U bent hier

Musée Magritte Museum

L'Empire des lumières, 1954, René Magritte, olie op doek, 146 x 114 cm, Koninklijk Museum voor Schone kunsten, Brussel.

 

Inleiding

 

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België bezitten wereldwijd de grootste verzameling werken van Magritte. Dit geldt zowel voor de continuïteit - alle periodes van de kunstenaar zijn ruim vertegenwoordigd - als voor de diversiteit van de collectie: naast schilderijen omvat de verzameling eveneens tekeningen, gouaches, affiches, publicitair werk, brieven, foto's, beeldhouwwerk, films en andere documenten. De collectie heeft een geschiedenis: weloverwogen aankopen en genereuze giften. Het museum is zeer gelukkig hier hulde te brengen aan hen die daartoe hun bijdrage hebben geleverd. Dat zijn eerst en vooral Georgette Magritte en Irène Hamoir-Scutenaire, die aan de Koninklijke Musea enkele meesterwerken hebben nagelaten die het Magritte Museum zijn glans geven. Mogen ook alle andere schenkers de pagina's die volgen lezen als een blijk van dankbaarheid: mevrouw Germaine Hergé-Kieckens, de Provincie Brabant, de heer Maurice Rapin en mevrouw Mirabelle Dors. Aan deze namen dienen ook baron en barones Gillion Crowet toegevoegd te worden, die naast de bruikleengeving van hun verzameling symbolisme en art-nouveau, ook hun werken van Magritte in langetermijnbewaring aan het museum hebben toevertrouwd. 

 

Deze unieke collectie verdiende echt wel een ereplaats in de hoofdstad van Europa. Al sinds 1984 maakte Philippe Roberts-Jones, destijds hoofdconservator van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, van de Magritte-zaal een van de sterke punten van het Museum voor Moderne Kunst. Sindsdien groeide de verzameling alsmaar aan om ook de andere museumverdiepingen te 'veroveren'. In 2005 kwam de toekomst van de collectie in een stroomversnelling terecht. Dankzij de heer Charly Herscovici, voorzitter van de Magritte Stichting, kwamen de eerste contacten tot stand met de verantwoordelijken van de Frans-Belgische groep GDF SUEZ in Parijs. Toen ontstond het idee om het Hotel Altenlob op het Koningsplein voor een toekomstig Magritte Museum te bestemmen. De band tussen Suez en Magritte is trouwens niet nieuw. De groep had al de magistrale, door de Magritte Stichting georganiseerde tentoonstelling Magritte en de fotografie ondersteund, ter gelegenheid van de 175ste verjaardag van België. Iets langer geleden, maar toch nog levendig in onze herinnering ligt de grote retrospectieve bij de honderdste verjaardag van de kunstenaar, die georganiseerd werd door de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. 

 

Op basis van een eerste ontwerp werd het concept verfijnd. Zo kreeg het museumproject vorm in een originele formule van competentiemecenaat, die een definitief kader kreeg bij de komst van Sabine Lamelle als federaal minister voor Wetenschapsbeleid. Op 28 februari 2008 vond, in aanwezigheid van de pers, de ondertekening plaats van de overeenkomst tussen enerzijds de federale staat, vertegenwoordigd door vice-premier Didier Reynders, bevoegd voor de Regie der Gebouwen, en door minister Sabine Laruelle, bevoegd voor wetenschapsbeleid, en anderzijds GFD SUEZ, vertegenwoordigd door de voorzitter-directeur-generaal Gérard Mestrallet en ten slotte de Magritte Stichting, vertegenwoordigd door voorzitter Charly Herscovici. Op 27 mei 2 008 werd het begin van de werkzaamheden aangekondigd met de installatie van een groot gedecoreerd zeil door GDF SUEZ. Nadat de werken van Magritte tentoongesteld waren in Como, Seoul, Peking, Parijs, Rotterdam en Milaan, krijgen ze nu een vaste stek in het centrum van Brussel. De opgestelde werken doorlopen het volledige parcours: vanaf de geboorte van de schilder in 18 98 tot zijn overlijden in 1967. Het werd ingericht door Winston Spriet met assistentie van Martial Prévert en beslaat vijf verdiepingen. 

 

Hoewel de Magritte-collectie van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België de belangrijkste ter wereld is, leek het toch nodig om ze uit te breiden. Dankzij de vriendschappelijke medewerki ng van Charly Herscovici hebben meerdere Belgische en buitenlandse musea en verzamelaars dit streven ondersteund met bruiklenen of uitwisselingen, zodat u als bezoeker ook minder bekende prachtstukken kunt ontdekken. 

 

Eén partnerschap is daarbij bijzonder veelbelovend voor de toekomst: de samenwerking tussen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten en de Menil Foundation in Houston, geleid door Josef Helfenstein. Het is deze belangrijke Amerikaanse instelling, waarvan de kern werd geconcipieerd door Renzo Piano, die aan de basis ligt van het eerste ruimere wetenschappelijke werk over Magritte. De vijf volumes van de wetenschappelijke catalogus onder leiding van de betreurde David Sylvester, en gepubliceerd tussen 1992 en 1997, vormen tegelijk een unieke bron van informatie en een documentatiebasis, die de Koninklijke Musea in nauwe samenwerking met de Menil Foundation zullen vervolledigen en valoriseren. 

 

Het partnerschap met GDF SUEZ en met de Magritte Stichting is voor de Koninklijke Musea van doorslaggevend belang. Deze samenwerking, die garant staat voor deskundigheid en uitmuntendheid, biedt aan Brussel, als stad en hoofdstedelijk gewest, en bovendien aan de federale staat als geheel een hefboom voor culturele en economische ontwikkeling, een motor van intellectueel leven en een toeristische referentie. Midden in het centrum van de stad en van Europa, op het Koningsplein, een met geschiedenis en herinneringen beladen plek, krijgt Magritte erkenning van een cultuur die hij sterk beïnvloedde met zijn denkwijze, die tegelijk genereus en subversief was, tegelijk poëtisch en kritisch. 

 


Inhoud

 

  • René Magritte (1898-1967) - Chrononlogisch overzicht  
  • 150 x Magritte - Geschiedenis van de collectie
  • Achter de gevel - De verbouwing van het Magritte Museum - De inrichting
  • Magritte in het Archief voor Hedendaagse Kunst in België
  • Film
  • De 'Magritte' tentoonstellingen
  • Praktische informatie

 

René Magritte (1898-1967)

Chronologisch overzicht 

 

 

1898

Geboorte van René Magritte op 21 november in Lessen, als oudste van drie kinderen

1912

Zijn moeder pleegt zelfmoord door verdrinking.

1913

Magritte ontmoet Georgette Berger: Ze huwen in 1922.

1916-20

Magritte schrijft zich in aan de Academie voor Schone Kunsten in Brussel.

1919-20

Maakt zijn eerste abstracte werken.

1920-21

Ontmoet E.L.T. Mesens. Militaire dienst.

1921

Graficus in de fabriek van behangpapier PetersLacroix in Haren.

1923

Voorziet in zijn levensonderhoud door affiches en reclamewerk te tekenen. 

1924

Magritte en Mesens engageren zich in de dadaïstische beweging, samen met Francis Picabia. In datzelfde jaar ontmoet Magritte Paul Nougé, die een intieme vriend wordt en zijn werk naar het surrealisme oriënteert. Eind 1924 maakt Magritte zijn eerste surrealistische werken, die getuigen van de invloed van zowel Giorgio de Chirico als van Max Ernst.

1926

Drie gezamenlijke teksten kondigen-de oprichting aan van een surrealistische groep in België. Tot de kern behoren Magritte, Mesens, Nougé, Camille Goemans en de componist André Souris.

1927

In maart verschijnt in het tijdschrift Sélection het eerste aan Magritte gewijde artikel onder de titel "René Magritte: schilder van het abstracte denken". Het artikel van de hand van Paui-Gustave Van Hecke gaat gepaard met zestien reproducties. Eerste individuele tentoonstelling in de galerie Le Centaure. In september vestigt Magritte zich in Parijs en maakt er zijn eerste woordschilderijen.

1928

Magrittes individuele tentoonstelling in de galerie L:Epoque wijst op een fase van koortsachtige creatie. 

1929

In de zomer verbl ijft Magritte in Cadaquès en legt nauw contact met Dali. Hij doet mee aan het 12de nummer van La Révolution surréaliste. In december volgt de breuk met André Breton.

1930

Sluiting van de galeries die Magritte steunen. In december keert Magritte terug naar Brussel; oprichting van de Studio Dongo, die reclamewerk maakt. De creatie van schilderijen zal zwak blijven tot 1934.

1933

Cruciaal jaar: Magritte herziet zijn beeld van de schilderkunst als een vorm om de taal in vraag te stel len in haar representatieve functie. Eerste onderzoek op het terrein van de objecten. 

1935

Mesens neemt de commercialisering van het werk van Magritte in handen.

1936

Eerste individuele tentoonstelling in de Verenigde Staten in de Julien Levy Gallery in New York.

1937

Magritte verblijft in Londen bij Edward james voor een opdracht van drie schilderijen. Tijdens zijn verblijf geeft hij een lezing in de London Gallery.

1938

In november geeft Magritte zijn lezing La ligne de vie in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Antwerpen. 

1940

Bij de Duitse inval trekt Magritte naar Frankrijk en verbl ijft in Carcassonne. In augustus keert hij terug naar Brussel.

1942

Op basis van een scenario van Nougé wordt de eerste film over Magritte gedraaid: Rencontre de René Magritte.

1943

Als reactie op de bezetting van het land begint Magritte in april aan een 'impressionistische' periode. De eerste monografie over Magritte verschijnt van de hand van Marcel Mariën, gevolgd door een tweede van Nougé: René Magritte ou Les Images Défendues.

1945

Magritte wordt lid van de Commun istische Partij. H ij maakt een serie pentekeni ngen in een 'impressionistische' stijl, die Les Chants de Maldoror van Lau tréamont il lustreren. Het werk verschijnt in 1948.

1946

In februari komt Magritte in contact met de Hugo Gallery in New York om een tentoonstel ling voor te bereiden. De galeriedirecteur, Alexandre lolas, zal tot het einde van zijn leven zijn agent bl ijven.

