheid én ongedwongen poëzie. Maurer zelf fantaseert en improviseert in zijn scheppingen naar hartelust, voor hem is een lamp met vleugeltjes niks ongewoons. Waarom zouden we deze fantasievolle  'onvolmaaktheden',  zo vraagt de Triën­nale zich af, dan niet als perfect interpreteren? De Triënnale laat op al dit soort zaken het licht schijnen. Zo werd gezocht naar industriële objecten met een artistiek of ambachtelijk randje. En wie zoekt die vindt. Het artistieke van Bramboa liegt er niet om.  Hij bekleedt stoelen en banken met jute zodat ze er wat rafelig uitzien. ]os Devriendt introduceert in het industriële de ambachtelijke charme. Martine Gijselbrecht op haar beurt vertrekt van een zelf geweven weefsel om er een industrieel equivalent van te maken. De 4de Triënnale zet de industriële code van ongeschon­den gaafheid duidelijk op zijn kop en zoekt nieuwe uitwegen om industrie, ambacht en kunst met elkaar te verzoenen. De toon is soms ludiek.  De herinterpretatie van de kristallen luchter van Vin­cent Van Duysen is een eyecatcher van formaat. Eric Chevalier gaat de conceptuele toer op. Hij omwikkelt oude op straat  bijeenge­scharrelde stoelen met heel veel touw. Zoveel zelfs dat je er vanzelf begint over na te denken.

 

Philip Willaert

 

4de Triënnale voor Vormgeving, (lm)perfect by design. Van 3 december tot 27 februari 2005 - Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Jubelpark 10 B - 1000 Brussel.

 

 

Panamarenko geland in het Vlaams Parlement

 

Sinds enkele jaren heeft het Vlaams Parlement een Huis van de Vlaamse Volksvertegenwoordigers. Naast kantoren voor de Vlaamse volksverte­genwoordigers en hun medewerkers bevat dit gebouw ook een infor­matie- en  bezoekerscentrum 'De Loketten'. In deze schitterende ruimte houdt het Vlaams parlement regelmatig tentoonstellingen. 'Iconen van Design in Vlaanderen' was de eerste en nu komt de eer te beurt aan de bijna wereldberoemde Panamarenko onder de titel 'Te land, ter zee en in de lucht'.

 

De tentoonstelling biedt een boeiend beeld van de ongebreidelde ver­beeldingskracht die Panamarenko sinds het begin van de zestig aan de dag legt. Zijn oeuvre evo­lueert op de grenzen van kunst en wetenschap. Hij ontwerpt tuigen die bij­ voorbeeld gebaseerd zijn op de vlucht van insecten maar ook op magnetische velden. Leidraad blijft de droom om te ontsnappen aan de zwaartekracht. De toestellen zijn soms ontworpen om door motoren dan weer door mensen aangedreven te wor­den. De tentoonstelling brengt achttien werken die een overzicht bieden van 1975 tot nu. Daarbij horen vier kleinere creaties en vijf multiples. Opnieuw pakken de tentoonstellingsmakers uit met een boeiende au­diogids.  De kunstenaar vertelt in zijn eigen gekende stijl anekdotes over elke creatie. Daarbovenop geven drie experten commentaar. Voor elk onderdeel van de titel een specialist.  Te land is voor de autopiloot Jacky lckx, admiraal Willy Herteleer neemt ter zee ter harte en ballonvaarder Wim Verstraeten het luchtruim. Een origineel en onuitgegeven aanden­ken aan de tentoonstelling is ongetwijfeld de modelbouwdoos van het 'Vliegend Eiland' (2004), één van de tentoongestelde werken. Met de nodige modelbouwmaterialen en ook veel handigheid zal de bezoeker "zijn eigen Panamarenko" kunnen  maken. Het resultaat zou een exacte kopie van het kunstwerk op de helft van de ware grootte moeten zijn voor slechts € 50.

 

Panamarenko in het Vlaams Parlement. Te land, ter zee en in de lucht. Nog tot 25 maart 2005.

