U bent hier

OKV 2004.1 tento

OKV 2004.1 tento

Edito

 

In de ogen van Rubens
 
 
Vorig jaar, tijdens de Antwerpse Cultuurmarkt, heeft een duizendtal bezoekers op een metershoge stelling naast het standbeeld in de ogen van Rubens gekeken. Het is altijd even schrikken als je zo'n gigantisch beeld van dichtbij bekijkt. Meestal zitten er wat haveloze figuren op de sokkel, maar het beeid op de Antwerpse Groenplaats, vlakbij de kathedraal, kreeg een opknapbeurt naar aanleiding van de festiviteiten dit jaar.
 
Op diezelfde Cultuurmarkt vroegen de organisatoren van Rubens 2004 aan het publiek wat hun lievelingsschilderij van Rubens is. Op nummer één staat De kruisafneming uit de kathedraal. Op de tweede plaats volgt Madonna met Kind uit het Rockoxhuis, een werk dat de mensen niet kenden of waarvan ze het bestaan vergeten waren. Dezelfde enquête werd eveneens uitgevoerd op de Uitmarkt in Amsterdam. Het resultaat was verrassend: de Nederlandse cultuurliefhebber verkoos Rubens' Madonna met Kind boven alle andere en hier stond De kruisafneming pas op de vierde plaats.
 
Rubens 'her'ontdekken gebeurde voortdurend in de geschiedenis. In zijn eigen tijd werd hij de 'beste verteller' genoemd. In de achttiende eeuw bewonderden vooral de Franse schilders hem, zoals Boucher en Fragonard. Onder Jozef II van Oostenrijk en keizer Napoleon verdwenen er tonnen kunstwerken uit Vlaanderen, waaronder een aantal schilderijen van Rubens waar later de Franse schilder Delacroix zich aan vergaapte. In de negentiende eeuw was het de schilder Matttijs van Bree die een reeks schilderijen van Rubens terug naar Antwerpen haalde. Nadien schilderde hij het Doodsbed van Rubens. Een sentimentele compositie met Rubens op het sterfbed, omringd door zijn vrienden en zijn vrouw die in bezwijming valt. Koning Willem I kocht het aan voor het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten.
 
Bij de vierhonderdste en de vijfhonderdste verjaardag van Rubens' geboorte, respectievelijk in 1877 en in 1977; trokken de Antwerpenaars alle registers open met Rubensfeesten, optochten, Rubensbieren en een eindeloze reeks uitgaven van kalenders, affiches, bierviltjes enz. 
 
Maar wie herinnert zich 1977 nog? Elke generatie heeft recht op zijn Rubensevent, maar de 'her'ontdekking zal niet vanzelf gaan. De specifieke barokstijl van Rubens staat mijlenver van de beeldcultuur van vandaag en dat wordt voor de organisatoren dit jaar de grote uitdaging. In dit nummer onder andere een interview met de samensteller van de tentoonstelling in Rijsel en ons volgend themanummer is volledig gewijd aan de 'her' ontdekking van Rubens. 

 

Peter Wouters

 


Johan Tahon : Natal in Menen

 
 
Voor zijn geboortestad Menen creeërde Johan Tahon "Natal", een bronzen beeld dat begin februari op de Waalvest werd geplaatst.
 
 

Een groot beeld in een kleine stad

 
Het is niet gewoon. Een kleine stad die gedu­rende enkele jaren een budget van € 75.ooo bijeenspaart om een groot bronzen beeld van een hedendaagse kunstenaar aan het publiek te kunnen geven. Het stadsbestuur van Menen heeft dat gepresteerd.
 
De schepen van Cultuur, Christine Depoortere, nam het initiatief voor een Werkgroep Beeldende Kunst. Ze verzamelt Menense kunstspecialisten die een tweele­dige opdracht kregen. De werkgroep diende de beelden in de stad door te lichten en suggesties voor verbeteringen te formu­leren. Dat had als resultaat dat een aantal beelden een nieuwe sokkel kreeg en dat de onmiddellijke omgeving van de werken werd aangepakt, wat zorgde voor beelden die beter in de stad passen. Daarnaast advi­seerde de werkgroep het schepencollege voor de aankoop van een nieuwe sculptuur van oud-Menenaar Johan Tahon, die zijn opleiding beeldende kunst begon aan de plaatselijke academie. Op 6 februari werd Natal plechtig ingehuldigd en heeft het een plaats op de Waalvest, tussen het cultuur­centrum 't Ghelandt en het stadsmuseum 't Schippershof.
 
Johan Tahon is heel tevreden over de samen­werking met het stadsbestuur. "Bij een opdracht mag ik niet de beperking voelen van 'vul deze plaats in'. Dan blijf ik liever bij mijn dromen. Maar hier kreeg ik de ruimte. Mijn eerste stap was uitzoeken of er al iets in mijn werk is dat bij deze locatie past. Want ik denk dat ik altijd hetzelfde maak, ondanks de vele vormen die mijn beelden krijgen." 
 
 

Complexer en mooier

 
Natal is een vijf meter hoog bronzen beeld. Het is een stappende figuur met twee benen en twee hoofden. Er is een derde hoofd dat aan de heup uitsteekt. De sculptuur is donker gepatineerd, de hoofden blinken als goud. Met Natal verwijst Johan Tahon, die in Oostende woont, naar zijn geboorteplaats.
 
"Maar ik wil met mijn persoonlijke gevoe­lens die in het beeld zitten een universeel verhaal vertellen," zegt de kunstenaar. Wat kunnen we dan in Natal lezen? "Sommige dingen zijn niet licht te vatten. Zoals tijdens mijn kinderjaren in Menen, toen er nog zoveel was dat ik niet begreep en waar ik dan bang voor was. Allicht verklaart dat 'niet begrijpen' het surrealistisch karakter van mijn sculpturen. Toch hoop ik dat mijn beelden aantrekken -aantrekkelijk zijn -en mensen de inspanning doen om verder te lezen en de kern van mijn verhaal vinden : dat het onbewuste een heel belangrijke rol speelt, dat wat we met ons verstand niet verstaan we in onze dromen, bijvoorbeeld, toch kunnen begrijpen. Is onze realiteit niet kunstmatig tot stand gekomen door afspraken en ingebouwde zekerheden die moeten toelaten om met onze twijfels en angsten te kunnen leven? Alles is veel complexer, chaotischer en mooier dan we denken. 
 
Ik wil tijdens de creatie die stromen van het vreemde, mooie, onbewuste toelaten. Ik koester de idee dat mijn werk deel uitmaakt van de 'tradition ele' beeldhouw­kunst. Een lijn die loopt van Egypte, over Michelangelo, Rodin ... en Afrika. Afrikaanse beelden stellen niet een man of een vrouw voor, een jongere of een oudere figuur, een mooie of een lelijke. Ze zijn dit alles in één. Ze verbeelden de ziel." 
 
 

Het derde hoofd

 
De beelden van Tahon hebben de gave ons te verrassen," schrijft Jan Van Hove: "Het zijn geen ongeschonden figuren, want op vele manieren doet hij de menselijke anatomie geweld aan door onnatuurlijke verlen­gingen, uitstulpingen en zwellingen, door lichaamsdelen weg te laten of toe te voegen, door vreemde elementen met het lichaam te versmelten alsof hem bij het vormgeven een wezen van een andere planeet voor ogen stond." 
Johan Tahon: "Ik ben gefascineerd door de manier waarop de mens zichzelf uitbeeldt. Daarbij is het voor mij niet belangrijk dat het beeld anatomisch correct is, maar wel dat het psychologisch juist zit. Je voelt dan een goede aansluiting." 
 
Het derde hoofd op de heup van Notalis? "Ja," antwoordt Johan Tahon. "Bij de creatie voelde ik dat de compositie niet klopte. Om het beeld in evenwicht te krijgen heb ik mezelf toegelaten de symboliek los te laten, om achteraf vast te stellen dat het er toch in past. Dat gebeurt me vaak." 
 
Of, zoals te lezen is over SelfSelf, zijn recente tentoonstelling in het SMAK: "Vanuit zijn verbeelding en emotionele ervaring creëert Tahon een beeld dat hij noodge­dwongen moet maken." 
 
Mark Vanvaeck
 

Fotomuseum Provincie Antwerpen

 

 
Met de lente begint een nieuw leven voor het FotoMuseum Provincie Antwerpen.  De verbouwingswerken zijn klaar.  De collectie van werldniveau krijgt de uitstaling die ze verdient.
 
 
Christoph Ruys ziet er goed uit wanneer hij het café, waar we hebben afgesproken, binnenkomt. Nochtans leidt hij de jongste maanden een hectisch bestaan. Hij is direc­teur-conservator van het FotoMuseum Provincie Antwerpen. Het is niet zomaar een titel, die titel betekent ook wat. Hij leidt momenteel een provinciaal bedrijf als een manager en een museum als een conser­vator. De keuze van de provincie om van het museum een zelfstandig bedrijf te maken blijkt nu al een heilzame werking te hebben. Ze laat het museum toe om zelf beslissingen en financiële verantwoorde- lijkheid te nemen. Ruys heeft daardoor meer adem­ruimte en kan inkomsten binnen het museum houden zodat er op een langere termijn kan gedacht worden en dat reserves voor initiatieven allerhande kunnen opge­bouwd worden. Dit is stimulerend en moti·verend voor alle betrokkenen. 
 

 

Gevoelige plaats

 
Het FotoM useum gaat de laatste fase in van de uitgebreide verbouwingswerken. Achter het bestaande pakhuis op het Zuid waar het museum sedert 1986 is in ondergebracht, werd een prestigieuze maar sobere nieuw·bouw opgetrokken. De bouw is klaar en toont nu al haar kwaliteiten. Het is ook niet voor niets dat de provincie een beroep heeft gedaan op architect Georges Baines, een van onze beste Vlaamse bouwmeesters. Hij tekende al verantwoordelijk voor de inmid­dels opgeheven Galerie Ronny Van de Velde in dezelfde buurt, een galerie met museum­allures. Baines blinkt uit door zijn gevoelige maar efficiënte architectuur, wars van pronkzucht en gekunstelde vondstjes. Het totale museumoppervlak is van de oorspronkelijke 5.000 m2 zowat verdubbeld en bevat heel wat accommodatie die van het museum een levende instel­ling moet maken. Dat is trouwens ook de visie van Christoph Ruys zelf: het museum is niet alleen een wetenschappe­lijke instelling die kunst bewaart en toont, het is een plaats waar heel wat mensen hun natuurlijke biotoop moeten vinden. 
 