1947

Eerste tentoonstel ling in de Hugo Gallery in New York. Magrittes gouaches vormen een belangrijke factor in de commercialisering van zijn oeuvre. De kunstenaar leeft zich uit in variaties in impressionistische stijl over het thema van Sheherazade.

1948

De kunstenaar geeft de impressionistische stijl op. In mei opent in de Galerie Faubourg in Parijs een provocerende tentoonstelling met werken uit zijn 'periode vache'.

1952

De eerste naoorlogse retrospectieve van het werk van Magritte wordt georganiseerd door Mesens in het Casino van Knokke-Zoute. Magritte richt het tijdschrift La Carte d'après nature op, dat tot april 1956 onregelmatig zal verschijnen in de vorm van een postkaart. 

1954

In New York presenteert de Sidney Janis Gallery de tentoonstelling Word vs. Image met 21 woordschilderijen, die de kunstenaar maakte tussen 1927 en 1930. Het wordt een commerciële flop, maar de critici en de kunstscène zijn erg geïnteresseerd.

1956

In oktober schaft Magritte zich een camera aan en begint kortfilms te draaien, waarin zijn naasten een rol krijgen.

1959

Luc de Heusch maakt de film Magritte ou la leçon des choses.

1960

Tussen december 1960 en maart 1961 loopt een reizende retrospectieve in de Verenigde Staten, die zowel het Museum for Contemporary Art in Dallas als het Museum of Fine Arts in Houston aandoet.

1961

Eerder beperkte creatie, waarbij hij opnieuw met geplakt papier werkt. In mei-juni verschijnt het eerste nummer van Rhétorique, het tijdschrift dat André Bosmans samen met Magritte uitgeeft. Voor de meeste van de 13 nummers zal Magritte een bijdrage leveren.

1962

In juni opent een grote retrospectieve in het Stadscasino van Knokke-Zoute. Ter gelegenheid van de opening schrijft Marcel Mariën een vlugschrift onder de titel Grande Baisse, dat voorgesteld wordt als een werk van Magritte. De tekst hekelt de herhaalde productie van de bekendste beelden van de kunstenaar.

1964

Het grootste deel van de schilderijen is bestemd voor klanten in België, maar Alexandre lolas blijft het werk actief promoten door exposities in Europa en Amerika.

1965

In december wordt een belangrijke retrospectieve gehouden in het Museum of Modern Art in New York. Magritte gaat ter plaatse en reist dan verder naar Houston. Publicatie van de monografie van Patriek Waldberg: René Magritte.

1967

Magritte werkt aan projecten voor beeldhouwwerk. Hij overlijdt op 15 augustus, terwijl een retrospectieve plaatsvindt in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, georganiseerd door Renilde Hammacher. 

 


 

150 x Magritte

Geschiedenis van de collectie

 

 


René Magritte, Le Retour (De terugkeer), 1949, olie op doek, 50,2 x 65 cm

 

René Magritte schildert Le Retour (De terugkeer) in december 1940 met het precieze idee voor een compositie met een "blauwe vogel met wolken voor een sterrenhemel en op het voorplan een nest met eieren". Met het verschijnen van de duif zien we in dit werk enkele grote thema's van Magritte: de duif wordt later het symbool van de Belgische luchtvaart, van Sabena onder de naam L'Oiseau de ciel (De hemelvogel). De als een schaduw verknipte duif in Le Retour (De terugkeer), met het motief van een blauwe wolkenlucht, is een voorloper van het lichtspel tussen dag en nacht, dat de kunstenaar later in meerdere variaties herneemt in L'Empire des lumières (Het rijk der lichten) . Heel subtiel schitteren de sterren discreet op de achtergrond, flikkerend in de nacht. Er ligt een kwetsbaarheid over dit hele werk, dat Magritte schildert bij het begin van de nazi-bezetting, nadat hij bij de inval in mei 1940 naar Zuid-Frankrijk was gevlucht. Maar hij mist zijn echtgenote Georgetie en komt eerder terug dan voorzien, eerst per fiets, daarna - iets redelijker- met de auto. Ook hij vindt zijn familiale nest terug, dat hier beschermd wordt door een duif, teven s symbool voor vrede.


 

Op 2 juni 2009 ging het Musée Magritte Museum open. Het stelt 149 werken tentoon, waarvan 75 schilderijen, 58 gouaches en tekeningen, 5 beeldhouwwerken, 3 objecten, 7 prenten en affiches, 1 foto-offset en bovendien een hele reeks uit privéverzamelingen en het eigen museum afkomstige archieven, boeken en foto's. 

 

In een brief van 19 juni 1939 schrijft de nationale minister van Onderwijs aan de hoofdconservator van het museum, Leo Van Puyvelde, dat hij Magritte toestemming heeft gegeven om zijn werk Le Palais des souvenirs (Het paleis der herinneringen) (1938 of 1939) voor te leggen aan de Commissie van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten. Tegelijk signaleert de minister in zijn brief de aankoop door zijn departement van een gouache van gelijkaardige grootte voor 1.500 Belgische frank. De minister bedoelt het werk La Jeunesse illustrée (De geïllustreerde jeugd) (1936 of 1937). Diezelfde dag nog schrijft Magritte een brief aan de minister en voegt als bijlage de gouache Le Palais des souvenirs ter waarde van 1.500 Belgische frank toe. Maar de tijd verstrijkt en Magritte krijgt geen nieuws. Uiteindelijk komt de Commissie samen op 29 november en verleent een negatief advies over de aankoop van de gouache. In dezelfde zitting komt de Commissie wel tot een akkoord over de veel duurdere aankopen van werken van Lucien Wollès, Alfred Bastien, Jacques Ochs, Albert Lemaître, Jacques Bergmans en Marie Howet.

 

Het is op 28 maart 1953, op een veiling in de galerie Georges Giroux, dat de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België hun eerste Magritte aankochten: Le Retour (De terugkeer) (1940). Een jaar later, op 30 juni 1954, geeft de toenmalige hoofdconservator, Paul Fierens, aan Magritte zijn wens te kennen om een tweede werk aan te kopen, dat hij op een tentoonstelling had gezien.

 

"Bij uw recente werk is er één, dat mij bijzonder is opgevallen. Het is het grote doek, dat zich helemaal op het einde van het Paleis voor Schone Kunsten bevond: een nocturne met een grote boom en een straatlamp, dat u, als ik mij niet vergis, de titel Le Monde invisible meegaf". In zijn brief verwart Paul Fierens Le Monde invisible (De onzichtbare wereld) met L'Empire des lumières (Het rijk der lichten), dat ook op de bewuste tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten te zien was. Helaas werd dat werk aangekocht door een privéverzamelaar, die er een optie op had genomen nog voor het officiële verzoek van Paul Fierens. Magritte signaleert dan aan Fierens dat hij bijna een nieuwe versie van L'Empire des lumières af heeft, die "in niets moet onderdoen" voor de vorige. De Commissie van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten besluit zo in 1954 unaniem tot aankoop van deze L'Empire des lumières

 

 

DE JAREN 50 EN 60 

 

Bij een verkoop in de galerie Georges Giroux op 15 mei 1958 koopt het museum nog een werk van Magritte, La Saveur des larmes (De smaak van tranen) (1948). In 1963 ontstaat binnen het museum discussie over de noodzaak om een nieuw werk van Magritte aan te kopen. De nieuw aangestelde hoofdconservator, Philippe Roberts-Jones, besluit daarop om met de kunstenaar te gaan praten over een eventuele nieuwe aankoop. Op 1 april stelt hij dan aan de Commissie de aankoop voor van een "werk van zeer grote kwaliteit", La Recherche de la vérité (Op zoek naar de waarheid) (1963), die onmiddellijk wordt aangenomen. 

 

Het museum blijft het werk van Magritte volgen. In 1964 werd zelfs een lijst opgemaakt van karakteristieke werken, die het museum absoluut wilde bemachtigen, omdat het werk uit de beginjaren van de kunstenaar nog ontbrak. Meerdere schriftelijke verzoeken worden gericht aan de eigenaars van de vroegste werken, zoals La jeune fille mangeant un aiseau (1927), L'Homme du large (De man van de wijde zee) (1926) of L'Annonciation (De annunciatie), dat toebehoorde aan een van de eerste kopers van Magritte, E.L.T. Mesens. 

 

Als gevolg van deze verzoeken stelt Honorine Van Hecke-Deschrijver, echtgenote van Paul-Gustave Van Hecke en beter bekend onder de naam Norine, een styliste voor wie de kunstenaar veel publicitair werk maakte, in 1965 het werk L'Homme du large (De man van de wijde zee) voor: het aanbod wordt door de Commissie onmiddellijk aanvaard. Dit raakt bekend en al een jaar later krijgt Philippe Roberts-Jones een voorstel voor nog een vroeg werk van Magritte: La Réponse imprévue (Het onverwachte antwoord) (1933). Het voorstel gaat uit van Lou Cosyn-Goemans, galeriehoudster van de kunstenaar in de jaren 40 en weduwe van Camille Goemans. Na het akkoord van de minister koopt het museum ook dit werk aan. Enkele maanden later, op 20 juli, stemt dezelfde Commissie in met de aankoop van Le Démon de la perversité (De demon van de perversiteit) (1928), dat in het bezit was van baron Léon Lambert.  

 

René Magritte overlijdt op 15 augustus 1967 in Schaarbeek, waar hij ook begraven ligt. Op 17 september wordt hem een eerbetoon bewezen in het cultuurcentrum van de gemeente, waarbij zijn weduwe, Georgette Magritte, enkele werken en herinneringsstukken uitleent. De hoofdconservator Philippe Roberts-Jones houdt bij deze gelegenheid een voordracht over de kunstenaar, wat door Georgette Magritte zeer gewaardeerd wordt. De geste ontroert haar zo sterk dat zij, net zoals haar zus, een legaat aan het museum overweegt van alle werken van Magritte die ze in haar bezit heeft. 

