U bent hier

Kunst in de Belgische ambassades

 

Het ontbreekt België niet aan verzamelingen. De collectie van Buitenlandse Zaken, die zo oud is als het land zelf, leidt een haast perfect verborgen bestaan, tenminste voor wie in België verblijft. Men stelt ze niet tentoon in ons land en er bestaan weinig publicaties over. Daar staat tegenover dat die verzameling ertoe bestemd is de ambassades te verfraaien en zodoende de Belgische kunst in het buitenland te promoten.

 

De collectie Buitenlandse Zaken bekleedt een wat aparte plaats in de reeks kunstverzamelingen die sedert 1830 ontstaan zijn in de centrale instellingen van de staat. Zo bezitten Kamer en Senaat indrukwekkende kunstcollecties, waarover in de voorbije jaren nog nieuwe boeken verschenen. Die verzamelingen zijn, althans gedeeltelijk, toegankelijk voor het publiek. Men kan in dit rijtje ook de kunstcollectie van het Koninklijk Paleis opnemen. Die is zichtbaar tijdens de bezoekperioden en goed gepubliceerd. 

 

Buitenlandse Zaken beschikt niet over een ruimte of een centrale plaats waar het publiek toegang krijgt tot de collectie of een deel ervan. Wel kan Buitenlandse Zaken twee van de mooiste gebouwen in Brussel gebruiken: het Egmontpaleis en Hertoginnedal. Het fraaie Egmontpaleis, de vroegere residentie van de prinsen van Arenberg, een van de grote Europese adellijke families, is welbekend bij de deelnemers aan de vele internationale vergaderingen die er plaatsvinden. Ze kunnen daar dan onder andere een aantal wandtapijten uit de zeventiende en achttiende eeuw bewonderen. Voor het grote publiek is het Egmontpaleis zo goed als ontoegankelijk, ook al wegens de scherpe veiligheidsvoorschriften. 

 

En zo blijft de verzameling, die toch minstens 4.500 stuks omvat, waaronder schilderijen, wandtapijten, werk op papier en sculpturen en sinds recent ook fotografie, mixed media en video, slechts fragmentarisch zichtbaar voor de wereldreizigers met goede contacten in de wereld van de diplomatie, in Belgische ambassades, consulaten en residenties. Maar die verzameling bevestigt wel volledig het belang dat een overheidsinstelling kan hechten aan kunst als communicatiemiddel.

 


 

Inhoud

  • Een post met prestige
  • Collectie Buitenlandse Zaken
  • Kunst de wereld rond
  • Verborgen maar niet vergeten
  • Praktisch

 


 

Een post met prestige

 

 

Ambassades in de negentiende eeuw

 

 

De eerste Belgische ambassadeurs waren in de regel leden van adellijke families en dat is meer dan een eeuw zo gebleven. Die toestand is niet typisch Belgisch. Het was ook het geval in vele andere landen met een monarchie en een oude adel. De regering deed een beroep op edelen die in staat waren, met het nodige prestige, het land te vertegenwoordigen, op een permanente (zij het in de tijd beperkte) manier. De ambassadeur werd dus geacht in de hoofdstad van het betreffende land te verblijven. De post en de titel van ambassadeur werden beschouwd als een grote eer, niet zozeer als een job, waarvoor een bepaalde vorming vereist werd (die in die tijd niet eens bestond). De regering voorzag dan ook geen loon daarvoor. Zelfs de inrichting van de ambassade of residentie werd soms toevertrouwd aan de smaak en levensstandaard van de betrokkenen. Men kan ervan uitgaan dat die interieurs een afspiegeling waren van de leefwereld van de hoge adel in eigen land. Geen gebrek dus aan familieportretten, jachtstillevens, historische taferelen en waarschijnlijk grote wandtapijten, het prestigestuk van menig negentiende-eeuws salon. Een nog zeer intact voorbeeld van het leven van de hoge adel treft men aan in het kasteel van Beloeil, dat men kan bezoeken. Prins Eugène François Charles Lamoral de Ligne (1804-1880) was van 1842 tot 1848 ambassadeur van België in Parijs. Hij was zeker in staat zijn residentie in Parijs prestigieus aan te kleden. Dat kan men vandaag, meer dan een eeuw later, nog vaststellen in het familiekasteel in Beloeil.

