U bent hier

M in Leuven - Stadsmusea in de steigers

Conservator Veronique Vandekerckhove kijkt uit naar de opening van M in Leuven, Foto: Saskia Vanderstichele.

 

Drie nieuwe stadsmusea staan in de steigers: M in Leuven, STAM in Gent en MAS in Antwerpen. We trokken met tien vragen naar de drie bouwwerven en spraken met geestdriftige conservators die popelen van ongeduld om hun museumdeuren open te zwaaien. Drie steden met evenveel visies en verwachtingen. In dit nummer: M in Leuven. 

 

 

VOORAL EEN KUNSTCOLLECTIE 

 

Als middeleeuwse belforten rijzen de nieuwe musea boven de horizon van de stad uit. In een wereld die kleiner wordt, in een tijd waarin mobiliteit en interesse voor het exotische toenemen, lijkt dit een tegenstelling maar de nieuwe musea zijn er rotsvast van overtuigd de eerste fans in eigen stad te vinden. Met budgetten die schommelen tussen de 15 en 55 miljoen euro lijkt ook de overheid gewonnen voor deze nieuwe evolutie. Stadsmusea gaan ervoor om de nieuwe erfgoedtempels te worden, naast de klassieke musea voor Schone Kunsten uit de negentiende eeuw. Leuven koos resoluut voor een verbouwing waarbij het vroegere Vander Kelen-Merrensmuseum geïntegreerd werd in een hedendaagse gebouw van architect Stéphane Beel. Drs. Veronique Vandekerchove is er conservator en heeft alvast plannen tot 2016. M vertrekt resoluut vanuit de kunstcollectie. 

 

Vanwaar de naam M? 

We hebben lang gezocht naar een nieuwe naam en ook het publiek erbij betrokken; daar kwam echter weinig bruikbaars uit. De vroegere naam Vander Kelen-Mertens moet gedeeltelijk bewaard blijven want bij het legaat is er gesteld dat het museum de naam van de ouders van de schenker - de laatste privébewoners van het huis - moest krijgen. Het huis blijft dus sowieso zijn naam behouden. Voor het geheel moest er een nieuwe naam komen. Uiteindelijk kwamen we bij de letter M met als slagzin M van Museum Leuven. Het logo biedt bovendien heel wat mogelijkheden.

 
Wat zal er te zien in de vaste collectie? 

De mensen komen binnen via de antichambre: de plek waar het museum zich voorstelt. Daar maakt men de keuze om een kaartje te kopen of te blijven rondhangen, men kan er ook iets drinken in het museumcafé. Er komt een interactieve hoek met informatie over de collectie en de programmatie. M is in de eerste plaats een museum: er komt geen erfgoedforum zoals bij het STAM en het MAS. 

 

De museumcollectie krijgt de gelijkvloerse verdieping met als verhouding 1/3 voor de vaste opstelling en 2/3 voor tijdelijke tentoonstellingen. We hebben een zeer strakke selectie gemaakt waarbij kwaliteit het belangrijkste criterium was. We tonen enkel de topkwaliteit die we hebben, via een traject van de vijftiende samen met de negentiende eeuw. De ankerpunten in de vijftiende en zestiende eeuw zijn de sculpturen, de laatgotische beeldhouwkunst. Een aantal stukken is nog nooit getoond. Na een gericht onderzoek laten we momenteel alle kunstwerken waarvoor het nodig is, conserveren en restaureren.

 

Elk object heeft met Leuven te maken: M zal een kunstcollectie tonen omdat kunstvoorwerpen het leeuwendeel van de stedelijke collectie uitmaken. Dat zal M er niet van weerhouden om ook het meer historische aspect van de stad naar voor te brengen. Publieksondersteuning met een specifieke invalshoek zal hiervoor zorgen.

