U bent hier

Nationaal Museum van de Speelkaart Turnhout

 


 

INHOUD

  • Nationaal Museum van de Speelkaart
    • Huisvesting
    • Machine en product
    • Collectie
    • Activiteiten
  • Turnhout, toonaangevend papierverwerkend centrum in Europa
    • De Nederlandse traditie
    • Turnhout
  • Speelkaarten, speelgoed en kijkstuk
    • De prehistorie
    • Europa
    • Vorstelijke kaarten en afval
    • Kleuren en beelden
    • De Nederlanden
    • Het prentenboek van de duivel
    • Overheid en fiscus
    • Kaarten met bijbedoelingen
  • Het kaartspel, eindeloos speelgoed
    • Regels en gebruiken
    • Status en aanzien
    • Soorten kaartspelen
    • De geschiedenis van het kaartspel
  • De fabricage van speelkaarten
    • Prenten en speelkaarten
    • Houtgravure
    • Kleuren
    • Drukpersen
    • Lithografie
    • Het tijdperk van de fabrieken
    • De verdere afwerking

 

NATIONAAL MUSEUM VAN DE SPEELKAART, TURNHOUT

 

 

Speelkaarten vallen uit de boot in een ideale samenleving, althans volgens Thomas Morus in zijn Utopia, maar in Turnhout zijn ze een onloochenbare realiteit. Sedert 170 jaar worden hier speelkaarten gedrukt, nu ruim 600.000 Spellen per dag.

 

Het kaartspel is eindeloos speelgoed, populair in de hele wereld. Met één spel kaarten zijn honderden spelletjes mogelijk, van snel en simpel tot langdurig en moeilijk. Het spel spreekt nobele en minder nobele gevoelens aan, want ook messentrekkers en valsspelers bestaan al zo lang als het kaartspel zelf. Moralisten en predikanten aarzelden daarom niet om het een uitvinding van de duivel te noemen.

 

Ook al kan het kaartspelen niet tot de schone kunsten worden gerekend, sommige kaarten behoren daar wel degelijk toe. Heel wat spellen zijn immers niet bedoeld om ermee te spelen en worden met veel zorg en kunstzinnigheid gemaakt. Fantasiespellen bekoren verzamelaars en kunstminnaars; propagandaspellen willen overtuigen van een politiek standpunt; souvenirspellen laten terugdenken aan toeristische trekpleisters en reclamekaarten proberen producten en diensten te verkopen. Dergelijke kaarten zijn meer dan louter speelgoed en vormen een uitgelezen troef voor een museum.

 

Deze troef wordt in Turnhout op tafel gelegd. Het Nationaal Museum van de Speelkaart dankt zijn ontstaan aan een unieke traditie van kaartenmakers. Uiteraard gaat de grootste aandacht naar de Turnhoutse context: naar kaartenmakers in de Nederlanden, waarvan Turnhout de traditie verderzet; naar de industriële revolutie, toen de speelkaartenindustrie zich ontplooide; naar de machines waarmee kaarten werden vervaardigd en naar de kaarten die vanuit de Kempen over de hele wereld werden uitgevoerd.

 

In 1965 stelden enkele inwoners van Turnhout vast dat aan het bekendste product van hun stad nauwelijks aandacht werd besteed. Om hier iets aan te doen richtten ze een vereniging op. Het Turnhout Wereldcentrum van de Speelkaart vzw wou alles wat te maken had met het vervaardigen van speelkaarten redden en uitbouwen tot een toeristische trekpleister annex documentatiecentrum, samengebracht in een museum. Het idee werd getest met enkele tentoonstellingen. De massale belangstelling bewees dat er muziek in zat.

 

Turnhout kreeg zijn ongewone kaartenhuis, want na enkele jaren had de vereniging genoeg materiaal bij elkaar. Op 24 oktober 1969 opende het Nationaal Museum van de Speelkaart. Het Turnhoutse stadsbestuur stelde een gebouw ter beschikking.

 

Per 1 januari 1977 droeg de vereniging het museum over aan het stadsbestuur. Het succesrijke initiatief vroeg om een permanentere en krachtigere fundering dan louter vrijwilligerswerk. De investeringen van de stad droegen bij tot een verdere ontplooiing. Niettemin bleef de slechte en krappe huisvesting jarenlang roet in het eten gooien. In het verkommerde gebouw in de Begijnenstraat kon nauwelijks ernstig worden gewerkt.
 


Huisvesting

 

Het museum bevond zich aanvankelijk in het "Huis metten thoren", een 16de-eeuwse patriciërswoning. Voor het museum werd een uitgebreid bouwproject bedacht, dat voorzag in de restauratie van de bestaande woning en de oprichting van een nieuwe vleugel. Na een lange en moeizame weg, waarbij de nieuwbouw om financiële redenen sneuvelde, startten de restauratiewerken pas in 1989. Op 30 maart 1990 heropende het Museum van de Speelkaart in een leegstaande fabrieksvleugel aan de Druivenstraat. Hoewel het gebouw enkel bedoeld was als tijdelijk onderkomen voor de duur van de restauratiewerken, besloot het gemeentebestuur het museum definitief in de voormalige fabriek te vestigen. Dit fabriekspand is historisch belangrijk. De Turnhoutse papier- en speelkaartenfabriek Mesmaekers richtte in 1926 een nieuw complex op achter de bestaande bedrijfsgebouwen om het gebrek aan ruimte in de oude lokalen op te vangen. Dit bouwwerk in gewapend beton en baksteen, in de volksmond de "nieuwe fabriek Mesmaekers", was aanvankelijk bestemd voor de productie van speelkaarten. Spoedig zou hier ook gekleurd papier, een andere Turnhoutse specialiteit, worden gemaakt.

 

Het museum zal na verbouwingen en aanpassingen beschikken over grotere opslag-, administratie- en tentoonstellingsruimten. Uitbreiding wordt gezocht in een achterliggend gebouw in neostijl. Jules Taeymans ontwierp dit pand in "Vlaamse Renaissance" voor het Museum Taxandria. Het werd in 1913 voltooid en in 1930 met een grote zaal op de eerste verdieping uitgebreid. Een ambitieuze verbouwing startte op 1 april 1995. De Europese Unie steunt via het EFRO, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Turnhoutse stadsbestuur bij de uitvoering van de eerste fasen van dit project. Ondanks deze toelage blijft de financiële draagkracht van de gemeente klein en zullen de werken en de definitieve inrichting in schijfjes worden uitgevoerd. De uiteindelijke voltooiing zal nog enkele jaren op zich laten wachten.
 


Machine en product

 

Het museum bewaart grosso modo twee uiteenlopende soorten objecten: speelkaarten en machines. Beide vragen een heel andere aanpak inzake verwerving, conservering en presentatie. Dankzij de vermenging van beide, machine en product, neemt het Turnhoutse museum binnen het handjevol speelkaartenmusea dat er in de wereld bestaat een heel aparte plaats in. Chronologisch spitst het museum zich toe op de industriële periode, de 19de en 20ste eeuw.

 

Beide soorten voorwerpen vertellen niet het volledige verhaal, wat het museum tot originele oplossingen dwingt. Kaartspelen is uiteraard een gebeurtenis die je slechts indirect kan bewaren en presenteren via afbeeldingen, spelbeschrijvingen of de gebruikte kaarten. Een stilstaande machine is een dood voorwerp dat de bezoeker grotendeels in het ongewisse laat. Het brengt de industriële periode met haar obsessie voor snelheid en massaproductie, met haar grauwe kanten als uitbuiting en kinderarbeid, nauwelijks ter sprake. De aan de gang zijnde verbouwingen moeten niet alleen ruimte scheppen voor het bewaren en tentoonstellen van kaarten en machines, voor het vertellen van het bijhorende verhaal; ze moeten er ook zorgen dat het Turnhoutse kaartenhuis een plaats wordt van studie, educatie en genoegen.
 


Collectie

 

Het Museum van de Speelkaart conserveert speelkaarten en documenten over de geschiedenis en het gebruik van speelkaarten. Het bewaart ook getuigenissen van sociaal-economische aard, illustreert facetten van het volks- en ontspanningsleven. Speelkaarten hebben een rijke cultureel-historische betekenis, waardoor een veelvoud aan onderwerpen is vertegenwoordigd in de collectie. De verzameling speelkaarten bevat unieke getuigen van de meer dan 170-jarige Turnhoutse productie zoals speelkaarten, ontwerpen, proefdrukken en archivalisch materiaal. Met de over de hele wereld verspreide exporttraditie van deze stad is in één klap ook een belangrijk deel van de wereld vertegenwoordigd.

 

Daarnaast bewaart het museum voorbeelden van wat buiten Turnhout wordt gemaakt. Hierbij speurt het museum in twee richtingen: materiaal uit de periode voor de industriële revolutie - voor Turnhout actief werd - en materiaal uit andere productiecentra, dat wil zeggen de Turnhoutse inspiratiebronnen en concurrenten. Het accent ligt op kaarten die in de historische Nederlanden werden gemaakt en gebruikt. Het niet-Turnhoutse deel is zeker niet volledig en uniek. Wel bijzonder waardevol blijken een aantal deelcollecties die door hun omvang en inhoud belangrijk zijn, zoals de Spellen van de firma's Dubois & opvolgers (Luik, 18de en 19de eeuw), Daveluy & opvolgers (Brugge, 19de eeuw tot 1936), Speelkaartenfabriek "Nederland" (Amsterdam, 1909-1970), C.L. Wüst (Frankfurt a/M, 1811-1927) of Spellen uit China (19de en begin 20ste eeuw).

 

Verder houdt het museum zich bezig met industriële archeologie, lang voor dit begrip gemeengoed werd in Vlaanderen. Het museum heeft als tweede grote luik in zijn collectie een indrukwekkende en unieke verzameling van druk- en afwerkingsmachines uitgebouwd. Het machinepark, met vooral stukken uit de 19de en de 20ste eeuw, bevat onder meer zeldzame drukpersen (handpersen en industriële snelpersen), apparatuur om kaarten te snijden (hand- en machinale scharen) of om kaarten glanzend te maken (een "overwas" en likmachines). Ten slotte restaureert het museum momenteel zijn stoommachine, een kolos van zeventig ton uit 1896. Deze gigant moet de kroon op deze deelcollectie worden.

 

Het museum beschikt eveneens over een gespecialiseerde bibliotheek van ongeveer 5.000 titels. Hoofdonderwerpen zijn de Turnhoutse grafische industrie, de fabricage van speelkaarten en druktechnieken, reglementen en handleidingen van kaartspelen, werken over de geschiedenis van de speelkaart, over waarzeggerij en goochelen. De bibliotheek is de enige in de Benelux die zich specialiseert in het onderwerp speelkaarten. Ze bevat alle belangrijke naslagwerken uit binnen- en buitenland en helpt de collectie te ontsluiten. Studenten komen er voor eindwerken, bedrijven zoeken er referentiemateriaal, andere bezoekers grasduinen in de geschiedenis van het spel, nog anderen verfijnen hun pokertechniek met de nodige vakliteratuur.
 


Activiteiten

 

Naast de klassieke activiteiten die elk museum organiseert, probeert het Museum van de Speelkaart eigen accenten te leggen. Thematische tentoonstellingen vormen een vast onderdeel van het beleid. Ten eerste is de collectie zo uitgebreid dat slechts selecties kunnen worden getoond. Ten tweede blijven kaarten kwetsbare objecten die je niet zonder meer permanent kan exposeren. Ten slotte laten tijdelijke opstellingen toe dieper in te gaan op aspecten die anders worden verwaarloosd. Het museum pakte in het verleden onder meer al uit met exposities over reclame, waarzeggerij, belastingen, politiek, tarokspellen, strips en kinderkaarten.

 

Het museum kijkt ook verder dan de traditionele kaart en besteedt regelmatig aandacht aan kunstzinnige initiatieven die zich op het spel inspireren, onder meer met fotografische portretten in de vorm van kaarten van de Nederlandse fotograaf Jan Russ of recente Russische grafiek over het kaartspel. Het museum geeft ook opdrachten aan kunstenaars. Zo ontwierp de Vlaamse cartoonist Junius een kaartspel met karikaturen van Europese politici en bedacht de kunstenaar Mugo een veelkleurige litho over een goochelaar.

 

Speelkaarten worden gretig verzameld. Ter attentie van de verzamelaars organiseert het museum elk jaar een speciale dag met een ruilbeurs, de verkoop van nieuwigheden en lezingen. De ruilbeurs, die overigens altijd erg geanimeerd verloopt, kreeg intussen her en der navolging. Wie op deze dag nog niet genoeg opsteekt, kan het museumblad raadplegen. Hierin verschijnen wetenschappelijke artikelen, museumnieuws en een berichtenrubriek die uiteenlopende nieuwtjes bevat, van kaartersruzies tot boekbesprekingen.

 

Ook kinderen komen aan hun trekken met museumateliers of met optredens van goochelaars. Het museum koestert sinds zijn ontstaan de ambitie een levend museum te zijn. Dit houdt bijvoorbeeld in dat de machines niet zomaar worden neergezet, maar dat ze gebruiksklaar zijn en regelmatig effectief werken. Bij gebrek aan mensen en middelen beperkt het museum zich voorlopig tot demonstraties van enkele machines en oude technieken.

 

Na de verbouwingen beschikt het museum over een volwaardige behuizing en worden een betere presentatie en de opstelling van stukken die nu nog in reserve worden gehouden, mogelijk. Het museum werkt met name aan de uitbouw van een vaste tentoonstelling over de geschiedenis en het gebruik van kaarten, aan de opstelling van de machines in een logische en werkzame volgorde, aan demonstraties van technieken op een permanente basis en ten slotte aan de plaatsing van de stoommachine.
 