 

Meer ruimte voor een grootse collectie

 
Het museum bevat een verzameling van wereldniveau: zomaar eventjes tienduizend camera's en ruim vijftigduizend foto's, regelmatig aangevuld met nieuwe aan­winsten en giften. Om die collectie aan het publiek te presenteren zal, naast een klei­nere vaste opstelling voor wat de fototechni­sche aspecten betreft, om de vier maand een nieuwe museumopstelling worden verzorgd. Hier opteert men voor een thema­tische benadering. Op die manier kan het publiek kennismaken met nieuwe schatten uit de rijke verzameling en die situeren in een ruimere dan historische context. Zo ontstaat een erg levend museum waar steeds iets te beleven valt. 
 
Het toont de fotografie in zijn meest uitge­breide betekenis, namelijk als een medium in een brede sociale en culturele omgeving. Naast artistieke foto's is er ook plaats voor journalistieke, wetenschappelijke, docu­mentaire fotografie, voor modefoto's, collec­ties van verenigingen, familiefoto's, prent­briefkaarten en reclamefoto's. 
 
Het museum beschikt op de twee bovenver­diepingen van de nieuwbouw over grote, nieuwe ruimten die ideaal zijn voor tentoon­stellingen van hedendaags werk. Hier vinden afwisselend thematische en mono­grafische tentoonstellingen plaats die een internationaal niveau halen en ook op tournee gaan door Europa en de Verenigde Staten. Een van de eerste fotografen die daarbij aan bod komen is de in Parijs levende Amerikaan William Klein. Deze foto­graaf heeft ook een dertigtal films gereali­seerd die eveneens aan het publiek zullen worden getoond. Nog in de running is een tentoonstelling van Finse fotografen die momenteel zowat het nec plus ultra in de actuele fotografie blijken te betekenen. 
 
De aanpalende zalen in het oude pakhuis zijn dan weer heel erg geschikt voor historische presentaties. We mogen immers niet vergeten dat het museum over ware schatten beschikt. 
 
Wie de tentoonstelling Rond het symbolisme in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel gaat bekijken, zal trouwens opvallend veel geconfron- teerd worden met foto's uit de Antwerpse collectie. Dus ook hier zal regel­matig veel moois te zien zijn. 
 
Op de benedenverdieping kan de bezoeker binnenlopen in een fotogalerie waar vooral jong talent aan bod zal komen. Er wordt een programma opgezet met duo's van wie minstens één een fotograaf is, de andere kan een cineast of een schrijver zijn of welke discipline dan ook beoefenen. Belangrijk is dat het museum de kans biedt op boeiende en verrassende confrontaties. 
 
 

Veel zorg voor conservering

 
Het museum is er niet alleen om dingen te tonen, één van haar taken is ook in te staan voor de bewaring. Hier is in het gebouw speciale aandacht aan besteed. Er zijn gekli­matiseerde ruimtes waar het erfgoed in ideale omstandigheden kan worden bewaard. En daar waar het museum vroeger nogal eens tekort schoot in een adequate conservering is daar nu werk van gemaakt door een specialist restauratie en conserve­ring voltijds in dienst te nemen. 
 
Ook de wetenschappelijke studie is een onvervreemdbare taak van elk museum en hiervoor is een bibliotheek een noodzakelijk instrument. Die bibliotheek zal toegankelijk zijn voor het publiek en trouwens in haar schoot de "natuurlijke biotoop van de foto­grafie" -zoals Christoph Ruys het uitdrukt ­bewaren en naarvoor brengen. Tenslotte zijn boeken, tijdschriften en kranten de voor de hand liggende media waarlangs de foto­grafie wordt verspreid. Al bij de opening wijdt het FotoMuseum een tentoonstelling aan tijdschriftencovers. Ze zijn zowat de kroongetuigen van de maatschappelijke fenomenen van de afgelopen eeuw. Het waren soms politieke pamfletten, dan weer tekenden ze stereotiepe beelden van een ideale wereld en op andere momenten provoceerden ze de gevestigde waarden. De tentoonstelling zal het fenomeen 'cover' belichten vanuit zes verschillende invals­hoeken. Ruim tweehonderd covers uit de periode 1840 tot vandaag tonen de relatie tussen woord en beeld in een wereld in beweging. 
 
Het museum neemt haar wetenschappelijke taak ernstig. Het heeft akkoorden afgesloten met de grote Vlaamse universiteiten in verband met gezamenlijk onderzoek en publicaties. 
 
 

Ontmoetingsruimte

 
Het museum wil ook een ontmoetingsruimte zijn voor fotografen, fotoliefhebbers,studenten, verzamelaars, geïnteresseerden allerhande.  Een uitgebouwde museumshop, een museumcafé en niet te vergeten twee filmzalen maken van het museum een levend centrum.   Ook het Filmmuseum/Centrum voor Beeldcultuur vindt immers haar vast stek in het complex. Een filmzaal met 85 zetels is uitermate geschikt voor de vertoning van films voor een beperkt publiek, een tweede zaal, een auditorium met 150 plaatsen, laat al wat meer volk toe voor zowel films,  lezingen en debatten.  
 
Het museum programmeert daarnaast nog cursussen en introducties tot de fotografie waar zowel kinderen als volwassenen kunnen aan participeren.  Een bijzonder fris en sympathiek initiatief vind ik de maandelijks portfolio-kijkdagen.  Fotografen krijgen hierbij de gelegenheid hun portfolio te komen tonen aan deskundigen.  Die bekijken ze met zorg en de deelnemers krijgen feedback.  De directeur-conservator is hierover bijzonder opgetogen want telkens komen uit zo'n kijkdag ook interessante contacten, komt jong talent over de vloer en ontstaat er een fijne relatie met mensen die van fotografie bezeten zijn.  Als ik Christophe Ruys zo hoor vertellen ben ik ietwat ontroerd, het doet altijd zo'n deugd om mensen te horen en bezig te zien, die geloven in hun zaak.  Ik kijk nu al uit naar dat nieuwe FotoMuseum en wat voor moois, verrassends en indringends er ons daar allemaal te wachten staat.  Vergeet het niet : open vanaf 21 maart! Maak er samen met die 32 man en vrouw sterke ploeg een denderend feest van.
 
 

Daan Rau

 


Een nieuw tehuis voor het oeuvre van Luc Peire

 
 
De kunstenaar Luc Peire had bij testament de Stichting Jenny en Luc Peire opgericht om zijn oeuvre aan een ruimer publiek kenbaar te maken.  In juli jongstleden opende de Stichting in Knokke een nieuwbouw die een waardevolle aanbreng betekent voor de culturele rijkdom van het Vlaamse patrimonium en die zopas werd bekroond met de vierjaarlijkse Architectuurprijs van de Provincie West-Vlaanderen.
 
 

Zuivere beelding

 
Na zijn kunstopleiding in verschillende Vlaamse steden, was het door zijn contact met Constant Permeke dat Luc Peire (1916-­1994) vrij vlug zijn academische schilder­wijze verliet om te evolueren naar een expressionistische, vrije manier van schil­deren. Zijn 'vrijheid' heeft Luc Peire door­heen zijn hele oeuvre verworven door de persoonlijke verwerking van talloze artis­tieke ervaringen en contacten, die in hun verloop kunnen samengevat worden als een steeds verder stileren en schematiseren van de menselijke figuur. Dit zal uitlopen op een zuivere beelding die van elke anekdotiek is ontdaan . 
 
Enkele markante momenten uit zijn evolutie. Een studiereis naar Italië, waar hij gefasci­neerd wordt door het oeuvre van Giotto en Piero della Francesca, reveleert hem de structurele opbouw van het beeldvlak en de ruimteweergave op basis van kleurdifferen­tiaties. Na een reis naar Belgisch Kongo (1952) reduceert Peire de individuele mense­lijke figuur geleidelijk aan tot essentiële wezenskenmerken. De ruimtewerking wordt 
gesuggereerd door brede, naast elkaar geplaatste, coulissevormige kleurvlakken. 
 
Het abstraheringsproces gaat door en zal na een lange evolutie en een integratie van talrijke invloeden, opgedaan tijdens zijn talloze reizen, leiden naar een radikale abstrahering. In dit stadium blijven de line­aire, vertikale ritmiek en de luminositeits­wisselingen van de kleur de essentiële bestand- dlten die de beeldvorm ing van de schilderijen uitmaken. 
 
Dit moment van vertikale abstractie behoort tot het beste van wat de abstracte schilder­kunst in Vlaanderen heeft gerealiseerd. Het betekent bovendien een biezonder moment in de geometrische abstractie in de alge­meen. 
 
Luc Peire's werken zijn nooit een koude structurering van platte velden. Zijn abstract vertikalisme staat steeds in relatie tot zijn ervaringswereld. Hij weet stemmingen, gevoelens en indrukken over te brengen. Zijn doeken zijn lyrische verwoordingen tegenover de buitenwereld. Deze verwoor- dingen steunen enerzijds op de animatie en de poëzie van de gekozen lineaire ritmiek waardoor stabiliteit en energie worden vertaald, anderzijds op het spel van de onderliggende tonaliteiten van kleur waarmee ruimte en gevoelswerelden worden gesuggereerd. 
 
Het bewegend opdelen van het beeldvlak heeft geleid tot wat de kunstenaar 'graphies' heeft genoemd. Dit zijn zwart-witte composi­ties, waarbij formica als drager werd aange­wend. Luc Peire bracht daar scherpe, insnij­dende, harmonisch evoluerende lijnen op aan. Door de tegenstelling met de witte oplichtende achtergrond, die de illusie van diepte suggereert, krijgen deze lijnen een vibrerende, optische werking. Het hoogte­punt van het oeuvre van Luc Peire zijn de Environments. De toeschouwer treedt binnen in een gesloten ruimte die volledig met spiegels is afgezet. De vertikaal aange­brachte ritmiek wordt gereflecteerd tot in het oneindige waardoor een wonderbaar­lijke grenzeloze ruimte ontstaat. 
 