 

Naast de beeldenverzameling hebben we ook de textielcollectie, de brandglascollectie en schilderijencollectie uit die periode. Tweede luik is de negentiende eeuw waar Constamin Meunier de sleutelfiguur is. Hij krijgt een hele zaal met zowel beelden als schilderijen. Burgemeester Leopold Vander Kelen heeft op het einde van de negentiende eeuw Constamin Meunier naar de Leuvense Academie voor Schone Kunsten gehaald als docent. Meunier heeft in Leuven tien jaar gewoond en gewerkt en dat maakt dat we een heel belangrijke collectie atelierplaasters hebben die nu in het stadhuis staan. Die beelden krijgen vanaf 2009 eindelijk het museale onderkomen dat ze verdienen.

 

We zouden graag ook de omgekeerde beweging maken en kijken welke objecten meer in andere musea thuishoren. We denken daarbij vooral aan de collecties schoenmakersalaam en landbouwerfgoed die beter zouden passen in bijvoorbeeld het Museum voor Oude Technieken in Grimbergen.

 

Tot slot krijgt de archeologische afdeling een vormgeving met veel aandacht voor het jeugdige publiek dat hier massaal over de vloer komt in het kader van begeleide klasbezoeken. De archeologische collectie, die loopt van de vroege steentijd tot de achttiende eeuw, concentreert zich rond de drie belangrijkste periodes, met name de pre- en protohistorie, de Romeinse en Merovingische tijd en de middeleeuwen.

 

 

DE KRACHT VAN STADSMUSEA

 

Is het fenomeen van stadsmusea iets nieuws? Het Musée Carnavalet, het stadsmuseum van Parijs, is vrij klein, idem dito voor het Amsterdams Historisch Museum. Het lijkt soms alsof we in Vlaanderen opnieuw in de middeleeuwen zijn beland, met stadsmusea als nieuwe belforten. Plooit een gemeenschap terug naar het nabije? 

Steden zijn altijd aantrekkingspoJen en centra voor vernieuwing geweest; ik vind dat een bijna natuurlijke evolutie. Wij vinden het heel belangrijk om die Leuvense roots te eren, te lauweren. Vroeger kregen we procentueel gezien weinig Leuvenaars over de vloer, met uitzondering van de scholen. Dat moet veranderen. Wij willen in de eerste plaats een museum zijn van en voor de Leuvenaars. 

 

Is die evolutie een typsch Vlaams fenomeen? 

Neen, het zou kunnen dat dit onze sterkste troeven zijn. Je vindt weliswaar de toppers van de kunstgeschiedenis in onze musea voor Schone Kunsten; de organische manier van ontstaan van onze stedelijke collecties is echter een kracht waarmee we aan de slag gaan en het is een kracht die veel te lang onderschat is. In elk geval is het voor mij interessanter om in een stadsmuseum te werken dan in een museum voor Schone Kunsten. 

 

Waarom?

Omdat de collectie veel meer voedingsbodem heeft in de plek waar ze zich bevindt. We hebben jammer genoeg niet meer de topstukken die we hier gehad hebben, zoals de Kruisafneming van Rogier van der Weyden, zoals minstens drie werken van Peter Paul Rubens, schilderijen van Quinten Metsys en Dirk Bouts, die nu alle verdwenen zijn. Het topstukkendecreet zal mee zorg dragen voor wat we hebben. De huidige Leuvense topstukken zullen zeker hier blijven. 

 

Is er daar een publiek voor? U mikt op 50 à 80.000 bezoekers. Waar gaat u die halen? Is het lokale erfgoedverhaal ook interessant genoeg voor mensen die van verder komen?

De eigen M -collecties vormen het vaste kwaliteitsvolle ankerpunt. Tijdelijke tentoonstellingen zullen zuurstof in het museum brengen en bijkomende bezoekers aantrekken. De pubhekswerking is één van onze interactieve speerpunten; de overdracht van informatie zal veel aandacht krijgen. Hoe breng je zowel tijdelijke tentoonstellingen als een museumopstelling naar een groot en vooral breed publiek? 

 

Is het model van de nieuwe stadsmusea een toekomstig model voor andere musea? 