TURNHOUT, TOONAANGEVEND PAPIERVERWERKEND CENTRUM IN EUROPA

 

 

Turnhout huisvest momenteel een belangrijke concentratie van grafische industrieën en is een toonaangevend papierverwerkend centrum in Europa. Turnhout was vroeger al in de hele wereld bekend voor zijn soorten papier (gekleurd, fantasie- en marmerpapier), voor devotieliteratuur en kerkboeken, voor druk- en bindwerk, voor volksprenten en "mannekensbladen" of kinderprenten. Tegenwoordig scoren de bedrijven hoog met bijvoorbeeld verpakkingen en kartons, met hoogwaardig druk- en bindwerk voor naslagwerken of woordenboeken, met stripalbums en lottoformulieren.

 

Speelkaarten behoren allang tot het assortiment. In 1826 rolden de eerste exemplaren van de persen en wat heel bescheiden begon, evolueerde na 1850 tot een vermaard kwaliteitsprodukt. Hiermee zet Turnhout in feite een eeuwenoude traditie verder.
 


De Nederlandse traditie

 

De Nederlanden kenden verschillende belangrijke centra van fabricage en export van speelkaarten. Productiecentra waren voornamelijk Doornik (in de 15de), Antwerpen (16de) en Amsterdam (17de eeuw). Vanaf 1750 groeide Brussel uit tot een toonaangevend centrum dankzij het economische beleid van de Oostenrijkse landvoogden. Politieke en economische factoren beïnvloeden onmiskenbaar de bloei of de teloorgang van deze activiteiten. Na de val van Antwerpen in 1585 verhuisde de volledige kaartenfabricage naar het Noorden. Jean Fouquet, afkomstig uit Rouaan, vestigde zich in Amsterdam na de opzegging van het Edict van Nantes in 1685. Hiermee kwam in Frankrijk een einde aan de vrijheid van godsdienst voor de Hugenoten. Fouquet, zoals vele anderen, maakte gebruik van de Nederlandse tolerantie; hij vestigde er zich als speelkaartenmaker en legde de basis voor een bloeiend bedrijf.

 

Na 1850 bleek Turnhout de hoogste troeven te bezitten. Een voor een verdwenen de concurrenten. In 1936 werd de laatste kaartenmaker in België buiten Turnhout overgenomen door de firma Brepols. In 1970 verdween de enige nog overblijvende Nederlandse fabriek, overgenomen door Van Genechten. Turnhout ontwikkelde zich tot het enige productiecentrum van speelkaarten in de Benelux en een van de belangrijkste ter wereld.
 


Turnhout

 

De grafische industrie in Turnhout gaat terug tot een politiek toeval uit 1796. In dat jaar vluchtte de Leuvenaar Pieter Corbeels (1755-1799) voor een nakende arrestatie door de Franse revolutionaire bezetters. Hij vestigde zich in Turnhout als drukker en herbergier. In de Kempen zou hij zich tijdens de Boerenkrijg opnieuw tegen de buitenlandse krijgsmacht keren, wat hij met de dood moest bekopen. Zijn zaak werd in 1800 overgenomen door zijn leerjongen Filip Jaak Brepols (1778-1845).

 

Brepols is een klassiek voorbeeld van de "selfmade man". Hij begon als leerjongen in een kleine drukkerij en dreef aanvankelijk handel in allerlei zaken, van hoeden en dassen tot papierwaren. Bij zijn dood had hij niet alleen de grondslagen gelegd voor een in alle opzichten belangrijk bedrijf, maar ook de aanzet gegeven tot de opkomst en verdere bloei van een hele reeks papierverwerkende bedrijven in Turnhout. In het voetspoor van Brepols ontstonden inderdaad verschillende andere drukkerijen en papierverwerkende bedrijven. Niet zelden werden ze opgericht door ex-werknemers van Brepols zelf. J.E. Glénisson (1808-1890), neef van Brepols en "commis de bureau", verliet in 1833 het bedrijf van zijn oom en startte samen met A. van Genechten (1809-1874), nota bene een van Brepols' geldschieters, een eigen drukkerij en speelkaartenmakerij. In 1856 besloten beide heren hun vennootschap op te zeggen en hun eigen weg te gaan. In Turnhout zouden negen speelkaartenfabrieken, grote en kleine, actief zijn. Een unieke situatie! Carta Mundi, de laatste in de rij en opgericht in 1970, is een fusie van de overgebleven activiteiten inzake speelkaarten en exporteert het grootste gedeelte van haar productie over de hele wereld.

 

Brepols concentreerde zich aanvankelijk met veeleer povere kaarten vooral op de binnenlandse markt, mooie en luxueuze kaarten kocht hij elders in. De situatie veranderde echter grondig. Dankzij een scherp commercieel inzicht kon hij de belangrijkste concurrenten buiten Turnhout bedwingen, terwijl hij in de stad zelf steeds meer mededingers kreeg. De concurrentie was bikkelhard, waardoor de fabrikanten gedwongen waren steeds verder naar afzetmarkten te zoeken.

 

Turnhout produceerde veel verschillende soorten kaarten, vaak schaamteloos gekopieerd van buitenlandse voorbeelden, aan goedkope prijzen. Het vaste assortiment kaarten bestond uit spellen bestemd voor dagelijks gebruik in diverse landen en enkele gelegenheidsuitgaven, gedrukt bij belangrijke gebeurtenissen of oorlogen. Toch bleven de Turnhoutse kaartenmakers tot op heden vooral opdrachtdrukkers.
 


SPEELKAARTEN, SPEELGOED EN KIJKSTUK

 

 

De prehistorie
 

Het kaartspel is geen Europese uitvinding. Kaarten kwamen uit Azië en werden via de islamitische wereld aan het einde van de Middeleeuwen in Europa bekend. Over de oorsprong van het kaartspel weten we niet zoveel. China beroemt er zich op het geboorteland te zijn van kaarten, net zoals van het papier en de drukkunst. De historicus Ou-yang Hsiu schreef in een anekdotenverzameling (11de eeuw) dat kaarten in het midden van de T'ang-tijd (618-906) ontstonden en dat een zekere Yang Tan-ien het kaartspel erg beviel. Hiermee werd het ontstaan van het spel gesitueerd in de loop van de 7de en 8ste eeuw.

 

Vanuit China verspreidde het kaartspel zich langzaam naar het westen, naar Perzië en India en naar het Midden-Oosten. Over deze migratie weten we zo mogelijk nog veel minder. In de loop van de 14de eeuw kwam het spel aan in Europa en had dan zijn nog steeds bekende vorm aangenomen van vier reeksen kaarten met figuren en punten. In het Topkapi Sarayi Museum van Istanboel wordt een kaartspel bewaard dat afkomstig is uit het milieu van de Mammelukkendynastie in Egypte. Van het originele spel van 52 kaarten bleven er 48 over. Het spel bestond uit vier reeksen of kleuren, aangeduid door zwaarden, polostokken, bekers en munten. Elke kleur had drie non-figuratieve figuurkaarten: een koning, een onderkoning en een tweede onderkoning. De figuren waren niettemin eenvoudig herkenbaar door opschriften op de kaarten.

 

Op zoek naar de "missing link" tussen Azië en Europa leek het "Mammelukkenspel" de uitkomst te bieden. Het handgeschilderde en van kalligrafie voorziene kaartspel is echter te "jong", met name pas uit de 15de eeuw. Recente vondsten van fragmenten van islamitische kaarten van oudere datum ondersteunen echter de hypothese dat het Egyptische spel geen buitenbeentje was. In ieder geval komt het Mammelukkenspel bijzonder goed overeen met de oudste Europese spellen die uit 52 kaarten bestonden, verdeeld over vier reeksen met de symbolen zwaarden, stokken, munten en bekers. Elke reeks telde tien punten- en drie figuurkaarten. In het islamitische spel ontbraken vrouwelijke figuren, in Europa zou dit euvel worden verholpen!

 

Japan vormt een verhaal apart in de geschiedenis, het land kan bogen op liefst twee verschillende tradities. Enerzijds introduceerden Portugezen en Nederlanders er hun kaartspellen in de loop van de 16de eeuw en tot op vandaag spelen Japanners met kaarten afgeleid van Europese voorgangers. Anderzijds had Japan al een eigen traditie van spelletjes met kaarten en ook deze kaarten zijn nog steeds in gebruik. De eigen Japanse spelen ontstonden onafhankelijk van de andere en gingen terug tot de Heian-periode (794-858), toen beschilderde schelpen werden gebruikt.
 


Europa

 

De oudste onbetwiste sporen van speelkaarten in Europa gaan terug tot 1377. In dat jaar werd het spel liefst viermaal genoemd en wel in Florence, Parijs, Bazel en Siena. In 1377 schreef een zekere Johannes, dominicaan in Bazel, soms ook aangeduid als Johannes van Rheinfelden, in een moraliserend tractaat dat in dat jaar het kaartspel "tot ons kwam". Het nieuwe spel beschreef hij als een spel met vier reeksen, elk voorzien van een eigen symbool en bestaande uit dertien kaarten. De reeksen bestonden uit tien puntenkaarten en drie figuurkaarten. De puntenkaarten waren van elkaar te onderscheiden door het aantal symbolen afgebeeld op de kaarten. De andere kaarten stelden een zittende koning voor en twee maarschalken. De monnik stelde dat de hier beschreven vorm de meest gebruikelijke was en ook die waarin het spel voor het eerst bekend werd. Daarna gaf hij een aantal varianten; het lijkt echter onwaarschijnlijk dat in het jaar van introductie al een dergelijke verscheidenheid was ontstaan. Vermoedelijk hebben latere kopiisten de tekst geactualiseerd en varianten toegevoegd.

 

Bij de Europese kaartenmakers en kaartspelen werd in ieder geval duchtig geëxperimenteerd. Er ontstonden talloze varianten, net zoals de monnik Johannes ze beschreef. Ook de symbolen die werden gebruikt om de reeksen kaarten van elkaar te onderscheiden, in het jargon "kleuren" genoemd, bleven niet gespaard. Het oorspronkelijke systeem, nog steeds in gebruik in Zuid-Europa, werkte met zwaarden, stokken, munten en bekers. De verschillende Europese kleursystemen zouden zich hieruit, na een periode van probeersels en experimenten, ontwikkelen. Omstreeks 1480 voltooiden vermoedelijk Franse kaartenmakers de laatste kleurgroep, de "Franse kleuren": harten, ruiten, klaveren en schoppen.
 


Vorstelijke kaarten en afval

 

Uit de pioniersperiode, de 14de eeuw, zijn geen kaarten bewaard gebleven. Zelfs uit de 15de eeuw en de 16de eeuw bleef niet veel over. Kaarten waren gebruiksvoorwerpen en na intensief gebruik werden ze weggegooid. Het gebrek aan materiaal maakt een correcte interpretatie niet echt gemakkelijk. Toch hadden twee soorten kaarten een grotere kans om te overleven; op de eerste plaats misdrukken, restanten en afval, die een andere bestemming kregen, bijvoorbeeld als opvullingsmateriaal voor boekbanden; ten tweede bijzondere spellen, uitgevoerd door vooraanstaande kunstenaars in opdracht van vorsten, spellen die slechts korte tijd of zelfs helemaal niet werden gebruikt en vrijwel onmiddellijk in schatkamers of kunstverzamelingen belandden. Omdat deze twee groepen geen goede voorbeelden zijn van de dagelijks gebruikte speelkaarten en oververtegenwoordigd zijn, ontstaat echter een vertekend beeld.

 

De misdrukken geven wel een idee van de experimenten die de Europese kaartenmakers in de eerste periode volop doorvoerden, tot uiteindelijk de nu nog gekende kleursystemen en kaartbeelden werden gestandaardiseerd. De alledaagse kaarten waren goedkope prentjes, gedrukt met houtsneden in grotere oplagen, ingekleurd met de hand en uitgeknipt, en van een grove en povere kwaliteit. Van deze maculatuur bezit het Museum van de Speelkaart een intrigerend voorbeeld. Het vel kaarten werd niet verknipt maar tot een mapje gevouwen om daarin juridische documenten te bewaren. Het vel, van een onbekende maker, dateert uit het begin van de 16de eeuw.

 

Een voorbeeld van de tweede groep, de vorstelijke kaarten, vormt het "Stuttgarter-kaartspel", de oudste nog bewaard gebleven Europese kaarten. Het met de hand geschilderd spel, uit Zuidwest-Duitsland of het gebied van de Bovenrijn, dateert uit 1427-1431. Het telt nog 49 kaarten van de oorspronkelijke 52. Het spel heeft als onderwerp een hoofse jachtpartij, met aangepaste kleuren: honden en valken (de dieren gebruikt bij de jacht) naast herten en eenden (het bejaagde wild). Twee reeksen tonen mannelijke en twee vrouwelijke figuurkaarten.

 

Deze bijzondere spellen werden niet door kaartenmakers vervaardigd maar door schilders, goudsmeden, graveurs; kortom, door kunstenaars met naam en faam. De uitvoering was verfijnd en luxueus, zoals het paste voor een eenmalig kunstwerk in opdracht van hooggeplaatste cliënten. De onderwerpen en voorstellingen vertoonden veel meer variatie dan bij de gewone kaarten. Aanvankelijk waren deze kaarten miniaturen, naderhand werden soortgelijke spellen gedrukt en zorgvuldig met de hand afgewerkt. De aangewende technieken evolueerden parallel met de opkomst van de drukkunst (houtsneden, kopergravures).

 

De fantasievolle spellen circuleerden aanvankelijk exclusief binnen het milieu van de vorstelijke hoven. Naarmate de middeleeuwse hoofse cultuur verdween, vonden de kaarten een nieuw publiek, met name de gefortuneerde en gecultiveerde burgers. Deze bovenlaag zou tijdens de Renaissance de afnemer worden van de bijzondere kaartspellen. De onderwerpen evolueerden, de ontwerpers boorden literaire of mythologische thema's aan, naast bijvoorbeeld ook de boekdrukkunst. De noties van het perspectief, die stilaan werden ontdekt, gaven een extra impuls aan de ontwerpers.
 