 

 

vorstenportretten

 

Een absolute must voor elke ambassade en alle instellingen van het nieuwe land (van Kamer en Senaat tot stadhuizen en scholen) was een vorstenportret. Voor Leopold I beschikte men over portretten uit zijn Londense jaren, onder anderen door Thomas Lawrence (1769-1830), maar die kon men niet zomaar voor zijn Belgisch koningschap gebruiken. Men deed dus een beroep op Franz Xaver Winterhalter (1805-1873), de grote Europese portretschilder van regerende vorsten, en op de in Parijs beroemd geworden Nederlandse schilder Ary Scheffer (1795-1858). Winterhalter was een groot en getalenteerd specialist die vrijwel alle regerende vorstenhuizen van toen geschilderd heeft. Hij gebruikte monumentale formaten, verleende zijn modellen een nobele uitstraling en schilderde zeer precies, handig voor de mooie jurken van de koninginnen en prinsessen. Winterhalter leverde doorgaans een aantal exemplaren van het werk op dezelfde grootte, die dan door zijn atelier of anderen werden gekopieerd, op verschillende formaten, en in verschillende technieken, zoals gravures en lithografi eën. Dat was noodzakelijk, gelet op de enorme vraag in het na de val van Napoleon hertekende Europa, waarvan België maar een voorbeeld is. 

 

De Gentse schilder Liévin de Winne (1821-1880) is beroemd voor het portret van de oudere Leopold I, waaruit meer psychologisch inlevingsvermogen spreekt. Dat realistische schilderij maakte veel indruk. Het werd ook gekopieerd. Hij schilderde naderhand nog de jonge Leopold II. 

 

 

een kleine attentie

 

In 1838 wordt de Belgische ambassadeur in Wenen, baron Alphonse O’Sullivan de Grass (1798-1866), ontvangen in Istanboel, nadat het Ottomaanse Rijk België diplomatiek erkend heeft. Aanwezig daarbij is de Antwerpse schilder Jacob Jacobs (1812-1879), op de terugweg van een schilderexpeditie in Egypte. Zijn schilderij Serail van Constantinopel, naar de natuur (waaraan hij misschien na deze ontmoeting ter plaatse begonnen is en in Antwerpen afgewerkt heeft) werd een jaar later aangeboden aan de sultan door deze ambassadeur. Volgens Eugè- ne Warmenbol, die de anekdote vermeldt in zijn studie over twee oriëntalistische schilders, Florent Mols (1811-1896) en Jacob Jacobs, ging het waarschijnlijk om een geschenk van een Antwerps reder, met belangstelling voor de handel in de Bosporus, aangeboden via de ambassadeur. Een geschenk dat de buitenlandse handel ten goede kwam. 

 

Dit voorbeeldje uit de geschiedenis van onze diplomatie vertoont al een paar kenmerken die men vandaag nog kan zien in de werking van de collectie. De belangstelling voor hedendaagse kunst is duidelijk. Het oriëntalisme was toen een nieuwe mode die onmiddellijk succes kende, in Europa althans. Het heeft er ook de schijn van dat men heeft nagedacht over wat de bestemmeling kon aanspreken. Dat verklaart wellicht het Ottomaanse onderwerp (Istanboel) in plaats van iets over het oude Egypte, de specialiteit van Jacob Jacobs. Deze houding is niet verdwenen, integendeel. Men kan vandaag nog vele voorbeelden vinden van een ‘brugfunctie’ van kunstwerken, waardoor een brug wordt geslagen met de plaatselijke kunst- of leefwereld. Men spreekt in dit verband ook over ‘culturele diplomatie’ of over ‘de kunst als een ambassadeur’. Het biedt mogelijkheden om een (culturele) dialoog te creëren.

 

 

het mooie vaderland

 

Afbeeldingen van de koning en zijn familie kregen in de ambassades het gezelschap van kunstwerken die de glorie en de schoonheid van het land weerspiegelden. Dat leek logisch te zijn voor een land dat zich als de erfgenaam van de prestigieuze Vlaamse schildertraditie, waarin het landschap een essentiële rol speelde, beschouwde. Dat mag vandaag wat ouderwets klinken, maar het is nog steeds een deel van de werkelijkheid. Het land voorstellen is immers een van de opdrachten van een minister van Buitenlandse Zaken. 