 


René Magritte, La Saveur des larmes (De smaak van tranen), 1948, olie op doek, 60 x 50 cm

 

La Saveur des larmes vormt een uitzondering in het oeuvre van Magritte, omdat dit het enige werk is waarvan een exacte kopie bestaat: zelfde dimensies, zelfde datum, zelfde handtekening links onderaan, zelfde titel- en datumvermelding achteraan. Het geval is zo apart dat Marcel Mariën er een tekst aan wijdde onder de titel Le jumeau d'Amérique, toen een van beide doeken in een veiling aangeboden werd in New York in 1983 - en gekocht werd door het Barber lnstitute van Birmingham - en men ontdekte dat het om twee schilderijen ging. Niemand heeft ooit geweten wat Magritte bij deze verdubbeling bezielde: zin om te misleiden? Vermoeidheid? Men mag niet vergeten dat de kunstenaar toen zijn zo slecht gerecipiëerde "en plein soleil" periode afsluit en uit materiële noodzaak, maar met weinig plezier, terugvalt op een precieze en uiterst zorgvuldige stijl. Dat verklaart misschien de melancholische ondertoon van dit schilderij, waarop een groot vogeldier-blad te zien is, waaraan een rups knaagt: zijn einde is in zicht. 


René Magritte, La Réponse imprévue (Het onverwachte antwoord), 1933, olie op doek, 82 x 54,4 cm

 

Dit schilderij uit 1933 dateert uit een periode waarin Magritte zocht naar een methode om het doel te bereiken dat hij zichzelf had gesteld: vanuit de gewoonste dingen de toeschouwer in een sfeer brengen die hem in de war brengt, hem perplex laat en tot reflectie aanzet. Uit zijn context gehaald, moet het object, zo zegt hij zelf. "een verpletterende poëtische realiteit" opwekken. Volgens de kunstenaar komen uit de nevenschikking van dingen, die in principe geen enkel verband hebben, "selectieve affiniteiten" voort, want elk object staat in verbinding met andere. Het gaat erom die verbindingen te ontdekken. "Dat te ontdekken element, die verbinding tussen alles, wat op duistere wijze aan elk object vastzit; ik werd er in de loop van mijn onderzoek steeds zekerder van dat ik die verbinding al van tevoren kende, maar dat die kennis ergens als verloren op de bodem van mijn denken lag. Aangezien het onderzoek voor elk object slechts één enkel juist antwoord kon geven, leken mijn analyses op het oplossen van een probleem met drie aspecten: het object, het eraan verbonden ding in de schaduw van mijn bewustzijn en het licht waarin dat ding tot zijn recht moest komen. Het probleem van de deur vroeg om een gat waardoor men kon passeren. In La Réponse imprévue toonde ik een gesloten deur in een appartement, waarbij een vormloos gat de nacht onthult." (La Ligne de Vie, 1938) 


René Magritte, L'Homme du large (De man van de wijde zee), 1927, olie op doek, 139 x 105 cm

 

"Kunst moet mysterie oproepen; zonder mysterie zou de wereld niet bestaan", betoonde Magritte. Niets mysterieuzer dan die zwarte monumentale persoon, die met zijn been vooruit doet denken aan een Egyptische god. Toch ging een andere inspiratiebron aan dit werk vooraf: de avonturen van Fantómas in de films van Louis Feuillade. Dit werk uit 1927 is een van de sleutelwerken uit wat men Magritte's "zwarte periode" zou noemen, waarin hij zijn raadselachtige universum uitwerkt. De titel, die werd gevonden door Marcel Lecomte, vriend en zielsverwant van Magritte, is ook de titel van een film van Marcel L.:Herbier uit 1920. Film en populaire romans bekoren en inspireren de schilder. 


 

HET MUSEUM VOOR MODERNE KUNST 

 

Het museum zet de prospectie verder om het geheel van Magrittes werken te vervolledigen. Op 23 september 1968 verkrijgt het museum eindelijk een ander belangrijk werk uit handen van Albert Niels: Le mariage de minuit (1926). Op 4 november 1970 stelt Camille Broodcoorens, dochter van de schrijver Pierre Broodcorens, die begin jaren 20 een nauw contact had met Magritte, aan het museum het portret voor dat de kunstenaar van haar vader maakte. Het museum neemt het aanbod meteen aan, temeer daar het nog geen enkel zo vroeg werk bezit en preciseert daarbij dat "dit werk bovendien bijna uniek is in zijn oeuvre, wat [ ... ] het des te belangrijker maakt." Na het akkoord van de minister komt dit werk uit 1920 officieel in het bezit van het museum op 17 maart 1971. 

 

Op 25 oktober 1984 wordt het Museum voor Moderne Kunst ingehuldigd, waarbij een belangrijke afdeling gewijd is aan het Belgische surrealisme. Magritte krijgt een aparte zaal toebedeeld, waarin de acht aangekochte werken en een reeks door zijn weduwe Georgette uitgeleende schilderijen te zien zijn. In datzelfde jaar schenkt Germaine Kieckens, de eerste echtgenote van Hergé, een serie werken van Magritte aan het museum. Daarbij hoort Le Baiser (De kus) (1938), dat het echtpaar in 1959 had aangekocht. 

 

Op 26 februari 1986 overlijdt Georgette Magritte. Haar eigenhandig geschreven testament, gedateerd op 21 juni 1985, stipuleert het legaat aan het museum van volgende werken: La Magie noire (Zwarte magie) (1945), Le Domaine d 'Arnheim (Het domein van Arnheim) (1962), L'Ile au trésor (Schateiland) (1942), Le Galet (De kei) (1948), L'Incendie (De brand) (1943), La Page blanche (Het onbeschreven blad) (1967), Georgette (1937), Georgette (rond 1921) evenals een collage van E.L.T. Mesens en een schilderij van Alfred Stevens, Dame au chien.

 


René Magritte, L'Ile au trésor (Schateiland), 1942, gouache op papier, 60 x 80 cm

 

Vanaf 1933 ontdekt Magritte het poëtische potentieel van het onverwachte samenbrengen van twee objecten, die volgens hem door een natuurlijke affiniteit verbonden zijn. "Als je je jonge meisjes voorstelt in bloemen, kan je ook een vogel in bloemen toelaten. Het verschijnen van die vogel is zo aangenaam als een zonsopgang" verklaart de kunstenaar. Zo transformeert hij de vogel in blad en het blad in vogel en creëert een bijzonder poëtische hybride vorm, waarvan hij talrijke varianten zou maken. Als Magritte op het einde van zijn leven enkele thema's kiest voor zijn beeldhouwwerken, vergeet hij die vogels-bladeren niet en doopt ze voor de gelegenheid Les Grélces naturelles (De natuurlijke gratiën) . 


René Magritte, Le Domaine d'Arnheim (Het domein van Arnheim), 1962, olie op doek, 146 x 114 cm

 

Over dit thema bestaan drie versies; de eerste dateert uit 1938. Magritte schreef toen aan Roland Penrose: "Ik werk momenteel aan een schilderij ( ... ) . Het is Le Domaine d'Arnheim, een herinnering aan dat verhaal van Poe, dat je volgens mij op ideeën kan brengen zoals dit: je verplaatst de bergen zodat de zon precies verschijnt waar jij wil. " Het thema van het schilderij vindt Magritte inderdaad in de werken van Edgar Allan Poe, in het Frans vertaald door Baudelaire in Histoires grotesques et sérieuses. Hij raakt zowel door de beschrijving van de fantastische landschappen geïnspireerd als door zijn affiniteit met Ellison, het centrale personage van het verhaal, "een dichter in de meest brede en nobele zin van het woord ... en die schilder had kunnen zijn." In een eerste versie van het schilderij wordt het landschap bezien vanuit een raam in een goed zichtbare stenen muur; maar in de volgende versies verdwijnt het raam en maakt het plaats voor een majestueuze berg-vleugel in zijn volle omvang. 


René Magritte, La Page blanche (Het onbeschreven blad), 1967, olie op doek, 54 x 65 cm

 

Volgens Georgette Magritte is dit het laatste werk van de kunstenaar voor zijn overlijden in augustus 1967. Enkele weken eerder had Magritte aan een bezoekend journalist gevraagd om het werk te beschrijven. Toen de journalist een halve maan achter bladeren zag, veranderde Magritte het werk: het werd een volle maan op het gebladerte. Daarna zagen nog twee andere bezoekers het werk en telkens hield Magritte rekening met hun commentaar en paste het aan. 


 

Op 2 juli 1987 vindt bij Sotheby's in Londen de veiling plaats van de nalatenschap van Georgette Magritte. De Franse Gemeenschap van België verwerft op de veiling de volgende werken: Les Grâces naturelles (De natuurlijke gratiën) (brons, 1967), La Belle Captive (De schone gegijzelde) (gouache, 1965), La Joconde (Mona Lisa) (gouache, 1964), La Reconnaissane infinie (De oneindige erkenning) (gouache, 1946), La Race blanche (Het blanke ras) (brons, 1967), Roehers dans une chambre (Vier rotsen in een interieur) (gouache, jaren 50), Alice au pays des merveilles (Alice in Wonderland) (gouache, 1952), L'Analogie (De analogie) (kleurpotlood, jaren 40). De werken worden door de Franse Gemeenschap aan het museum in bewaring gegeven, wat de collectie sindsdien tot de belangrijkste in Europa maakt. 

 

Op 26 februari 1988 opent het museum de zaal René en Georgette Magritte. De werken van het museum, het legaat van Georgette Magritte en het bruikleen van de Franse Gemeenschap worden er gepresenteerd. Ter gelegenheid van de opening van de zaal krijgt het museum van een bewust anonieme schenker een vroeg werk van de kunstenaar: Une panique au Moyen-Áge (Paniek in de Middeleeuwen) (1927). Op 1 december wordt een receptie gehouden om deze gebeurtenis te vieren, waarbij ook de amateurfilms van Magritte worden geprojecteerd. In feite gaat het om een evenement ter ere van Irène Hamoir, weduwe van Louis Scutenaire, die de anonieme schenkster was. 

 

 

LEGATEN EN SCHENKINGEN 

 

Irène Hamoir overlijdt op 17 mei 1994. In uitvoering van haar wilsbeschikking ontvangt het museum, destijds onder leiding van Eliane De Wilde, het legaat van het geheel van haar collectie, die zij samen met haar echtgenoot Louis Scutenaire samenstelde. De nalatenschap omhelst niet minder dan 98 werken van René Magritte van allerlei technieken, waarbij ook een omvangrijke serie schilderijen uit de zogenaamde periode 'vache', de 'surrealistische' periode en de periode 'en plein soleil'. Daarnaast bevat het legaat ook werken als Découverte (Ontdekking) (1927), Portrait de Paul Nougé (Portret van Paul Nougé) (1927), La Voleuse (De dievegge) (1927), Personnage méditant sur la folie (Personage mediterend over de waanzin) ( 1928), Portrait d'Irène Hamoir (Portret van Irene Hamoir) ( 1936), Bel Canto (1938), samen met projecten voor politieke affiches, objectbeeldhouwwerken, tekeningen ... 