Kleuren en beelden

 

De fantasiespellen, hoe fraai ook, lenen zich niet echt tot het spel. Een speler moet zijn kaarten snel en feilloos herkennen, vergissingen leiden immers tot verlies. Spelers geven dan ook de voorkeur aan gestandaardiseerde beelden, de "standaardbeelden". Standaardbeelden zijn kaarttypen die de spelers onmiddellijk herkennen en gebruiken. De beelden worden voor een lange periode gebruikt en gedrukt door verschillende fabrikanten, met onderling slechts geringe verschillen. Deze typen behoren tot het publieke bezit. De beelden zijn meestal regionaal bepaald; elke streek of elk land heeft of had zijn eigen typische beelden. Drie kenmerken bepalen een standaardbeeld: de "kleuren", de samenstelling van het spel en de tekening van de punten- en figuurkaarten.

 

Kleuren zijn de Symbolen die worden gebruikt om de verschillende reeksen kaarten van elkaar te onderscheiden. De Franse kleuren (harten, ruiten, schoppen en klaveren) zijn het meest bekend; hun internationale verspreiding kregen ze dankzij de eenvoudige en snelle manier waarmee ze op de kaarten werden aangebracht. Na ruim vijfhonderd jaar gebruik voldoen ze nog steeds!
 


De Nederlanden

 

Het oudste spoor van speelkaarten in de Nederlanden werd gevonden in een rekening van 14 mei 1379. De toenmalige hertog van Brabant kocht een kaartspel, wat werd geregistreerd in de vorstelijke boekhouding. In 1382 verbood de magistraat van de dan nog Vlaamse stad Rijsel het spelen met dobbelstenen, kaarten en ander tuig, zowel overdag als 's nachts. Verdere verwijzingen zijn onder meer van 1390 af in het graafschap Holland en in een verbodsbepaling van 1397 van de stad Leiden te vinden. Nogal wat van de oudste vermeldingen komen voor in allerlei verbodsbepalingen. Blijkbaar liep het met het nieuwe speelgoed zowat direct uit de hand en zagen kerkelijke en wereldlijke overheden zich genoodzaakt het kaarten te beteugelen.
 

 

Het prentenboek van de duivel

 

In kerkelijke kringen waren felle tegenstanders van het kaartspel te vinden. Het kaartspel was niets minder dan een uitvinding van de duivel zelf, door Satan op de wereld gezet om mensen tot zonde te verleiden. De kerkelijke bedienaren vonden het dan ook noodzakelijk in predikaties en geschriften, in woord en daad, tekeer te gaan tegen het spel. Dit "prentenboek van de duivel", zoals het kaartspel werd genoemd, beschouwden sommigen als zo verderfelijk, dat ze de kaarten zelfs op brandstapels vernietigden.

 

Bekend zijn de acties van de befaamde hervormer en boetprediker Girolama Savonarola (1452-1498), van de heilige Bernardinus van Siena (1380-1444) en van zijn leerling, de franciscaanse monnik Johannes Capistranus (1386-1456). Deze campagnes betroffen niet uitsluitend speelkaarten, zelfs niet enkel speeltuig, maar alle vormen van verderf en zonde. Bij de boetepreken moest alles wat niet door de beugel kon het ontgelden. Minder bekend is dat ook in Vlaanderen serieus werd gefulmineerd tegen het kaartspel. De Bretoense karmeliet Thomas Conecte of Conette (+… 1434) preekte in 1428 in Vlaanderen, Artesie, Doornik, Kamerijk, Ponteland (Ponthieu), Amiens en Terwaan. Hij ging tekeer tegen de verwildering van de geestelijkheid, de klederdracht van de vrouwen, de weelde en het spel. Bij deze gelegenheid liet ook hij kledij, dobbelstenen, speelkaarten en ander speelgoed verbranden.

 

Argumenten tegen het kaarten concentreerden zich voornamelijk op het gokken. Hiermee stelden spelers de goddelijke voorzienigheid op de proef, ze speculeerden op toeval en onzekerheid. Het winnen van de inzetten heette bovendien het onrechtmatig verwerven van bezit. Ook onbetamelijk gedrag werd op de korrel genomen, zoals kaarten op zondagen en het blijkbaar onvermijdelijke gevloek tijdens het spel. Speelzucht leidde onontkoombaar tot allerlei ongeregeldheden, zoals diefstal en bedrog, drankmisbruik, onzedelijk gedrag, ruzies en vechtpartijen, zelfs moord en doodslag.

 

Enige voorzorg was hoe dan ook nooit weg en dat kon door de kaarten te verbergen. Het museum bezit bijvoorbeeld een kaartspel in een boeksimulant. Een devoot werk, Meditations sur les principales vérités chretiennes et ecclésiastiques van M. Matthieu Beuvelet, uitgegeven in Parijs in 1752, werd gedeeltelijk uitgehold en als doosje aangepast. In dit merkwaardige omhulsel bevindt zich een tarokspel van de Gentse fabrikant Ph. Pharasyn. Heiaas is niet bekend welke verwoede speler dit geheime etui heeft gemaakt om het voorwerp van zijn passie aan de ogen van devote omstanders te onttrekken.



Overheid en fiscus

 

Ook de wereldlijke overheden, stads- en landsbesturen, lieten zich niet onbetuigd. Ze viseerden het kaartspel en dan vooral het gokken. In tegenstelling tot de hardleerse predikanten schoren ze niet alles over een kam. De overheden tolereerden het spel bijvoorbeeld bij speciale gelegenheden als Kerstmis of de jaarmarkt, op welbepaalde plaatsen of met beperkte inzetten. Soms werd een onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Zo verbood de stad Augsburg in 1415 het kaartspel aan mannen, maar liet het toe voor vrouwen mits de inzetten niet hoger waren dan een of twee penningen.

 

Ondanks de eindeloze reeks verboden en bepalingen, traktaten van moralisten en donderpreken van religieuzen lijkt de speelzucht niet te zijn verminderd. De maatregelen van de overheden werden steeds opnieuw afgekondigd. Wordt hiermee niet bewezen dat het onkruid onuitroeibaar was? Of viel het in de praktijk eigenlijk wel mee? Een studie lijkt deze bewering te ondersteunen: het Brusselse kende zeer lage cijfers van veroordelingen voor speldelicten, in de 18de eeuw amper tien. Aan de verbodsbepalingen was enige schijnheiligheid niet vreemd; koningen en keizers vaardigden immers decreten uit tegen kaartspelen als faro die aan elk hof vlijtig werden beoefend! Soms werd het zekere voor het onzekere genomen. Een Britse rechtbank diende zich in 1971 uit te spreken over de vraag welke spelen in pubs mochten worden gespeeld. Het kaartspel "Pink Nines" werd verboden hoewel het hof het niet kende en bij navraag niemand kon uitleggen wat voor soort spel het was. De rechtbank argumenteerde dat verbieden dan maar het beste was.

 

De kerken zwaaiden met hel en verdoemenis maar hun verboden werkten niet. De wereldlijke overheden hadden nog een ander wapen: belastingen. Met dit beproefde middel scoorde de overheid op twee fronten; de lasten kwamen de schatkist ten goede en bevorderden de goede zeden. Op 22 September 1458 vaardigde Filips de Goede, hertog van Bourgondie (reg. 1419-1467), een patentbrief uit waarmee hij het spelen in Rijsel regelde. Bordspellen, speelkaarten, dobbelstenen en ander speeltuig werden verpacht; niemand mocht gelegenheid geven tot spelen zonder toestemming van de pachter. Overtreders konden rekenen op bestraffing; ook onbehoorlijk gedrag zoals schelden en vloeken of het beschadigen van het speeltuig werd beboet.
 


Kaarten met bijbedoelingen

 

Ondanks de slechte reputatie van het kaartspel werd het een uitzonderlijk populair tijdverdrijf. Meer nog, naast de gewone kaarten bedoeld voor het spel, kwamen er kaarten met allerlei andere functies. Ze propageerden bepaalde politieke overtuigingen, ze deden dienst als souvenir, ze maakten reclame, ze fungeerden als kunstwerk of leerden de gebruiker iets bij. Door hun vorm en populariteit zijn speelkaarten makkelijke en dankbare boodschappendragers. Op een kaart kan in principe eender wat worden gezet: afbeeldingen, foto's, tekst of muziek. Het aantal onderwerpen dat op kaarten verscheen, is intussen schier eindeloos. Een kaartspel kan een muziekpartituur zijn; schud je het spel dan hou je een andere melodie over. Het kan een catalogus vormen van een modellenbureau of een atlas in zakformaat. Het thema kan literatuur zijn, goede manieren, mode of geschiedenis. Een kunstenaar kan zijn werk met een kaartspel op een goedkope en handige manier verspreiden. Met grote regelmaat paraderen politici, sportlui en vedetten als karikatuur op kaarten. Anderen prefereren dan weer pin-ups. Een kleine selectie uit het aanbod.

 

Leerzame kaarten

 

Als stamvader van de educatieve kaarten wordt vaak de franciscaner monnik Thomas Murner (1475-1537) genoemd. Als hoogleraar stootte hij op het probleem om de vaak droge en moeilijke stof bevattelijk te maken voor zijn studenten. Met een kaartspel behandelde hij de logica. Zijn zestien kaartkleuren stelden logische begrippen voor, zo stond bijvoorbeeld de eikel voor het syllogisme. De logische termen en wetten werden in een uiteenzetting ontwikkeld en toegelicht. De kaarten verbeeldden aldus regels en begrippen uit de logica en dienden als geheugensteuntjes; Murners spei was eigenlijk een mnemotechnisch middel. De kaarten (in houtsnede) verschenen als illustratie bij een tekst in boekvorm in 1507. Naast de logica behandelde Thomas Murner nog de prosodie aan de hand van een spel (1511) en het recht, opnieuw met speelkaarten (1518).

 

Jean Desmarets bedacht een ander bekend voorbeeld, onder impuls van kardinaal Mazarin (1602-1661) en voor de opvoeding van de Franse kroonprins, de latere Lodewijk XIV. De kardinaal koos voor een spelvorm om instructie en verstrooiing samen te laten gaan. Desmarets ontwierp vier spellen, die gegraveerd werden door de befaamde Florentijnse kunstenaar Stefano della Bella (1610-1664). De spellen sloegen aan, er verschenen zelfs piraatversies en kopieen van.

 

Recente succesnummers waren onder meer een kaartspel over gezichtsbedrog (1984) en een over tropische ziekten (1988). Een Amerikaans hoogleraar psychologie zat, bij gebrek aan geschikte afbeeldingen, regelmatig in de knoop tijdens zijn colleges over optische illusies. Hij zocht materiaal bij elkaar en maakte er een kaartspel van; het Museum van de Speelkaart zette hem overigens op het goede spoor. Voor een zacht prijsje kregen zijn studenten al de nodige voorbeelden van gezichtsbedrog in een kaartspel. Het spel werd ook buiten de universiteit een groot succes.

 

Het Tropisch Instituut in Antwerpen wilde wat doen voor de geneesheren in Afrika. Zij konden immers de dure westerse handboeken niet betalen en bleven verstoken van de nodige kennis. De oplossing: een kaartspel over geneeskunde. Het goedkope "handboek" werd in een handvol talen in Turnhout gedrukt en naar Afrika gestuurd. Het was bovendien ook echt opgevat als een spel waarbij de spelers een correcte diagnose van ziektebeelden moesten stellen.

 

Politieke kaarten

 

Dat met speelkaarten gerichte propaganda kon worden gevoerd, werd in Engeland al vroeg begrepen. Speciale spellen behandelden de ondergang van de Spaanse Armada (1588) of de "Glorious Revolution" en de machtsgreep van Willem III (1688). Deze kartonnen wapens deden dienst als politiek pamflet en viseerden katholieken of de andere tegenstanders van dat moment. De kaarten gaven geen waarheidsgetrouw beeld van de feiten, ze waren pure propaganda.

 

Ook in Belgie gebruikten politieke partijen speelkaarten. Het oudst bekende voorbeeld dateerde uit 1910. De katholieke partij gooide de kaarten in de strijd voor de parlementsverkiezingen van 22 mei. Op de kaarten werden spreuken gedrukt als: "Liberalen, Daensisten, Socialisten, 't Zijn alle vieze tisten!" De Belgische Werkliedenpartij bracht, vermoedelijk kort na de Eerste Wereldoorlog, een propagandaspel uit met meer allure. De azen toonden volkshuizen, de heren de "Verdedigers van het Volk", de vrouwen de "Heldinnen van het Volk" en de boeren "de nuttige mannen", met name de arbeiders. Slogans op de andere kaarten riepen op voor het socialisme, de coöperatieven en de vakbonden of de viering van 1 mei. Sedert de parlementsverkiezingen van 24 november 1991 is deze politieke folklore in België wettelijk verboden! Politici en partijen mogen niet langer met dit soort gadgets propaganda voeren, dat moet voortaan op een ernstiger manier. Toch wist de huidige Turnhoutse burgemeester bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen een gaatje in de wet te vinden en verspreidde hij volkomen legaal propaganda in de vorm van een speelkaart.

 

Nieuwe regimes voelen zich altijd geroepen om hun bestaansrecht te verantwoorden en soms gebruiken zij hierbij speelkaarten. De Franse revolutie, gevoelig voor ideologische kwesties en symboliek, kon niet naast het spel kijken. Als zij in de meest letterlijke zin een einde maakte aan het koningschap, dan kon ze toch niet tolereren dat de Fransen bleven kaarten met koningen en koninginnen? Het kaartspel kreeg een fikse opknapbeurt en alle verwijzingen naar het verfoeide Ancien Regime verdwenen. Minder bekend is wellicht dat Benito Mussolini en de DDR soortgelijke initiatieven ondernamen. Ook Mobutu ergerde zich aan speelkaarten. In het kader van de "Zairisering" (vanaf 1971) kon het niet langer dat Belgische kaarten met "witte" figuren circuleerden. Twee pogingen werden ondernomen om een spel uit te brengen met inlandse figuren; het fraaie ontwerp van Gui Versmissen werd in Turnhout ontwikkeld. Beide pogingen, voor Air Zaire (1978) en voor de presidentsverkiezingen van 1984, mislukten wegens betalingsmoeilijkheden. Toch won Mobutu de verkiezingen zonder moeite.

