U bent hier

Legaten in onze musea - Vaak vergeten weldoeners

Vaak vergeten weldoeners
Guillaume Vogels, Strandgezicht 1878, olieverf op daek, 41 x 61 cm, Legaat Fernand Scribe Museum voor Schone Kunsten, Gent.

 

In het Zilvermuseum Sterckshof loopt de tentoonstelling met Pittig Zilver uit de schenking Albert & Cecile Maesen. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België laten kennismaken met tekeningen uit de Nederlandse Gouden Eeuw, aan het museum geschonken door Jean de Grez. Legaten vormen een belangrijk onderdeel van museumcollecties.

 
 
 

HENRI VAN CUTSEM VAN BRUSSEL NAAR DOORNIK

 
De gidsen zeggen je wel: "Meesterwerk van Van Eyck en meesterwerk van Rubens," maar zwijgen zedig over wie het gekocht en betaald heeft. Waarom? Dat is wezenlijke informatie over de collectie. Hangt een topstuk daar omdat de overheid er een budget voor over had of is het een geste van een particulier die zijn medeburgers een plezier wou doen,? Of misschien zijn naam wou doen voortleven? Of is het een initiatief van iemand die zo zijn belastingen betaalt?
Wat de topstukken betreft zijn legaten, om het diplomatisch te zeggen, geen uitzondering. Heel wat musea danken het kernstuk van hun verzameling, zeg maar hun ruggengraat, aan het legaat van een mecenas (of aan vele legaten). Er zijn musea die er gewoon hun bestaan aan danken.
 
 
Neem nu het geval van Henri Van Cutsem, een telg uit een vooraanstaande Brabants familie en eigenaar van twee grote hotels tussen het Noordstation en de Beurs, op het einde van de negentiende eeuw. Hij zag zijn vrouw en twee kinderen sterven en kon zo zijn belangrijk patrimonium wegschenken. Zijn vriendenkring bestond vooral uit kunstenaars. Die kregen geldsommen en/of onroerende goederen. De beeldhouwer Guillaume Charlier ontving het grootste deel, met de opdracht te waken over het legaat van de hele collectie aan de stad Doornik en de bouw van het nieuwe museum aldaar onder de leiding van Victor Horta. Wegens de muntdevaluatie na de Eerste Wereldoorlog moest de stad Doornik bijspringen voor de bouw, in een meer sobere uitvoering. Een legende, die nooit is tegengesproken door tijdgenoten van Van Cutsem, wil dat hij zijn collectie eerst heeft aangeboden aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België maar dat een klerk(?) bezwaar maakte tegen een naakt. Van Cutsem zou dan Brussel de rug hebben toegekeerd.
 
 
Het gevolg was dat de beste particuliere verzameling hedendaagse Belgische, maar ook internationale kunst van toen, naar Doornik ging. Van Cutsem behoorde tot de eerste tien kopers van Van Gogh en Seurat. Toen Les XX opgericht werd, had hij al werk van een derde van de betrokken kunstenaars. Van Cutsem had geen raadgevers nodig. Het zat in de familie; de vader was in zijn jeugd nog leerling geweest van Ingres, in Parijs, vooraleer in Brussel het familiebedrijf te komen besturen. Henri was bovendien een van de eerste opdrachtgevers van Victor Horta, die de galerij achter zijn herenhuis aan de Kunstlaan in Sint-Joost-ten-Node bouwde. Guillaume Charlier volgde het voorbeeld van zijn weldoener en liet het huis van Van Cutsem, dat hij geërfd had, en zijn eigen verzameling na aan de gemeente Sint-Joost-ten-Node. Het is een van de meest interessante musea van Brussel omdat men er nog de authentieke sfeer van 1900 kan opsnuiven. Dit mecenaat, gespreid over twee generaties en twee musea is uniek in België.
 