Dat denk ik wel. Je moet over die collectie communiceren. Daar komen dan de verhalen, de objecten, de immateriële cultuur in beeld. Wij werken nauw samen met de erfgoedcel en bijvoorbeeld de immateriële cultuur kan in de antichambre een plaats krijgen. 

 

Op het vlak van hedendaagse kunst wil M zich profileren als een intellectueel centrum in Leuven, toch een kennisstad bij uitstek. Ook buiten Leuven zet M verder in op samenwerking met onder meer andere universiteitssteden en buitenlandse musea. 

 

 

EEN COLLECTIE IN TOPCONDITIE 

 

Wat zijn de topstukken ? 

De vijftiende-eeuwse en vroeg-zestiende-eeuwse schilderijen met als thema de Passie van Christus en de uitgebreide collectie Passiebeelden - één van de meest overzichtelijke ensembles en de tweede grootste museale verzameling van dergelijke sculpturen in ons land- behoren samen met het brandglas tot de meest succesrijke producten uit de Brabantse en Leuvense ateliers van de middeleeuwen. Dit patrimonium van M overstijgt duidelijk het lokale belang, voornamelijk met belangrijke werken als de Piëta (omstreeks 1365), de Genadestoel van het atelier van de Meester van Flémalle (actief van 1406 tot 1444), de Bewening van Christus uit de omgeving van Quinten Metsys (begin zestiende eeuw), de Heilige Familie van Pieter Coecke van Aelst (1502-1550), de Passie van Christus van een Brabants atelier (omstreeks 1475), de Uur- en kalenderwijzerplaat (omstreeks 1500; uniek op Europees niveau), de Geseling en Calvarie van de omgeving van Albrecht Bouts (1460-1549), de Sedes sapientiae, verschillende beelden met als onderwerp Christus op de koude steen ... Deze werken hebben een nationale en zelfs internationale betekenis. Dit blijkt uit de talrijke binnen- en buitenlandse publicaties en tentoonstellingen waarin deze werken worden opgenomen en besproken.

 

De tweede sterkhouder van M is ongetwijfeld de negentiende-eeuwse kunstverzameling. De originele atelierplaasters van Constamin Meunier (1831-1905) zijn hiervan de eerste vaste waarde. Beeldhouwwerken van Jef Lambeaux (1852-1908) en George Minne (1866-1941) vervolledigen het overzicht van enkele belangrijke Belgische beeldhouwers. De schilderijenverzameling omvat een veelheid aan thema's zoals landschappen (Georges Bernier (1862-1918), Euphrasine Beernaert (1831-1901)), stadsgezichten (Joseph Maswiens (1828-1880), Victor Olivier Gilsoul (1867- 1939)), sociaal realisme (Frans Van Leemputten (1850- 1914)), oriëntalisme (François Reynaud (1825-1909)), historische taferelen (André Hennebicq (1836-1904)). Opdrachten van kunstminnende Leuvenaars in de negentiende eeuw maakten dat in Leuven een mooi patrimonium uit die periode is opgebouwd. Via schenkingen, legaten en aankopen van Les Amis du Musée is de negentiende-eeuwse verzameling uitgegroeid tot een volwaardige tegenhanger van de laatgotische collectie met een gelijk(w)aardige uitstraling. 

 

Hoe is de nieuwbouw opgevat en hoeveel m2 tentoonstellingsoppervlakte zal er zijn? 

Door de bestaande kelderverdieping van het voormalige academiegebouw door te trekken onder de gehele locatie, creëert Stéphane Beel een nieuwe half verzonken etage en veel kwalitatieve ruimte in de lager gelegen delen. Zo slaagt hij erin om het moeilijke terrein waar het museum zich bevindt een heldere en zeer toegankelijke structuur te geven. De combinatie van bestaande panden en nieuwbouwelementen ordent en differentieert de stedelijke ruimte in een aantal kamers. De drie verhoogde ruimtes - boven de hoofdingang, op de nieuwbouw in de Savoyestraat en bovenop de verbindende nieuwbouw in de Harregang - maken dat het museum zich meer manifesteert, zichtbaarder wordt en daardoor een uitgesproken identiteit krijgt. 