 

Waarzeggerskaarten

 

Een ander paar mouwen vormen de waarzeggerskaarten. Hoewel je al heel vroeg in de geschiedenis sporen kan ontdekken van het voorspellen van de toekomst, zouden speelkaarten hierbij pas laat een rol gaan spelen. Het gebruik van kaarten door waarzegsters - het beroep schijnt vooral door vrouwen uitgeoefend te worden - is veel recenter dan vaak wordt aangenomen. Bij "lotboeken" werden kaarten voor het eerst gebruikt voor waarzeggerij. Uit een spel werd een kaart getrokken; in het lotboek zocht de voorspeller daarna de bladzijde op waarop dezelfde kaart te zien was; dan werd de bijhorende tekst geconsulteerd. Hoewel lotboeken ouder zijn, dienden speelkaarten vanaf de 16de eeuw als hulpmiddel om een passage aan te duiden. Dat kaarten hierbij geen wezenlijke rol speelden, bewijst het gebruik van andere methoden om bladzijden in het lotboek te vinden. Aan het einde van de 17de eeuw zag het naar verluidt eerste, onvervalste waarzeggersspel het licht. Kaartleggers verschenen eigenlijk pas ten tonele in de loop van de 18de eeuw.

 

De wellicht bekendste was Mademoiselle Lenormand (1772-1843), die in Parijs ten tijde van Napoleon een succesvolle praktijk had. Ze hanteerde kaarten, las de hand en stelde horoscopen op in een riante woning met het nodige personeel. Niettemin werd ze in 1809 uitgewezen en leefde ze tot 1814 als ballinge in Brussel. Ze keerde na de val van Napoleon naar Parijs terug en hernam haar activiteiten als waarzegster. Naar haar werd een spel van 36 kaarten genoemd dat speciaal voor kaartleggers werd ontworpen. Het werd niet door deze beroemde vrouw zelf bedacht, maar verscheen pas een hele tijd na haar dood. Het kaartspel is nog steeds met succes in productie.

 

Vinger aan de pols

 

Kaarten waren goedkoop en tamelijk slijtvast; ze kwamen herhaaldelijk op tafel en onder vele ogen. Reclamejongens beseften het, het ontging ook anderen niet. Het kaartspel werd steeds meer gebruikt om maatschappelijke kwesties aan te kaarten. Dit is vooral een ontwikkeling van de laatste twintig tot dertig jaar, waarin drukkingsgroepen, kunstenaars of uitgevers probeerden met kaarten actuele standpunten aan te snijden. Vanuit feministische hoek werden aangepaste kaarten gelanceerd. Hierbij sneuvelden alle mannelijke figuurkaarten en werden vervangen door koninginnen en boerinnen. De joker was de enige man die overeind bleef. Een Amerikaans voorbeeld uit 1975 inspireerde zich overigens op een door suffragettes omstreeks 1910 uitgegeven spel. Het initiatief kreeg intussen verschillende navolgers, waaronder zelfs een reclamespel voor sigaretten en een "gekuist" zwartepietspel.

 

In 1972 lanceerde de Vlaamse kunstenaar Roland van den Berghe een heel apart speelkaartenproject. Met happenings, een actie tijdens het wereldkampioenschap bridge en de publicatie van een bijzonder dubbelspel keerde Van den Berghe zich tegen de oorlog in Vietnam. De jokers vormden een oplopende reeks: elke joker bevond zich in een verdere staat van ontbinding, het resultaat van oorlogsgruwel. Over de kaarten had Van den Berghe bommen gestrooid in de vorm van boemerangs. Zo hoorden bommen te zijn, dan gingen ze terug naar de afzender!

 

Greenpeace Groot-Brittannie vroeg aandacht voor het lot van bedreigde diersoorten met een bijzonder spel (1990). Conform de doelstellingen van deze organisatie werden de kaarten op gerecycleerd papier gedrukt. Een unicum! Het kwam niet zonder problemen tot stand, de kwaliteit van gerecycleerd papier was eigenlijk te slecht om er kaarten van te maken.
 


HET KAARTSPEL, EINDELOOS SPEELGOED

 

 

Het kaartspel heet het meest democratische spel ter wereld te zijn. Bedoeld wordt dat iedereen met kaarten kan spelen, jong en oud, arm en rijk. Het kaartspel is inderdaad een universeel verspreid verschijnsel en heeft aanhangers onder allerlei soorten mensen. Met kaarten kunnen bovendien verschillende soorten spelen worden beoefend, van heel simpele tot heel ingewikkelde, van snelle tot eindeloos durende partijen. Je kan je alleen of met meer spelers amuseren, tot zelfs met een oneindig aantal. Overal wordt gekaart, zowel thuis als op straat, op de werf of onderweg, in cafés en speelclubs. Allerlei gelegenheden dienen zich aan om te kaarten: tijdens de les- of werkonderbreking, aan de feesttafel, bij familiebijeenkomsten, 's nachts.

 

Het kaartspel is over de hele wereld verspreid, maar het is niet overal even populair. Omwille van historische, religieuze of politieke redenen krijgt het niet steeds dezelfde bijval. In Iran bijvoorbeeld is het spel buiten de wet geplaatst na de islamitische revolutie (1979) en het aantreden van de ayatollah Khomeiny (…+1989). Het kaartspel komt er officieel niet meer voor. In Vlaanderen daarentegen scoort het kaartspel bijzonder goed en dat zal wellicht niemand verwonderen. De meest recente wetenschappelijk onderbouwde cijfers, uit een KUL-studie uit 1983 die werd besteld door de Vlaamse overheid, tonen aan dat kaartspelen veruit het meest wordt beoefend als vrijetijdsbesteding. Liefst 56,2 procent van de Vlamingen zit regelmatig te kaarten, gemiddeld dertigmaal per jaar. Schaken haalt amper 8,9 procent, electronische spelletjes 9,1 procent. Het kaartspel scoorde gelijk bij alle leeftijden, maar mannen speelden meer kaart dan vrouwen (61 procent tegen 51 procent) en plattelanders meer dan stedelingen (57 procent tegen 49 procent). Verrassender misschien waren de vaststellingen dat Antwerpenaren meer speelden dan Oost-Vlamingen (61 procent tegen 48 procent) en hogere klassen meer dan lagere (61 procent tegen 52 procent).

 

Het kaartspel is niet overal even populair en het internationale karakter is nog op een andere manier beperkt. Slechts een klein aantal spelen werden in de hele wereld bekend. Veruit de meeste spelen hebben een veel beperkter aanhang. Hun reikwijdte blijft vaak binnen de grenzen van een bepaalde regio, waarin zich niet enkel een aantal varianten konden ontwikkelen maar waarbij ook niet elk spel hetzelfde publiek aantrekt of op dezelfde tijdstippen wordt gespeeld. Met andere woorden, het kaartspel is op zich een universeel verschijnsel maar neemt in de praktijk heel uiteenlopende vormen aan.
 


Regels en gebruiken

 

Momenteel kennen we in de hele wereld ruim vijfhonderd verschillende kaartspelen, zonder de vele varianten mee te tellen. Iedere kaarter kent het verschijnsel: een spel wordt niet overal hetzelfde gespeeld, van huiskamer tot huiskamer, van café tot café treden kleinere of grotere verschillen op. Uiteraard heeft dit alles te maken met de lange volkse en familiale speltraditie waarbij kinderen spelenderwijs leren kaarten met hun ouders of grootouders en waarbij trouw wordt vastgehouden aan de overgeleverde gewoontes. Zelden wordt kennis uit handboeken gehaald. Blijkbaar gaan vele kaarters ervan uit dat er vaste reglementen gelden, ten onrechte. Om een sluitend antwoord te krijgen doen ze niet zelden een beroep op het Museum van de Speelkaart. Het museum treedt echter niet op als scheidsrechter en mist trouwens elk gezag om meningsverschillen te beslechten.

 

Voor kaarten is er geen ultieme instantie of een soort hof van beroep. Slechts voor één kaartspel, met name bridge, dat internationaal sterk uitgebouwd is met clubs en tornooien, zijn de regels nauwkeurig omschreven. Ook waken in enkele landen nationale verenigingen over de speelwijze van favoriete spelletjes. Zo kan iedereen in Duitsland terecht bij een "rechtbank" voor geschillen of onduidelijkheden die te maken hebben met het nationale kaartspel skaat. Over een gewapende arm om haar besluiten af te dwingen, beschikt deze rechtbank echter niet. De kwestie is niet nieuw. In het verleden afficheerden clubs hun reglementen op voorhand om alle problemen te vermijden. Het Museum van de Speelkaart bezit een Ordonnantie ofte reglement van het Duytsche ofte smouse-jassen, in Antwerpen gedrukt in de tweede helft van de 18de eeuw, of enkele reglementen uitgegeven door de stad Lokeren voor het jasspel (1902) en voor het biesspel (1910). Voor het jassen luidde het artikel 14: "Indien een der partijen ongeletterd is, mag de tegenpartij of een lid der jury het opgehaalde getal schrijven."

 

Hiermee is meteen ook een andere reden aangegeven voor het ontbreken van geschreven teksten. Veel kaartspelers waren analfabeet en hadden geen boodschap aan lectuur over het kaartspel. De behoefte aan gedrukte mededelingen deed zich blijkbaar pas laat voor. In 1631 verscheen voor het eerst een spelreglement voor een kaartspel in druk, met name in Frankrijk voor het piketspel. Het kaartspel had dan in Europa al een carrière van enkele eeuwen achter de rug. In 1657 verscheen de eerste bundel over kaartspelen, La Maison des Jeux, in Parijs. Pas in de 18de eeuw zou dit verschijnsel een grotere vlucht nemen. Deze publicaties brachten over het algemeen beschrijvingen van kaartspelen, in de herdrukken aangevuld met nieuwe spelen, en behandelden tactische aspecten, succesvolle speelwijzen en dergelijke, meer dan zuivere wetten of reglementen. Opvallend is de aandacht die in het verleden ging naar etiquette. Zo werd ingegaan op beschaafde reacties bij bewust of onbewust gemaakte fouten, op wat te doen bij onbehoorlijke inzetten of onwelvoeglijk taalgebruik. Tegenwoordig lijken deze passages compleet uit de kaarthandleidingen te zijn verdwenen. In de praktijk zal je echter nog in vele Vlaamse cafés het vermanende "Zwijgen achter de kaart" aantreffen.

 

Elk kaartspel heeft zijn varianten en er bestaan ook specifieke kaartspelen voor elke omstandigheid. Afhankelijk van het tijdstip en van het soort publiek worden andere spelen beoefend. Strippoker speel je meestal niet met je schoonmoeder. Studenten spelen een drinkspelletje dat enkele minuten duurt en dat het slachtoffer aanduidt dat voor de volgende ronde opdraait. Pendelaars in de trein kaarten zonder veel omhaal in elkaars handen, ze spelen een spel dat snel kan worden afgehandeld of onderbroken, dat zelfs met wisselende partners kan gebeuren, op het ritme van de opeenvolgende stations en afstappende collega's. In een afgelegen Kempens café na middernacht gokken een aantal kompanen stiekem met banken, terwijl op hetzelfde tijdstip aan de Vlaamse kust in de glitter van een casino opgedirkte spelers open en bloot eenentwintigen.
 


Status en aanzien

 

Het is vreemd gesteld met de status van kaartspelen. Neem nu bridge, in Vlaanderen algemeen beschouwd als een moeilijk en elitair kaartspel. De Vlaamse Bridge Liga haalt amper 5.000 leden, een schamel resultaat naast haar Nederlandse evenknie die meer dan 100.000 leden telt. De Nederlandse Bridge Bond is overigens een van de grootste verenigingen in Nederland. De "elitaire" connotatie van bridge klinkt er heel anders. En wat te denken van IJsland waar kinderen op grote schaal bridgen?

 

Het pokerspel doet ons vooral denken aan westerns en Lucky Luke, maar het spel wordt in zijn geboorteland bloedserieus genomen. Het wereldkampioenschap poker, dat uiteraard in Las Vegas, het Mekka van alle gokkers, wordt georganiseerd, beloont de winnaar met 1 miljoen dollar, een gouden armband met inscriptie en sedert 1994 met het gewicht van de speler in zilver. Poker is ondubbelzinnig een gokspel en bridge een tijdverdrijf voor verstandige mensen. Toch is ook bridge niet vrij van gokelementen. In sommige bridgeclubs speelt men als regel voor inzetten. En bij bepaalde bridgetornooien staan fikse sommen op het spel; zulke bedragen dat sommige spelers hun geluk een handje helpen met ongeoorloofde manoeuvres.

 

De status van een kaartspel is niet onveranderlijk. Bridge is op dit ogenblik het intellectuele spel bij uitstek, vroeger was dat whist. Toch was het spel aanvankelijk geen groot succes. In 1674 nam een Engels auteur zelfs niet de moeite om het spel uit te leggen in zijn handboek, want "elk kind van nagenoeg 8 heeft al voldoende kennis van dit spel". Nog geen honderd jaar later was dit kaartspel naar de top geklommen en werd het de grote mode bij de beau monde. J.W. von Goethe (1792-1854) verzuchtte zelfs dat het aanleren van whist niet zonder moeite ging. En ook met "kinderspelletjes" moet je oppassen, het zou onbehoorlijk zijn hierop neer te kijken. Een klassieker is het spel zwartepieten. Dit eenvoudige en fascinerende spel werd in de vorige eeuw door volwassenen gespeeld. Niemand minder dan een Belgische prinses, Marie Henriette (1836-1902), echtgenote van Leopold II (1835-1909), introduceerde zwartepieten in Parijs aan het hof van Napoleon III (1808-1873). Het kaartspel werd in hofkringen snel populair. Nu is het gedegradeerd tot een kinderkaartspel.
 