 

Dynamische ruimte en oase van rust

 
In samenspraak met de Stichting Jenny en Luc Peire werd aan de jonge architecten Peter De Bruycker en Inge De Broek een architecturaal concept uitgewerkt waar­binnen zowel het atelier van de kunstenaar als een productie van ongeveer tweehon­derd schilderijen en graphies konden bewaard en gepresenteerd worden. Het project legt een band tussen het atelier van de kunstenaar en een nieuwbouw die de infrastructuur aan- biedt waarbinnen het publiek kennis kan nemen met het oeuvre van de kunstenaar. 
 
De nieuwbouw opent met een inkomsthal die door zijn sterke vertikaliteit, zijn licht­bundeling en zijn dynamische ruimtewerking het centrale tema van het oeuvre van luc Peire evoceert. Daarachter opent een expositieruimte die over zijn volledige breedte een zicht toont op de binnentuin. Op de drie gesloten wanden kunnen in wisselende tentoonstellingen werken van Luc Peire worden getoond. 
 
Deze werken worden bewaard op de eerste verdieping. Ze zijn gestapeld in uitschuif­bare coulissen en kunnen tegen de overlig­gende wand worden opgehangen. De tuin bereikt men langs een smalle gang. Deze loopt over de volledige diepte van de nieuw­bouw en kan als bijkomende expositie­ruimte worden aangewend om kleiner picturaal of grafisch werk van de kunstenaar te tonen. Een smal kronkelend pad loopt doorheen de tuin. In een oase van rust staat een denneboom, terwijl een watervlak voor reflectie zorgt. Zo komt men in het atelier van de kunstenaar dat zorgvuldig werd gerestaureerd.  Ondanks zijn talrijke reizen en tientallen artistieke locaties over drie continenten bleef dit atelier voor Luc Peire steeds zijn plaats van verankering.
 
Dit totaalconcept is een merkwaardige realisatie.  De soberheid van het opzet, de helderheid van de uitgewerkte ruimten, het gebruik van zenitaal licht dat gemengd wordt met kunstlicht, het gevoel van rust dat uitgaat van de integrale witte ruimtebehan­deling, de afwezigheid van elke anekdotiek , de verfijning van alle details en de rijkdom van de aangewende materialen, het zijn evenzovele analogieën met het van Luc Peire.  De Stichting Luc Peire is dan ook een oord waar het geheugen van de kunstenaar de kans heeft gekregen om zich in de tijd verder te zetten.
 
 

Florent Minne

 


Dirk Vander Eecken : het schone beeld overstijgen

 
 
De tentoonstelling vorig jaar van Dirk Vander Eecken (°1954) in Centrum Elzenveld te Antwerpen is een geschikte aanleiding om de evolutie in het werk van deze kunstenaar aan een groter publiek voor te stellen.  De ruimten van het in de kunstwereld wat miskende Elzenveld zijn bijzonder geschikt om kunst te tonen en deden het werk van Dirk dan ook alle recht.
 
 

Versmelten en venieuwen

 
Dirk Vander Eecken is van oorsprong een graficus en ik heb hem dan ook op het einde van de jaren tachtig binnen die context leren kennen en waarderen.  Zijn werken vielen op door hun grote, vertikale formaten, door hun krachtige compositie en monumentaliteit.  Toch bleven het gevoelige werken, getuigend van een zeldzame intensiteit.
 
In de catalogus van zijn solotentoonstelling in de Gele Zaal te Gent in september 1990 schreef ikzelf nog : " Het is duidelijk dat de houtsnede het favoriete uitdrukkingsmiddel is van Vander Eecken.  Het is zowel in zijn ouder als in zijn jonger werk te bemerken.  Het métier blijft ondergeschikt aan het idee maar het is métier, het wordt met zichtbaar genot beoefend en beheerst."
 
Deze kunstenaar is van niet te onderschatten belang geweest voor de vernieuwing binnen de Vlaamse grafiek en hij ligt mee aan de basis van de versmelding van diverse disciplines.  Het is nogal evident dat niet de discipline het uitgangspunt vormt maar wel het resultaat dat men wil bereiken.  Het is een eenvoudig principe waar toch nogal wat mensen het moeilijk mee schijnen te hebben.
 
Dirk gebrukit in zijn werk meerdere disciplines en dit kwam heel duidelijk tot uiting in de tentoonstelling die hij hield bij Geo Gyselinck in Kortrijk in het voorjaar 1990.  Hier werden vooral doeken getoond, hij noemt ze "schilderijen" en zegt er ter verduidelijking bij dat dit staat voor "houtsneden op doek in samengaan met schilder- en tekengestes".  Deze combinatie tussen grafiek en schilderkunst is erg boeiend en opent nieuwe perspectieven voor de kunstenaar.
 
Op de doeken gebruikt hij traditionele hout­blokken die nogal eens in repetitie worden afgedrukt, in superpositie of in antipode geplaatst. Het zijn eenvoudige en wat naïeve sjablonen voor herkenbare vormen en dingen. Ze worden gereduceerd tot geome­trische gegevens of organische vormen en er ontwikkelt zich een interessante dialoog tussen de vezelstructuur van het houtblok en de rasterstructuur van het doek. 
 
"Stilaan hebben de vormen en de disci­plines en technieken zich vermengd in een plastisch geheel dat een imponerende eenheid vormt. Het is pas op het tweede gezicht dat de beschouwer zich buigt over de diverse elementen die voor het tot stand komen van het werk hebben gezorgd. Wellicht is het omdat het werk op een enigs­zins impulsieve maar daarom niet minder doordachte manier van werken is ontstaan." (cat. 1993)
 
 

Het land van Watervliet

 
Op een bepaald moment huurde Dirk Vander Eecken een huisje in Watervliet, helemaal weg van de stadsdrukte in Borgerhout waar hij toen woonde. Vanuit zijn nieuwe atelier heeft hij een overweldigend zicht op het vlakke landschap met de kreken en polders. Anderzijds is er ook de eenzaamheid, weg van vrienden en familie, met slechts zeld­zaam bezoek. Twee keer stelt hij het werk dat hij daar maakt tentoon in de Galerie William Wauters, een galerie die hem zowat om de twee jaar aan het publiek presen­teert. 
 
Watervliet laat zijn sporen na. Hij vertrekt van grote gedigitaliseerde foto's vanuit zijn atelier gemaakt, hij verkent in zijn werk weerom nieuwe mogelijkheden en wordt gefascineerd door het beeld van het omge­ploegde land. Hij drukt en hij schildert, hij reflecteert en tracht de complexe werkelijk­heid in één beeld te vatten. Het abstracte en het figuratieve overlappen mekaar zoals dat al eerder het geval was. Sommige beelden zijn duidelijk herkenbaar, andere geven slechts een raster weer, het raster zoals van de geploegde voren in het hem omringende land. 
 
 

Graham Sulherland en rasters

 
De tentoonstelling in Centrum Elzenveld toont werk dat voornamelijk in zijn atelier in Antwerpen is ontstaan. Kenmerkend is ook ­hier het rasterpatroon. Op mijn vraag waar dat raster eigenlijk vandaan komt, vertelt Dirk Vander Eecken over wijn periode in het Hoger Instituut (1982-1983).  Hij kwam toen nogal onder de indruk van de tekeningen en aquarellen van de Britse kunstenaar Graham Sutherland. Sutherland had die voorzien van rasters om ze nadien te kunnen vergroten, maar dat gaf ook een picturale meerwaarde aan die werken. Dirk was toen al geïnteresseerd in de architectuur van het organische landschap en die ontdekking bij Sutherland inspireerde hem om dezelfde oefening te doen. Hij ging toen ook tekenen in de zoo waar de vogelkooien al zorgden voor een 'natuurlijke' raster. Het raster kwam ook al voor in het vroege werk dat te zien was in de Gele Zaal en was impliciet en soms ook expliciet aanwezig in zijn Watervliet-cyclus. 
 
ln zijn jongste werken wordt met de vrije hand eerst een raster getrokken dat daarna wordt bewerkt. Het gaat dus om een omge­keerde beweging. Het raster wordt niet aangebracht op het werk maar het werk op het raster dat mee essentieel onderdeel is van dat werk. 
 
De wand met een reeks van 15 werken is bijzonder indrukwekkend. Ze geven immers een boeiend relaas van de démarches van de kunstenaar en vormen op zich ook al een raster. Toen ik die werken zag moest ik spon­taan aan Mondriaan denken, wat later blijkt bij een gesprek met de kunstenaar dat hij bijzonder geïmpressioneerd was door de Mondriaan-retrospectieve in New York. Opvallend is ook een 'doek' met gaatjespa­troon, het gaat eigenlijk om een paneel in geperforeerd, geperst karton. Hier is het raster reeds gegeven en streng geometrisch. Het lijkt mij een zoektocht naar de over­meestering van de ruimte, een bezwerend gebaar. Het betekenen van de ruimte, letter­lijk en figuurlijk. 
 
Een van de doeken is ogenschijnlijk zonder enig raster, het toont een warm roodbruin vlak, het is een doek waarin je je kan verliezen zoals in die sculpturen van Anish Kapoor, het is een doek dat je verzwelgt. Andere werken leggen meer de nadruk op de oppervlakte en op de drager zelf. 
 
De meest recente werken zijn gemaakt voor de tentoonstellingsruimte, ze waren oorspronkelijk bedoeld om rechtstreeks op de muur te worden aangebracht maar er was hier enig verzet van de handwerklui van het centrum die het niet zagen zitten om de muur nadien opnieuw te moeten herschil­deren. Er is nu op grote bladen tekenpapier gewerkt, waarop kleurenvlakken zijn aange­bracht, netjes binnen het raster maar met enkele uitschieters op de wand. Die uitschieters en de meeste vlakken op het papier zijn aangebracht met verwijderbare tape in felgroen en zwart. Het is op het eerste gezicht verrassend dat Dirk hier van dit soort materiaal gebruik maakt, iets zo onpersoonlijks, zo triviaals als plakband.
 