 


René Magritte, Le Galet (De kei), 1948, potlood, aquarel, gouache op papier, 40,8 x 32,8 cm

 

Hoewel deze gouache gemaakt werd in maart- april 1948 tijdens zijn periode 'vache' periode, verwijderde Magritte de groteske of komische elementen van toen om in contrast daarmee en in een typisch magrittiaanse stijl de vrouwelijke zachtheid en sensualiteit te verheerlijken. Kenmerkend voor die periode blijft wel dat hij voor het haar gouden waterverf gebruikt, een kleur die in geen enkele andere fase van zijn oeuvre terug te vinden is. 


René Magritte, Deux Hommes en conversation (Twee mannen in gesprek), 1942, olie op glazen fles, H.28, diam. 8,5 cm

 

Magritte zou begonnen zijn deze flessen te beschilderen bij zijn terugkeer uit Frankrijk in het najaar van 1940. In het totaal zijn het ongeveer vijfentwintig flessen die werden geïnventariseerd tot de jaren 60, maar geen enkele werd door de kunstenaar gedateerd. Op een groot aantal flessen komt een naakte vrouw voor, waarvan de schouders de kromming van de drager volgen; maar ook de in zijn oeuvre terugkerende thema's, zoals de dag- of nachthemel en de vogel, komen op de flessen voor.


 

Op 28 juni koopt het museum, dankzij de legaten van mr. Richard Zondervan, bij Sotheby's in Londen het werk L' Usage de la parole (Het woordgebruik) uit 1929. Met dit woordschilderij wordt de museumcollectie nog diverser. In de nacht van 11 op 12 mei 1995 koopt het museum bij Christie's in New York Le Joueur secret (De geheime speler) uit 1927. Het museum beschouwde dit schilderij, het grootste dat Magritte ooit maakte, van ontegenzeglijk belang en wenste het daarom binnen het nationale patrimonium te behouden. Na afloop preciseert het museum in een persbericht dat het vanaf nu 's werelds belangrijkste publieke verzameling van René Magritte bezit. De collectie omvat dan 43 schilderijen, 91 gouaches en tekeningen, 5 objecten, 11 prenten en affiches. Nog in hetzelfde jaar schenkt de provincie Brabant aan het museum het werk Shéhérazade (Sheherazade) uit 1948. 

 

In een brief aan Eliane De Wilde van 5 november 1997 schrijft Maurice Rapin, echtgenoot van Mirabelle Dors - beiden in de jaren 50 in zeer nauw contact en in uitgebreide correspondentie met Magritte - het volgende: "Ik ben zeer blij dat u het principe van een schenking van wat ik bezit van Magritte, accepteert." De schenking is van uitzonderlijk belang voor de archieven, want ze omvat naast een gouache La Femme assise - La Place au soleil III (De zittende vrouw - De plek in de zon III) ( 1956), de offset van een foto van Georgette Magritte (1942) en een geheel van brieven, vooral de originelen van het werk 82 lettres de René Magritte à Mirabelle Dors et Maurice Rapin. Zo wordt deze correspondentie bij het fonds van het Belgische Archief voor Hedendaagse Kunst gevoegd. 

 

In 2001 verwerft het museum L'Ecuyère (Vrouw te paard) (1922) rechtstreeks via de familie, want het werk wordt aangekocht van Arlette Dupont-Magritte, de dochter van Raymond Magritte. Op deze wijze wordt het geheel van het abstracte werk van de beginperiode vervolledigd.  

 


René Magritte, Les Menottes de cuivre (De koperen handboeien), 1931, olie op een gipsreproductie van de Venus van Milo, 37 x 11,5 x 11 cm

 

Geschilderd op vraag van zijn vriend Scutenaire, maakte deze Venus van Milo deel uit van de gipsen werken die Magritte in 1933 tentoonstelde bij zijn individuele expositie in het Paleis voor Schone Kunsten. In het voorwoord bij de catalogus gaf Nougé er het volgende commentaar bij: "deze torso van vlees met een hoofd in krijt, met in puur blauw gedrapeerde benen en met afgehakte armen die uitzicht geven op de zwartste nacht - het is een beeldje waarvan de aanwezigheid alleen al de authentieke Venus van Milo in kurk doet veranderen." Zoals de andere geschilderde gipswerken van Magritte, had ook dit oorspronkelijk als titel L'Avenir des statues. Pas in 1936 kreeg het de titel Les Menottes de cuivre, bedacht door André Breton. Beschouwd als een "surrealistisch object", werd een replica van het beeldje dat jaar tentoongesteld in de galerie Charles Ratton in Parijs tijdens een expositie van surrealistische objecten. Het volgende jaar maakte het in de Londen Gallery in Londen deel uit van de tentoonstelling Surrealist Objects and Poems.


René Magritte, Découverte (Ontdekking), 1927, olie op doek, 65,2 x 50,3 cm

 

Magritte schilderde dit doek in november 1927 - wat we weten dankzij zijn brief aan Paul Nougé, waarin hij het beeld becommentarieert en voorstelt als een voorbeeld van "metamorfose". "De dingen zijn tastbaar en toch worden enkele houten planken geleidelijk aan doorschijnend op sommige plekken; of bepaalde lichaamsdelen van een naakte vrouw worden ook geleidelijk aan transparant op een verschillende manier." Met dit schilderij was Magritte er zelf van overtuigd een beslissende stap gezet te hebben, wat ook de uiteindelijk gekozen titel verklaart. Het is een echo van wat hij schrijft aan Nougé op het moment dat hij aan het schilderij begint: "Ik geloof dat ik iets ontdekt heb .. "


René Magritte, Portrait de Paul Nougé (Portret van Paul Nougé), 1927, olie op doek, 94,3 x 64,5 cm

 

"Hij leek de strengheid in persoon", zei E.L.T. Mesens over Paul Nougé, de aanvoerder van de surrealisten in België. Het vestimentaire voorkomen en de attitude van een model, in een bijna stereografische voorstelling, suggereren inderdaad een kritische persoonlijkheid met een vlijmscherpe geest. Het opgeblazen oppervlak op de achtergrond van het schilderij is vermoedelijk het gevolg van een soort opgezwollen celweefsel: het wordt geïnterpreteerd als een allusie van Magritte op de professionele activiteit van Nougé, die biochemicus was in een laboratorium. 


René Magritte, Bel Canto, 1938, olie op doek, 73,5 x 54,7 cm

 

Het idee voor dit schilderij was voortgekomen uit een droom, zoals Magritte zelf schrijft in een brief aan Edward james met een schets: " Ik werd zelf op een nacht opgezocht door een ambassadeur van een land, waar de salons verlicht worden door kaarslicht; het was een merkwaardig personage uit onregelmatige vakken van nachtmarmer, waarop calligrafisch het woord 'Bel canto' stond gegraveerd. Het personage was erg groot en verborg een groot deel van een winterlandschap met besneeuwde daken onder een sterk lichtgevende, blauwe hemel." Scutenaire, die het schilderij direct na de afwerking kocht. geeft een andere versie van de feiten: "Toen hij op een winterochtend naar buiten ging om melk te kopen, zag hij ineens tussen hem en de besneeuwde huizen een enorme constructie opduiken van zwartachtige vormen, van sombere vlakken op of onder elkaar die een inscriptie droegen met de woorden 'Bel Canto'. Die indruk heeft hij trouw weergegeven in het schilderij Bel canto." 


René Magritte, L'Usage de la parole (Het woordgebruik), 1929, olie op doek, 41 x 27 cm

 

Tijdens een korte periode is het woord een sleutelelement in het beeldend oeuvre van Magritte, omdat het voor hem van dezelfde substantie is als het beeld. "Soms verwijzen geschreven woorden op een schilderij naar precieze dingen en de beelden slechts naar vage dingen. '' Dit statement, dat hij publiceerde in Les Mots et les images (De woorden en de afbeeldingen), is vanzelfsprekend van toepassing op dit schilderij, waarop de woorden in onbepaalde vormen verschijnen.


René Magritte, Le joueur secret (De geheime speler), 1927, olie op doek, 152 x 195 cm

 

Samen met het tegenstuk, L'Assasin menacé (De bedreigde moordenaar) (MoMa, New York) , dat in hetzelfde jaar werd gemaakt, vormt dit schilderij zowel qua formaat als thema een van de belangrijkste - en een van de eerste uitgesproken surrealistische - werken van Magritte. Hier is het begin te zien van procedés, die hij daarna veelvuldig zou toepassen: het spel met de proporties van de afgebeelde elementen, of het inerte dat levendig wordt, zoals de poten die zich transformeren in bomen. Het schilderij beeldt ook een spektakel uit, wat gesuggereerd wordt door het rode gordijn rechts op het doek - ook dat zou hij later veelvuldig gebruiken. De vreemde vliegende schildpad, zwart en glimmend, die hij kopieerde uit een encyclopedie, verschijnt eveneens later opnieuw in meerdere schilderijen. 


René Magritte, L'Ecuyère (Vrouw te paard), 1922, olie op karton, op hout gespannen, 63 x 90 cm

 

Dit werk uit 1922 verwijst naar de constructivistische experimen ten van Magritte voordat hij het surrealisme ontdekte en zijn eigen un iversum creëerde. Later zal hij de werken uit deze periode benoemen als "zeer evocerende maar abstracte beelden, immobiel en uiteindelijk slechts visueel in teressant ". 


 

IN BRUIKLEEN

 

Op 1 mei 2005 wordt Michel Draguet algemeen directeur van het museum. Meteen bij zijn aantreding lanceert hij het idee om een aparte museumvleugel aan 's werelds belangrijkste Magritte-verzameling te wijden. Het project wordt enthousiast onthaald bij Charly Herscovici en de Magritte Stichting. Zo start een sensibiliseringscampagne, die leidt tot het competentiemecenaat van GDF SUEZ. Tegelijk worden verzoeken gericht aan talrijke verzamelaars en openbare instellingen om met het oog op de opening van het Magritte-museum bijkomende werken in bruikleen te krijgen. Bij de eerste aangesproken verzamelaars horen baron en barones Gillion Crowet, die hun Art Nouveauverzameling reeds aan het museum hadden afgestaan. In datzelfde kader zeggen zij, meteen na de aankondiging van het Magritte-museumproject, een langetermijnbruikleen toe van hun belangrijkste werken van Magritte. 