Soorten kaartspelen

 

Kaartspelen kunnen op verschillende manieren worden geklasseerd, al naar gelang van het doel van het spel, het aantal spelers, het belangrijkste kenmerk, enzovoort. In de loop van de eeuwen hebben kaartspelen elkaar wederzijds bevrucht en werden belangrijke vernieuwingen geïntegreerd in al bestaande spelen. Troef bijvoorbeeld, oorspronkelijk een apart spel met aparte kaarten, bleek zo invloedrijk dat grote aantallen kaartspelen dit idee overnamen. Spelen kunnen ook uit een aantal ronden bestaan, waarbij combinaties van verschillende elementen optreden. Elke indeling is dan ook wat kunstmatig, maar om toch enig houvast te geven volgen enkele algemene categorieën.

 

Gokspelen

 

Bij gokspelen geeft het kanselement de doorslag, ze zijn meestal relatief eenvoudig. Je gokt op de juiste kaart (banken, faro) of op het hebben van de beste hand (eenentwintigen) of op het overtuigen van anderen dat je de beste hand hebt (poker). Deze kaartspelletjes zijn erg geschikt om voor geld of inzetten te spelen; toch is hierbij enige strategie of vaardigheid niet onbelangrijk.

 

Verlies vermijden

 

Dit zijn "negatieve" spelen waarbij je niet zozeer moet winnen, maar moet proberen bepaalde kaarten of slagen niet te halen. Het spel eindigt met een verliezer, met name diegene die de "strafkaart" of de te mijden kaarten overhoudt. De klassieker is zwartepieten, waarbij aan het einde van het spel iemand met een kaart blijft zitten. Het spel ontleende zijn naam aan de gewoonte om het gezicht van de verliezer met een verbrande kurk zwart te kleuren. In de Angelsaksische landen heet het spel "Old maid" en stelt de zwartepietkaart inderdaad ook een vrouw voor, meer bepaald een oude vrijster, iemand die geen partner vindt. Dit Victoriaanse kaartspel weerspiegelde op een ondubbelzinnige manier de sociale uitsluiting van ongehuwde vrouwen.

 

Uitwisselen en verzamelen van kaarten

 

De eenvoudigste vorm bestaat in het uitwisselen van kaarten door de spelers onderling of door een speler met de stock. Bedoeling is reeksen bij elkaar horende kaarten te vormen, bijvoorbeeld kaarten van dezelfde waarde, kleur of serie. Soms is het uitwisselen slechts een onderdeel van het spel, zoals bij piket; soms moeten reeksen gevormd worden van met elkaar overeenkomende kaarten in een hand, zoals bij rummy.

 

Uitspelen van kaarten

 

Hierbij probeer je als eerste al je kaarten kwijt te raken. De spelers kunnen kaart per kaart afleggen door aan te sluiten bij een reeks of stapel op tafel, waarbij de kaart in kleur of waarde moet overeenkomen met de vorige. Een historisch voorbeeld is "manillen" - niet te verwarren met het huidige manillen, dat een ander spel is. Iedere speler probeerde hierbij zoveel mogelijk kaarten af te leggen volgens de waarde van de kaarten, ongeacht de kleur. Op heer volgde aas, op aas twee, enzovoort. Kon een speler niet meer verder, dan ging de beurt naar de volgende. Met een bijzondere kaart, "manille" of "hoc" genoemd, mocht toch verder gespeeld worden. Deze "wilde kaart", vergelijkbaar met de functie van de joker in een aantal hedendaagse spelen, was ruitennegen. Na het verschijnen van de komeet van Halley in 1682 kreeg het spel een andere naam: kometen of "à la comète". Ruitennegen werd aangepast: tussen de ruitjes verscheen een staartster.

 

"Vissen"

 

De Chinezen kenmerken hun kaartspelletjes als "vissen". In tegenstelling tot Europa zijn "vis"-spelletjes erg verspreid in Azië. Een aantal kaarten ligt ongedekt op tafel en elke speler kan op zijn beurt een of meer kaarten van tafel wegnemen, als die aansluiten bij wat hij al in de hand heeft. Lukt dit niet, dan gooit de speler een kaart uit zijn hand op tafel. In de bloemrijke taal van de Chinezen heet dit opnemen van kaarten "vissen". Dergelijke spelletjes bestonden wel in Europa, maar hun aandeel bleef tot vrij recent veeleer marginaal. Een voorbeeld is het in Vlaanderen ooit populaire wippen (ook bekend als "culbas", Parijs 1659, of als "cassino", Groot-Brittannie 1797).

 

Slagenspelen

 

In Europa nemen de "slagenspelen" het grootste - en historisch belangrijkste - aandeel voor hun rekening. Hierbij hebben alle spelers even veel kaarten, die ze kaart per kaart uitspelen totdat alle kaarten gevallen zijn en de partij is beëindigd. Iedereen legt een kaart op tafel. Wie mag beginnen blijkt uit de regels van het spel; wie de kaarten mag oprapen ook. Dit heet een slag; een slagenspel telt dus even veel slagen als elke speler kaarten heeft. Veel populaire kaartspelen behoren tot deze categorie, niet alleen whist en zijn vele nakomelingen, maar ook skaat, tarok, de verschillende vormen van jassen (klaverjassen, "belote") en het Amerikaanse "pinochle", het meest geliefde tijdverdrijf van first lady Hillary Clinton. Bij slagenspelen tellen ofwel het aantal behaalde slagen (whist), ofwel bepaalde kaarten met een bijzondere waarde die de speler moet zien te behalen (skaat, tarok). Bij deze spelen spelen strategie en techniek een grote rol, waarbij geoefende spelers hun voordeel doen. Zij gebruiken hun ervaring en geheugen, observeren de andere spelers, tellen zelfs de uitgespeelde kaarten; dit alles om het verloop van het spel zo niet te voorzien dan toch te beïnvloeden.
 


De geschiedenis van het kaartspel

 

Over de oudste kaartspelen is bitter weinig bekend. Gedrukte handleidingen verschijnen pas met mondjesmaat vanaf de 17de eeuw. Om een kijk te krijgen op de situatie ervoor kan uit andere bronnen iets meer worden afgeleid. Daarnaast kan je aannemen dat kaartspelen evolueerden van relatief eenvoudig naar complex. Bestudeer je kaartspelen die aan elkaar verwant zijn, dan kan je wat gemeenschappelijk is met enige zekerheid toeschrijven aan een "stamvader", het oorspronkelijke spel. Elementen die aantoonbaar van latere datum zijn, kunnen worden geabstraheerd. Een en ander laat toe een evolutie te schetsen aan de hand van identificeerbare kaartspelen.

 

Namen

 

Vaak genoeg blijven enkel namen over, bijvoorbeeld in dagboeken, officiële stukken of predikaties. Zo gaat een sermoen, in de 15de eeuw gehouden door een anoniem gebleven monnik dieper in op het gokken en kaarten. De tekst bleef bewaard in een met Italiaanse termen doorspekt Latijn; het manuscript werd omstreeks 1470 of 1500 geschreven, daarover verschillen de specialisten van mening. De anonieme monnik stelde zich de vraag wie het gokken had uitgevonden: "Ik antwoord u", zo kan worden vertaald, "dat er drie soorten spelen van fortuin of toeval zijn, met name teerlingen, kaarten en taroks. Al deze spelen zijn volgens velen uitgedacht door de Duivel, zoals zal blijken als hierop dieper wordt ingegaan." En dat deed de monnik, waarmee hij een reeks namen van kaartspelen en een lijst van de troefkaarten uit het tarokspel overleverde. Een andere belangwekkende bron is van literair gehalte. In het 22ste hoofdstuk van Gargantua beschreef Rabelais (ca. 1483-1553) de spelletjes van zijn hoofdpersonage. De opsomming, 197 namen van spelletjes, bevatte 35 kaartspelen.

 

De namen geven soms al iets weg van het spel. Zo verwijzen ze naar een belangrijk of opvallend element of geven een idee van wat de bedoeling was. Het Italiaanse "perdi o vinci" (uit de predikatie van ca. 1470-1500) was ongetwijfeld een gokspel; verlies of win, dat was de opzet. "Coquimbert, qui gagne perd" (Rabelais 1534) daarentegen suggereerde het omdraaien van het gebruikelijke spelverloop. Letterlijk luidde het immers: wie wint, verliest. De speler moest er dus voor zorgen dat hij kaarten of slagen vermeed. Bloemrijke benamingen zoals "Tickle-me-quickly", "Whip-her-ginny" (Engeland 1621) of "Ma commère accommodez-moi" (Frankrijk 1718) blijven mysterieus. Dit soort van naamgeving is overigens niet uitgestorven, bijvoorbeeld in "High Low Jick Jack Jenny and the Bean-gun" (VSA 1992). Het kinderkaartspel "Broek van 't gat" (Vlaanderen 1978) laat anderzijds weinig aan de verbeelding over.

 

Het begin, slagenspelen

 

Toen het kaartspel in de 14de eeuw Europa bereikte, ging het uiteraard niet enkel om de kaarten zelf maar om het spel dat ermee werd gespeeld. De introductie van het kaartspel betekende tweeërlei: het speelgoed en het spel; zonder spel hadden deze gekleurde prentjes immers geen betekenis. Hoewel we niet met absolute zekerheid weten wat de Europeanen toen speelden, behoren de slagenspelen in dit continent tot de oudste en meeste verspreide soort kaartspelen. Je kan redelijkerwijs aannemen dat de eerste Europese kaartspelen slagenspelen waren.

 

Enkele basisregels bleven eeuwenlang ongewijzigd voor zo goed als alle slagenspelen. Deze elementen gaan meer dan vermoedelijk terug tot de allereerste in Europa gespeelde kaartspelen:

  • de speler die de slag begint, mag eender welke kaart uit zijn hand uitspelen;
  • iedere volgende speler speelt daarna welgeteld één kaart uit;
  • hij is niet verplicht kleur te volgen;
  • de hoogste kaart van de uitgekomen kleur wint de slag; de speler die de slag wint, begint de volgende slag.

 

Wanneer een spel in slagen wordt gespeeld, bepaalt de kaart met de hoogste waarde wie de slag wint. Speelkaarten vertonen een strakke hiërarchie, nu net zo goed als meer dan zeshonderd jaar geleden. De hoogste rang (heer boven vrouw, 10 boven 9, enzovoort) of de belangrijkste troef (een 2 van de troefkleur gaat boven elke kaart van de andere kleuren) kaapt de slag weg. Het blijft gissen hoe de eerste slagenspelen precies werden gespeeld want wat was de hoogste kaart? Troef bestond nog niet, dus telde enkel de numerieke waarde. Maar wat deed je als twee of meer spelers kaarten uitspeelden met dezelfde rang? Bestond er een of andere oplossing voor dit probleem? Een aantal details staan wel vast. Zo was de aas veruit de minst belangrijke kaart. De aas - het woord is afgeleid van de Romeinse pasmunt "as" - speelde zo'n onbeduidende rol dat hij in veel spelen niet langer van pas kwam. Al in de 16de eeuw kwam de kaart bijna niet meer voor in Duitse kaartspellen. Verder speelde men vroeger tegen de wijzers van de klok in, zoals nu nog gebruikelijk is in Zuid-Europa. Ten slotte speelde men voor geld, gokken was algemeen verspreid.

 

Gokken

 

Het verloop van het spel hangt af van twee factoren: het toeval en de kunde van de speler. Welke kaarten iemand in de hand krijgt, wordt toevallig bepaald. De kundigheid van de speler laat toe, binnen de regels van het spel, het toeval bij te sturen en zijn kansen te benutten. Deze twee fenomenen beheersen de geschiedenis van het kaartspel; in het ene spel overweegt het kanselement, in het andere het verstand van de speler. Vroeger werd door iedereen gegokt, door kinderen en volwassenen, clerus en adel, boer en stedeling. Het mag geen verbazing wekken dat het oudste spoor van het kaartspel in de Nederlanden, de boekhouding van de hertog van Brabant, over geld gaat, geld om speelkaarten te kopen maar ook geld om in te zetten. In de jaren 1380 en volgende kregen de hertog en de hertogin verschillende malen geld uit de schatkist om "te verquarten".

 

Wanneer geld op tafel lag, was de verleiding groot het toeval een handje te helpen. Dat kon op een behoorlijke en op een minder behoorlijke manier. Vals- en beroepsspelers deden hun intrede. Giacomo Casanova (1725-1798) was zo'n "chevalier d'industrie", een beroepskaarter die om zijn inkomsten veilig te stellen enig vals spel niet schuwde. Met grote regelmaat ontstond onenigheid aan de kaarttafel. Gevolg: ruzies, vechtpartijen, gerechtelijke geschillen, soms zelfs moord en doodslag. Bekend zijn de genrestukken met vechtende boeren in dorpscafés, alsof in Vlaanderen niets anders gebeurde.

 

Niettemin verloor het kanselement geleidelijk aan zijn overwicht; de vernieuwingen die het kaartspel aantrekkelijker maakten, vergrootten immers de rol en de invloed van de speler. Bovendien bleek het toeval geen blind, chaotisch monster maar een aan wetten en regelmaat gebonden fenomeen. En wat wetmatig en berekenbaar is, laat zich voorspellen. Blaise Pascal (1623-1662), de Franse filosoof en wetenschapper, boog zich over het probleem van de verdeling van de inzetten bij een voortijdig onderbroken spel. In zijn oplossing formuleerde hij als een van de eersten de beginselen van de kansberekening. De onvoorspelbare fortuin was door de wiskunde bedwongen en herleid tot algemeen geldende regels. Of zoals Pascal schreef: de waarheid is in Toulouse dezelfde als in Parijs.