 

 

Het Frans Masereel Centrum in Kasterlee

 

Frans Masereel is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Vlaamse hout­graveerkunst na de Eerste Wereldoorlog. Zowel zijn houding tegenover internationale conflicten als zijn verlangen naar vrede wegen zwaar door in z'n artistieke keuzes. In 1950 krijgt hij op de biënnale van Venetië de Grote Prijs van de Gravure.  In Kasterlee vindt u het Frans Masereel Centrum waar kun­stenaars ideeën en technieken van andere - vaak buitenlandse - graficileren kennen en waar het publiek geregeld tentoonstel­ lingen en workshops kan volgen. Op die manier steunt het centrum de promotie van hedendaagse vormen van grafiek!  Een repor­tage over Masereel, artiesten en de liefheb­bers van hun werk!

 

Uitzending 8 januari 2005,

 

 

Stedelijk Museum Stellingwerff­ Waerdenhof in Hasselt

 

Hasselt is de hoofdstad van de provincie Limburg  maar wie meer wil weten over de geschiedenis van de stad botst ongetwijfeld op bronnen en boeken over het graafschap Loon en het prinsbisdom Luik. In het Ste­delijk Museum Stellingwerff-Waerdenhof herinneren verschillende kunstwerken aan dat verleden. Zilverwerk van de Virga  Jesse­ basiliek vult de kerkelijke kunstschatten van het museum aan. Terwijl de tentoongestelde porselein en keramiek de ontwikkeling van de nevenindustrieën  die naast de jenever­productie ontstonden bewijzen. Ook over het rijke verenigingsleven dat de voorbije decennia in Limburg en Hasselt tot bloei kwam wil onze reporter het fijne weten.

 

Uitzending 30 januari 2005,

 


Uit de boeken

 

 

Marthe Donas, EINDELIJK

 

Raar maar waar, over Marthe Donas (1885-1967) bestond nog geen mono­grafische studie van enige omvang. Door het boek van Kristien Boon is deze anomalie rechtgezet.

 

Wie was die dame van wie wij zo wei­nig afweten? Enkel insiders kennen haar als één van de pioniers van ku­bisme en abstractie in ons land. Die rol wordt omstandig uit de doeken gedaan in De Abstracte Schilderkunst in Vlaanderen, het standaardwerk uit 1963.  Maar Michel Seuphor en zijn team zien het onderwerp door de bril van de abstractie en zo blijft een groot gedeelte van haar persoonlijk­heid en werk buiten beschouwing.

 

Met deze studie wordt voor het eerst een globaal beeld van Marthe Donas opgehangen. Er zijn zoveel merkwaar­dige aspecten aan deze vrouw dat deze ene studie onvoldoende is om haar volledig te vatten. Bovendien is de bibliografie over haar niet erg uitgebreid. Zijzelf heeft gelukkig enkele autobiografische geschriften nagelaten waarvan Kristien Boon dankbaar gebruik heeft gemaakt.  Zij beseft trouwens ten volle dat de kous niet af is.  In de inleiding geeft ze toe dat er nog veel onopgeloste vragen en te veel veronderstellingen zijn. Zij drukt daar­om de terechte wens uit dat aan de studie van Marthe Donas wordt verder gewerkt. Dat kunnen wij enkel toejuichen. Maar wat heeft Boon dan wel bereikt?

 