 

Toen men in Brussel de centrale staatsinstellingen installeerde, werden ook die gebouwen verfraaid met monumentale schilderijen van typisch Belgische landschappen, van de zee tot de Ardennen, en niet te vergeten van de beroemde historische steden en fi guren. De namen van die schilders, die vaak ook betrokken waren bij de eerste lithografi ebedrijven, klinken vandaag onbekend. Maar dat zegt niets over de kwaliteit van hun werk. Ook schilderijen van de belangrijke economische activiteiten, de havens, de landbouw en de industrie, hebben hier een plaats. België was in continentaal Europa het land dat als eerste overspoeld werd door de industriële revolutie. En om die steeds groter wordende economische machine op dreef te brengen of te houden, was een internationaal netwerk aan contacten nodig, op plaatsen met belang voor de wereldeconomie van toen. Dat waren industriële centra als Liverpool of Manchester en evenzeer havensteden in de hele wereld, van het Ottomaanse Rijk, Afrika tot Australië, China en Amerika. Men stuurde daar niet dadelijk (adellijke) ambassadeurs op af, maar gebruikte consuls (koopmanconsuls) die soms in België gerekruteerd werden, vaker nog ter plaatse aangeworven, in zaken- of politieke kringen, rekening houdend met de effi ciëntie. 

 

 

oude kaarten en portretten

 

Portretten van belangrijke figuren uit ons verleden horen bij de opbouw van een nationaal bewustzijn. De decoratie van de Senaat, met de reeks monumentale, historische portretten van belangrijke figuren in de geschiedenis van de Nederlanden, door de Doornikse schilder Louis Gallait (1810-1887), een bestelling van de voorzitter van de Senaat, de prins de Ligne, is daar een schitterend voorbeeld van. Dat heeft sporen nagelaten in de ambassades, zoals een portret van Filips IV, naar Rubens, in Madrid, een bruikleen van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, om maar een voorbeeld te vermelden. 

 

De voorstelling van allerlei aspecten van het land is eenvoudiger als men een goede landkaart bij de hand heeft, zeker voor een territorium als het huidige België, waarvan de grenzen in de loop der eeuwen voortdurend veranderden. Landkaarten hebben altijd al veel belang gehad in de wereld van de diplomatie. Dat brengt mee dat vooral historische landkaarten een vast onderdeel zijn van wat de bezoeker in een ambassade te zien krijgt. Het is trouwens een gelegenheid om te verwijzen naar onze belangrijke cartografische traditie met Mercator en anderen. Men slaagt er vandaag in een link te leggen tussen de oude cartografie en de hedendaagse kunst, wat de pure geschiedenis dan weer een boeiende dimensie meegeeft. Enkele voorbeelden hiervan zijn de imaginaire wereldkaarten van Wim Delvoye, een wereldkaart van Mona Hatoum, een mappemonde van Jean Denant, een collage van Elisabeth Lecourt, twee door elkaar geweven papieren wereldkaarten van Hoessein Valamanesh, een grafisch bewerkte kaart van het Nationaal Geografisch Instituut door de Nederlandse Yvonne Kroese.

 

 

Joost De Geest

 


 

Collectie Buitenlandse Zaken

 

 

Positionering, profiel en presentatie

 

 

De kunst- en antiekverzameling van Buitenlandse Zaken is een openbare semipublieke collectie. Ze vindt haar plaats naast die van andere federale overheidsdiensten, collectiebeherende instellingen (zoals parlementen, universiteiten, het Koninklijk Paleis), bedrijfscollecties en de federale wetenschappelijke instellingen, musea, kunstencentra en kunsthallen. Het is een collectie die deel uitmaakt van de Belgische, federale Staat. De gebouwen in Brussel worden – net als die van andere federale overheidsdiensten – beheerd door de Regie der Gebouwen. Het beheer van de gebouwen in de diplomatieke posten (ook deze in Brussel) is in handen van Buitenlandse Zaken. 