 

In 2008 koopt Fortis Insurance meerdere werken aan van de kunstenaar met de bedoeling het Magritte-museumproject te ondersteunen: L' Usage de la parole (Het woordgebruik) (1929), een woordschilderij dat ooit aan André Breton toebehoorde, het manuscript Les Mots et les images (De woorden en de afbeeldingen) (uit ca.1929) en het laatste schilderij van Magritte, dat onafgewerkt bleef op zijn schildersezel. De werken worden in bruikleen gegeven aan het museum. Op 22 december geeft de Koning Boudewijnstichting aan het toekomstige Magritte-museum 22 werken op papier in bruikleen uit het Fonds Jacqueline Nonkels-Delcourt. Zij was een van de beste vriendinnen van het echtpaar Magritte en had het geheel van haar herinneringsstukken nagelaten aan de Stichting. 

 


René Magritte, La Fée ignorante, 1956, olie op doek, 50 x 65 cm VERZAMELING BARONES GILLION CROWET

 

Wanneer in de jaren 30 de economische crisis de kunstmark t doet instorten, maakt Magritte portretten om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij krijgt verschil lende opdrachten. Maar voorbij die materiële noodzaak biedt het portret hem een un ieke kans om vragen te stellen over de voorstelling van de ander en over de gelijken is, die zich voor hem niet kan beperken tot een oppervlakkige gelijkenis. Wanneer hij twintig jaar later opnieuw portretten maakt, is Magritte er nog steeds van overtuigd dat het altijd gedeeltelijk om een zelfportret gaat, omdat de ander zich eindeloos onttrekt aan de blik van de schilder. Hier is het model Anne-Marie Crowet, dochter van zijn langjarige vriend en trouwe verzamelaar Pierre Crowet. Ze verschijnt in een theatrale setting met de typisch magrittiaanse objecten, zoals gordijnen, kaars, rinkelbel en hemel. De kaars, die een tegengewicht vormt voor het gezicht en duisternis verspreidt, neemt een centrale plaats in. De kaars, zo schrijft Magritte in een brief aan Rapin "bepaalt de onzichtbare vormen enkel in het licht". De diepere zin van het werk ligt dus in de zwarte schemering, die de verborgen kant van de verschijnselen reveleert.


 

Achter de gevel

De verbouwing van het Magritte Museum 

 

 

Het Magritte Museum is nu gevestigd in een gebouw dat uit 1779 dateert en gebouwd werd door de Administratie van de Keizerlijke en Koninklijke Loterij, die de Oostenrijkers in onze gewesten invoerden. Vanaf het midden van de negentiende eeuw en tot het begin van de Eerste Wereldoorlog was het Hotel de l'Europe in het gebouw gevestigd. In staatseigendom gedurende enkele jären en daarna in het bezit van de familie Altenloh, juweliers en goudsmeden van de koninklijke familie, werd het hotel vervolgens door de staat gehuurd in 1962 en gebruikt voor de tijdelijke activiteiten van het Museum voor Moderne Kunst. Tot 1978 vonden er 92 tijdelijke tentoonstellingen plaats. Daarna werden de permanente collecties van de negentiende eeuw er gevestigd. 

 

Het gebouw, dat bestaat uit een uiterst ingewikkelde verstrengeling van ruimtes en zich in een vergevorderde staat van verloedering bevond, diende bij de constructiewerken voor het Museum voor Moderne Kunst in 1983-1984 volledig gerenoveerd te worden vanaf de funderingen. Uit veiligheidsoverwegingen moest men het gebouw daartoe losbreken van de belendende panden in privébezit én te voorzien van een vierde gevel. Zoals het Hotel Belle-Vue, aan de tegenover gelegen hoek van het Koningsplein, om- 30 Magritte Museum vat deze gevel nu twee traveedelen, onderling gescheiden door een met glas geaccentueerde lege ruimte. Deze ingreep beoogde het volume te verlichten en de opeenvolging van stereotiepe gevels te doorbreken. 

 

 

DE TWEEDE FASE 

 

In een volgende stap, ook wel 'de tweede bouwfase van het Museum voor Moderne Kunst' genoemd, werd achter de neo-classicistische gevels van de Museumstraat, het Koningsplein en de Hofberg de binnenkant van het Hotel Altenloh volledig opnieuw opgebouwd. Voordat de vloeren werden weggehaald, kregen de gevels die men wilde bewaren in hun fundamenten een ondermetseling. Het is een massieve sokkel, uitgevoerd in gewapend beton in vakken over de hele breedte van de gevelonderbouw. De ondermetsding werd voortgezet tot het niveau van de nieuwe sluisbedding. Na deze afbraak werden de gevels gestut: op drie verschillende niveaus plaatste men onderling verbonden rechthoekige of driehoekige kaders om de verschillende vakken van het metselwerk aaneen te sluiten. Vervolgens kregen de bestaande gevels verbindingen met de vloerstenen, balken en zuilen door horizontale staven, die vastgegoten werden in daartoe voorziene boorgaten. 

 

De nieuwe gevel, die uitkijkt op de kleine binnenplaats, is volledig in architectonisch beton gegoten om de lijsten en details van de drie bestaande gevels integraal over te nemen. Daartoe werden van elke bestaande gevel zeer precieze tekeningen gemaakt. Er volgden detailplannen van elk type gevelelement en zeer nauwgezette gietvormen in betonbekisting. Elk element is vervaardigd uit wit beton. Deze gevel is dus niet van belang voor de stabiliteit van het gebouw.

 

In 1984 opende het Hotel Altenloh dan opnieuw zijn deuren bij de inhuldiging van het Museum voor Moderne Kunst. De ingangen nr. 1 en 2 aan het Koningsplein werden de toegang tot het nieuwe museum. Voorbij deze toegangsdeuren kon de bezoeker ofwel naar de vier hogere verdiepingen gaan om een tijdelijke tentoonstelling te bekijken of naar beneden gaan: op niveau -1 waren hedendaagse richtingen te ontdekken, op niveau -2 was een nieuwe ruimte ingericht voor een tijdelijke tentoonstelling. U kon als bezoeker op die manier andere bezoekers kruisen uit het Museum voor Oude Kunst en op de niveaus -3 tot -8 de belangrijkste werken zien uit de permanente collectie van de twintigste eeuw. De centrale as Renovatie van het Alten/oh gebouw in 1983-1984 van het gebouw bestond uit een brede trap en een grote lift, die zowel voor bezoekers als voor het transport van kunstwerken werd gebruikt. 

 

In 1 997 was men op niveau 0 van de uitbreidingsvleugels van het Museum voor Oude Kunst op zoek naar ruimte voor de grote retrospectieves van Delvaux, Magritte en Ensor. De collectie van de negentiende eeuw, die daar sinds 1974 tentoongesteld werd, moest zodoende uitwijken naar het Hotel AltenJoh en bleef er tot 2004. Door de asbestverwijderingswerken in deze uitbreidingsvleugels moesten ook tijdelijke tentoonstellingen getoond worden in het Hotel Altenloh; de laatste tijdelijke expositie was die van Panamarenko in 2005. 

 

 

DECORZEIL

 

De overeenkomst tussen de federale staat en SUEZ nv van 29 februari 2008 stipuleerde dat SUEZ nv in het kader van de ondersteuning van de herstellingswerken voor het Magritte Museum ook het ontwerp en de installatie van een decorzeil voor zijn rekening zou nemen. Dit zeil moest de door de Regie der Gebouwen gefinancierde - en met stellingen uitgevoerde - gevelrenovatie camoufleren. Geïnspireerd op L'Empire des lumières (Het rijk der lichten) uit 1 954, werd het een immense optische illusie van uitzonderlijke a fmetingen (21 m hoog op 75 m breed), die het Magritte Museum nog voor de opening onder de aandacht moest brengen en promoten. 

 

De gevels die in 1 983-1984 waren gerestaureerd en tijdens de werken door het zeil werden gecamoufleerd, bevonden zich wel in een bijzonder erbarmelijke staat. Op vraag van de Regie der Gebouwen deed het Institut Scientifique de Service Public (ISSep) met assistentie van de vzw Pierres et marbres, beide uit Wallonië, een uitgebreid gevelonderzoek aan het Koningsplein en de Museumstraat. Onder de vele afwijkingen constateerden de onderzoekers onder andere scheuren, blazen en zwellingen, evenals zeer plaatselijke barsten, veroorzaakt door water en door verzakte kroonlij sten, voetstukken en diverse andere stukken. De opeenvolgende kleurlagen, die in de loop der tijd waren aangebracht, verhinderden de waterdampoverdracht doorheen de muren en gaven aanleiding tot blazen en afschilfering. Een herstel was dringend nodig.  

 

De filosofie van de restauratie bestond erin om de oorspronkelijke elementen, die nog in aanmerking kwamen voor restauratie, maximaal te behouden. De andere elementen zouden "identiek" opnieuw gemaakt worden. Daarbij ging het er niet alleen om het origineel na te bootsen, maar ook om het oorspronkelijke materiaal te gebruiken.  

 

Voor het schilderwerk op de muren werd gekozen voor verven op basis van polysiloxaan acrylhars; voor het schilderwerk van ijzer en metaal voor alkydverven. De tinten werden geselecteerd na diepgaand stratigrafisch onderzoek. Het gehele restauratiewerk werd tot een goed einde gebracht onder het toeziend oog van de Regie der Gebouwen en de Commissie voor Monumenten en Landschappen.  