Het boek dat zich globaal als een tweeluik aandient, geeft ons voor het eerst een vrij goed overzicht van Donas' levensloop.  En deze is allesbehalve banaal te noemen.  De strijd die zij als burgermansdochter tegen haar familie moet voeren om haar kunste­naarstalent tot ontplooiing te laten komen, is de rode draad van haar jonge jaren. Zo moet zij zelfs met hangende pootjes de fami­liekring opnieuw vervoegen na haar kubis­tisch avontuur te Parijs.  Haar atelier, 26 rue du Départ te Montparnasse, laat zij over aan Piet Mondriaan. Zij heeft dan een tijdje met de crème de la crème van de avant-garde meegedraaid, maar niemand weet het, zeker in Antwerpen niet. Paul van Ostaijen die zich in Vlaanderen als de kenner bij uitstek van het kubisme opwerpt, is niet te beroerd om te verklaren dat hij die Tour d'Onasky   niet kent.  Als Michel Seuphor haar werk in het tijdschrift De Stijl ziet staan, denkt hij met de zoveelste flauwe grap van Theo van Doesburg te maken te hebben.  Wie is die kunstenaar die signeert met Tour Donas, Tour d'Onasky of gewoonweg Donas, maar nooit met Marthe Donas?  Het is het drama waarmee zij worstelt: zij is een vrouw in de machowereld van de avant-garde.  Het had nog eens een emancipatorisch gevecht gevraagd om de erkenning als vrouw af te dwingen. Om die dubbele strijd te voeren, voelde zij zich niet sterk genoeg. Nog een kwaal waarmee vrouwelijke kunstenaars opgezadeld zitten: in 1927 moet zij omwille van huishoudelijke beslommeringen het schilderen opgeven.  Die onderbreking duurt twintig jaar.  Deze tweede periode is totnog­toe zo mogelijk nog minder gedocumen­teerd geweest dan de eerste. Met plezier ontdekken wij dus een kunstenares die haar eigen weg zoekt in een volledig vernieuwd artistiek landschap. Zij schuwt stijlbreuken noch eigenzinnige experimenten, zoals het gebruik van stukken mousse, als levendige kleuraccenten in abstracte composities.

 

Aan ontdekkingen dus geen gebrek. De stilistische duiding van dit veelzijdig werk is het onderwerp van het tweede luik van deze studie. Spijtig genoeg lijkt de auteur hier wat overdonderd door haar onderwerp . Toegegeven, Donas werkte in één der meest dynamische periodes van de Westerse kunstontwikkeling en Kristien Boon wil ons die bewegingen allemaal duidelijk situeren,  maar hierdoor verliest zij de eigen evo­lutie van Donas te veel uit het oog. Do­nas eet van verschillende walletjes, haar werk evolueert met een razende vaart. Telkens zij weer nieuwe ontmoetingen doet, is dat afleesbaar in haar oeuvre, niet als slaafse navolging, maar als een verrijking van  haar artistiek idioom.

 

Meer nog dan door de tekst worden wij op dit punt door de vormgeving van het boek in de steek gelaten. Aan re­producties van werken is er zeker geen gebrek, maar  alles staat behoorlijk door elkaar.  Dit is slechts ten dele te wijten aan de tweetaligheid van het boek die ervoor zorgt dat het verhaal hoofdstuk per hoofdstuk tweemaal achter elkaar verteld en op gelijkwaardige wijze dient geïllustreerd te worden. In deze omstandigheden is het haast onbegonnen werk om het werk in zijn chronologische samenhang te overlopen.  Dit zou noch­tans een boeiende, en naar mijn gevoel onontbeerlijke, oefening kunnen zijn. Donas is een rusteloze zoeker die zeer divers werk gebracht heeft, maar haar stijldiversiteit nooit als dusdanig geëtaleerd heeft. Wellicht dacht zij er gewoon niet aan. Die houding wordt treffend geïl­lustreerd door een ronduit schitterend zelf­portret uit 1920, waarin zij zichzelf, met een achttiende-eeuws aandoende verfijning, als een jonge melancholische vrouw voor haar schildersezel uitbeeldt. Op datzelfde tijdstip staat haar abstract werk in tijdschriften als De Stijl en Der Sturm. De evolutie van haar stillevens verdient een volledige studie, ook zo haar tekeningen, haar materiegebruik, de allereerste werken van haar tweede creatie­ve periode, maar dat is allemaal voor later. Het boek sluit af met een korte, erg levendige getuigenis van de dochter van de kun­stenares en met een verdiende groet aan Maurits Bilcke (1913-1993), onvermoeibare propagandist van het werk van Marthe Do­nas. 