Op het tweede gezicht is het dat natuurlijk helemaal niet, het is een middel als een ander om datgene te vertellen dat je te vertellen hebt. "Ik wil het schone beeld over­stijgen," zei hij me ooit tijdens een atelierbezoek in 1993. Hij is daar nog steeds mee bezig, wat niet betekent dat de beelden die hij schept, hoe abstract ze ook mogen zijn, niet schoon kunnen zijn. 

 

Daan Rau

 


P.P. RUBENS HERONTDEKT

 

Het Rubenshuis brengt zowat negentig werken samen die voor de eerste keer uit buitenlandse verzamelingen eindelijk - zij het tijdelijk - terug naar huis keren.

 

Een huis vol kunst. Rubens als verzamelaar. 

 
Om het jaar 2004 te markeren brengt het Paleis voor Schone Kunsten in Rijsel hulde aan Pieter Paul Rubens. Rubens, 'uomo universale', genie van de Westerse schilder­kunst brengt Rijsel in de schijnwerpers vanhet culturele landschap. Maar de titel 'stad van Rubens' komt rechtmatig toe aan Antwerpen. Hier heeft de schilder immers het grootste deel van zijn leven doorge­bracht.  In deze context organiseert Antwerpen -elf jaar na haar benoeming tot Culturele Hoofdstad van Europa -meerdere tentoonstellingen en presentaties. De rol die de meester van de Vlaamse Barok speelde als schilder en diplomaat, graficus, ontwerper, leermeester en inspirator maakt dat Antwerpen nog steeds baadt in het licht van zijn genie. Het Antwerpse luik opent echter in de eigen woning aan de Wapper met een tentoonstelling die ons Rubens leert kennen als verwoed verzamelaar. 
 
Reeds vanaf de 16de eeuw legden meerdere humanisten, kunstenaars en vooraan­staande staatslieden uit onze gewesten verzamelingen van antieke oudheden en eigentijdse meesters aan. Goltzius somt er in 1610 alleen al voor het huidige grondge­bied België honderdveertien op, onder meer: Abraham Ortelius, Nicolaas Rockox, Lambert Lombard, Charles de Croÿ, Cornelis Van der Geest en Rubens. Deze kabinetten, opgesteld in 'Constkamers' getuigden van geletterdheid en geleerdheid in perfecte symbiose met kunstlievendheid en pracht. Rubens wist een van de omvangrijkste en fraaiste verzamelingen in Antwerpen uit te bouwen. De verscheidenheid aan genres in zijn collectie Vlaamse en Italiaanse mees­ters in de schilderkunst was haast onverge­lijkbaar en de waaier van objecten uit de antieke oudheid en de Italiaanse Renaissance adembenemend. 
 
Tijdens zijn jeugd verbleef Rubens acht jaar in Italië, tussen 1600 en 1608. Hij kopieerde er verschillende Renaissancewerken naast tal van antieke beelden, sarcofagen, kleine bronzen beeldjes, gesneden munten en cameeën. Rubens had een gedegen klassiek onderwijs genoten en werkte nauw samen met zijn broer Philip, erudiet en filoloog, leerling van de vermaarde Justus Lipsius.
 
Deze laatste werd gedreven door een grote verantwoordelijkheidszin ten opzichte van de samenleving en baseerde zijn neo-stoï­cijnse filosofie op een grondige studie van de oudheid. Zijn werk oefende een beslis­sende invloed uit op Rubens. Albert, de oudste zoon van Rubens, zal later een kenner van antieke gemmen en munten worden en als antiquarius een studie van de 'gemmae Augustea' publiceren, geïllus­treerd door Rubens zelf. Via zijn zoon verza­melde ook Rubens een belangrijke collectie antieke cameeën die later als inspiratiebron dienden voor bepaalde compositieschema's en iconografische thema's in zijn schilder­kunst.
 
Tijdens zijn verblijf aan de hertoglijke hoven van Mantua en Genua wordt de schilder­kunst van Rubens gevormd en geschoold door de grote Italiaanse voorbeelden. En dit naar vorm, factuur en geest.  Van Titiaan erft hij de vernieuwende creatieve gelaagdheid van betekenissen in een leesbare compo­sitie en de zin voor psychologische berede­nering van profane en mythologische voor­stellingen zoals het zelfportret van Titiaan in zijn eigen collectie getuigt. Bij Tintoretto bewondert Rubens de gedrevenheid en de dynamiek, de dramatiek van zijn schilder­kunst; bij Caravaggio de zintuiglijkheid en de doorgedreven licht-donker schakeringen en bij Veronese de rijke wisselingvan kleur­schakeringen, de kracht van de speling van het licht in de verftextuur en de tactiele pracht in het afbeelden van stoffen (zijde, damast, fluweel en brokaat) en velerlei materialen (koper, zilver, goud en brons). 
 
Het spreekt dan ook vanzelf dat deze Italiaanse meesters niet ontbraken in zijn collectie. Maar ook zijn voorgangers die de Vlaamse school bekendheid gaven zoals Quinten Metsijs, Antoniszoon Mor, en tijd­genoten zoals Jan Breughel en Adam Elsheimer of door hem gevormde leerlingen (Snyders, Van Dyck) ontbreken niet binnen de muren van zijn herenhuis aan de Wapper. Deze verzameling was een onmiddellijk beschikbare catalogus aan ideeën en motieven voor Rubens én zijn medewerkers. En ze had bovendien een economisch nut: hij kocht en verkocht.
 
Rubens' collectie, de concrete uiting van zijn prachtlievendheid en geletterdheid, is niet meer volledig te reconstrueren. Het was immers een verzameling in beweging. 
 
Publicaties, zoals het testament en de inboedelinventaris opgemaakt bij zijn dood in 1640 alsook zijn correspondentie met de Franse geleerde en antiquair Nicholas Fabri de Peiresc getuigen van zijn kennis van archeologiae en zijn appreciatie voor tijdge­noten en geestesgenoten in de kunst en wetenschap. Het Rubenshuis brengt zowat negentig werken tesamen die voor de eerste keer uit buitenlandse verzamelingen einde­lijk-zij het tijdelijk-terug naar huis keren. 
 
Een mooier hulde aan deze grootmeester kunnen wij ons niet indenken. En dat de geest van Rubens als een verfrissende wind weer door de vertrekken van het Rubenshuis mag waaien ... 
 
 

Hubert Marcelis

 


RUBENS - Rubens herleiden tot zijn essentie

 
 
Openbaar kunstbezit in Vlaanderen sprak met Hans Devisscher, samensteller van "Rubens (1577-1640)", de grote tentoonstelling die vanaf maart loopt in heet Palais des Beaux-Arts in Rijsel.
 
 
Na Antwerpen 93, toen de metropool aan de Schelde Culturele Hoofdstad van Europa was, groeide het idee bij het stadsbestuur om regelmatig uit te pakken met grote retrospectieven rond belangrijke Antwerpse schilders. Zo ontstond een zesjarige cyclus met Jacob jordaens in 1993, Antoon Van Dijck in 1999 en voorzagen de citymarketeers een grandioze Rubenstentoonstelling in 2005. De plannen van Rijsel om tijdens hun Cultureel Hoofdstadjaar uit te pakken met een grote Rubensretrospectieve doorkruisten dit schema. Eén van de grote Rubenskenners achter de schermen is de kunsthistoricus Hans Devisscher. Trouwe lezers herkennen ongetwijfeld zijn naam Een unieke opdracht omdat hij sinds vele jaren de corrector is van tientallen OKV-afleveringen. Aan de vooravond van Rubens 2004 hadden wij een gesprek met de samenstellervan de Rubenstentoonstelling in Rijsel en auteur van de volgende OKV-aflevering.
 

 

Een unieke opdracht

 

Hoe ben je bij het Rubensproject betrokken geraakt? 

Ik werkte zo'n acht jaar in het Rubenianum (het Antwerpse studiecentrum rond Rubens, pw) op een onderzoeksproject van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.Tijdens die periode doctoreerde ik op het thema 'De Aanbidding van de herders en de koningen bij Rubens'. Dat was nog niet behandeld in het grote Corpus Rubenianum. Maar na acht jaar hielden de beurzen op en diende ik ander werk te zoeken. Zo begon ik als zelfstandig eindredacteur bij Antwerpen 93 waar ik meewerkte aan de catalogi van de kunsthistorische tentoonstellingen. Van de ene opdracht kwam de andere en nu werk ik al méér dan tien jaar als zelfstandig redacteur.  

 

Hoe kwam het museum van Rijsel dan bij jou terecht? 

Je laat je onderwerp natuurlijk nooit los. Van in het begin planden de organisatoren van Rijsel Culturele Hoofdstad een grote Rubensretrospectieve. Omdat ze zelf niemand in huis hadden om dit te organiseren, kwamen ze raad vragen in het Rubenianum en het Koninklijk Museum in Antwerpen. Zo kwamen ze uiteindelijk bij mij terecht. 

 

Bij iemand die hiermee eigenlijk geen grote ervaring had. Wat was je eerste reactie? 

Wow, zo'n kans krijg je natuu rlijk maar één keer in je leven. Tegelijkertijd rijst er ook twijfel. Zal het wel lukken? Kan je vandaag nog wel een belangrijk ensemble Rubenswerken samen krijgen? Uiteindelijk maak ik de tentoonstelling samen met Hans Vlieghe, die ook voor het Rubenianum werkt. 

 

 

Italië en terug naar Antwerpen

 

Wat is het opzet, het concept van deze tentoonstelling?

Rijsel wou een tentoonstelling maken met als titel Rubens Universel. Een grote klassieke overzichtstentoonstelling waarbij het volledige kunstenaarschap van de Antwerpse schilder aan bod komt, dus ook zijn tekeningen en zijn architecturale ontwerpen. De tentoonstelling bevat vijf delen. Het eerste deel toont zijn jeugdwerk vóór 16oo en zijn Italiaanse periode tot 1608. Rubens als jong talent met vroege tekeningen naar de antieken, zoals de torso uit het Belvedère en h et schilderij Adam en Eva.

