U bent hier

Museum der letteren en manuscripten - In goede papieren

 

In de Koningsgalerij te  Brussel opende vorig jaar het Museum der letteren en manuscripten. Het is voor bezoekers een trip naar alle domeinen van de geest.

 

 

NIEUWE  BESTEMMELINGEN

 

Het Musée des lettres et manuscrits in Parijs, in 2004 opgericht door mecenas en verzamelaar Gérard Lhéritier, heeft sinds september vorig  jaar een belangrijke poot in Brussel. De locatie, een voormalige luxewinkel in de Koningsgalerij, die samen met de Koninginne- en Prinsengalerij de Sint-Hubertusgalerijen vormt, moet niet onderdoen voor de Boulevard Saint­Germain in Parijs. In de negentiende eeuw moest men voor de Sint-Hubertusgalerijen zelfs toegang betalen. De vaste tentoonstelling bevindt zich op de eerste verdieping. Door de halfronde ramen kan men jaarlijks zes miljoen voorbijgangers tellen. Ideale ligging dus voor een museum dat mikt op 60.000 bezoekers per jaar. Terugkomers zijn aangetrokken door tijdelijke tentoonstellingen en afwisseling in de vaste collectie. Na Georges Simenon gaan de eerstvolgende tijdelijke tentoonstellingen over de Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck en Brussel als hoofdstad van de kunsten. Daarnaast vertrekt ook veel waardevol papier op reis, zoals 85 tekeningen van de colorist Marc Chagall naar het Kasteel van Waroux bij Luik.

 

Het is ambitieus om kinderen mee te nemen naar uitgestalde brieven en manuscripten, maar voor hen zijn er aangepaste workshops. Ze dragen namen als 'Ganzenveer' of  'Op ontdekkingsreis naar de letters van het alfabet'. Middelbare scholieren kunnen aan het werk in workshops als 'Latinist' of 'Wetenschappers'. De Bloemlezing die het museum uitgeeft bevat 120 documenten van historische figuren, schrijvers, wetenschappers, kunstenaars en musici. De brieven belanden daardoor weer waar ze thuis horen: op de schoot.

 

 

MEEKIJKEN OVER DE SCHOUDER

 

De ogen moeten in het begin wat wennen aan het overvloedige tekstmateriaal en de weinige visuele blikvangers, maar eens ingesteld op leesmodus volgt de ene verrassing na de andere. De brieven en manuscripten laten meekijken over de schouder van beroemde westerse geesten, terwijl de politieke en culturele geschiedenis voorbijtrekt. Veldheren hergroeperen hun  troepen, kunstenaars en wetenschappers vinden we halverwege hun arbeid.

 

De twaalfde-eeuwse bul van paus Alexander III in het Latijn over de bezittingen en rechten van een  Franse abdij is nog een open brief, en Filips II, koning van Spanje, spreekt in 1566 met een sierlijke  aanhef de verzamelde edelen van het land van Henegouwen aan. Maar dichter bij bijvoorbeeld het  ontstaansproces van de relativiteitstheorie komt men zelden. We kunnen Einsteins berekeningen, doorhalingen en kanttekeningen zien die hij eind  1913, begin 1914 in Berlijn en Zürich noteerde.

 

Henri 'Yours Harry' de Toulouse-Lautrec vertelt  zijn moeder in 1887 over zijn bezoek aan de Belgische schilders Théo van Rysselberghe en Eugène Boch van de avant-gardistische groep Les XX. In een  brief uit 1900 aan zijn vrouw klaagt Claude Monet dan weer over de mist in Londen, waar hij  verblijft om zichten van de Theems te schilderen. En Marie Curie bedankt prinses Edmond de Polignac - Certainement je me souviens de vous - voor haar financiële bijdrage voor de radiologische voertuigen aan het front.

 

Ook de muziek is bijna tastbaar aanwezig. Met veel zwier trekt Beethoven de maatstrepen in een fuga, en zijn handtekening gaat crescendo en eindigt in een punt. Naast originele uitgaven van partituren van Debussy, zijn er manuscripten van Béla Bartók en Ravel. Jacques Brel liet kladjes na van Il neige sur Liège en Mathilde.

 

Van Hugo Claus zijn er verschillende fasen van zijn roman De hondsdagen, en collages zonder woorden die hij aan Denise en Karel Jonckheere opdroeg. Hergé, die het museum niet bij de beeldende kunsten, maar bij literatuur onderbrengt, geeft op zijn eigen briefpapier, gedateerd op  vrijdag middernacht 11 december 1931, een inkijkje in zijn manier van werken. In goed leesbare, nu ja klare, lijnen. Na het verslag van een goed gevulde dag lijkt dat allemaal niets in vergelijking met wat hij de volgende dag allemaal moet leveren. Kuifje in Amerika afwerken, maar ook twee covers, een voor de Belgische scouts en een voor het tijdschrift Le Petit Vingtième.

