U bent hier

Masker van walvisbeen van de Inuit, Alaska

Masker van walvisbeen van de Inuit, Alaska
Walvisbeen, 23,5 x 18 cm, Masker, Inuit, Alaska, collectie Van Baaren
 
Voor de Inuit die nog rondom de laatste eeuwwisseling in kleine groepen in het noorden van Alaska woonden, was het niet eenvoudig om in leven te blijven. De natuur was zeer hard en de jacht was de enige methode om aan voedsel en aan alle andere materialen voor kleding, gebruiksvoorwerpen, wapens en dergelijke te komen. Niets van de gevangen dieren werd dan ook weggegooid, leder stukje bot of ivoor, huid of darm werd gebruikt om er iets nuttigs van te maken. Het vet werd vooral gebruikt in olielampjes die tegelijk voor een beetje licht en warmte zorgden. Steen en hout waren zeer schaars; dit laatste materiaal kwam nogal eens in hun handen als drijfhout. Het vlees van gevangen dieren aten ze meestal rauw, zo komen ze aan hun naam Eskimo, wat in de taal van één van de culturen waarmee ze in contact kwamen, 'rauw vleeseters' betekent. Zelf noemen de Eskimo zich 'Inuit', in hun eigen taal het woord voor 'mensen'. In hun barre levensomstandigheden konden ze zich nauwelijks veroorloven iets te maken zo maar voor de aardigheid. In de lange donkere winter vervaardigden ze wel prachtige gebruiksvoorwerpen als harpoenpunten, handvaten voor gereedschap en dergelijke uit been en ivoor. Zij maakten daarbij zeer knap gebruik van de natuurlijke vormen van het materiaal. De hardheid daarvan en de eenvoud van hun gereedschappen vormden geen beletsel om bepaalde dieren raak te typeren.
 
Door de onzekerheid over voldoende voedsel en door het grote gebied waar ze maar met zo weinigen woonden, was hun sociale organisatie zeer eenvoudig. Maar het geheel van geesten die de natuur bevolkten, vormde een zeer ingewikkeld systeem.
 
De man die de weg wist in dit systeem en vooral ook de geesten ten goede kon aanwenden, was de sjamaan of 'angakok', zoals hij bij de Inuit wordt genoemd.
 
Hij was volgens onze normen vaak een figuur op de grens van het abnormale. Maar die eigenschap werd door zijn gemeenschap positief gewaardeerd en gebruikt. Zijn voornaamste methode om in contact te komen met de geest, die hem in het begin van zijn loopbaan als angakok in een visioen was verschenen en waarmee hij een speciale band onderhield, was de trance. De angakok trad vooral op in crisissituaties zoals ziekte, het uitblijven van jachtdieren, te lang aanhouden van slecht weer en dergelijke. Hij danste zich dan in trance om zo contact te krijgen met zijn speciale geest en die te bewegen zijn macht aan te wenden om de moeilijkheden op te lossen. Bij die dans droeg hij vaak een masker, vrijwel altijd van hout, soms beschilderd en versierd met been en veren.
 
Het was meestal gemaakt door een ander, maar wel volgens de aanwijzigingen die de angakok in een visioen had gekregen. De maskers zijn al naar gelang de streek van herkomst van zeer surrealistisch tot abstract, zoals wij zouden zeggen.
 
Ook bij ander godsdienstige gelegenheden werden maskers gebruikt, bijvoorbeeld op dansfestivals bij de opening van het jachtseizoen. Om een goede vangst te verzekeren was het dan zaak de geesten zó gunstig te stemmen, dat ze de jachtdieren op het goede moment én op de goede plaats zouden laten verschijnen. Om een goede indruk te maken op de betrokken geesten werden de mooiste maskers gebruikt en de beste dansers werden uitverkoren ze te dragen. Deze festivals waren niet alleen godsdienstige bijeenkomsten; het was ook gewoon een feest van een aantal Inuit die hoopten dat het jachtseizoen goed zou worden en zich amuseerden.
 
De stijl van het afgebeelde masker, hoewel van walvisbeen, dat zeker vóór 1920 niet voor maskers werd gebruikt, lijkt zo op de oudere houten exemplaren uit de streek rond Point Hope in het noordoosten van Alaska dat het waarschijnlijk is dat het ook daar werd vervaardigd. Het exemplaar in ons museum is stilistisch veel zuiverder en zeker veel geestiger (een kwaliteit die de houten maskers ook kenmerkt) dan de enkele exemplaren van walvisbeen die in de literatuur staan afgebeeld.
 
Deze zien er doorgaans wat grof en somber uit en werden voor de verkoop gemaakt. Of het onze ooit voor godsdienstige rituelen is gebruikt is niet meer na te gaan, wel lijkt het op grond van zijn stijl een, voor zijn soort, oud exemplaar.
 
Sinds 1900 is het gebied vanwege de aanwezige ertsen en veel later om strategische redenen opengelegd. De commerciële kunst uit deze periode, die vooral de laatste twintig jaar erg wordt gestimuleerd en voornamelijk Inuit-jagers en dieren als onderwerp heeft, haalt soms dezelfde hoge kwaliteit als de gebruikskunst van vroeger.