 

Wanneer Rubens in Italië kwam, kon hij vrijwel onmiddellijk beginnen werken aan het hof van de hertog van Mantua, wat bewijst hoe de Italianen al snel Rubens' kwaliteiten waardeerden en ongetwijfeld ook hoe al heel vroeg zijn 'public relations' verzorgde. Uit die periode zien we fragmenten van de schilderijen voor het hoogkoorvan de jezuïetenkerk in Mantua. Maar Rubens reisde ook rond en belandde zo in Spanje waar hij het machtige ruiterportret van de hertog van Lerma schilderde. In Italië verbleef Rubens lange tijd in Rome waar hij bij zijn oudere broer Filips woonde, een geliefd leerling van J ustus Lipsius en bibliothecaris van kardinaal Ascanio Colon na. Samen bestudeerden ze de Romeinse Oudheden en mogelijk mede dankzij de contacten van zijn broer verkreeg hij in Rome in 1606 één van zijn belangrijkste opdrachten: het schilderen van het hoofdaltaar van de kerk Santa Maria in Vallicella. "De schoonste en prachtigste gelegenheid in Rome die mij ooit te beurt viel," schreef Rubens hierover zelf. 

 

 

Is de tentoonstelling chronologisch opgebouwd?  

Niet volledig, het tweede deel toont de werken van Rubens wanneer hij terug in Antwerpen is en zijn relaties met de burgerij

 

Waarom keerde Rubens terug? 

Er is natuurlijk het verhaal van zijn moeder die op sterven lag, maar bovendien waren Rubens' relaties met de hertog wat verzuurd, onder meer omdat betaling van zijn maandgeld steeds langer uitbleef. 

 

Bovendien was het politieke en artistieke klimaat in de Nederlanden en vooral dan in Antwerpen duidelijk verbeterd. Het Twaalfjarig Bestand bracht een periode van rust en economische welstand. En na de Beeldenstorm en de heroveringvan Antwerpen door Farnese ontsond een behoefte aan nieuwe bestellingen voor de kerken. Het is juist dankzij de burgerij en de vele relaties van Rubens dat hij bij zijn terugkeer onmiddellijk een reeks prestigieuze opdrachten kreeg, waaronder één van de stad zelf: De Aanbidding der Wijzen, geschilderd voor het stadhuis en nu te bewonderen in het Prado in Madrid. De opdracht voor de beroemde Kruisoprichting kreeg hij via Cornelius Van der Gheest, geschilderd voor het hoogaltaar van de Sint-Walburgiskerk en de Kruisafneming voor de Kolveniersgilde via Nicolaas Rockox, burgemeestervan Antwerpen. 

 

 

Rubens en de vorstelijke opdrachten 

 
Terug in Antwerpen trad Rubens rond 1609 in dienst van de Aartshertog Albert en de Infante Isabelle, maar hij hoefde niet bij hen te resideren en mocht ook voor andere vorsten werken? 
 
Het was inderdaad uitermate uitzonderlijk en het bewijst nog eens de status die Rubens genoot en de vele privileges die hij her en der kon afdwingen. Hij werd belast met verschillende politieke missies na het verstrijken van het Twaalfjarig Bestand, waardoor hij bij andere koningen kwam en daar hun uitzonderlijke kunstverzamelingen ontdekte. Bij Filips IV in Spanje bijvoorbeeld bewonderde hij het oeuvre van Titiaan wat ongetwijfeld een belangrijke invloed op zijn eigen werk had. De kleurenpracht van Titiaan en de vlotte borstelstreken vinden we nadien terug in zijn schilderijen. 
 
 
Ook voor het Franse Hof gaat hij werken. Voor Maria De Medici maakt hij niet minder dan vijfentwintig doeken waarin hij het leven van de opdrachtgeefster, de koniging­moeder van Frankrijk laat begeleiden door allegorische godenfiguren en helden. Op de tentoonstelling zien we enkele schetsen ter voorbereiding van deze schilderijen. Zijn diplomatieke missies resulteerden uiteindelijk in een poging om vrede te brengen tussen Engeland en Spanje. Voor Karel I van Engeland schilderde hij Oorlog en Vrede waarin de weldaden van de vrede allego­risch worden uitgebeeld en maakt een duidelijke zinspeling op de vrede die Rubens mee bewerkstelligd had. Dezelfde koning Karel was zo tevreden dat hij Rubens een enorme decoratie-opdracht meegaf, de grote plafondschilderingen op doek voor de Banqueting Hous in het Paleis Whitehall in Londen. Maar hij werkte ook voor de Spaanse koning, zoals de reeks van zestig mythologische taferelen die hij diende te maken voor het jachtslot van Torre de la Parade van de Spaanse koning. Het was de grootste opdracht die hij ooit kreeg en hier­voor schakelde hij zijn atelier in. 
 
 
Komen de religieuze werken ook aan bod op deze tentoonstelling?
 
Absoluut, het is het vierde deel van de expo­sitie. We tonen niet alleen de werken die werkelijk besteld waren door kerken, kloos­ters en religieuze orden, maar we illustreren ook dat Rubens soms daadwerkelijk mee ornamenten en de architectuurvan kerken hielp ontwerpen. Voor de nieuwe jezuïeten­kerk in Antwerpen maakte hij negenendertig plafondstukken maar tekende hij ook orna­menten van de gevel. We leggen ook een verband met de vele religieuze opdrachten die hij uitvoerde in het huidige Noord-Frankrijk: altaarstukken voor de kerken en kathedralen van Arras, Cambrai en van Rijsel zelf. 
 
 

Herontdekken of nooit weggeweest?

 
Die werken waren vermoedelijk makkelijker te krijgen dan sommige anderen ? Hoe begin je eigelijk aan zo'n tentoonstelling?
 
Je volgt de structuur van de tentoonstelling en je zoekt telkens één of meerdere schilde­rijen die de een of andere periode illus­treren. je krijgt dan een lange verlanglijst met werken waarvan je hoopt dat je ze zult krijgen. De musea in Frankrijk waren natuur­lijk wat toeschietelijker dan die aan de andere kant van de wereld, maar toch hebben alle grote musea of alle musea met een belangrijk Rubensensemble werken in bruikleen gegeven. 
 
 
Welke werken konden onverwacht toch naar Rijsel komen? 
 
Ongetwijfeld het schilderij Oorlog en Vrede uit Londen, maar ook twee schitterende portretten uit een Engelse privé-verzame­ling. Rubens schilderde die in Genua en ze hadden evengoed in bruikleen gegeven kunnen worden aan Genua, dat in 2004 de titel Culturele Hoofdstad van Europa deelt met Rijsel en trouwens ook Rubens in de schijnwerpers plaatst. Uit The Philadelphia Museum of Art komt dan weer de Straf van Prometheus, een schilderij dat hij samen schilderde met Frans Snyders. In het laatste deel van de tentoonstelling hangen er niet minder dan negen wandtapijten, vaak samen met hun respectievelijke ontwerp­schetsen. 
 
 
In welke mate verschiltdeze tentoonstelling van die van 1977? 
 
Die was volledig chronologisch opgevat, terwijl wij ook verschillende clusters hebben rond thema's en genres. Er was toen ook meer mogelijk. Het was de vierhonderdste verjaardagvan Rubens geboorte in Antwerpen. Heel wat musea hebben toen uitzonderlijk werken uitgeleend. 
 
 
Maar men moet al een stukje in de veertig zijn om je er nog veel van te herinneren. Vele jongeren hebben het nooit meegemaakt? 
 
Ja, elke generatie heeft natuurlijk recht op een Rubenstentoonstelling. Maar de aanpak en de kunstgeschiedenis evolueert ook. Aanvankelijk was kunstgeschiedenis vooral onderzoek van de bronnen, van archiefstukken om zo te proberen een verband te leggen tussen kunstwerken en kunstenaars. Nadien evolueerde de kunstgeschiedenis naar een geschiedenis van stijlen. Wie heeft wie beïnvloed, wat is waaruit voortgekomen enz. Nu proberen we de werken van Rubens meer in een context te zien: zijn tijd, zijn relatie met de opdrachtgevers, de typische beeldtaal van de Contrareformatie. We stellen ons onder meer de vraag hoe is kunst de vertaling van de opvatting van zijn tijd? 
 
Ook het technisch wetenschappelijk onderzoek krijgt meer en meer zijn plaats in de kunstgeschiedenis en ook in de Rubensvorsing. 
 
 
Moeten we Rubens herontdekken? 
 
Ja en neen. Om het even welk museum met werken van Rubens beschouwt die als behorend tot zijn topstukken. Hij wordt overal gewaardeerd als een van de grootste schilders ooit. Maar anderzijds klopt het natuurlijk wel dat er kunstwerken permanent aanwezig zijn in Antwerpen waar wij allang niet meer bij stilstaan. Dergelijke evenementen zijn een goede aanleiding om dat extra in de verf te zetten. Maar Rubens blijft een moeilijk kunstenaar. Zijn werken zijn n iet alleen fantastisch geschilderd maar ze zitten ook intellectueel goed in elkaar. 
 
 
Is er geen teloorgang van die parate iconografische kennis? Wie kent nog al die mythologische figuren en begrijpt de vele toespelingen en allegorieën? 
 
In 1977 zullen er ongetwijfeld meer mensen de werken hebben kunnen 'lezen', maar er is ook het esthetische aspect waarvoor je niet noodzakelijk alles tot in de puntjes moet begrijpen. 
 
 
Wat bewondert u het meest in de figuur van Rubens? 
 
Vooreerst is hij natuurlijk een fantastisch kunstenaar die een perfecte synthese heeft kunnen maken tussen de Vlaamse traditie, de invloed uit Italië en de erfenis van de Antieken. Verder moet het iemand geweest zijn met een enorm netwerk aan relaties die hij voortdurend voor zich inschakelde. Daarnaast was hij uiterst erudiet en diplomatisch. Zijn korte opleiding tot page zal hier ook wel voor iets tussen gezeten hebben.  
 
 
Weten we iets over zijn karakter? 
 
Er zijn weinig zeer persoonlijke brieven bewaard. Vorsers in de negentiende eeuw durfden enorm veel romantiseren alsof Rubens een soort bovenaards genie was. 
 
 
Er bestaan toch getuigenissen dat hij én een briefdicteerde en schetste en tegelijkertijd een gesprek voerde met zijn gasten. 
 
Dat klopt, maar wat is daar van waar en wat niet? Het grote verschil met vroeger is dat we nu die hele periode en de kunstenaar Rubens veel nuchterder bekijken. We proberen Rubens te herleiden tot zijn essentie, zonder al teveel ballast.
 