 

Op 4 februari 2013 beschikte ons land over 318 gebouwen, 179 in eigendom , waarvan 52 kanselarijen en consulaten generaal en 77 residenties en 50 dienstwoningen en andere, en 139 huren, waarvan 82 kanselarijen en consulaten generaal en 57 residenties. Enkele gebouwen zijn historisch, uit de achttiende en negentiende eeuw, de overgrote meerderheid dateert uit de twintigste eeuw en er zijn ook enkele gebouwen uit de éénentwintigste eeuw. Vanaf 2013 wordt het postennetwerk, dat overigens een dynamisch gegeven is, gewijzigd. Het accent zal o.m. gelegd worden op colocatie met andere EU-ambassades, zoals met de Nederlandse. Daarin blijft het kwalitatief beheer van het onroerend en roerend patrimonium een belangrijke rol spelen.

 

 

hoe doen andere landen het?

 

Er zijn een aantal markante verschillen tussen de Belgische collectie van Buitenlandse Zaken en de verzamelingen van andere landen. Zo heeft het Amerikaanse State Department geen eigen collectie. Op basis van samenwerkingen met galeries en kunstenaars stellen zij per post een verzameling samen die voor de duur van de ambtstermijn van de ambassadeur in de residentie blijft. State Department investeert in transport en communicatie. Dit heeft een groot succes. 

 

De werking van de Britse Government Art Collection en het Ierse Office of Public Works is meer vergelijkbaar met het collectiebeheer van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Zij beheren een heel grote collectie, met een groot personeelsbestand, met een afdeling die tevens instaat voor kleine ingrepen en ze stellen kunstwerken ter beschikking aan verschillende publieke instanties. In Zweden en Zwitserland is de werking dan meer vergelijkbaar met de Belgische Regie der Gebouwen, waarbij architecten, binnenhuisarchitecten en kunsthistorici het beheer doen voor andere instanties. Frankrijk put uit le mobilier national voor het meubilair en voor hedendaagse kunst uit een reserve. 

 

De werking van Buitenlandse Zaken is het meest vergelijkbaar met die van Nederland, qua personeel en opzet, hoewel het budget bij de noorderburen hoger ligt. De grootste gelijkenis tussen de diverse collecties is het feit dat het beheer in een zelfde context verloopt en dat vrijwel geen enkel land louter over verfraaiing van de gebouwen spreekt, maar kunst ziet als een ambassadeur, kunst als culturele diplomatie. Bij de meeste ligt de focus bij de aankoop (of tentoonstellingen) op hedendaagse kunst. 

 

 

missie

 

In het kunstbeleidsplan van Buitenlandse Zaken komt de missie naar voor: “De kunstwerken ondersteunen de corporate identity van Buitenlandse Zaken. Ze hebben tot doel een veelzijdige en actuele representatie van België te geven, een interculturele dialoog op gang te brengen. In de publieke ruimtes van de ambassades en in de hoofdgebouwen in Brussel dragen ze bij tot het creëren van een dynamische werksfeer, het aanscherpen van de kritische geest en bieden ze een reflectie op de steeds veranderende wereld. Buitenlandse Zaken wenst verder goed de scoren op de kerntaken van collectiebeheer (digitale registratie en documentatie, behoud en beheer, verzamelbeleid, presentatie) opdat ze als betrouwbare partner en met een scherp profiel een plaats kan innemen in het wereldwijde artistieke landschap. Verder wordt kunst en antiek steeds gezien in relatie tot architectuur, interieur en de culturele en geografische context.”

 

Het collectieprofiel is als volgt omschreven: “Het is de taak van Buitenlandse Zaken om een zo ruim mogelijke en kwalitatief hoogstaande waaier van Belgische professionele kunstenaars te verzamelen en te tonen. Deze kwalitatieve doorsnede aan kunstwerken, van vroeger en nu en bestaande uit verschillende media, met aandacht voor jonge en gevestigde waardes, vormen een meerwaarde voor de gebouwen en het interieur en zetten hierdoor een veelzijdig en hedendaags beeld van België op de kaart.” 