 

(RS)

 

 

Bouwen  in Beeld.

 

De collectie van het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen

 

Zo'n vijftien jaar geleden startte de dienst Cultureel Erfgoed van de provincie Antwer­pen met een Architectuurarchief. De vraag kwam toen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en het siert de provincie Antwerpen dat ze hier als enige op inging met een enorm uitgebreid archief als gevolg. De ernst en de professi­onele omkadering van het opzet boezemde dermate vertrouwen in dat vele architecten of hun familie, vakverenigingen en immobili­ënfirma's hun archieffondsen aan de provin­cie overmaakten.

 

Er zitten  tal van ronkende namen bij zoals de firma Engetrim, verantwoordelijk voor de verka­veling van de wijk Zurenborg, Emile Thielens, Eduard Van Steenbergen, Léon Stynen en Jos Smolderen. Het zwaarlijvige boek vergezelde de gelijknamige tentoonstelling die vorige maand liep in Antwerpen, maar staat vol­ledig op zichzelf. De fondsen die het archief wist te verwerven komen aan bod. Daar­naast geven enkele inleidende artikels een boeiend overzicht van de bouwgeschiedenis in stad en provincie.  De verschillende au­teurs behandelen de geschiedenis van de architectuur: van revolutie tot wereldbrand, art nouveau in de stad, art deco, modernis­me en traditionalisme en bouwen van 1945 tot 1975.  Het fraai uitgegeven boek van niet minder dan 300 blz. bevat talloze unieke foto's, tekeningen en bouwplannen. We zien bijvoorbeeld het staalskelet van de Boeren­toren in 1930,  beelden uit de tentoonstelling 'Goed Wonen' in 1952 en ontwerptekeningen voor de Pius X-kerk uit Wilrijk.

 

(PW)

 

Bouwen in Beeld - De collectie van het Architectuurarchief van de provincie Antwerpen, uitgegeven  bij Brepols, ISBN  90-5622058-6.

 


OPEN   NIEUW: Letterenhuis : Hoogmis van de Vlaamse Letterkunde   

 

 

De oude benaming Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven was een mondvol maar zal volgens directeur Leen Van Dijk toch niet helemaal verdwijnen in de com­municatie. Het Letterenhuis concentreert zich voortaan op Vlaamse literatuur en niet meer, zoals dat vroeger het geval was, op het Vlaamse cultuurleven.  De verzameling van de instelling is omzeggens fenomenaal.  Het Letterenhuis groeide sinds de oprichting in 1933 uit tot het grootste letterkundig ar­chief van Vlaanderen. In de kelders huist de 'hoogmis' van de 'nieuwste' Vlaamse litera­tuur. Je vindt er niet alleen handschriften van coryfeeën als Gezelle, Buysse, Van de Woestijne, Boon,  Elsschot tot De Coninck, daarnaast tref je in dit literaire 'schrijn' borstbeelden, dodenmaskers, tijdschriften, schilderijen, pennen, schrijfmachine's en jawel, ook pc's. In een kelder komt al dat schitterende documentaire materiaal na­tuurlijk niet aan zijn trekken.

 

Vandaar dat er wel iets moest veranderen. Vier jaar geleden werden tien jaar oude vitrines en expositiekasten afgebroken om­wille van noodzakelijke elektriciteitswerken. "Dat was het moment om een en ander te overdenken", zegt Leen van Dijck "Op het cultuurleven moesten we ons niet meer focussen want het erfgoedveld had intussen niet stilgezeten. Wie zijn wij om het Vlaamse cultuurleven te gaan uittekenen?" Met de nieuwe opstelling is Het Letterenhuis een waardig pendant van het Letterkundig Mu­seum in Den Haag waarmee Antwerpen wil gaan samenwerken. Tentoonstellingen die in de stad van Couperus plaatsvinden zouden dan ook in Antwerpen kunnen doorgaan.