 

 

DE INRICHTINGSWERKEN 

 

Het doel van de ruwbouw- en afwerkingswerken was niet zozeer om het originele gebouw te veranderen, maar wel om een bijzonder geschikte locatie te creëren voor het oeuvre van Magritte. In die zin werden een aantal veranderingen aan het gebouw voorzien: plafondaanpassingen op de drie verdiepingen waar Magrittes oeuvre wordt getoond, een winkel, een projectiezaal en een polyvalente zaal op niveau -2, geschikt als receptiezaal voor privénocturnes of evenementen. Die veranderingen waren vooral noodzakelijk omdat in de valse plafonds een aantal speciale technologieën werden geïntegreerd. Zo werden ook de gevelmuren op de drie betrokken verdiepingen verdubbeld, zowel vanuit technische als vanuit veiligheidsoverwegingen. Achter die verdubbelde wand bevindt zich op de niveaus +2 en +3 technische uitrusting. De grondoppervlakte van de gehele ruimte van het Magritte Museum bedraagt ongeveer 2.700 m2, waarvan de helft voor de expositie van zijn oeuvre is gereserveerd. Ongeveer 500 meter rails zijn nodig voor de muurbevestiging van de werken. Er zijn 32 glazen uitstalkasten voor de documenten, brieven, tekeningen, partituren, affiches, reclame en objecten.  

 

 

KLIMAATREGELING, VERLICHTING EN MULTIMEDIA 

 

De verwarming en klimaatregeling die in het Hotel Altenloh aanwezig was sinds 1 984, was twintig jaar later aan een grondige renovatie toe. De hogere warmtelast, niet alleen door het voorziene grotere aantal bezoekers, maar ook door de aangebrachte speciale technologieën, maakte het noodzakelijk om zowel de productie-eenheden als de distributie-installaties van water en lucht aan te passen. De installatie werd vernieuwd om optimale omstandigheden te creëren voor het oeuvre, ongeacht de warmtelast binnen en de weersomstandigheden buiten. 

 

Meerdere studies en testen werden ondernomen om de schilderijen, objecten en documenten goed te doen uitkomen. Daarbij ging bijzondere aandacht naar de kwaliteit van het licht, niet alleen vanuit een visueel standpunt, maar ook voor de bescherming van het werk op doek of papier tegen het vernielende effect van bepaalde stralingen van het lichtspectrum. De uiteindelijke keuze van verlichtingstoestellen en -bronnen voor zowel de scenografische als publieke en veiligheidsverlichting, werd ingegeven door de recentste ontwikkelingen inzake energiebeheer.  

 

Het Magritte Museum was het aan zichzelf verplicht om uitgerust te zijn met de nieuwste communicatietechnologie. Het competentiemecenaat van GDF SUEZ en van de speciaal op dit gebied deskundige firma INEO Media System kon voor de bezoekers van het nieuwe museum enkel van groot nut zijn. Zodoende heeft INEO in zijn hoedanigheid van integrale bedenker van multimediasystemen, in verbinding met de nieuwste informatie- en communicatietechnologie, aan de multimedia-uitrusting van het museum meegewerkt. Behalve zijn medewerking aan het in het museum gebruikte grafische charter, aan de portaalsite en de nu voor surfers toegankelijke databank, leverde INEO ook het concept en de installatie van het volledige audiovisuele materiaal, de vensteranimatie en de audiogidsen. De verwerkingssnelheid en geheugencapaciteit van deze audiogidsen laten filmfragmenten in MP4 toe en zorgen voor een voorbeeldige geluidskwaliteit. 

 

 

DUURZAME ONTWIKKELING 

 

Het partnerschap met een van de grootste energiebedrijven ter wereld betekende uiteraard dat de renovatie in het teken stond van het respect voor de principes van duurzame ontwikkeling. Onder invloed van GDF SUEZ, dankzij Electrabel en met de steun van de Regie der Gebouwen, komt alle verbruikte elektriciteit sinds juni 2008 voort uit hernieuwbare energiebronnen. Dit geldt niet alleen voor het Magritte Museum, maar voor de volledige oppervlakte van 47.000 m2 van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten. De productie van dàe energie wordt namelijk gecertificeerd door TÜV SÜD, wat garant staat voor een opwekking in de hydra-elektrische centrale van de Compagnie Nationale du Rhone. Daarbij moet opgemerkt worden dat het totale jaarlijkse verbruik van het Museum voor Oude Kunst en voor Moderne Kunst (met uitzondering van de uitbreiding van het Museum voor Oude Kunst) ongeveer 6.800.000 Kwh/jaar bedraagt, gelijkmatig gespreid over dag en nacht. 

 

Zonnepanelen op het dak leveren elektriciteit aan het creatieve atelier van het Educateam, dat huist op de mezzanine van niveau +4 van het Magritte Museum. Op die manier worden de jongeren, die er regelmatig ontvangen worden, voor nieuwe energie gesensibiliseerd. De zonnepanelen voeden ook de scenografische maquette op niveau +2. Alle uitstalkasten zijn uitgerust met een speciaal bestudeerde verlichting van ledlampen, die gunstig zijn voor het behoud van het werk of de documenten, maar vooral ook voor het energieverbruik. De dertig ingewerkte uitstalramen worden verlicht door een powerledensemble van 1,2 Watt met een totaal vermogen tussen 12 en 15 Watt, in plaats van een vermogen tussen 50 en 100 Watt bij traditionele verlichting. De vitrinekasten met enkel of dubbel front worden verlicht door powerleds met een totaal vermogen tussen 31 en 62 Watt, in plaats van een vermogen tussen 100 en 150 Watt. 

 

Het verlichtingsconcept van de architect-inrichter Winston Spriet, dat eerder het werk beklemtoont dan het zaalvolume en de zorgvuldige keuze van verlichtingsbronnen hebben het totale verlichtingsvermogen kunnen reduceren tot een vierde van het fluorescerende lichtvermogen, dat in 1984 werd geïnstalleerd. 

 

Zodoende is de elektronische installatie in het Magritte Museum met het oog op het optimale behoud van het oeuvre, erop gericht energieverspilling te vermijden en het energieverbruik van de technische installaties te reduceren. 

 

 

HET INTERIEURONTWERP 

 

In het gebouw van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, gerenoveerd dankzij het competentiemecenaat van de Franse en Belgische dochterondernemingen van GDF SUEZ (Fabricom GTI, INEO en GDF SUEZ Consulring), zal de bezoeker op een oppervlakte van 2. 500 m2 de grootste collectie werken van Magritte ter wereld kunnen ontdekken. Als ideaal overzicht van het werk van Magritte heeft de collectie de uitzonderlijke bijzonderheid om alle stijlfases en disciplines van de kunstenaar te omvatten. 

 

Op basis van een moderne en pedagogisch verantwoorde museuminrichting, geconcipieerd door de architect-ontwerper Winston Spriet en uitgevoerd door GDF SUEZ, kunnen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België en de Magritte Stichting tweehonderd bijzondere werken laten zien, die voor het eerst in hun geheel tentoongesteld worden. Kunst, denken en leven van Magritte zijn levendig voorgesteld doorheen een chronologisch en thematisch parcours, dat multidisciplinair, pedagogisch verantwoord, nauwkeurig en interactief opgezet is. De tentoonstelling confronteert de werken onderling met elkaar, zodat de evolutie van het werk levendig zichtbaar wordt. Nieuwe technologieën ondersteunen de verspreiding van het werk en het publiek krijgt toegang tot het archief van het Onderzoekscentrum René Magritte. Naar analogie van het Van Gogh Museum in Amsterdam of het Zentrum Paul Klee in Bern, is het Magritte Museum zodoende dé internationale kennisreferentie voor René Magritte. 

 

Het Magritte Museum is de ontmoetingsplek voor een uiteenlopend publiek. Ongeacht zijn of haar herkomst, kennis of verwachtingen vindt elke bezoeker een toegankelijk parcours tot het werk van Magritte. In het kader van zijn activiteiten ten voordele van de jeugd en bovenop de financiering van de museumverbouwing, zal GDF SUEZ trouwens steun verlenen aan de verspreiding van duidingsinstrumenten om kwetsbare jongeren makkelijker toegang te geven tot cultuur.  

 


1898-1929

Het Museum biedt een chronologisch en thematisch parcours van het werk van Magritte, dat op de eerste verdieping begint bij de constructivistische periode van de kunstenaar en zijn contacten met de groep "7 Arts". Daarna volgt Magritles ontdekking van het werk van de Chirico en zijn eerste surrealistische werk. Thematische vitrinekasten vervolledigen het bezoek en tonen het rijke surrealistische archief, dat het museum bewaart. Het omvat naast de zogenaamd historische tijdschriften en de traktaten ook de correspondentie van Magritte, die zijn "compagnons de route" onder de aandacht brengt: E.L.T. Mesens, Paul Nougé, Camille Goemans en Louis Scutenaire, naast de Franse surrealisten die Magritte ontmoette tijdens zijn verblijf in Parijs: André Breton, Paul Eluard en Louis Aragon.

 

1930-1950

Op de volgende verdieping wordt stilgestaan bij de terugkeer van Magritte naar Brussel. Getroffen door de economische crisis van de jaren 30, maakt Magritte wat hijzelf "stom werk" noemde, namelijk zijn reclamewerk. Dit speelde een cruciale rol voor zijn begrip van de notie van de afbeelding en de herhaling ervan.

 

Typerend voor deze periode is eveneens zijn toenadering tot de Belgische Communistische Partij. Wanneer Magritte tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's op de zwarte lijst wordt geplaatst, blijft hij discreet en waagt hij zich aan een surrealisme "en plein soleil", met een impressionistische toets. Bij de bevrijding neemt Magritte zijn contacten met Parijs op ambigue wijze weer op en stelt er een serie uit zijn zogenaamde "période vache" tentoon.

 

1951-1967

Het laatste museumgedeelte heet "Le domaine enchanté" (Het betoverde domein) en is gewijd aan het onderzoek van de kunstenaar over de herhaling. Daarnaast behandelt het de grote Magrittiaanse afbeeldingen, geconcentreerd rond L'Empire des lumières (Het Rijk der lichten) en Le Domaine d'Arnheim (Het domein van Arnheim). Deze belangrijke werken uit de aanzienlijke verzameling van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België zijn bovendien aangevuld met werken die privéverzamelaars in bruikleen geven.

 

Het bezoek wordt afgerond via een filmzaal, waar zowel films over Magritte te zien zijn, als films die Magritte zelf graag samen met zijn vrienden bekeek en die hem bij zijn subversieve beeldentaal inspireerden.

 

Het parcours is doorspekt met schermen die gewijd zijn aan de "compagnons de route" van Magritte. Het is trouwens door de belangrijke steun van het competentiemecenaat van GDF SUEZ dat het Museum over deze nieuwe technologie kan beschikken. 