 
Peter Wouters
 

Hoe schilderkunst en fotografie elkaar hebben beïnvloed 

 
 
In de rand van de grote retrospectieve tentoonstelling Fernand Khnopff in het Museum voor Oude Kunst te Brussel realiseert het Paleis voor Schone Kunsten een merkwaardige opzet onder de titel : "Rond het symbolisme.  Forografie en schilderkunst in de negentiende eeuw."
 
 

Geheugenmomenten op papier

 
Het is reeds uitvoerig getoond en beschreven hoe Fernand Khnopff (1858-­1921) voor het realiseren van enkele van zijn merkwaardige symbolistische schilderijen een beroep deed op fotografisch materiaal. Memoiries van 1889 is wellicht het werk waarin de inspirerende waarde die door de kunstenaar aan de fotografie werd toege­kend het sterkst naar voren komt. Op basis van een zevental poses die Khnopff van zijn zuster Marguerite ensceneerde en op de gevoelige plaat vastlegde, konstrueerde hij een totaalbeeld, waarin de verschillende houdingen van het model door de gescha­keerde lichtinvallen tot een grote compositie werden verenigd. 
 
De kleurwisselingen van wit, geel, bruin over groen en zwart bonden de momentopnamen tot een nieuw picturaal geheel. 
 
De foto was voor Khnopff en voorveel van zijn tijdgenoten schilders een geheugenmo­ment, dat op papier werd vastgelegd. Het urenlange poseren werd vervangen door fotografische opnamen. Deze basisdocu­menten ondergingen vervolgens verande­ringen zoals herinneringen pas levend worden wanneer ze terug in het geheugen hun plaats krijgen en geconfronteerd worden met de verbeelding van de kunste­naar. De fotografie was dus de sluis tussen model en uiteindelijk kunstwerk. 
 
De relatie schilderkunst -  fotografie was niet nieuw. De fotograaf ]acques-Antoine Moulin maakte fotografische naaktstudies van vrou­welijke modellen. Deze 'studies naar natuur' die de leerlingen van de academie gebruik­ten, werden in 1851 door het assisenhofvan de Seine als pornografisch bestempeld. De auteur werd veroordeeld. Het jaar daarop schonk hij deze foto's aan de keizerlijke bibliotheek onder de vermelding van 'Etudes photographiques'. Ook Eugène Delacroix realiseerde in 1855 naaktstudies op basis van foto's van Eugène Durieu. In zijn dagboek schrijft hij: "Ik bekijk met passie en zonder vermoeienis die foto's die gemaakt werden van naakte mannen, dit bewonde­renswaardige gedicht, dit menselijk lichaam, dat ik leer lezen ... " 
 
Er ontstaat een verbluffende binding tussen schilderkunst en fotografie met het gebruik van het glascliché. Fotografen hadden het procédé uitgewerkt waarbij ze het gevoelige papier in contact brachten met een ingestreken glazen plaat waar ze met een droge naald een tekening hadden op aangebracht. De schilder Corot zal dit procédé van glascliché aanwenden om er gravures mee te maken. Ook Courbet was gevoelig voor de fotografie. Zo schilderde hij in 1874, naar een foto van Adolphe Braun, het kasteel van Chillon in Zwitser­land. Zelfs de preraffaellist Rosssetti nodigde in zijn Londense residentie de fotograaf Parsons uit om zijn geliefkoosd model, Jane Burden Morris, te fotogra­feren. Later baseerde Rossetti zich op deze foto's voor tal van bekende werken als Droom (1868) en Pandora (1869).
 
 

Fotografie wordt kunst

 
De schilders gebruikten het nieuwe medium fotografie als een schetsboek voor hun doeken. Maar de fotografie op haar beurt kwam in de ban van de schilderkunst en wilde haar imiteren. Zo ziet met portret­foto's die in een studio werden gereali­seerd en de klassieke thema's als marines, landschappen en stillevens op een geschil­derde achtergrond aanwenden. Een ware revolutie zal ingezet worden wanneer, onder invloed van het symbolisme, de fotografie op haar beurt picturale effecten zal gebruiken. Omstreeks 1890 ontstaat de eerste internationale beweging van de geschiedenis van de fotografie: het 'picto­rialisme'. Wereldwijd onstaan organisaties, er wordt geëxposeerd en vergeleken. Prijzen worden uitgereikt en jury's worden samen­gesteld waaraan schilders zoals F. Khnopff, beeldhouwers en kunstcritici deelnemen. 
 
De fotografie had zich ontwikkeld tot een ware kunst. Door het gebruik van allerhande ontwikkelingstechnieken bereikte de foto­graaf een resultaat dat ver afstond van het oorspronkelijke negatief. Picturale effecten werden bekomen op basis van een spel van grijswaarden, schaduw-en lichtmodulaties en in enkele gevallen zelfs ophogingen met pastel en olieverf. Wazig-scherp, afgezwakte vormen en het gebruik van een raster dat de fotografen bij de impressionisten hadden gezien om de werkelijkheid te bekijken, waren de fotografie binnengedrongen. Het onderwerp deed niets ter zake. Het weze architectuur, portretten, stillevens of naakten, de estetiek van de schilderkundige effecten had de fotografie omgevormd tot een kunstvorm die zich met de schilderkunst kon meten. De fotografie was een kunst geworden, op dezelfde lijn als de Schone Kunsten. 
 
Maar de Schone Kunsten op hun beurt beleefden een avant-garde. De droomwereld van het symbolisme en de poëtische aanbreng van het impressionisme werden geleidelijk aan verdrongen door de werkelijkheid van het modernisme. De schilder­kunst ging een nieuwe weg. Matisse, Braque en Picasso waren de nieuwe tenoren. 
 
De schilderkunst had nu niet meer de werke­lijkheid weer te geven. De weg was geopend voor het expressionisme, het kubisme en de abstrakte kunst. 
 
De tentoonstelling legt het accent op de kunst van de symbolisten en in het bijzonder van Khnopff en belicht de wonderjaren van de fotografie op een andere manier. 
 
 
Florent Minne
 

PRAKTISCH

'ROND HET SYMBOLISME. FOTOGRAFIE EN SCHILDERKUNST IN DE NEGENTIENDE EEUW' 

Van 27 februari tot 16 mei 2004 
Paleis voor Schone Kunsten 
Ravensteinstraat 23 
1000 BRUSSEL 
Open: van dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur, op donderdagvan 10 tot 21 uur
lnfo o2 507 84 44
www. bozar.be 
 

Kunstbezit openbaren 

 

REPORTAGE 

 
Ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen vierden vele honderden abonnees feest op 15 november 2003 in het Brusselse Jubelpark. De abonneedag begon met een Klara ontbijtuitzending, gevolgd door rondleidingen in het Legermuseum, rond het jubelpark en op de tentoonstellingen 'Vietnam' en 'Da Pompei a Roma'. Tijdens de abonneedag organiseerde OKV een academische zitting en een museumdebat. 
 
 

Terugblikken en vooruitkijken 

 

Jean-Pierre Van der Meiren, voorzitter van de Raad van Beheer van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, opende de academische zitting met een korte historiek en concludeerde: "Architectuur, het kunstambacht, kleinere en vergeten musea: alles kreeg en krijgt op een kwaliteitsvolle manier aandacht van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, dat een erfgoedtijdschrift is nog voor de term ingeburgerd geraakte. Wie de grote diversiteit van veertig jaar OKV bekijkt, kan alleen maar vaststellen dat de impact van de honderden afleveringen die generaties Vlamingen hebben gelezen onmeetbaar is."

 

Paul Van Grembergen, Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, jeugd en Ambtenarenzaken, hield een opgemerkte feestrede. Hij feliciteerde OKV, "een erfgoedpartner met een lange staat van dienst die een schitterende opdracht heeft vervuld." De minister benadrukte dat er de voorbije veertig jaar in het Vlaamse erfgoedlandschap heel wat ten goede is veranderd: beeldende kunsten zijn niet meer het privilege van een elite, musea zijn niet langer verlaten tempels, de overheid verfijnde de regelgeving en verhoogde de subsidies, er kwamen nieuwe organisaties die mee zorg dragen voor en nadenken over ons erfgoed, die het publiek er laten mee kennismaken. "Tussen al dat jong geweld heeft Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen een eigen plaats," zei Paul Van G rembergen. Hij nodigde OKV uit de discussie over die specifieke positie n iet uit de weg te gaan: "Kiest het tijdschrift het standpunt van bevoorrechte getuige en kritische stem in een veranderende wereld? Blijft de optie behouden een mooi uitgegeven publicatie aan te bieden temidden van de vluchtige kunst- en cultuurbijlagen van kranten? Dient Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen zich te concentreren op musea en tentoonstellingen of de focus te verruimen tot het brede erfgoed?"

 

 

Kunst is er voor iedereen 

 

Op de academische zitting stelde professor Willem Elias, hoogleraar aan de VUB en voorzitter van de Vakgroep Sociale en Culturele Agogiek, dat OKV de voorbije veertig jaar de boodschap heeft uitgedragen dat kunst begrijpbaar is, dat kunst er voor iedereen is. " Deze vanzelfsprekendheid heeft zijn gevaren," aldus Willem Elias. "OKV had een soort educatief middel kunnen zijn dat, zoals zo vaak gebeurt, het omgekeerde bewerkstelligt van wat het beoogt. Ik meen dat dit gevaar op pedanterie veertig jaar lang omzeild is geworden. Het 'openbare' van  OKV is niet zozeer dat ze kunstwerken effectieftoegankelijk maakt, maarvooral dat ze de boodschap uitzendt dat elk kunstwerk openbaar kan gemaakt worden

 

Men moet inderdaad deze boodschap van de museumdaken schreeuwen. Men kan in een gemeenschap nooit genoeg het belang van kunsteducatie benadrukken. Een kunstwerk is maar kunstwerk in de mate dat het begrijpend of aanvoelend geïnterpreteerd wordt. Hoe meer interpretatie, hoe meer kunst. De reconstructie, recreatie van het kunstwerk in de hoofden van de toeschouwers is even belangrijk als de creatie door de kunstenaar. 