 

 

kunstaankoopbeleid

 

Over de opbouw van de collectie in de negentiende eeuw is niet veel bekend. Het antiek meubilair bevindt zich vooral in de aangekochte historische panden, voornamelijk in Europa en Amerika. Voor de kunstwerken deed men vaak een beroep op de collecties van toenmalige ambassadeurs en consuls. Die bleven toen nog vaker een lange termijn op dezelfde post en wisselden niet zoals nu, om de vier jaar. De kunstcollectie werd opgebouwd door aankopen in Brussel en ter plaatse. Vast staat dat bij de schilderijen de zwaartekracht ligt bij het post-impressionisme. Opmerkelijke werken zijn een Emile Claus in Berlijn en een schilderij van Theo Van Rysselberghe in Boedapest. 

 

Bij de herinrichting van een diplomatieke post is vandaag vaak een ad hoc commissie actief, waarin zowel de post als de administratie aanwezig zijn. Er wordt veel belang gehecht aan overleg. De lokale noden en functionaliteit van de ruimtes worden afgetoetst met de post, de architect en de binnenhuisarchitect. Pas na prospectie van de kunstmarkt wordt overgegaan tot een aankoop. Waar nodig wordt ook advies ingewonnen bij experten uit de kunstwereld. 

 

Buitenlandse Zaken koopt elk jaar een vrij groot aantal kunstwerken en beschikt daarvoor over een budget van ca 200.000 euro. De focus ligt op hedendaagse kunst. Aankoop gebeurt met respect voor een aantal objectieve criteria. Enkel werk van professionele kunstenaars komt in aanmerking voor aankoop. Het gaat voornamelijk om Belgische kunstenaars of om kunstenaars die een link hebben met ons land, een aantal belangrijke tentoonstellingen hebben gehad en/of het werk zelf dat iets ‘Belgisch’ uitstraalt of aansluit bij het werkterrein van Buitenlandse Zaken. Het werk mag geen problemen stellen qua afmetingen en duurzaamheid. Kwaliteit en de degelijkheid van het werk (authenticiteitsbewijs, pedigree) zijn van belang. Er moet een link mogelijk zijn met de plaats waar het getoond wordt. En het werk moet kunnen verworven worden aan een redelijke prijs. Er is oog voor een aantal evenwichten: Franstalig/Nederlandstalig, man/vrouw, jonge/gevestigde kunstenaar. In 2012 kocht Buitenlandse Zaken 76 werken aan van 44 kunstenaars. Dat gebeurt via galerijen, veilingen en rechtstreeks bij kunstenaars. Aankopen worden beschouwd als duurzame investeringen. Men gaat er van uit dat de Staat ook een rol kan spelen voor jonge kunstenaars, die al een zeker parcours hebben afgelegd. In de afgelopen tien jaar is onder meer werk aangekocht van Katrien Vermeire, Charlotte Beaudry, Otobong Nkanga, Tinka Pittoors, Tina Gillen, Goedele Peeters, Virginie Bailly, Nele Tas, Kim Corbisier, Gert De Keyser, Rinus Van De Velde, Tom Bogaert, Stefan Serneels, Lieven De Boeck, Xavier Delory.

 

Wat gevestigde kunstenaars betreft, werd o.m. werk aangekocht van Marthe Wéry en op internationaal vlak werd werk aan gekocht van Jeff Wall, Mona Hatoum en Noboyoshi Araki.

 

 

bruikleenpolitiek

 

Sinds het prille begin en zeker vanaf de jaren 1920 werden er bruiklenen afgesloten. Momenteel gaat het om ongeveer 120 werken. De grootste bruikleengevers zijn de Vlaamse en de Franse Gemeenschap (collectie van het vroegere Nationaal Ministerie van Onderwijs en Cultuur), gevolgd door de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel. Er zijn kunstwerken in bruikleen van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, het Museum van Elsene, het Broelmuseum in Kortrijk en recent ook een aantal werken uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, voor de residentie van Rome Quirinaal. 

 

Soms worden er bruiklenen afgesloten met een lokaal museum, zoals in Riga, met een plaatselijke privéverzamelaar, zoals in Los Angeles, of met de kunstenaar zelf. Dit was het geval met de video Shadow piece van David Claerbout in Tokio, gevolgd door Waterdrawing van Katleen Vermeir. 