 

MAGRITTE IN HET ARCHIEF VOOR HEDENDAAGSE KUNST IN BELGIË 

 

 

Sinds het einde van de jaren 50 bestaat in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België een archief- en documentatiecentrum, dat vandaag bekendstaat als het Archief voor Hedendaagse Kunst in België (AHKB) . Vanaf de oprichting beoogde dit centrum zijn fonds te versterken m et betrekking tot de sterke kern van de hedendaagse kunst in België: les XX, La Libre Esthétique, het expressionisme, het constructivisme en het surrealisme. Vanuit dat oogpunt stuurde Phil Mertens, destijds wetenschappelijk secretaris van het AH KB, in 1962 een vragenlijst aan de actoren van de avant-garde van de jaren 20. Ook Magritte ontving een schrijven en antwoordde op 20 maart met een bijzonder interessante brief, waarin hij de evolutie van zijn denken verklaart. 

 

In de bijlage van de brief vult Magritte een vragenlijst in, waarin hij zich akkoord verklaart om enkele documenten aan het Archief te leveren. Daarna staat hij inderdaad enkele catalogi aan het museum af en ontvangt een delegatie van het museum bij hem thuis, die negatieven van foto's uit zijn persoonlijke albums reproduceren. Ook met andere leden van de surrealistische groep of hun nazaten treedt het museum nu in frequenter contact: Marcel Mariën, André Souris, E. L.T. Mesens, Armand Simon, Achille Chavée en zelfs m et Marcel Lecomte. Deze laatste was in de jaren 60 werkzaam in de Bibliotheek van de Koninklijke Musea; deze band verklaart waarom het gehele archief van Marcel Lecomte er vandaag bewaard wordt. Naast deze persoonlijke archieven legde het Archief voor Hedendaagse Kunst ook een belangrijke verzameling aan van surreal istische pamfletten. Bovendien blijft het Archief ook bij elke mogelijke gelegenheid door Magritte geïllustreerde muziekpartituren opkopen. 

 

Bij deze prospectie treedt Francine-Ciaire Legrand, toenmalig hoofd van de afdeling moderne kunst, in 1977 in contact met Harry Torczyner, die een goede vriend was van Magritte en zijn advocaat vanaf de jaren 50 tot zijn overlijden. Mevrouw Legrand probeert Torczyner zover te brengen zijn uitgebreide correspondentie met Magritte bij het Archief te voegen, evenwel zonder succes. Torczyner twijfelt en schrijft op 1 maart: " De vraag die zich echt stelt, is of het huis van René Magritte ooit ja dan nee een onderzoekscentrum over Magritte wordt". Het project blijft zonder gevolg. Na het overlijden van de weduwe Georgette Magritte heeft op 31 maart 1987 in het Paleis voor Schone Kunsten een veiling plaats: " Meubels en varia. Sierstukken uit de woning van René Magritte". Bij die gelegenheid koopt het museum voor 42.000 Belgische frank het lot 239 op, dat alle amateurfilms van René Magritte bevat. In januari 2006 verkrijgt het Archief voor Hedendaagse Kunst vijftig foto's uit de directe nalatenschap van René Magritte, die het destijds, in 1987, niet had kunnen opkopen. In 2008 verwerft Fortis lnsurance ter ondersteuning van het toekomstige Musée Magritte Museum een geheel van archiefdocumenten, die in bruikleen worden gegeven aan het Museum. Op 18 juni 2008 ten slotte koopt het Archief op een veiling bij Bernaerts in Antwerpen van het archief van Paul-Gustave Van Hecke belangrijke stukken met betrekking tot Magritte en het surrealisme: onder andere mooie brieven aan Van Hecke, gesigneerd René Magritte, Paul Eluard, E.L.T. Mesens of Alex Salkin-Massé en het manuscript voor Couleurs de la nuit, dat wijst op een samenwerking tussen Camille Goemans en Magritte. 

 

Ter gelegen heid van de opening van het Musée Magritte Museum werd ook een nieuwe internetsite gelanceerd met een link naar Onderzoek. Dankzij de technologie van INEO Media System, een dochtermaatschappij van de GDF SUEZ groep, kan de surfer met een zoekmachine de hele databank van het Museum doorzoeken: in eerste instantie de databank FABRITIUS van de collecties en in tweede instantie de databank van de Bibliotheek. Dit vormt voor het Archief voor Hedendaagse Kunst de aanleiding om een nieuwe online-databank te lanceren: ARCHIBALD, wat staat voor ARCHIves of Belgian Art - Letters and Documentation. De databank kwam tot stand in het kader van een onderzoeksproject over het archief van Octave Maus, de secretaris van les Vingts en La Libre Esthétique. De databank werd de laatste maanden uitvoerig getest, is nu operationeel en zal vanaf de lancering van de nieuwe internetsite dagelijks door het Archief-team vervolledigd worden met gegevens over Magritte en het surrealisme. Deze onderzoekscel over Magritte zal trouwens ook publicaties en thematische dossiers over onder andere de zielsverwanten van Magritte online beschikbaar stellen. 

 


 

FILM 

 

 

Referenties naar het universum van Fantomas en het feit dat personages van de filmregisseur Louis Feuillade zelf in bepaalde schilderijen van Magritte uit de jaren 20 voorkomen, maken eens te meer duidelijk hoe Magrittes verbeelding sinds zijn jeugdjaren werd beïnvloed door de populaire cinema. De kunstenaar had ook een kleine verzameling stomme films, vooral van Laurel en Hardy, Charlie Chaplin, Mack Sennett en Max Linder. Wanneer Magritte zich dan in 1956 een 8 mm filmcamera aanschaft en beslist om zelf filmpjes te draaien, wil hij zich natuurlijk op diezelfde komische en burleske manier uiten zoals in zijn fotosketches sinds de jaren 30 en met dezelfde "acteurs", al komen daar de vrienden van dat moment bij. "Aan sommigen liet Magritte alle vrijheid en was hij tevreden met het opnemen van hun min of meer geïmproviseerde sketches; aan anderen legde hij gebaren en mimiek op, streng als de meest onverbiddelijke regisseur. Als hij schilderde, was Magritte rustig, soms zelfs verveeld om zich te moeten 'inspannen', en stond open voor onderbrekingen van buitenaf. Maar als filmregisseur werd hij geagiteerd, scherp, maar toch eindeloos geamuseerd." De meeste opnames werden gedraaid tussen 1956 en 1960; daarna zal de camera nog slechts dienst doen voor vakantieherinneringen en bij reizen. Een nooit afgemaakt filmproject in 1965 laat slechts enkele fragmenten na. De veertig vandaag geïdentificeerde films van Magritte zijn dus slechts een hypothetische, naar tijd en plaats geordende reconstructie van teruggevonden fragmenten. 

 

Magritte was werkelijk gepassioneerd door film en liet niet na elke film die hij zag van commentaar te voorzien. Een film van James Bond die hij op het einde van zijn leven ziet, roept bij hem nostalgische herinneringen op aan het filmuniversum van zijn jeugdjaren, dat voor een deel zijn werk beïnvloedde: die film "doet niet denken aan spionage in de zin van mysterieus of gevaarlijk, maar aan sportieve onderwateroefeningen met de hulp van troepen die uitgerust zijn met de nieuwste wapens, het is doodsaai ... ". Magritte wou zich bij film tegelijk verbazen én amuseren. Zodoende was film, zelfs al draaide hij niet weinig filmpjes, voor hem meer een tijdverdrijf met vrienden en een hobby, maar zeker niet zijn communicatiemedium. "Zelfs al zou ik de basis van de filmkunst beheersen, mijn ideeën zou ik enkel kunnen uiten door te schilderen." 

 

 

MAGRITTE CINEAST? 

 

In de lente van 1994 werd door de openbare omroep BRTN (nu VRT) het volledig voorhanden zijnde filmmateriaal van René Magritte digitaal opgeslagen. De filmpjes, op drager van 8 mm en super-8, waren decennia terug volledig verknipt in opdracht van Jean Raine met het oog op een film die hij in samenspraak met Magritte zou maken. Een deel van het materiaal bevond zich in het KMSK, een ander in het Koninklijk Filmarchief. Ook de monteur beschikte nog over enkele chutes die soms maar enkele frames bevatten, maar die bij de reconstructiewerkzaamheden zeer waardevol bleken. 

 

Met engelengeduld hebben regisseur Jef Cornelis (research), productieassistente Eva Binnemans (beschrijving en reperage) en monteur Eddy Bergiers (off-line montage) het materiaal geordend en zijn zij er in geslaagd om veertig filmpjes te reconstrueren. Een voordeel hierbij was dat Magritte niet te werk ging als een professional en niet in functie van een montage dacht. Hij groepeerde geen opnamen, maar filmde alles in volgorde, waardoor de lassen voor de reconstructie een kostbare hint zouden vormen. Zo kon dankbaar gebruik worden gemaakt van onzorgvuldig knipwerk in de originele filmpjes; één of twee frames van het vorige of volgende shot werden meer dan eens per vergissing mee geknipt. 

 

Met haast maniakale zorg heeft Eva Binnemans het volledig reconstructieproces gedocumenteerd en gebundeld in tweeenveertig brochures (één per filmpje en twee toelichtingbrochures), een ondankbare, maar onmisbare ultieme stap in een proces dat de hele winter 1993 -1994 en de daaropvolgende lente in beslag nam. De honderd zevenentachtig minuten en vijfendertig seconden die zo werden veilig gesteld vertegenwoordigen het gros van hetgeen Magritte tussen oktober 1956 en juni 1967 gefilmd heeft. 

 

Dat er nog ooit filmmateriaal opduikt is niet onmogelijk, maar het valt te betwijfelen of dit aan de inzichten die wij nu over Magritte als filmer hebben veel zou veranderen. Was de hele operatie wel de moeite waard? Zij resulteerde alvast in de documentaire van J Cornelis Les Vacances de Monsieur Mag ( 1995) die volledig handelt over de relatie van Magritte met zijn filmcamera. Maar er is ook een meerwaarde op lange termijn. 