 

De hoofdtoegang tot het museum is gelegen aan de Vanderkelenstraat en ligt een half niveau lager dan de straat. De nodige hellingen vangen dit hoogteverschil op zodat deze toegankelijk is voor andersvaliden. De verlaging van de inkom garandeert een belangrijk doorzicht naar de achterliggende museumtuin en maakt het mogelijk om de nieuwe museumzalen aansluiting te geven op de bestaande vloerpassen van het academiegebouw. In de ontvangstruimte vindt de ticketverkoop plaats; de ruimte is gratis toegankelijk en geeft een overzicht van het aanbod en de activiteiten die in en vanuit het museum worden opgezet. Die antichambre geeft een doorzicht naar het ondergelegen depot. Enkele cijfers: de totale oppervlakte van het complex bedraagt 13.500 m2. Daarvan dienen 6.000 m2 als publieksruimtes (onthaal en tentoonstellingsruimtes). 

 

Is de oppervlakte geen maatje te groot voor een stad als Leuven? 

Uiteindelijk is de totale oppervlakte zo groot als die van het SMAK in Gent. Voor onze eigen collectie is de ruimte beperkt; we hebben streng moeten selecteren. De tijdelijke ruimtes kunnen we ook gebruiken wanneer we bijvoorbeeld de zeventiende- en achttiende-eeuwse kunstwerken naar voor willen brengen. Hier krijgen we ook de kans om hedendaagse kunst aan het woord te laten. We laten de kunstenaars steeds vertrekken van wat er is: de collectie, de stad ... Het gebouw is zeker niet te groot. Het depot zit er bovendien ook in. 

 

Wat zal het museum gekost hebben? 

De kostprijs voor het gebouw bedraagt 20 miljoen euro. Hiervan neemt de stad het leeuwendeel voor haar rekening, zijnde 15 miljoen euro. De Vlaamse Gemeenschap draagt 5 miljoen euro bij tot de bouw. De inrichting van het depot en van het museum zelf kost in het totaal 1,5 miljoen euro. 

 

Wat is uw persoonlijke droom over M ? 

Mijn droom is dat Leuven fier wordt op zijn museum en collectie. Die fierheid is er vandaag nog niet; dat heeft vooral te maken met het feit dat de Leuvenaar onze collectie niet kent. We hebben unieke en waardevolle stukken. Een deel ervan zijn we nu al drie jaar lang systematisch aan het restaureren. We willen een collectie in topconditie presenteren in 2009.

 

Peter Wouters 

 


FEITEN EN CIJFERS

 

M IN LEUVEN

 

MISSIE: M brengt gisteren, vandaag en morgen bij elkaar in het verhaal van de stad - verteld vanuit en mét haar kunst - door creatief en innovatief om te gaan met haar unieke verzamelingen en met haar publiek.

 

BOUWBUDGET:

20 miljoen euro

(Stad Leuven, Vlaamse Gemeenschap)

 

TENTOONSTELLINGSOPPERVLAKTE:

6.000m2

 

VERWACHT AANTAL BEZOEKERS :

50 à 80.000

 

TENTOONSTELLINGEN:

2009: 'Rogier van der Weyden (1400-1464), de passie van de Meester' en 'Jan Vercruysse'

2010: 'Parallellepipeda: de grens tussen kunst en wetenschap' 'Philippe van Snick' (hedendaags kunstenaar), 'Congo@ Leuven.be' en 'De Anjoubijbel'

2011: 'Pierre-joseph Verhaghen (1728-1811). Een Brabander in de wereld' en 'Jan van Rillaer (1495-1568). Een Leuvens maniërist'

2013 'Brabant 1400'

2016: 'Utopia. De 500ste verjaardag van de eerste druk in Leuven'

 

OPENINGSDATUM:

20.09.2009 

 

AANTAL MEDEWERKERS VANDAAG:

15 leden museumpersoneel, 7 VTE voor onthaal en bewaking