U bent hier

Medardo Rosso Joods jongetje - Floris Jespers Maniokstampsters

Medardo Rosso Joods jongetje - Floris Jespers Maniokstampsters
Medardo Rosso, Joods jongetje, 1892, Was, 24 x 15 x 17 cm, niet gesigneerd, niet gedateerd.
 
Het komt vaker voor dat schilders tot beeldhouwen overgaan en dat zij in deze nieuwe discipline belangwekkende stukken tot stand brengen. De drang naar een meer directe weergave van hun gevoel voor plasticiteit, de wil tot vernieuwing en verruiming van vormentaal en uitdrukkingsmiddelen vanuit het platte vlak de ruimte in, liggen ongetwijfeld aan de basis van dit fenomeen.
 
De Italiaan, Medardo Rosso, had oorspronkelijk een schildersopleiding gevolgd. Maar al gauw is hij gaan boetseren. Het materiaal dat hij gebruikte - was - leent er zich toe om licht en schaduw in verglijdende vormen in elkaar te doen overgaan: hij bereikte er dezelfde atmosferische effecten mee, als zijn schilderende impressionistische tijdgenoten.
 
Minder gewaardeerd in eigen land, trok hij naar Parijs. Hier had hij goede contacten met Rodin, en ook met Emile Zola.
 
De versluierde, glimlachende sfeer van het Parijse 'fin de siècle' inspireerde Rosso tot tal van tafereeltjes en portretkoppen - waaronder het 'Joods jongetje' uit de Middelheimverzameling en, verwant hiermee, het 'Kind in de zon', uit het Kröller-Müller museum te Otterlo. Bij deze subtiele sculpturen komt Rosso's uitspraak in herinnering, 'men moet kunnen leven en toch dromer zijn'. De kunstenaar weet in deze hoofdjes een opvallende levendigheid te bereiken, geïnspireerd door de indruk en de visie van een bepaald moment.
 
Er zijn geen vaste en omlijnde contouren; onder een nauwelijks waarneembare glimlach gaat een bezonnen uitdrukking schuil. Het model hoefde voor Rosso niet urenlang te poseren, want hij boetseerde vanuit de herinnering. Onder een verglijdende vormsymboliek wordt het wisselende zieleleven weergegeven: zijn beelden staan niet los van hun omgeving; vaststaande schoonheidsnormen worden doorbroken om de sculptuur deelachtig te laten worden aan de 'veelvoudige improvisaties van het heelal' (M. Rosso). Rosso mag tot de baanbrekende beeldhouwers van de periode rond de eeuwwisseling worden gerekend, omdat hij de algemeen gangbare 'schoonheids'-normen van de negentiende eeuw vervangen heeft door het 'vitaliteits'-principe van de moderne sculptuur, waarin het evoluerende leven ruimtelijk wordt weergegeven.
 
Dat bepaalde belevenissen en herinneringen diepgaand kunnen ingrijpen op de creatieve vormgeving, heeft ook het œuvre van Floris Jespers bewezen. Tot op zijn zestigste jaar heeft hij zich hoofdzakelijk op schilderen en tekenen toegelegd. Tijdens de drie langdurige Kongoreizen, die hij tussen 1951 en 1957 ondernam, is hij evenwel bijzonder getroffen geweest door het sculpturale van de negerlichamen. In de koelte van de avond en de nacht is hij daar begonnen, ter verpozing, na vermoeiende dagtaken van schilderen en tentoonstellen, met het maken van beelden.
 
Hij gebruikte hiervoor zogenaamde 'onorthodoxe' materialen die door echte beeld-'houwers' niet werden aangewend: cement, doek, touw, linoleum en dies meer, door ijzeren staven versterkt (later zouden deze werken door zijn beeldhouwende broer Oscar, gemoedelijk als 'vodden op stokskes' worden getypeerd). In deze sculpturen wordt de expressionistische lijn doorgetrokken die zijn schilderijen kenmerkt: het oermenselijke krijgt ook in zijn Kongoschilderijen steeds meer nadruk, samen met een meer sociale instelling. Een intens levend man was Floris Jespers die de zwarte vrouwen geestdriftig beschreef: 'zij wandelen rond met raadsels hoog opgestapeld op hun hoofd, en met heel het mysterie van Afrika wiegend in hun heupen...'.
 
In een nogal losse boetsering van volumes, nu eens brokkelig, dan weer puntig, uit allerlei soorten zacht en buigzaam materiaal, rijzen deze figuren als uit een andere wereld op. Bedwongen, rythmisch, onbevangen en ongenaakbaar.
 
Het fascinerende van de tropenwereld werd voor de schilder een stimulans tot zelfvernieuwing.
 
Zijn beelden roepen de openbaring op die deze wondere wereld voor hem is geweest.
 
 

Medardo Rosso werd geboren te Turijn in 1858 en overleed te Milaan in 1928. Hij genoot een opleiding aan de Accademia di Brera te Milaan van 1881 tot 1885, waar hij werd ontslagen daar zijn impressionistische opvattingen bij de academici geen bijval vonden. In 1884 ging hij naar Parijs en wekte interesse bij een kleine kring van kunstliefhebbers. Hij kwam er herhaaldelijk terug en knoopte ook met Rodin vriendschapsbetrekkingen aan. Hij was een van de voorlopers der vernieuwing in de Italiaanse sculptuur. In 1954 werd een Museo Rosso te Barzio in Italië opgericht.


Floris Jespers werd geboren te Antwerpen in 1889 en overleed aldaar in 1965. Hij was de zoon van Emile Jespers en broer van Oscar Jespers, beiden beeldhouwers. Floris Jespers die eigenlijk schilder was, kwam op latere leeftijd ook tot de beeldhouwkunst. Na een opleiding aan de Academie en het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen, verbleef hij lange tijd in het Waasland in België. Floris Jespers was onder meer bevriend met Paul van Ostayen en Gaston Burssens, en was lid van de avant-garde groep 'Sélection' te Brussel en van 'Kunst van heden' te Antwerpen. In 1951 ondernam hij een eerste reis naar het toenmalige Belgisch Kongo, die nog door twee andere reizen gevolgd werd.