 

Bij de klassiekers van de gokspelen hoorde "bassette". Van oorsprong Italiaans (Viterbo, 1458) zou het stilaan bekend worden in de rest van Europa. Het werd gespeeld in het Ridotto pubblico in Venetië. Tijdens het carnaval werd het kaartspel getolereerd in het Ridotto; in verschillende zalen kwamen gemaskerde kaarters tijdens de avonduren gokken. Het Ridotto fungeerde als officieel speelhuis, als een casino avant la lettre, van 1638 tot 1774. Casanova behoorde er tot de klanten. Een latere, vereenvoudigde versie, bekend als "faro", zou de hele 18de eeuw het gokspel met kaarten bij uitstek blijven. Bij "bassette" en faro speelden de kaarters niet zozeer tegen elkaar, als wel tegen een "bankier". Het gokken kreeg hierdoor een gecontroleerd, georganiseerd karakter. De bankier had volgens de regels een klein voordeel op de andere spelers; klein, maar belangrijk genoeg om na langere tijd een beduidend hogere winst op te strijken. Vanzelfsprekend kozen de casino's voor kaartspelen met een bankier en legden ze permanent beslag op deze post.

 

Het bekendste gokspel tegenwoordig is natuurlijk poker. Hoewel Amerikaans (Louisiana, ca. 1830), had het verschillende Europese voorlopers. Andere gokspelen vereisen slechts een minimale hoeveelheid techniek, bij poker is het meer een kwestie van psychologie. Meer nog: onbeholpen spelen, je gedragen als beginneling schijnt nogal eens de andere spelers in de war te brengen waardoor je je winstkansen flink kan verhogen. Op de een of andere manier moet je er de anderen van overtuigen dat je de beste kaarten in de hand hebt.

 

Een adellijk idee, troef

 

Het tarokspel bracht een belangrijke vernieuwing in het kaartspel. Tarok (Ferrara, 1442) ontstond aan de adellijke hoven van Milaan en Ferrara, bij de families Visconti en d'Este, in de loop van de eerste helft van de 15de eeuw. Het spel heette aanvankelijk "trionfi"; pas na 1500 en om nog onverklaarde redenen kwam de term "tarocchi" of tarok in voege. Aan een spel met vier kleuren van elk tien puntenkaarten en vier figuurkaarten (boer, ruiter, vrouw en heer) werden 22 extra kaarten toegevoegd. Deze extra kaarten waren versierd met allerlei symbolische voorstellingen. De volgorde en de benamingen van deze kaarten wisselden wel eens en ook de afgebeelde onderwerpen verschilden. Pas later werd de gewoonte om de extra kaarten te nummeren een algemeen gebruik. De extra kaarten waren de eigenlijke "trionfi"; zij triomfeerden over alle andere, zelfs hoge kaarten en konden deze nemen of slaan.

 

"Trionfi" of tarok was de geboorte van troef. De kaarten waren niet langer gelijkwaardig; de bijkomende reeks, de vijfde kleur, werd tot permanente troef verheven. De spelers moesten kleur volgen of indien dit niet kon troef spelen. Enkel de 22ste extra kaart, de "dwaas", kon een speler ontslaan van deze verplichtingen. Met de dwaas kon een speler een hoge kaart in bescherming nemen of beletten dat hij een troefkaart moest afleggen. De dwaas kreeg hierdoor in het Frans de bijnaam "l'excuse", wat in Duitstalige gebieden tot "Sküs" en soortgelijke werd vervormd.

 

Het tarokspel, Noord-Italiaans en van hoge adellijke geboorte, werd in grote delen van Europa bekend, behalve op het Iberisch schiereiland, in de Balkan en Groot-Brittannië. Tegenwoordig is het in vele streken uitgestorven, maar het geniet nog steeds grote populariteit in Italië, Frankrijk en Oostenrijk. In de Nederlanden werden tarokkaarten gedrukt vanaf de 18de eeuw. Omwille van fatsoensoverwegingen verdwenen paus en pausin als troeven en werden ze vervangen door de god Bacchus en de Spaanse Kapitein (een figuur uit de Commedia dell'Arte). Tot het begin van de 20ste eeuw verschenen spelregels in het Nederlands, nu is tarok blijkbaar compleet uitgestorven in de Nederlanden.

 

Voor het spel zelf was het onbelangrijk wat precies op de troefkaarten stond. Mettertijd sleet de aantrekkelijkheid van de traditionele symbolische voorstellingen. Vanaf de 18de eeuw doken dan ook heel andere motieven op zoals landschappen, klederdrachten of dieren. Ook de nog steeds gebruikte Italiaanse kleuren (stokken, munten, zwaarden en bekers) moesten het afleggen tegen de intussen ruim ingeburgerde Franse kleuren.

 

Het tarokspel is niet meer overal een succesnummer, troef blijft onaantastbaar. Het idee bleek zo belangrijk en aantrekkelijk dat het zich nog sneller dan het tarokspel verspreidde. In plaats van een extra reeks kaarten, die permanent troef vormde, kon de kracht van troef net zo goed aan een bestaande kleur en wisselend worden toegekend, bijvoorbeeld door de laatst uitgedeelde kaart de troefkleur te Iaten bepalen. Troef werd dan ook opgenomen in al bestaande spelen. Het tarokspel wordt hoe langer hoe minder door het brede publiek in het westen als een kaartspel herkend, maar veeleer als een hulpmiddel bij waarzeggerij, zelfmeditatie en allerlei andere occulte toestanden. Pas in 1781 legde Antoine Court de Gébelin (1725?-1784), een Frans auteur, voor het eerst een verband tussen het tarokspel, dat hij niet kende, en geheime "oeroude" kennis. Deze opvatting bleef een sluimerend bestaan leiden in de beperkte en geïsoleerde groepjes van occultisten. Pas in het kielzog van mei 1968 werd tarok in enkele jaren tijd een absolute topper als "geheim" medium. Nu wordt op grote schaal geloofd dat tarok de kennis van de priesters uit het oude Egypte in code bevat, dat de kaarten je diepste roerselen kunnen blootleggen, dat ze bij correct gebruik je toekomst onthullen en soortgelijke nonsens.

 

Huursoldaten aan slag, karnuffel

 

Het idee troef, gelanceerd met het tarokspel, hing blijkbaar in de lucht. "Karnöffel" of karnuffel gebruikte een soortgelijk principe: een aantal kaarten, niet een volledige reeks of kleur, herschikt in een ongebruikelijke volgorde, kreeg een soort van troefkracht. Het idee waarbij bepaalde kaarten andere kaarten in waarde overtreffen en kunnen slaan buiten hun logische of natuurlijke rangorde was dus misschien niet volledig nieuw toen het tarokspel ontstond, de uitwerking van troef in de vorm van tarok was dat echter wel. "Karnöffel" werd voor het eerst vermeld in 1426 in Nördlingen (Zwaben), toen het stadsbestuur toeliet dat het spel tijdens de jaarmarkt werd gespeeld. Het kaartspel was bekend in Zuid-Duitsland en Zwitserland en vanaf het einde van de 15de eeuw raakte het steeds noordelijker verspreid, onder meer in de Elzas en in Keulen; nog later bereikte het onder meer Friesland. Intussen, na een carrière van enkele eeuwen, raakte het spel in onbruik, het wordt tegenwoordig enkel nog in afgelegen delen van Zwitserland gespeeld.

 

Bij kaartspelen was het gebruikelijk dat de hoge kaarten de lagere konden slaan; bij karnuffel werd deze natuurlijke orde echter omgekeerd en sloegen de lagere de hogere kaarten. Een waarlijk revolutionair spel in een chaotische periode! Het spel was bovendien erg populair bij de huursoldaten, ruw en ongeregeld voetvolk maar onmisbaar tijdens de godsdienstoorlogen. Het kaartspel kreeg een bijzonder slechte reputatie en kwam in de vuurlinie van de predikanten en moralisten te liggen. Wat was er nu zo wereldschokkend aan dit kaartspel? Een van de kleuren kreeg een soort van troefwaarde tijdens het spel. Mogelijk werd de kleur aangeduid tijdens het delen door het omdraaien van een kaart; in ieder geval ging het om een veranderlijke troefkleur. Van deze kleur hadden bepaalde kaarten een bijzondere kracht; zij konden andere kaarten slaan en kregen een naam om hun bijzondere functie te onderstrepen (keizer, paus, duivel). Bij "Karnöffel" was er dus sprake van een gedeeltelijke troefkleur waarbij de troefkaarten een verschillende kracht hadden. Zo werd de 2 "keizer" genoemd en kon ze de andere "keizers" slaan en ook de koningen en "Obers" (de hoogste boeren); de 6 of de "paus" sloeg allen, behalve de duivel en de karnuffel; de "duivel" of 7 nam niets en kon door geen enkele kaart worden genomen behalve door de karnuffel; de karnuffel ten slotte (de laagste boer) sloeg allen. De natuurlijke orde was hierbij wel drastisch door elkaar geschud; de keizer moest voor de paus onderdoen; de paus kon de duivel niet nemen en de duivel kwam het spel ongeslagen door tenzij hij werd genomen door de laagste boer. En deze laagste boer, geïdentificeerd met een huurling, ging boven allen, hij nam duivel, paus, keizer, koning en boer.

 

Omber of het bieden

 

Na troef ontstond in de 17de eeuw een volgend belangrijk nieuw spelidee bij het Spaanse omber of "tresillo". Voor het eigenlijke spel begon, boden de spelers tegen elkaar op; ze bepaalden welk aantal punten of slagen ze dachten te halen. Door het optrekken van het bod werd de kans om dit ook effectief te halen steeds kleiner. Met omber deed het bieden zijn intrede en dankzij het bieden werd een partij riskanter en boeiender. Omber ontwikkelde zich geleidelijk van een eenvoudig tot een veel complexer spel. Aanvankelijk werd de troefkleur volledig toevallig bepaald; de laatst uitgedeelde kaart werd omgedraaid en gaf de troefkleur aan. Een volgende stap maakte het de spelers mogelijk de troefkleur te weigeren. Ten slotte mocht de speler die het hoogste bod deed en dus het meeste risico's wou nemen tijdens het spel zelf troef kiezen.

 

Bij het bieden is het de bedoeling zelf je troef te bepalen. Vanzelfsprekend kiest elke speler een kleur die het beste bij zijn hand past. De speler die het hoogste bod doet, gaat in ruil een "contract" aan: hij verbindt er zich toe minimum een bepaald aantal slagen te halen. Hoe hoger het bod, hoe groter het risico is. De speler die het hoogste bod maakt, moet dit ook uitvoeren. Hij doet dat alleen tegen de andere spelers of met een partner. Pas na afsluiting van de biedronde begint het spelen met de kaarten zelf.

 

In de ontwikkeling van het kaartspel vormde het 17de-eeuwse omber een belangrijk scharnier door het lanceren van het bieden. Dit idee werd overgenomen in andere kaartspelen zoals tarok of whist en zou tot grote bloei komen bij bridge. Omber verrijkte de taal tevens met enkele typische kaarttermen, zoals "matador" (kaarten met een bijzondere waarde, bijvoorbeeld de hoogste troeven) of "nel" (de negen van de troefkleur).

 

De nieuwe speler, whist

 

In 1742 raakte Londen in de ban van whist. Pas 150 jaar later zou de ster van dit spei beginnen te verbleken en zijn trotse reputatie kwijtraken aan een nieuwe komeet, met name bridge. Verantwoordelijk voor de whistrage was Edmond Hoyle (1672?-1769). Hij bedacht het spel niet, dat bestond al; maar hij wist het met een uitgekiend commercieel talent te promoten, beginnend bij de hoogste lagen van de bevolking. Hoyle publiceerde in 1742 zijn Short treatise on the game of whist. Aanvankelijk verscheen het anoniem, maar dat zou snel veranderen. Na een jaar kende het boekje al vijf drukken en spoedig doken piraatedities op. Hoe succesvol de publicatie ook was, tegenwoordig behoren de eerste drukken tot de absolute rariteiten van het gedrukte woord. Hoyles Short treatise legde overigens niet uit hoe whist werd gespeeld, dat werd als bekend verondersteld; wel gaf de auteur aanwijzingen of "regels" voor een goed en succesvol spel, kansberekening, tactische aanduidingen en voorbeelden. Ze gingen van algemene vuistregels tot zeer concrete gevallen. Hoyles regels hebben nu, ruim 250 jaar later, veel van hun glans verloren. Ze zijn dan ook (en vaak onbewust) gemeengoed geworden bij geroutineerder kaartspelers. Is Hoyle wat dat betreft achterhaald, dan is dat alleen maar omdat hij zijn beginselen succesvol heeft weten te verkopen.

 

Dankzij whist, gespeeld in twee paren, raakte het woord "partner" opgenomen in het Nederlands. Whist lag ook aan de basis van een culinaire specialiteit. John Montagu (1718-1792), vierde graaf van Sandwich, was een verwoed speler die zijn partijen liever niet onderbrak, zelfs niet voor een maaltijd. Het personeel kreeg daarom de opdracht brood met beleg klaar te maken en tijdens het spel te serveren; de edelman kon terzelfder tijd eten en spelen. Deze maaltijd "op zijn Sandwich" werd geboren in 1762, toen de graaf in Bath 24 uur ononderbroken zat te whisten. De sandwich wordt intussen ook door niet-kaartspelers geapprecieerd.

 

Whist markeert een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van het kaartspel. De eenvoud die het spel uitstraalt, is behoorlijk misleidend want whist is allerminst een simpel spel. Met whist verschuift het accent radicaal van eenvoudige spelen waarbij het toeval een hoofdrol speelt, naar spelen die van de speler aandacht en inzicht vereisen. Het is dankzij strategie, cijferwerk, hersengymnastiek en ervaring dat een kaarter het toeval kan bezweren, zijn slagen kan halen en het spel boeiender en uitdagender wordt. Hoewel deze evolutie in feite allang aan de gang was, mogen Hoyle en de toenmalige whistrage als een keerpunt worden beschouwd.