 

Buitenlandse Zaken treedt ook op als bruikleengever om de visibiliteit van de collectie te bevorderen. Er zijn twee wandtapijten in permanente bruikleen bij La Fondation de la Tapisserie in Doornik. Twee andere wandtapijten waren te zien op een tentoonstelling in Le Musée de l’Art Wallon in Luik. Een schilderij uit de ambassade in Londen nam deel aan de tentoonstelling Koning Albert I in het Belvuemuseum. Een servies (kristal en porselein) is gevraagd voor de tentoonstelling Feestelijk tafelen, georganiseerd door de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Verder werd het schilderij James Ensor van Charles Szymkowicz op vraag van de kunstenaar ontleend voor zijn retrospectieve op de site Le Bois du Cazier in CharleroiMarcinelle in 2009. In 2013 neemt een werk van Jan De Maeschalck uit de ambassade in Riga deel aan de tentoonstelling Weg van Vlaanderen in de Warande in Turnhout. Het recent verworven kunstwerk Ayamonsk van Nick Ervinck voor de nieuwe kanselarij in Dublin is in 2013 te zien in de Ierse hoofdstad op de tentoonstelling Kaleidoscope, die kadert in het Iers voorzitterschap van de EU.

 

 

collectiebeheer

 

Veel meer dan met een museale collectie het geval is, wordt Buitenlandse Zaken geconfronteerd met de grote mobiliteit van de werken. Er moet rekening gehouden worden met verschillende klimatologische omstandigheden en met mogelijke gevaren, zoals politieke onlusten. De kunstwerken zijn opgesteld in beveiligde gebouwen. Ze bevinden zich niet in een museale context en worden niet omringd door museaal geschoold personeel. 

 

Om met deze specifieke situatie om te gaan heeft Buitenlandse Zaken een aantal tools ontworpen. Een art database beschrijft en lokaliseert de collectiestukken en is verbonden met de database van gebouwen en de inventarissen van de posten. Dit creëert een transparant en traceerbaar systeem. Soms wordt ook een beroep gedaan op externe experten om informatie over een voorwerp in te winnen. Daarnaast heeft de administratie een interne gids uitgewerkt met een deontologische code die bijvoorbeeld zeer gedetailleerd beschrijft hoe men een werk moet verplaatsen en wat te doen in geval van schade. Er wordt veel belang gehecht aan preventieve conservering. De conservatie en restauratie van voorwerpen gebeurt enkel door externe professionals. Daar waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van de lokale expertise. Zo zijn er in Oost-Europese landen en in Italië degelijke ambachtslui, wat restauratie van waardevol meubilair en schilderijen mogelijk maakt. In andere landen zijn er degelijke tapijtrestaurateurs. De uitbouw van een degelijk kunst- en meubeldepot in het hoofdgebouw in Brussel was tien jaar geleden opgeworpen als een prioriteit. Dit depot zorgt voor een tijdelijk onderkomen van voorwerpen. De nadruk ligt evenwel op tijdelijk, want de bedoeling is dat het overgrote deel van de collectie wordt getoond. 

 

 

presentatie

 

De bezoekers van de ambassades zijn niet per definitie kunstminnaars en kunst kijken is niet de reden van hun bezoek. Daarom is gekozen om op een laagdrempelige manier hoogstaande kunst te brengen. Dit kan bijvoorbeeld door te werken met een thema, zoals in de ambassade in Madrid rond het thema reizen, of een stroming, zoals rond CoBrA-kunst in Astana, een samenwerking met de Nederlanders.

 

De kunstwerken krijgen een identificatieplaatje zodat geïnteresseerde bezoekers alvast een aanknopingspunt hebben. Bij de recentste projecten zijn ook QR-codes aangebracht op de identificatieplaatjes zodat bezitters van smartphones op de site van de kunstenaar kunnen surfen.