 

Een educatie is een 'interesse', er tussen zijn, er iets mee te maken hebben, participeren. Het educatieve is niet gelegen in de kennisvergaring over objecten, al dan niet met het oog op het zich toe-eigenen van een cultuur die nodig is om bij een sociale groep te horen. Maar het zit wel in het overwinnen van de moeilijkheidsgraad om zicht het vreemde eigen te maken. Het openbare mag zich dan ook niet beperken tot het ontsluiten van verborgen kunstwerken, het moet ook het werk openen in de geest van de toeschouwer. Het kunstbezit moet niet alleen openbaar gemaakt worden, het moet geopenbaard worden." 

 

 

Musea morgen 

 

Nog op de abonneedag organiseerde Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen een debat over de toekomst van onze musea. Panelgasten waren: Sylvie Dhaene, directeur van het Gentse Huis van Alijn; Paul Huvenne, directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen; Patrik Lefevre, conservator-directeur van het Koninklijk Legermuseum, en Peter Van Mensch, docent Theoretische Museologie aan de Reinwardtacademie in Amsterdam. 
 
Joris Capenberghs, kunstwetenschapper, antropoloog en docent aan de Opleiding Cultuurmanagementvan de Universiteit Antwerpen, lanceerde het debat met stellingen zoals: musea zijn niet langer de stoffige, statische encyclopedieën die ze vroeger wel waren; de meeste traditionele musea bezitten heel veel objectgerichte maar weinig publiekgerichte kennis; musea zijn oorden van herinnering en verbeeldingspaleizen; objecten, relicten en kunstwerken spreken niet voor zich maar behoren interpretatie. Dat musea oorden van herinnering zijn, daar was iedereen rond de tafel het over eens. "Musea hebben als essentiële opdracht het erfgoed te bewaren voor het collectief geheugen," benadrukte Paul Huvenne. Maar focussen ze niet te veel op mediagenieke tijdelijke tentoonstellingen? Patrik Lefevre verklaarde ze vanuit de noodzaak extra middelen en aandacht te genereren. Sylvie Dhaene was duidelijk: " Musea zijn geen decors waar mensen moeten doorlopen om een tentoonstelling te bezoeken. Het is de hoogste tijd dat we daar tegen ingaan." "Het zal niet gemakkelijk zijn," sloot Paul Huvenne daar bij aan, "maar laat ons tentoonstellingen maken over onze permanente collecties, even mooi en fris als de tijdelijke evenementen." 
 
 
PeterVan Mensch kwam cru uit de hoek met de stelling dat een museum met tijdelijke tentoonstellingen een 'mislukt' museum is. "En dat geldt ook voor een museum met een educatieve dienst," voegde hij er aan toe. "Educatie moet geïntegreerd zijn in alle m useumactiviteiten." Dit ontlokte bij de Vlaamse panelleden de bemerking dat wetenschappelijk onderzoek over publiekswerking en communicatiespecialisten meer dan welkom zijn. "Geef ons de ruimte en de middelen," klonk het in koor. 
 
 
Mark Vanvaeck
 

KUNSTTOER Onderdompelen in het Zwarte Goud 

 

 
De steenkoolontginning in Limburg heeft grotendeels het gezicht van de provincie bepaald. Patrimonium, landschap, samenle­ving en cultuur: stuk voor stuk dragen ze onm iskenbaar de stempel van de mijn, ook nu nog, twaalf jaar na de sluiting van de laatste 'put'. De vroegere mijnstreek leeft nog volop. De dramatiek, mystiek en cultu· rele rijkdom van dit uniek stuk Vlaams erfgoed spreken tot de verbeelding. Wie wil, kan zich helemaal onderdompelen in "het Zwarte Goud". 
 

 

De imposante erfenis van de mijnwerker

 
Met dit boeiend arrangement beleeft u volop het rijke mij nverleden van Limburg. 'Cha rbonnages de Beeringen' is im mers de meest uitgebreide en authentieke mijnsite. In het Vlaams Mijnmuseum of via het Pad van de Mijnwerker ervaart u het harde 'labeur' van weleer. Ex-mijn­werkers zijn uw gidsen en vertellen uit eigen erva­ring. Tijdens uw zwerftocht door het mij nverleden puzzelt u alle facetten van het leven in en rond de mijn bij elkaar. U bezoekt de immense ind ustriële mijngebouwen, wandelt door de mijncité, beklimt de panoramische mijnterril en u heeft verrassende ontmoe­tingen in de kleurrijke smeltkroes van culturen. U proeft hun typisch 'vreemde' keuken en geniet van de prachtige moskee. 
 

 

In het spoor van de mijnwerker

 
Er zijn nog meer beleven isvolle arrange­menten die u van dichtbij laten kenni­smaken met de boeiende mijnerfenis en de multiculturele leefge meenschap van de mijncités. U kan bijvoorbeeld logeren in een voormalig logementshuis voor mijnwerkers in het hart van de cité Winters lag. Kiest u voor het Zebra-arrangement, dan gaat u per fiets ofte voet op cultuurpad door Heusden­Zolder. Zo springt u ook even een allochtoon verenigingslokaal of etnische handelszaak binnen voor een proevertje of een praatje .. 
 
 

Bovengrondse juweeltjes

 
De mijnen leven voort in de specifieke mijnarchitectuur, multiculturele samenle­ving en gastronom ie. Ook het landschap geeft u dat un ieke 'wauw'-gevoel. Nergens anders spelen industrieel erfgoed en natuur zo mooi op elkaar in. Ranke schachtbokken torenen als industriêle piramiden uit boven een woud van groen. 
 
U ontdekt ook een grote rijkdom aan religieuze gebouwen, die de 'gastarbei­ders' via hun cultuur meebrachten: Turkse en Marokkaanse mos­keeën, de Mijnkathe­draal vol flonkerende kris­tallen in Zwartberg, de Oekraïens-Katho­lieke kerk met een prachtige iconostase, de koepels van de Oekraïens-Orthodoxe kerk ... Enkele kan u met een gids bezoeken op 14 maart.
 
Vergeet ook niet binnen te lopen in het Museum van de Mijnwerkerswoning in de groene tuinwijk van de cité Eisden (Maasmechelen). Hier ziet u hoe de mijnwer­kers leefden buiten de mijn. Alsof u opnieuw naar de jaren '30 terugkeert.
 
 

Lus van het Zwarte Goud

 
Fietsers verkennen de Limburgse mijnstreek best via de Lus van het Zwarte Goud. Deze themaroute op het geroemde fietsroutenet­werk van Fietsparadijs Li mburg leidt u langs alle bezienswaard igheden van de Limburgse mijnstreek. Goed voor dagenlang fietsple­zier! Op 20 juni zet Limburg er zelfs een heel fietsevenement rond op. En op 12 september (Open Monumentendag) barst er de jaar­lijkse Mijnhappening los. Stuk voor stuk ideale gelegenheden om de Mijnstreek enkele dagen te ontdekken. 
 
Info en brochures: 
Toerisme Limburg 
Willekensmolenstraat 140, 
3500 Hasselt 
tel. 011 23 74 50 
fax 011 23 74 66 
 

Keuze van de redactie 

 

Actuele architectuur in West-Vlaanderen

 
De tentoonstelling is het resultaat van de vierjaarlijkse wedstrijd voor arch itectuur van de provincie West-Vlaanderen en toont aan de hand van grote kleurenfoto's, plannen en maquettes hoe in de provincie hedendaagse architectuur wordt bedreven. Het is een erg boeiende tentoonstelling die ook door niet-arch itecten kan worden geproefd en gesmaakt. Er wordt aandacht besteed aan zowel woningen als bedrijfsgebouwen. Buitenbeentje en ex­aequo-laureaat is de Kluis Peire in Knokke. Dit gebouw, een huis in de rij, en één van de geliefkoosde verblijfplaatsen van wijlen schilder Luc Peire, herbergt nu de stichting met zijn naam. Met veel respect voor bestaande elementen, als de wandelweg van het huis naar het atelier, is toch een zeer oorspron kelijke, archi­tecturale realisatie tot stand gekomen die niet enkel de jury kon bekoren maar zeker uitnodigt tot een plaatsbezoek.
 
Nog een huis in de rij in Assebroek (Brugge) is de andere laureaat. Een compacte woning met een erg eenvoudig plan dat het resultaat is van een intelligente en originele aanpak. De woning schrijft zich in het straatbeeld maar straalt toch een eigen identiteit uit, een beter visitekaartje konden de bewoners­architecten zich moeilijk wensen.
 
Wie geïnteresseerd is in architectuur of wie wil gaan (ver) bouwen doet er goed aan om die tentoonstelling eens grondig te gaan bekijken.
 
(DR) 
 
 
Venetiaanse Gaanderijen te Oostende, tot 29 februari. 
Broelmuseum, Kortrijk van 7 maart tot 2 mei. 
 
 
 

Khnopff-retropsectieve in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België 

 
Vanmorgen in de trein zag ik een Khnoppf-schilderij. Het was mistig en nog wat schemerig buiten en de lampen op straat wierpen een spookachtig schijnsel op de gebouwen. Als je door het raam naar buiten keek, zag je net een schilderij van Fernand Khnopff. Zijn kunstwerken blijven nog lang op je netvlies natrillen, zoveel is duidelijk. De KMSK die de grootste verzameling van werken van deze Brusselse schilder in huis hebben, maakten een schitterende retrospectieve met veel zorg en toewijding. De tentoonstelling is thematisch opgebouwd en hier en daar smok­kelden de makers er subtiel een schilderij in van een tijdgenoot van de symbolistische schilder. Het zijn bij wijze van spreken de sch ilderijen zelf die je erop wijzen want de naam plaatjes zijn overal bescheiden en unifo rm wat de bezoeker tot aandachtig kijken dwingt. Ook aan de inrichting is veel zorg besteed. De tentoonstellingsmakers inspireerden zich op de inrichting van zijn eigen huis, op het decor en de motieven tijdens de tentoonstelling van de Wiener Secession waar Khnopffveel exposeerde. Niet minder dan 280 werken illustreren het kunstenaarschap van Fernand Khnopff. Schitterende pastels, tekeningen en zelfs beeld­houwwerken bewijzen zijn veelzijdig talent. Zowat alle topwerken zijn aanwezig en de weelderige expositie eindigt met het enigma­tische schilderij Liefkozingen. Spijtig dat de uitleg zo beperkt is. Sinds enige jaren verbieden de Koninklijke Musea geleide bezoeken in hun grote retrospectieven zodat ervoor de geïnteres­seerde leek niet anders opzit dan een audio-guide te huren. De tentoonstelling reist nadien naar het buitenland waar men er nu reeds reikhalzend naar zit uit te kijken. Zoveel is zeker.
 