 

Het kaartspel whist domineerde tot het einde van de 19de eeuw de kaarttafel. Het sprak snobs aan, professoren, spelletjesgekken en iedereen die er bij wilde horen; het sprak meer mannen dan vrouwen aan. In 1879 schreef Cavendish, pseudoniem van Henry Jones (1831-1899), een andere whist- en kaartgoeroe, dat whist de koning van de kaartspelen was en nog lang deze titel zou voeren. Niets bleek minder waar, omstreeks 1890 begon bridge-whist opgang te maken, gevolgd door andere voorlopers van het huidige bridge. De 20ste eeuw behoorde niet meer aan het whistspel maar aan bridge.

 

Victoriaans amusement

 

Vanzelfsprekend speelde niet iedereen whist in de 19de eeuw. Belangrijke andere spelen maakten hun opwachting, zoals poker of skaat (Altenburg, ca. 1810). Typisch voor deze periode was de populariteit van "onschuldige" spelletjes die in gemengd gezelschap konden worden beoefend. Tijdens de 19de eeuw zagen spelen als kwartetten, "Happy families", zwartepieten en dergelijke het levenslicht. Vraag-en-antwoordkaarten zorgden met frivole teksten over liefde en huwelijk voor opwinding bij de Victoriaanse geesten. Kaartwerpen was een ander tijdverdrijf: vanaf een bepaalde afstand gooide ieder om beurt kaarten in een hoge hoed. De 19de eeuw was ook de periode waarin de verschillende patiencespelletjes grote opgang maakten. In deze periode werd de kaartspeler nog op andere manieren verwend. Hij kon voor zijn geliefkoosde tijdverdrijf luxe kaarten kopen met versierde azen, fantasievolle ruggen in vele kleuren, verguld op snee en verpakt in schitterde etuis, inclusief ivoren speelmuntjes. Dit had alles te maken met de impact van de industriële revolutie. Wie de 19de eeuw enkel beschouwt als een periode van roet en ellende vergist zich. De kwaliteit, fantasie, kleurenweelde en verscheidenheid werden naderhand niet meer geëvenaard.
 


DE FABRICAGE VAN SPEELKAARTEN

 

 

Prenten en speelkaarten
 

In de late Middeleeuwen ontstond een handel in religieuze prenten. Onder meer in het Rijnland en de Bourgondische Nederlanden werden afbeeldingen van heiligen gedrukt met houtsneden. Hoewel de oudste nog bekende drukwerken er dateren van omstreeks 1420, werd al in de 14de eeuw met deze methode gewerkt.

 

Houtsneden werden overigens in China veel eerder toegepast dan in Europa. In het westen werd het procedé voor het eerst toegepast bij het bedrukken van textiel en bij het maken van prenten. De stoffen werden aanvankelijk bedrukt met houten drukvormen, gemaakt uit perelaar. Naderhand kwamen gegraveerde metalen platen in gebruik. In het begin van de 14de eeuw werd overgeschakeld naar houtsneden op groot formaat. De methode om heiligenprenten te maken was eenvoudig en vereiste geen uitgebreide uitrusting. Uiteraard was een houtblok nodig, verder inkt, meestal gemaakt op basis van roetzwart en lijnolie; verven en borstels voor het inkleuren en scharen om de prenten op formaat te knippen. Opschriften werden aanvankelijk met de hand toegevoegd; naderhand werden ze uitgesneden in het hout en samen met de prent gedrukt. Bij de houtsnede of xylografie werd de drukvorm meestal gemaakt van een beuk of van fruitbomen, zoals peren-, kersen- of lindehout. Men gebruikte een blok of plank die "langs" was gezaagd, met de nerf mee. Het blok werd ingeïnkt en afgedrukt op een papier, met de hand en met behulp van een wrijver of rijver. Pas later kwamen er drukpersen aan te pas.

 

De afzetmarkt van heiligenprenten was groter dan die van de handschriften, die zich richtten tot een zeer select, welstellend en geletterd publiek. De houtsneden met heiligen beantwoordden aan de noden van de grote massa. De prenten hielpen het geloof aanschouwelijk maken bij het gewone volk; de afbeeldingen beschermden ook huis en haard en waren gegeerde souvenirs voor pelgrims op bedevaart. De aanmaak van en de handel in religieuze afbeeldingen nam behoorlijke afmetingen aan; nochtans bleef van deze florissante "industrie" zo goed als niets over. Naast dit godsdienstige drukwerk moet ook snel een handel zijn ontstaan in prenten met een seculiere inhoud. Het is waarschijnlijk in deze branche dat de eerste kaartenmakers moeten worden gezocht. Net zoals religieuze prenten waren speelkaarten populaire producten, in grotere hoeveelheden aangemaakt en vrij primitief van afwerking. De fabricage van speelkaarten kon een winstgevende aanvulling zijn op het traditionele assortiment van de prentenmakers.
 


Houtgravure

 

De houtgravure was een bijzondere, afgeleide vorm van de houtsnede, ontstaan tegen het einde van de 18de eeuw. Hierbij gebruikte men "kops" gezaagd hout, dwars op de nerf gezaagd hout. De boom werd niet meer langs zijn lange zijde gezaagd, zoals voor een plank, maar dwars. Hierbij werd ander, harder hout gebruikt, vaak palmhout. De drukvorm overtrof de hardheid van koper en benaderde die van staal. Hierdoor werd in het hout niet langer gesneden maar diende het aangepakt met aangepast gereedschap. Het hout werd met een burijn - vandaar gravure - bewerkt, wat veel meer detail en verfijning toeliet.

 

Houtgravures leverden mooier drukwerk op dan houtsneden; ook speelkaarten kregen hierdoor meer detail en verfijning. Omdat een palm traag groeide, beschikte de drukker slechts over blokjes van kleinere afmetingen. Voor grotere formaten werden verschillende blokken aan elkaar gelijmd of gevezen.
 


Kleuren

 

Van een kaartspel werden enkel de contouren van de figuurkaarten gedrukt. Dit gebeurde vroeger meestal in het zwart, soms ook in het blauw. Deze omtrekken werden ingekleurd met sjablonen. De puntenkaarten, uitgevoerd in één enkele kleur, kregen hun rood of zwart eveneens met sjablonen. Sjablonen waren dan ook een onmisbaar hulpmiddel. Bij het sjabloneren van de figuurkaarten werden tot vijf kleuren gebruikt, voor puntenkaarten was één kleur genoeg, met name rood of zwart. De aanmaak van de kleuren uit pigmenten en bindmiddelen werd in de kaartenmakerijen zelf gedaan. In de Turnhoutse bedrijven deden overigens dezelfde kleuren dienst voor zowel speelkaarten als voor volksprenten, fantasie- en marmerpapier.

 

Het aanbrengen van de kleuren met een drukpers werd in Europa pas gebruikelijk in de 19de eeuw, na de introductie van de lithografie. In Turnhout werden speelkaarten tot in 1918 gesjabloneerd omdat het procédé zo goedkoop was. De kosten van dit handwerk, betaald per stuk en vaak uitgevoerd door vrouwen, wogen immers niet op tegen de aankoop van een drukpers.
 


Drukpersen

 

Van de oudste drukpersen is niets bewaard gebleven. Zo weten we niet hoe de boekdrukpersen van Johannes Gutenberg (ca. 1395-1468) waren gebouwd. Uit latere bronnen kon men opmaken dat houten machines werden gebruikt. Bij deze persen werd een verticale beweging veroorzaakt door een schroef. Hierdoor kon de drukker een plank (de degel) tegen de drukvorm persen, een vorm die er horizontaal onder was geschoven. Het gebruik van houten schroeven bij de oudste drukpersen was ongetwijfeld afgekeken van oudere persen, zoals de vruchten- of oliepersen.

 

Van de 15de tot aan het einde van de 18de eeuw veranderden de drukpersen niet essentieel. Toch werden voortdurend verbeteringen bedacht en aangebracht. Met name in Engeland en de Nederlanden gebruikten de bouwers van drukpersen ijzer in plaats van hout voor de meest belaste stukken van de machines. Voorbeelden hiervan zijn te zien in het Museum Plantin-Moretus in Antwerpen. Vanaf omstreeks 1550 zou de houten schroef geleidelijk worden vervangen door een ijzeren. Andere belangrijke vernieuwingen in dit verband zouden zijn bedacht door Willem Janszoon Blaeu (1571-1638). Hij verbeterde de overbrenging van de druk van de boom op de degel. Voordien draaide de spil in een houten rechthoekig blok of bus (door de Engelse drukkers "box-hose" genoemd). Met Blaeu werd de "Blaeu-hose" of Blaeu-kraag geïntroduceerd. Hierbij werd de degel bediend door twee metalen stangen, die met elkaar en met de spil waren verbonden en via drie gaten in de brug tot aan de degel liepen. Deze stangen of "stijltjes" waren met koorden of bouten aan de vier hoeken van de degel verbonden. De persen met het systeem-Blaeu bleken vooral in gebruik in de Nederlanden, vandaar de benaming Hollandse persen.
 

 

Metalen persen

 

Met de industriële revolutie begon een ingrijpende evolutie die momenteel nog steeds onverdroten verdergaat. De toenemende kennis van mechanica en metallurgie leverde essentiële vernieuwingen op in de constructie van de drukpersen. Vooral in de jaren 1770-1820 werden belangrijke verbeteringen op punt gesteld, onder meer in Duitsland en Engeland. De houten persen, hoewel voorzien van verschillende metalen onderdelen, raakten voorbijgestreefd. Met volledig metalen persen kon immers een grotere drukspanning worden ontwikkeld en kon bovendien sneller worden gewerkt. De schroef raakte in onbruik. In 1804 bouwde de Engelsman Charles, derde graaf van Stanhope (1753-1816), de eerste volledig metalen drukpers. En omstreeks 1815 onttroonde George Clymer in Philadelphia de schroef. Zijn drukpers was voorzien van een kniegewricht. Clymer doopte zijn type drukpers "Columbian". Op 1 november 1817 nam hij hierop in Groot-Brittannië een patent.

 

Snelpersen

 

De Sakser Friedrich Gottlob Koenig (1774-1833) kwam in november 1806 aan in Londen. De Britse hoofdstad, toen zowat het Mekka van de druktechniek, lokte boekdrukker Koenig. Uit onvrede met de bestaande drukpersen was hij aan het experimenteren gegaan. Hij hoopte in Londen partners en de nodige middelen te vinden zodat hij zijn pogingen om een verbeterde pers te construeren kon verwezenlijken. Samen met zijn vriend en compagnon Andreas Friedrich Bauer (1783-1860) voerde Koenig allerlei proeven uit. Uiteindelijk kreeg hij de ingeving af te stappen van het traditionele principe vlak-tegen-vlak en in plaats daarvan vlak-tegen-cilinder te drukken. Een prototype was in december 1812 klaar.

 

Ook John Walter, uitgever van de krant The Times, bekeek de experimentele drukpers. In 1813 bestelde hij bij Koenig twee persen met elk twee cilinders, dubbelpersen, te bouwen op basis van het proefmodel dat slechts één cilinder had. Het contract voorzag £ 1.100 per pers indien ze binnen het jaar werden geleverd en een drukcapaciteit sneldrukpersen hadden van 1.100 vel per uur. Pas na twintig maanden konden Koenig en Bauer de drukmachines leveren. De constructie verliep niet altijd volgens wens. Niet alles stond immers al op punt, integendeel; bovendien moest elk onderdeel apart met de hand worden vervaardigd. De krant installeerde de twee nieuwe drukpersen in een apart lokaal, waar ze werden aangedreven door een stoommachine. Hieraan dankte de pers van Koenig zijn naam "Steam-press". Op 28 november 1814 werd The Times voor het eerst op de nieuwe machines gedrukt. Het goed en snel gedrukte resultaat overtuigde iedereen. Met deze cilinderpers was de eerste snelpers geboren. De handbediende drukpersen zouden langzaam maar zeker uit de drukkerijen verdwijnen. Zelf keerden Koenig en Bauer terug naar Duitsland, waar ze de allereerste fabriek van druk- en papiermachines zouden uitbouwen.

 

Lithografie

 

De acteercarrière van Alois Senefelder (1771-1834) bracht onvoldoende op, maar, zo ontdekte hij, als schrijver van toneelstukken kon hij meer verdienen. Hij begon te experimenteren met druktechnieken omdat hij zijn manuscripten goedkoop en snel wilde drukken, wat bij de traditionele drukkers blijkbaar niet lukte. In de loop van de jaren 1796-1798 ontwikkelde Senefelder de lithografie en hij zou tot zijn dood bezig blijven met experimenteren.

 

De tot dan bekende drukprincipes waren gebaseerd op een reliëfverschil. De te drukken gedeelten werden in een plaat gesneden, zoals bij kopergravures (diepdruk); of wat niet mocht worden gedrukt, werd weggehaald, zoals bij houtsneden of stempels (hoogdruk). Met de lithografie doet de vlakdruk zijn intrede. Wat wordt gedrukt ligt op hetzelfde niveau als wat wit blijft. Aan de basis van de lithografie lag een bekend en eenvoudig scheikundig verschijnsel, met name het wederzijds afstoten van vet en water. Senefelder sprak trouwens zelf van zijn "chemische drukkerij". Senefelder gebruikte verschillende soorten steen en probeerde ook andere materialen uit, zoals een "lithografisch karton". Hij kwam terecht bij de groeve in Solnhofen, een plaats in Beieren tussen Neurenberg en Augsburg. Naderhand werd verder geëxperimenteerd met verschillende steensoorten. Toch bleek geen enkel gesteente zo geschikt voor steendruk als de kalksteen uit Solnhofen. Voor steendruk werden verschillende soorten drukpersen bedacht, handpersen in hout of metaal, cilinder- en snelpersen, zelfs reisversies in een koffer. De industriële snelpersen werkten op dezelfde manier als de handpersen. Omdat ze waren verbonden met een motor, oorspronkelijk een stoommachine, draaiden ze continu en konden grote oplagen worden gedrukt.