 
 

TWEE RIDDERS IN ANTWERPEN

 
 
Een ander voorbeeld van een museum dat zonder legaat niet had bestaan is Mayer Van den Bergh in Antwerpen. Fritz Mayer (vanaf 1888 ridder van den Bergh) was erfgenaam van een familiefortuin, net als Henri Van Cutsem. Het verzamelen van kunst (vooral de late middeleeuwen) was zijn voornaamste bezigheid. Hij overleed op 42-jarige leeftijd. Zijn moeder voerde zijn plan uit om voor de verzameling een museum te bouwen. Dat werd drie jaar na de dood van de weldoener geopend en daarna nagelaten aan de stad Antwerpen. In zowat tien jaar had Mayer iets meer dan 3.000 kunstvoorwerpen en bijna 2.000 munten en penningen verzameld. Daar zijn absolute topstukken bij als de Dulle Griet van Pieter I Bruegel en het Breviarium dat nu de naam Mayer van den Bergh draagt, naast vele markante werken van Vlaamse, Hollandse en Italiaanse meesters uit die tijd.
 
 
Fritz Mayer kon zoveel kopen, niet alleen omdat hij een groot fortuin had, maar ook omdat hij belangstelling had voor wat niet in de mode was (Bruegel, bij voorbeeld). Dat is het verschil tussen een gedreven verzamelaar en een officiële commissie. Het legaat van Mayer van den Bergh is verder uitzonderlijk omdat het oude kunst betreft; de meeste legaten omvatten voornamelijk kunst uit de tijd van de verzamelaar.
 
 
In 1840 kreeg het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen 141 werken van ridder Florent van Ertborn, een oud-burgemeester van de stad. Hij verzamelde de oude Vlaamse schilderkunst in een periode waarin daar nauwelijks belangstelling voor bestond. Hij kocht Van Eyck, Van der Weyden, Bouts, Memling, Patenir, Metsijs, Fouquet, da Messina en L. Cranach. Voor de faam van het museum is deze collectie nog steeds van essentieel belang. In 1989 kreeg het museum een legaat van dr. Ludo van Bogaert-Sheid: 69 werken waarbij 58 schilderijen en aquarellen van Rik Wouters.
 
 
 

VERDWENEN ZALEN

 
 
De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel kregen in de loop der jaren talrijke legaten. Er is een tijd geweest dat grote legaten een of een paar zalen kregen, bij voorbeeld dr. Frans Delporte (1973, 229 werken uit de zestiende en zeventiende eeuw), dat van mevrouw Paul Maas (1963, de Maaszaal leeft alleen nog in de herinnering van zeer oude museumbezoekers), het echtpaar Goldschmidt (1990, Belgische en internationale hedendaagse kunst), Irène Scutenaire-Hamoir (1966, Magritte en het surrealisme).
 
 
Nog tot 1 juli 2007 exposeert het Brusselse museum de beste stukken van een oud legaat, dat van Jean de Grez, uit 1911. Ridder de Grez (Breda, 1837 - Brussel, 1910) kreeg een verzameling tekeningen in handen waaraan al twee generaties gewerkt hadden. Zij omvatte op het moment van het legaat 4.250 bladen, waarvan 3.600 van de Nederlandse school (zestiende tot negentiende eeuw), met een duizendtal tekeningen uit de zeventiende eeuw! In 1914 werd in aanwezigheid van de weduwe van de schenker een De Grez-zaal plechtig geopend. Die is al lang in stilte verdwenen, maar de tentoonstelling maakt toch een deel van dat uitzonderlijk legaat voor een paar maand zichtbaar.
 
 
Wie vermoedt immers dat de KMSKB een grote verzameling Hollandse tekeningen bezitten?
 
 
 

OOK KLEINERE MUSEA

 
Twee musea in Gent, het Museum voor Schone Kunsten en het Museum voor Sierkunst hebben veel te danken aan een enkel mecenas, Fernand Scribe. Deze erfgenaam van een groot fortuin {textielindustrie) had zelf een grote artistieke aanleg. Hij behaalde zelfs een medaille met een schilderij, in het salon van Cairo. Nadat hij al zijn eigen woonhuis in Gent en kasteel in Bottelare had veranderd in musea, begon hij te ijveren voor de bouw van een modern museum. Hij legateerde zijn kunstvoorwerpen, schilderijen, tapijten, meubels enz. aan de stad, in totaal 398 stukken. Dat ging van Pieter Breughel de Jonge, Tintoretto en Jacob Jordaens tot Géricault, Corot, de meeste Franse en Belgische schilders van ca. 1900 en zelfs al de jonge Constant Permeke en Gustave De Smet. Gent had zo ineens een museum dat mocht gezien worden.
 