 

Het loont inderdaad de moeite na te gaan wat die filmcamera voor René Magritte betekende. Het is duidelijk dat film hem al van in de jaren twintig erg geboeid heeft. Er zijn sporen van terug te vinden zelfs al in zijn vroegste geschriften, onder vorm van kleine scenario's, maar ook als verwijzingen in zijn schilderijen. Wanneer het hem financieel goed begon te gaan werd de aanschaf van een filmcamera de vervulling van een jongensdroom. Opvallend in dat opzicht is dat meer dan de helft van de filmpjes tussen oktober 1956 en september 1957 gedraaid werden. Met het nieuw speelgoed werd duchtig geëxperimenteerd.

 

Het soort beelden dat wij te zien krijgen kan in drie categorieën worden onderverdeeld en hierin valt een parallellisme te herkennen met zijn houding ten opzichte van de fotografie. De meest intrigerende zijn de filmpjes die aan een (meestal summier) surrealistisch scenario beantwoorden. Daarbij worden vreemde handelingen uitgevoerd met rekwisieten zoals een tuba, een kinkhoorn of een Duitse pinhelm. In het geval van Paul Colinet kunnen enkele klontjes suiker en een glas water volstaan. Het zijn droombeelden of burleske overdrijvingen, soms gekruid met een tikkeltje erotiek; de gewillige acteurs zijn meestal goed herkenbaar: uiteraard René Magritte zelf, zijn echtgenote en model Georgette, Louis Scutenaire en diens echtgenote lrène Hamoir, Paul Colinet of een toevallige bezoeker, zoals ELT Mesens of Rachel Baes.  

 

Hoe langer de camera in bezit is hoe meer het gewone gebruik van de kleinbeeldcamera op de voorgrond treedt: het opnemen van huisgenoten en bezoekers, die zich soms laten verleiden om in een rolletje te kruipen. Ook op vakantie wordt gefilmd, in het buitenland uiteraard, maar ook in het vlakbij gelegen Josaphatpark. 

 

Plots lijkt Magritte een nieuwe mogelijkheid van zijn filmcamera te ontdekken: het documenteren van zijn kunstproductie. Hij filmt zijn schilderijen en doet dat in open lucht. Het is een impulsieve inval en hij zet natuurlijk niet door. Hij zal ook wel gerealiseerd hebben dat fotograferen in dit geval veel doeltreffender is. 

 

Maar voor ons is het een buitenkans om in de denkwereld van de kunstenaar binnen te dringen, wellicht zonder dat hij dat zelf beseft. Door de camerabeweging, een inzoomen op een detail, het uitvoeren van een zwevende beweging op een hangende rotsblok bijvoorbeeld, wordt ons duidelijk gemaakt wat belangrijk is in één bepaald schilderij. 

 

Dezelfde vaststelling kan gemaakt worden bij eenvoudige vakantiefilmpjes. Een lange zoombeweging begint in een vrij rommelige Mediterrane omgeving, maar mondt uit op een heuvelflank waar een opeenstapeling van kubusvormige huisjes een vertrouwd Magrittiaans beeld oproept. 

 

Sommige beelden zijn schromelijk overbelicht. De acteursregie is vaak pover en improvisatie is meer de regel dan de uitzondering. Een feit is duidelijk: de filmpjes van Magritte kunnen als dusdanig niet als kunstwerken beschouwd worden. Hun waarde ligt elders. Naast documenten over de kunstenaar en zijn vriendenkring geven zij een inzicht in zijn surreal istische ingesteldheid. In hun onvolmaaktheid, leggen zij een weelde aan ongefilterde creatieve impulsen bloot.

 

Rik Sauwen

 

Ter gelegenheid van de opening van het Magritte Museum heeft het Belgisch Archief voor Hedendaagse Kunst de beschikbare filmfragmenten opnieuw genummerd met behulp van technieken waarvan de technici in 1993 slechts konden dromen. De uiteindelijke montage van de films gebeurde wel met behulp van de gedetailleerde brochures die de BRTN destijds maakte bij de restauratie en die dus opnieuw van zeer groot nut bleken te zijn.

 


 

DE "MAGRITTE" TENTOONSTELLINGEN 

 

 

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België hadden vaak de gelegenheid om geheel of gedeeltelijk aan Magritte gewijde exposities te organiseren. Een eerste groepstentoonstelling, La Part du Rêve, loopt van 25 april tot 19 juli 1964. In 1972 volgt er een nieuwe tentoonstell ing over de kunstenaar in de Bank van Brussel in het kader van het evenement De Kunstberg in mei. In acht dagen tijd trekt de expositie niet minder dan 24 000 bezoekers. Vier jaar later; van 14 mei tot 27 juni 1976, organiseert het museum in samenwerking met het ministerie van de Franse Gemeenschap de tentoonstelling Trouw aan beelden. René Magritte, filmmaker en fotograaf. Zich verdiepend in de sfeer van het surrealisme had het museum al enkele weken eerder, van 11 maart tot 11 april, een tentoonstelling op touw gezet onder de titel Surrealistische tendensen in België. Werken uit de collecties van het Museum voor Schone Kunsten van België. Van 25 september tot 5 december 1982 volgt opnieuw in samenwerking met het ministerie van de Franse Gemeenschap de tentoonstelling René Magritte en het surrealisme in België: de tentoonstelling trekt 91 200 bezoekers. Van 13 september tot 15 december 1996 wijdt het museum een expositie aan de legaten van lrène Hamoir: Irène, Scut, Magritte and Co. Om de honderdste verjaardag van Magrittes geboortedatum te gedenken, wordt door de afdeling moderne kunst onder leiding van Gisèle Ollinger-Zinque en Frederik Leen een retrospectieve georganiseerd van 6 maart tot 28 juni 1998. De tentoonstelling zou een waar maatschappelijk fenomeen worden en 302 214 bezoekers trekken. 

 

Ook in het buitenland organiseert het museum Magritte-tentoonstellingen. Zo vindt er in 2002 een tentoonstelling René Magritte plaats in Tokio, Hiroshima en Nagoya in Japan. De jaren 2006-2009 zijn gunstig voor internationale exposities. Werk en archief van René Magritte gaan op internationale tournee om het buitenlandse publiek nog een laatste keer voor de opening van het Magritte Museum de kans te bieden met de collectie kennis te maken. Met werk op papier reist de tentoonstelling naar Parijs - Magritte tout en papier. Collages, dessins, gouaches (8 maart - 19 juni 2006) en naar Rotterdam - Voici Magritte. Gouaches, collages, tekeningen, studies, schilderijen (2 september - 3 december 2006). Het gehele werk reist naar Como - René Magritte. L'impero delli luci (25 maart -16 juli 2006), naar Seoul - René Magritte. Empire of dreams (20 december 2006 - 1 april 2007), naar Peking - René Magritte (25 april - 5 juli 2007) en naar Milaan - Il mistera della natura (22 november 2008 - 29 maart 2009). 

 


 

PRAKTISCH

 


MUSÉE MAGRITTE MUSEUM

Koningsplein 1 - 1000 Brussel

  • Voor individuele bezoekers zonder toegangsticket
  • Voor groepen

Regentschapsstraat 3 - 1000 Brussel

  • Voor individuele bezoekers met toegangsticket

Koningsplein 2 - 1000 Brussel

  • Voor rolstoelgebruikers

T : + 32 2 508 32 11

F : + 32 2 508 32 32

info@fine-arts-museum.be

www.musee-magritte-museum.be 

 

OPENINGSUREN

Open van dinsdag tot zondag, van I 0 tot 17 uur Op woensdag ook 's avonds open tot 20 uur;

Gesloten 's maandags, op 1 januari, 2e donderdag van januari, 1 mei, 1 en 11 november; 25 december. 

 

TOEGANGSPRIJS 

8 Euro: normaal tarief

5 Euro: reductietarief

  • Jongeren van 13 tot 18 jaar
  • Studenten -26 jaar (na voorlegging van geldige studentenkaart)
  • Senioren +60 jaar (of na voorlegging van S+ kaart)
  • Groepen van minimaal 15 personen
  • Trade

2 Euro: sterk gereduceerd tarief

  • Werklozen uit België en EU-landen
  • Mindervaliden en 1 begeleider
  • Schoolgroepen van minimaal 15 leerlingen met museumgids 

 

TICKETRESERVERING

T: +32 2 508 33 33 

 

RONDLEIDINGEN

T:+ 32 2 508 33 33 > Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans

Audiogids: prijs: 4 Euro  > Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans 


ILLUSTRATIES

 

Alle illustraties: Koninklijke M usea voor Schone Kunsten van België, tenzij anders vermeld © Ch. Herscovici - SABAM Belgium 2009

Illustraties pagina's 31-33: Regie der Gebouwen

Plannen pagina 34: uittreksels uit de museumgids, gepubliceerd door het Magritte Museum en Editions Hazan, © Musée Magritte Museum/Editions Hazan


AUTEURS

 

Michel Draguet, hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles, directeur van het Onderzoekscentrum René Magritte, is algemeen directeur van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Zijn specialisatie betreft de 19e en 20e eeuw. Hij is de auteur van meerdere referentiewerken over het symbolisme met monografieën over Raps, Khnopff. Ensor en twintigste-eeuwse kunstenaars zoals Malevich, Magritte en Dotremont. Zijn chronologisch overzicht van de kunst van de 20e eeuw is een groot succes. Hij is onder andere de auteur van Gao Xingjian. Le Goût de l'encre (Hazan) en van Magritte in de collectie L'Atelier du monde. Michel Draguet was commissaris van de tentoonstelling Voir Magritte in 2006.

 

Virginie Devillez, doctor in filosofie en literatuur en verantwoordelijke van het Archief voor Hedendaagse Kunst van België, is de projectcoördinatrice voor het Musée Magritte Museum. Zij schreef Kunst aan de Orde. Kunst en Politiek in België (1918-1945) en meerdere essays over de artistieke scène bij de wending van mei '68. Virginie Devillez was onder andere commissaris van de tentoonstelling Expo '58. Hedendaagse kunst op de Wereldtentoonstelling in 2008.

 

Régis Hespel, ingenieur van opleiding, houdt zich sinds meer dan twintig jaar bezig met de grote verbouwingen die de KMSKB in samenwerking met de Regie der Gebouwen uitvoeren.

 

Rik Sauwen, voormalig producer van de openbare televisieomroep BRTN (nu VRT) en lid van de Algemene Vergadering van de Magritte Stichting.