 

De kersverse opstelling is fris van de lever en de strakke vormgeving werd uitgetekend door Monkey Business.  Wie komt kijken wordt op sleeptouw genomen doorheen 200 jaar geschreven 'Vlaams'. De aanpak is chro­nologisch. Op een sobere muur staat een tijdslijn:  bovenaan vind je een beknopte ge­schiedenis van de nieuwste tijden, onderaan staan de kapitale momenten uit de wereldli­teratuur uitgesmeerd.  De ruimte daartussen is besteed aan de Vlaamse koppen .

 

De eerste die de spits mag afbijten is Baptist Verlooy, de laatste op de tijdsmuur is Saskia de Coster die kort na 11/09 debuteerde met de roman Vrije val.  De samenstellers pakten ook een aantal  thema's aan. Zo kreeg de streekroman een onderkomen in een slak­kenhuis, een betere metafoor voor deze  'beknelde' literatuur kunnen we nauwelijks bedenken.

 

Helemaal  leuk is dat op multimediale wijze kan worden uitgezocht of het dorp waar u en ik zijn grootgebracht ook een literair won­derkind heeft voortgebracht. Veel  aandacht gaat ook naar de actuele Vlaamse letter­kunde.  Aan hedendaagse auteurs vroeg het Letterenhuis een vijftigtal auteurs om voor deze tentoonstelling een object af te staan dat verband houdt met hun schrijverschap.

 

Het resultaat is een  caleidoscoop aan rariteiten.

 

Presentatie en heroriëntatie ervaren we als een bijzonder geslaagde onderneming, alleen is het doodjammer dat er geen catalogus voorhanden is.

 

Philip Willaert

 

 

Abraham Lincoln, Agneessens, Alys Francis, Art Box Waregem, Artschwager Richard, Babel, BE-PART Waregem, Blaeu Johannes, Bloem en vlinders, Boulanger Hyppolyte, Bouvaert Godefridus, Bramboo, Breughel Pieter, Brevarium Mayer van den Bergh, Centrum Hedendaagse Kunst Wiels, Charlier Guillaume, Chevalier Eric, Circus, Cosemaans Joseph, Crépin Louis-Joseph-Désiré, Cruyt Marcus, Daniel Buren, Dans voor de tempel van Madura, De Bal, de Braekeleer Henri, De Fietser, De gek, Dekeyzer Brigitte, Delmulle Frank, Deprez Dany, Devriendt Jos, Donas Marthe, Dosogne Ludo, Du Groux, Dulle Griet, Ensor James, Europaprijs 1980 oostende, Fantin-la-Tour, Finch, Gerrit Vermeiren, Ghekiere Joris, Gijselbrecht Martine, Gober Robert, Graham Paul, Het atelier, Het naderende omweer, Hilde Van Gelder, Horenbout Gerard, Janssens Ann Veronica, Jardin Imaginaire, Jespers Floris, Kattenkabinet NL, Kikkermuseum NL, Kippenberger Martin, Koraalberg, Kristien Boon, Küng Moritz, Kunsthal Extra City, Kunsthal Rotterdam, Kunsthal Sint-Pietersabdij, La Belgique Horticole, Lepage Bastien, Manet Edouard, Manuale Pietatis, Marché Congolais, Maria van Castillië, Masereel Frans, Maurer Ingo, Mayer van den Bergh Fritz, McCollum Allan, Montigny Jenny, Morren Charles, Oyens, Panamarenko, Pierron Sander, Pluimveemuseum NL, Rau Daan, Reynaert de Vos, Rugschildeering, Sauwen Rik, Science Fiction, Sgtrand te Oostende, Sint Donatuspark Leuven, Sint-Bernardusabdij Hemiksem, Slominski Andreas, Spelende kinderen in de zon, Stilleven met eend, Theatrum civitatum et admirandorum Italiae, Thibaut Yvan, Tordoir Narcisse, Tuymans Luc, Van Cutsem Henri, Van Duysen Vincent, Van Meurs Jacob, Van Strydonck Guillaume, Vanvaeck Mark, Willaert Philippe, Wouters Peter, OKV2004, OKV2004.4.1