 
Nog in Oost-Vlaanderen is er een klein museum dat heel veel te danken heeft aan milde schenkers. De Salons voor Schone Kunsten in Sint-Niklaas herbergen het legaat uit 1895 van Louis Verstraeten, tachtig schilderijen van de zestiende tot de achttiende eeuw (Lambert Lombard, Joos II De Momper, Willem- Claesz Heda ... ), en de schenking Mathys-Vanneste uit 1958, met alle toonaangevende stromingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw, geschilderd door onder meer Hippolyte Boulenger, Henri De Braekeleer en Louis Artan, plus werken van Henri Evenpoel.
 
 
 

EERLIJK IS EERLIJK

 
 
De liefde kan niet van één kant (blijven) komen. Men kan de vraag stellen of de musea in staat zijn in te spelen op de wensen van de schenkers. Het uitgangspunt van de transacties is vaak de wens van de verzamelaar zijn 'levenswerk' in het museum te presenteren. Dat resulteert dikwijls in een zaal, die dan na een tijd verdwijnt. Men kan er begrip voor opbrengen dat het museum zich niet kan transformeren in een soort archipel van verzamelaarseilanden. Dat de namen van de vele weldoeners in de voetnoten - en soms helemaal - verdwijnen is echter te betreuren. Waarom niet aan de ingang van een zaal een tekst aanbrengen met de herkomst van elk werk. Zo worden de tekstplaatjes bij de kunstwerken niet overladen met informatie en krijgt de geïnteresseerde bezoeker toch een eerlijk beeld van hoe de collectie tot stand kwam.
 
 
Men moet hier een duidelijk onderscheid maken tussen een inbetalinggeving van kunstwerken en een legaat. Het eerste vervangt het betalen van belastingen en de betrokkene zal zelf wel uitmaken of het een goede zaak was, het tweede is een schenking aan de maatschappij, de overheid, in casu een museum. De schenker, of juister zijn erfgenamen, beleven wel een moment van glorie wanneer het legaat (na de dood van de schenker) effectief wordt. Wat meer aandacht daarvoor zou geen kwaad kunnen. De waarde van sommige legaten (Van Ertborn, Mayer van den Bergh, Scutenaire ... ) is ondertussen zo gegroeid dat de overheid er zelfs niet meer kan over dromen die werken aan te kopen. Die overheid heeft er op het moment zelf ook geen geld voor over gehad. Het publiek mag dat wel weten.
 
 
Joost De Geest
 

INFO

 

Tentoonstelling 

Tekeningen uit de Nederlandse Gouden Eeuw De verzameling van Jean de Grez 

Nog tot 1 juli 2007 

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België 

Regentschapstraat 3 

1000 Brussel 

Tel. 02 508 32 11 

www.fine-artsmuseum.be 

 

Tentoonstelling Pittig Zilver De schenking Albert & Cecile Moesen 

Nog tot 17 juni 2007 

Zilvenmuseum Sterckshof Provincie Antwerpen 

Hooftvunderlei 160 

2100 Deume 

Tel. 03 360 52 52 

http://www.zilvermuseum.be


AFBEELDINGEN:

(De afbeeldingen zelf zijn te vinden in het PDF-document)

 

  • Henricus Millé, twee zoutvaatjes, Brussel, 1793 Schenking Albert & Cecile Maesen, Zilvermueseum Sterckshof, Deurne.
  • Jan van Eyck, Heilige Barbara van Nicodemië, 1437, olieverf op paneel, 38 w 18 cm Schenking Florent van Ertborn, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.
  • Guillaume Vogels, Strandgezicht, 1878, olieverf op doek, 41 x 61 cm, Legaat Fernand Scribe, Museum voor Schone Kunsten, Gent.
  • Henri Van Cutsem, obessioneel verzamelaar, ca. 1901, Archief Charliermuseum, Brussel.
  • Hippolyte Boulenger, Reiger op de sneeuw, 1871, olieverf op doek, 96 x 141 cm Schenking Mathys-Vanneste, Salons voor Schone Kunsten, Sint-Niklaas.
  • Jacques de Gheyn II(1565 - 1629), Vier studies van een naakte vrouw die haar haren kamt (detail),krijt en inkt op papier, 25,9 x 26,3 cm, Schenking Jean de Grez, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.