(PW) 
 
Fernand Khnopff 1858-1921 
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, 
Regentschapsstraat 3, 1000 Brussel 
Nog tot 9 mei 2004 
Van dinsdag tot en met zondag van 10 tot 17 uur, donderdag tot 21 uur; gesloten op maandag 
Info: 02 508 32 11
 
 
 
 

Neanderthalers in Europa 

 
Nog tot 19 september 2004 kan je in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum in Tongeren wandelen tussen verrassend realistische Neanderthalers. Knappe visuele scènes verbeelden hun dagelijks leven. Bewegende beelden en geluiden versterken deze beleving. 
We maken kennis met het neanderthaler-kind Orf. Hij neemt de kinderen mee op zijn avontuur doorheen de ijstijd. 
"Ik vind het spijtig dat dat kindje doodgaat." (Ona 6j) 
"Ik vind het heel leerrijk. Het is wel raar dat ze uitgestorven zijn.(Jules 8j) 
Deze tentoonstelling deed ons de tijd vergeten. We werden volledig opgeslorpt door het gegeven.
 
(LVDW) 
 
Neanderthalers in Europa Nog tot 19 september 2004 
Provinciaal Gallo-Romeins Museum, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren 
Maandag van 12 tot 17 uur, dinsdag tot vrijdag van 9 tot 17 uur, zaterdag, zon-en feestdag en van 10 tot 18 uur. 
Tel. 012 67 03 30 
 
 
 

Iconen van design in Vlaanderen

 
De tentoonstelling Iconen van design in Vlaanderen is de eerste in een reeks die het Vlaams Parlement in De Loketten wil organiseren. Deze schitterende expositie­ruimte is de vroegere lokettenzaal van de Postcheque en maakt deel uit van het Huis van de Vlaamse Volksver­tegenwoordigers. Naast tentoonstellingszaal herbergt De Loketten een bezoekerscentrum met informatiepunt, cafetaria en winkel.
 
Bij iconen van design in Vlaanderen denkt men onmiddel­lijk aan onze modeontwerpers uit Antwerpen of aan het werk van Maarten Va n Severen. Deze tentoonstelling laat zien dat ook andere Vlaamse vormgevers die status verdienen. Vele objecten zijn bekend en onbekend tege­lijkertijd. We herkennen ze maar weten niet dat ze door Vlamingen vormgegeven zijn. Zoals de H20-tafel, het 'archetype' van de kantoorbureau, door Claire Bataille en Paul lbens gecreëerd voor Bulo. Of de hightech Namad­lamp van Jean Meyfroid die nog steeds gloeiend actueel is. En wie weet dat zowel een Bentley als een Skoda Octavia werden ontworpen door Dirk Van Braeckel? Of dat de Citadis Tram van Philippe Neerman rondrijdt in Dublin, Porto, Stockholm en Nantes? We komen ze allemaal tegen: de Fundamental in de Basiccollectie van Kipling (Tin a Debo), trendsettende balkbrillen van Patriek Hoet, de Samsonite-aktentas van Erik Sijmons, de betaalter­minal van Verhaert, de stoffen van Katrien Rondelez voor Toyota, de Oyster Family van Tupperware ontworpen door Victor Cautereels ...
 
De tentoonstelling geeft een prachtig beeld van wat er de laatste tien, vijftien jaar in Vlaanderen op het gebied van design gebeurde. Ze behandelt meubelen, verlichting, mobiliteit, bagage, zilver, accessoires, elektronica, textiel, glas, keramiek, consumptiegoederen en grafische vormgeving.
 
Enig minpunt is dat de grafische vormgevers, waaronder Rob Buytaert die de OKV-afleveringen en het OKV-feest­boek Herinneringen vormgeeft, ietwat in een hoekje zijn weggestopt. Ze verdienen beter.
 
(MV) 
 
Iconen van design in Vlaanderen 
De Loketten, Ijzerenkruisstraat 99, 1000 Brussel 
Nog tot 10 maart 2004
Van maandag tot en met zaterdag van 10 tot 17 uur, 
gesloten op zondag 
 
 

UIt de boeken

 

Gids voor Architectuur in Gent 

 

De auteurs van deze architectuurgids hebben gedurende maanden zowat alle straten van de Gentse binn enstad afgestruind en ook nog eens een gebied daarrond binnen ongeveer één kilometer van de laat-zestiende-eeuwse stadsomwalling zodat ze ook de twintigste­eeuwse stadsuitbreiding in het bestand ko nden opnemen. De gids is immers bedoeld om daadwerkelijk als wandelgids te worden gebruikt door zowel toeristen en bezoekers als inwoners met een boontje voor architectuur. Het stevig uitgevoerde boekwerk bevat een vijfhonderdtal gebouwen en geeft op die wijze een overzicht van zo'n duizend jaar bouwgeschiedenis. Uiteraard hebben de auteurs zich moeten beperken zowel in hun keuze als in hun beschrijvingen en comm entaren. De gebouwen die opgenomen werden zijn vanaf de straat duidelijk waar te nemen en over het algemeen goed bereik­baar voor wandelaar en fietser. 

 
 
Dirk laporte verzorgde een situerende inleiding die een beknopt en vooral helder overzicht geeft van de bouwgeschiedenis zoals die zich in Gent heeft gemanifesteerd. Voor wie onbekend is met de Gentse ontstaansgeschiedenis en niet geneigd is om een dikke turf hierom­trent te doorworstelen is dit meteen meegenomen. In kort bestek kan hier veel worden geleerd. 
 
 
Hierna worden de gebouwen zelf behandeld. Ze zijn gerangschikt per straat in alfabetische volgorde en met de meest recente huis­nummers. Voor de commentaar is beroep gedaan op bestaande  publicaties of licentiaatsverhandelingen. 
 
 
Deze gids is een goede aanwinst en aanvulling op reeds bestaande publicaties, spijtig dat er geen plaats is voorzien voor een eenvoudig plattegrond per gebouw, een gegeven dat mij onontbeerlijk lijkt in een architectuurgids. 
Anderzijds is de aandacht voor eigentijdse architectuur in de gi ds eerder beperkt, dit is begrijpelijk omwille van de omvatte nde bedoe­ling ervan en de veelheid van interessante gebouwen uit het verleden. Misschien moet de uitgever maar eens denken aan een reeks architectuurgidsen die zich concentreren op de gebouwen van de 20ste en de 21ste" eeuw. Er is een publiek dat daar bijzonder veel belangstelling voor heeft en dat wordt bewezen door de gidsen voor moderne en hedendaagse architectuur die in vele buiten­landse steden voorhanden zijn.
 
(DR)  
 
 
Gids voor Architectuur in Gent  
Dirk Laporte en Livia Snauwaert  
ISBN 90 209 5212 9
Prijs € 25,00   
Uitgave van Lannoo  
 
 

Monografie Théo Van Rysselberghe

 
Al enkele jaren wacht de kunstwereld op de beredeneerde catalogus van Ronald Feitkamp over Théo Van Rysselberghe. Nu verscheen bij lannoo een monografie over de kunstenaar. Zoals Ronald Feitkamp in de inleiding schrijft, concentreert het boek zich op het leven en op de kunstwerken van Van Rysselberghe, want hij wil zich niet verliezen in het 'bijkomstige': het persoonlijke leven, de context waarin de kunstenaar geleefd heeft, zijn entourage ... De schrijver gelooft dat "echte kunstenaars boven hun context uitstijgen en zich al snel ontdoen van de invloed die hun milieu uitoefent". Wie het niet eens is met deze stelling begint beter niet aan dit boek dat inderdaad zeer braaf het oeuvre en het leven van Van Rysselberghe benadert.
 
In ongeveer honderd bladzijden schetst de auteur de picturale evolutie van Théo Van Russelberghe: zijn beginperiode, de ontplooiing, het divisionisme, enz. Nadien volgen vijftig bladzijden gewijd aan de "specialiteiten van Van Rysselberghe" met aandacht voor het naakt, het portret, de grote doeken, de tekeningen en de aquarellen. De auteur bekijkt ook het andere en minder bekende werk van Van Rysselberghe zoals etsen en affiches, beeldhouw­werken en boekillustraties. Uiteindelijk staat hij gelukkig toch ook stil bij de persoon van Van Rijselberghe zelf, zijn vrienden en hoe de anderen hem zagen. Uit het boek blijkt hoe nauw Van Rysselberghe betrokken was bij de kunststroming les Vingt (XX) en hoe hij zelfs secretaris was van l'Art Moderne. Zo had Van Rysselberghe een grote invloed op de keuze van de uitgenodigde artiesten. Hij ligt bijvoorbeeld aan de basis van de eerste tentoonstelling van To ulouse-lautrec in Brussel.
 
Met het Symbolisme, dat nu dankzij de grote Khnopff-retrospectieve in Brussel in de kijker staat, had hij weinig te maken en het is ook niet zo duidelijk hoe hij hier tegenover stond. Théo Van Rysselberghe blijft in de eerste plaats een begenadigd schilder die zich beperkte tot wat hij zag en die probeerde het licht op zijn onder­werpen zo goed mogelijk vast te leggen, maar grote in houdelijke discours waren aan hem niet besteed.
 
"Later zullen de woorden vervagen en enkel de werken, als ze sterk zijn, zullen overblijven. Im pressionisten, symbolisten, kubisten ... , het zijn allemaal eti ketten. Uiteindelijk zullen enkel de persoonlijke gevoeligheid, verbeel­ding en expressieve kracht van belang zijn," schreef de schilder aan een vriend.
 
(PW) 
 
 
Théo Van Rysselberghe 
Ronald Feltkamp 
239 blz. 
ISBN 90 209 5347 8 
Prijs: € 59,95 
Uitgave van Lannoo