 

Steendruk kon ook kleurendruk aan, waarbij voor elke kleur een aparte steen nodig was en een aparte drukgang. Met de lithografie kon men sneller en goedkoper drukken dan vroeger, bovendien bleef een steen langer bruikbaar dan bijvoorbeeld een koperplaat. En met lithografie kon daarnaast heel fijn en gedetailleerd werk worden gedrukt zoals muzieknoten, prenten, landkaarten, waardepapieren, reclame en vanzelfsprekend ook speelkaarten. De steendruk veroverde in de 19de eeuw de drukkerswereld; in alle grote drukkerijen werd tot in de 20ste eeuw met deze techniek gewerkt. Tegenwoordig is de lithografie industrieel achterhaald en opgevolgd door offset (van het Engelse "to set off"). Deze techniek is nagenoeg gelijk aan steendruk; in plaats van een steen wordt echter een metalen plaat (zink of aluminium) gebruikt die een afdruk maakt op een rubberen rol, die op zijn beurt de afdruk doorgeeft aan het papier. Ook offset behoort tot de familie van de vlakdruk. De drukplaat krijgt eerst een waterlaag en daarna een inktlaag. Zoals bij steendruk stoten water en vette inkt elkaar af.
 


Het tijdperk van de fabrieken

 

Speelkaarten werden oorspronkelijk meestal met houtsneden gedrukt, in de loop van de 19de eeuw met lithografie en in deze eeuw met offset. Houtsneden konden perfect afgedrukt worden zonder drukpers, met name met wrijfdruk. Kaartenmakers kochten vanzelfsprekend geen dure drukpersen als er een goed en goedkoop alternatief was. Tot in de 18de eeuw werkten bijvoorbeeld de Franse kaartenmakers zonder drukpers. Ook kopergravures werden gebruikt voor speciale spellen, zoals educatieve kaarten, en voor kaarten die fraudebestendig moesten zijn omwille van de belastingen. In de 19de eeuw, met de opkomst van snelpersen, stoommachines en lithografie, veranderde de situatie ingrijpend. De industriële revolutie maakte van speelkaarten echte fabrieksproducten en de oude technieken zoals het middeleeuwse sjabloneren raakten definitief in onbruik. Ontwikkelingen in de chemie, de uitvinding van de fotografie, de opkomst van computers en dergelijke hebben het oude ambacht van kaartenmaken onherroepelijk veranderd.

 

Stoommachines

 

Tot in de 18de eeuw werd energie geleverd door mens en dier, door wind en water. Aan het einde van die eeuw, met de opkomst van de industrialisatie, voelde men vooral in Engeland de behoefte aan een krachtige energiebron. De stoommachine bood het perfecte antwoord, met name een sterke motor die efficiënt werkte en permanent energie leverde. Stoom en de kracht van stoom waren al van in de oudheid bekend. De eerste industriële toepassingen ontstonden in Engeland in de mijnbouw. De vuurpomp van Thomas Savery (ca. 1650-1717), gebrevetteerd in 1698, en de atmosferische stoommachine van Thomas Newcomen (1663-1729) uit 1712 bleken niet probleemloos te werken. Ze vereisten een omslachtige bediening, werkten niet continu en verslonden grote hoeveelheden energie. Dankzij enkele belangrijke verbeteringen van verschillende werktuigbouwkundigen kwam de oplossing in zicht. Uiteindelijk zou de instrumentenmaker James Watt (1736-1819) ze verwezenlijken. Door een aparte condensor te bouwen in 1765, creëerde hij een machine die kon concurreren met het paard. Watt kreeg een patent voor zijn nieuwe machine in 1769, uitgebreid in 1775. De eerste universeel bruikbare stoommachine werd in 1782 gebouwd in Soho (Birmingham) bij de firma van Watt en zijn partner en geldschieter Matthew Boulton (1728-1809).

 

Tot aan het einde van de 19de eeuw bleven uitvinders en constructeurs sleutelen aan verbeteringen. Zo bouwde Jonathan Hornblower (1753-1818), een fervent concurrent van Watt, een machine met twee cilinders die om beurten werkten. Hij gebruikte lage druk, wat geen besparingen opleverde. Arthur Woolf (1776-1837) werkte het idee verder uit in 1803 met hoge druk. In 1811 construeerde hij met succes een compound machine, een stoommachine met twee cilinders, voor hoge en lage druk. Hierdoor kon het warmteverlies fors worden beperkt.

 

De stoommachine zette warmte of thermische energie om in mechanische energie. Aan deze "vuurmachine" zat een groot rad, het vliegwiel, dat de gelijkmatigheid van de draaiende beweging bevorderde. De constante draaibeweging werd door een systeem van wielen, assen en banden, de transmissie, van de stoommachine overgebracht naar de andere apparaten. De machine was niet gebonden aan plaatsen waar water en wind voorhanden waren. Daardoor kon de industrie zich ook vestigen binnen een veel ruimer gebied dan de klassieke wind- en watermolens. Enkel de aanvoer van brandstof (kolen of hout) moest worden verzekerd.

 

Een ander aspect luidde het tijdvak van de fabrieken in; de productiemachines dienden zo dicht mogelijk bij de energiebron zelf te worden opgesteld. Dit was nodig om de beweging van de stoommachine efficiënt en met een minimum aan energieverlies over te brengen. Hierdoor werd de productie geconcentreerd rond de stoommachine en zo ontstond de fabriek in de moderne betekenis. Bijkomend zorgde de stoommachine voor verwarming en dicteerde de stoomfluit begin en einde van de werktijden. Stoommachines kregen een ruime toepassing bij het vervoer, de mijn- en landbouw, de aan- en afvoer van water, in de amusementswereld en de industrie. Omstreeks 1800 draaiden al ruim 1.000 stoomtuigen in Engeland; in de Zuidelijke Nederlanden waren er dat een zestigtal, voornamelijk in Wallonië. In Turnhout verschenen de eerste stoommachines in de grafische industrie (Glénisson & Van Genechten, 1852; Brepols, 1853). De stoommachine lag aan de basis van de industriële revolutie; zonder deze machine zou de industrialisatie onmogelijk zijn geweest. Wetenschap en techniek stonden intussen niet stil. Tegen het einde van de 19de eeuw kreeg de stoommachine concurrentie van diesel- of gasmotoren en van de elektriciteit. Niettemin bleven verschillende stoommachines in dienst tot ver in de 20ste eeuw.
 


De verdere afwerking

 

Met het maken van een afdruk heb je natuurlijk nog geen speelkaart. Het verdere productieproces wordt hierna in heel grote lijnen geschetst. Goed en bedrukbaar karton bestond niet voor omstreeks 1900. Kaartenmakers zorgden daar zelf voor door verschillende vellen tegen elkaar te lijmen, totdat ze de juiste dikte en stevigheid hadden. Ofwel kleefden ze een voorkant tegen een rugzijde, ofwel plakten ze tussen een flinterdunne voorkant en een al even dunne rugkant een of meer tussenlagen. Het tussenstuk bestond dan uit papier van een mindere kwaliteit, soms grauw van kleur of zelfs zwart geverfd zodat de kaarten geen licht doorlieten. Overigens lijmde de kaartenmaker die vellen nadat het papier van de voor- en rugzijden al was bedrukt. Het aan elkaar geplakte, zelfgemaakte karton heette bordpapier. Ook de lijm maakten de kaartenmakers zelf, bijvoorbeeld uit aardappelen of slachtafval. Om de vellen mooi vlak tegen elkaar te plakken en om bulten te vermijden, werden de ingelijmde vellen op elkaar gelegd en platgedrukt in een kartonpers. Deze machine met een grote schroef, aanvankelijk in hout maar vanaf de 19de eeuw in metaal, was net als de drukpersen gekopieerd van de vruchten- en wijnpersen. Zowel na het lijmen als na het drukken werden de vellen gedroogd. Meestal gebeurde dit op de zolders, waar men de vellen in een stofarme, goed geventileerde ruimte ophing. Na de komst van de stoommachines hoefden de kaartenmakers niet meer rond te zeulen met extra kacheltjes; de warmte die werd opgewekt voor het maken van stoom werd via buizen permanent afgeleid naar de droogzolders.

 

Om kaarten soepel en goed schuivend te maken, smeerde men de kaarten in met een zeepoplossing. Daarna werd het vel opgewarmd en de zeeplaag onder druk uitgewreven; de kaartenmaker deed dit door met een steen over het vel te glijden of te "overwassen". Het apparaat waarmee dit gebeurde, heette "keilik". Deze likmachine bestond uit een solide tafel waarop een stuk gepolijst, zwart marmer lag. De liksteen zelf was een zwarte kei, een stuk silex of vuursteen, die op een harde zandsteen was geslepen zodat de onderkant die het papier raakte de vorm had van een gladde kwartcirkel. Zowel de voorkant als de rug werden gelikt. In de 19de eeuw werd dit handwerk overgenomen door aangepaste machines. Het inzepen gebeurde met een "overwas" waaraan een droogband was verbonden van tientallen meters lang. Likmachines zorgden voor de glanslaag, zowel voor vellen (speelkaarten) als voor papier op rol (sierpapier).

 

Vervolgens werden de vellen speelkaarten versneden. Aanvankelijk gebeurde dit met handscharen van groot formaat; vanaf 1850 kwamen machinale scharen in gebruik, voorzien van roterende mesjes. Het snijden gebeurde in twee stappen; de vellen werden eerst in repen gesneden (grote schaar), daarna de repen in afzonderlijke kaarten (kleine schaar). Na het snijden volgde het "rapen" van de kaarten. De afzonderlijk gemaakte puntenkaarten, figuurkaarten en eventuele jokers werden samengebracht tot een volledig spel. Dit had alles te maken met de vroegere productiemethodes; figuren werden gedrukt en gesjabloneerd, punten enkel gesjabloneerd. Vanaf de 19de eeuw, met de lithografische veelkleurendruk, had deze gescheiden aanmaak geen zin meer.

 

Tijdens het snijden en rapen controleerden de arbeiders de kaarten op kwaliteit. Misdrukken werden vervangen, het afval ging terug naar de papiermolens, terwijl slechte kaarten ook per kilo als pannenlikkers werden verkocht. De afmetingen van kaarten die met handscharen waren gesneden, bleken weleens ongelijk. Met machinale scharen bestond dit euvel niet langer en omdat de kaarten perfect even groot waren, kon de kaartenmaker de hoekjes verwijderen. Rechthoekige kaarten waren immers aan de hoeken kwetsbaar en kregen ezelsoren. Een arbeider klopte met een beitel met ronde tand (een gouge of guts) de hoekjes van de kaarten, samengeperst in een "hoekklem", af in één slag en met de hand. De afgeronde hoekjes werden soms verguld, ofwel met echt goud, ofwel met brons. Als lijm werd gerot eiwit gebruikt. De echte luxe kaarten werden verguld op snee geleverd. De afgewerkte kaarten werden in een papieren omslag of wikkel verpakt en voor verkoop en verzending nog eens per zes of per twaalf.

 

Kaarten moesten stevig en ondoorzichtig zijn, vlot in de hand liggen, netjes gekleurd, goed gedrukt en afgewerkt zijn en tegen een stootje kunnen. Dit alles vroeg van de kaartenmakers veel aandacht en zorg. Maar omdat kaarten goedkoop waren en er op een spel weinig werd verdiend, hadden de kaartenmakers er alle belang bij dat terzelfder tijd flink werd doorgewerkt. Een tegenstrijdige opdracht die tegenwoordig niet anders is: snelheid en kwaliteit leveren. In het midden van de 18de eeuw maakte een arbeider, als hij goed doorwerkte en het papier gebruiksklaar ter beschikking lag, ongeveer 60 spellen van 32 kaarten op een werkdag van 13 uur. In 1910, na de industriële revolutie, produceerde Turnhout tussen 13.000 en 18.750 spellen per dag. Intussen ligt dit in 1997 ruim boven de 600.000 spellen. Vreemd genoeg veranderde het percentage afval al die eeuwen nauwelijks en schommelt het nog steeds rond 10 procent.

 

Vanaf de jaren 1950-1960 kwam de grafische industrie in een nooit geziene stroomversnelling. Steeds meer onderdelen raakten geautomatiseerd; computers begonnen de drukpersen te controleren, ontwerpers ruilden hun potloden in voor beeldschermen en zetmachines belandden op de schroothoop. Grafische apparatuur heeft tegenwoordig een levensverwachting van minder dan tien jaar, dan zijn de machines compleet uit de tijd. De opkomst van het digitale drukken, van fotokopieermachines en printers, belooft zulke ingrijpende veranderingen dat de drukkerij van nu binnen afzienbare tijd misschien wel helemaal niet meer bestaat. Ondanks deze razendsnelle evolutie bewijzen experimenten met kaarten uit kunststof, kaartspelletjes op computer of Internet, digitaal gedrukte kaarten en proeven met "hedendaagse" kaartkleuren dat het kaartspel voorlopig nog niet uit de boot zal vallen. De nooit geziene aantallen kaartspellen die Turnhout dagelijks verlaten, tonen aan dat het spel beantwoordt aan een blijvende behoefte.
 


AUTEURSIDENTIFICATIE

  • Filip Cremers studeerde filosofie en is sedert 1978 als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Nationaal Museum van de Speelkaart. Zijn Studie over speelkaartenmakers in Wallonië werd in 1995 bekroond met de Modiano prijs, een internationale onderscheiding voor onderzoek naar speelkaarten.

NATIONAAL MUSEUM VAN DE SPEELKAART

Druivenstraat 18, 2300 Turnhout

Tel. 014/41.56.21

Fax. 014/41.43.24

www.speelkaartenmuseum.be

Postadres: Campus Blairon 200, 2300 Turnhout