 

 

SCHRIFTUUR

 

Ook los van de inhoud verklappen de brieven en manuscripten heel wat. Het handschrift van de vader van de psychoanalyse Sigmund Freud is voer voor psychologen, compleet onleesbaar. René Magritte met zijn duidelijk handschrift is bijna een uitzondering (de typemachine van Paul Delvaux is een verademing). We kunnen bijvoorbeeld zelf nalezen hoe hij de Franse schrijver Julien Gracq verzoekt een titel voor een van zijn doeken te verzinnen. Magrittes brieven zijn, zoals bij wel meer beeldende kunstenaars, ook verlucht. Aan de hand van hilarische tekeningen van zes soorten tafels verzet Magritte zich tegen al te strikte artistieke indelingen. Picasso stuurt Apollinaire vanuit Amsterdam een 'bon pour' met daarbij een tekening van een vrouw. Hij zou er de inspiratie opdoen voor La Belle Hollandaise. De pentekeningen uit 1969 bovenop een typoscript zijn van Alechinsky. Hij  laat zich bij deze 'reanimaties', zoals hij ze zelf noemde, leiden door het handschrift van Michel Butor, een Franse experimentele schrijver.

 

Edgar P. Jacobs spreekt Hergé aan met 'Chère vieille chose' in een brief uit 1949 waarin hij de toen fel belaagde striptekenaar moed inspreekt. Ondertekenen doet de auteur van Het geheim van de zwaardvis met een zwaardvis.

 

 

 

GRAFOLOOG IN DE ZAAL?

 

We betreuren het nu al dat veel digitale correspondentie van en tussen hedendaagse kunstenaars, wetenschappers, schrijvers en musici verloren zal gaan, of dat al is. De postbedeling verliep vroeger  wel wat anders. Als de beeldhouwer Auguste Rodin 'Monsieur M. Tardieu à Boitsfort, Belgique' op de envelop schrijft, was dat in 1888 blijkbaar genoeg om aan te komen. In de brief klaagt Rodin zich moe te werken aan De Kus die was besteld voor de Eiffeltoren-Wereldtentoonstelling van 1889.

 

In een museum gewijd aan tekstbronnen, zou men respect voor een correcte spelling en vertaling mogen verwachten. Nederlandstaligen zullen de wenkbrauwen fronsen als Hergés stijl omschreven is als 'duidelijke aflijning', terwijl we al lang vertrouwd zijn met 'de klare lijn'. En Mozart was beslist een wonderkind, maar componeren voor je geboorte is kras.

 

In de bijschriften is de inhoud van een brief soms geparafraseerd, maar niet letterlijk vertaald. Het  handschrift moet men zelf proberen te ontcijferen, iets wat de oorspronkelijke bestemmelingen tenslotte ook moesten doen. Maar vaak blijft de bezoeker daardoor op zijn honger zitten. Zo heeft  Albert Stevens, een Belgische schilder in Parijs, in zijn brief uit 1897 nogal wat aan te merken op zijn tijdgenoten, zo lezen we in het bijschrift. Zonder grafoloog is echter onmogelijk te achterhalen wat.  En we hadden zelf willen lezen dat Freud interesse had voor Einsteins relativiteitstheorie, maar  toegaf er niet veel van te begrijpen. Hij  troostte zich dan maar met de gedachte dat Einstein dan weer niets van psychoanalyse afwist.

 

Als we wel kunnen lezen wat dierbaren elkaar allemaal schreven, wordt het soms ongemakkelijk.  Een brief van 18 juli 1943 begint met Liebe Frau, Ich bin gesund.  De brief is geschreven in het  concentratiekamp van Auschwitz, op voorgedrukte lijntjes.

 

Een slotbemerking: was 'Museum van brieven en manuscripten' geen betere vertaling geweest van 'Musée des  lettres et  manuscrits'? Brieven zijn het hart van de collectie, en het zijn lang niet allemaal brieven van geletterde mensen.

 

An Devroe

 


Museum der letteren en manuscripten

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 19 uur, donderdag tot 21.30 uur Gesloten: maandag

Koningsgalerij 1 

1000 Brussel

Tel. 02 514 71 87

www.mlmb.be