 

In de toekomst wil Buitenlandse Zaken diverse communicatiekanalen aanwenden om mensen te informeren over de collectie. Dit gaat zowel over de website, intranet als over de interne elektronische nieuwsbrief van Buitenlandse Zaken. Enkele van deze kanalen, zoals de nieuwsbrief, worden al gebruikt om bepaalde informatie te delen. Ook werden er al een aantal brochures gemaakt na het beëindigen van een project, zo bestaat er een Engelstalige brochure over Bangkok, Beijing, Washington en Londen en een drietalige brochure over de kunstwerken van de Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Unie. 

 

In 2013 werd een kunstcomité opgericht. Dit comité heeft tot doel tentoonstellingen in te organiseren in de hoofdgebouwen in Brussel. De eerste, Discover the World, komt er in september en zal reisfotografie tonen.

 

 

Ilse Dauwe

 


 

Kunst de wereld rond

 

 

Een selectie markante ambassades

 

 

peking

 

Er waren al contacten tussen China en onze gewesten lang voor België begon te bestaan. In het midden van de negentiende eeuw wou de regering contacten leggen met ‘verre’ gebieden. China kwam zo in de kijker en de consulgeneraal in Singapore kreeg de opdracht een plaats voor België te onderhandelen na het verdrag van Tianjin (1858) dat elf Chinese havens opende voor het buitenland en de vestiging van gezantschappen toeliet. Die zaak kwam in een stroomversnelling in 1865 tijdens en na het bezoek van Leopold II aan Kanton en Hongkong. Dat leidde in 1868 tot de oprichting van een gezantschap in Peking en een paar jaar later, van 1898 tot 1906, tot de aanleg van een spoorweg van het noorden naar het zuiden (1.200 km.) in het Chinese keizerrijk. Tegelijkertijd ontstond een Belgisch consulaat in Sjanghai en een Chinees gezantschap in Brussel. In die periode werd ook het Chinees paviljoen, aan de rand van het koninklijk domein in Laken, gebouwd. De goede contacten met China brachten wellicht ook de inzet mee van vele Chinezen voor de wederopbouw van het volledig stukgeschoten Ieper, op het einde van de Eerste Wereldoorlog. 

 

De huidige ambassade is een recent (1972) gebouw van de Chinese architect Li Zhezhi. Het werd sedertdien al uitgebreid, als verblijfplaats van de ambassadeur en voor ontvangsten. De artistieke aankleding is vrijwel geheel hedendaags, op een kleine ets van Fernand Khnopff (1858-1921) na. Het ensemble van vier werken van Didier Mahieu (°1961) springt in het oog. Mahieu is bekend geworden met zeer verfijnde en suggestieve tekeningen, zowel figuren of portretten als landschappen. Die verfijning en het soms wat zwevende leunen enigszins aan bij de Chinese traditie. Een van de portretten draagt de titel Anna. Het is een fictief portret van een vrouw die op de dool is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het heeft alles te maken met de verbeelding van de kunstenaar, niet met de werkelijkheid. In Portret van een Chinese vrouw kunnen de Chinese bezoekers de gelaatstrekken van een bekende galeriste ontdekken. Mahieu speelt graag met dit soort suggesties. In de eetkamer zijn er nog twee landschappen van hem en een Boom van Frans Labath (°1949), een kunstenaar die ook op zoek gaat naar de essentie van de dingen. Labath exposeerde in The Modern Art Foundation van Peking in 2008.

 

Ook hier sluiten een paar werken aan bij de cultuur van het land. Zo toont men in de buurt van het dromerige werk En souvenir van Khnopff, een foto van Michael Chia, die in Singapore geboren werd en sedert de jaren 1980 in Brussel leeft. Zijn Fantasia is een verstild beeld met enige geheimzinnigheid. Nog duidelijker treedt Tjok Dessauvage (°1948) in dialoog met de grote Chinese traditie op het gebied van keramiek. In de bibliotheek toont men van hem geheel van negen potten, urnen, gebakken volgens de aloude rakutechniek, en voorzien van een tekening in porselein. Dit verwijst naar de tijd van het Wanliporselein, dat in Europa bekend werd als Kraakporselein, naar het type schip waarmee de Portugezen het exporteerden.

 

Opmerkelijk is de aanwezigheid van een aantal oude stukken Chinees aardewerk (achtste-twaalfde eeuw) die uitgeleend werden door het Broelmuseum in Kortrijk. Door de originele opstelling onder glazen stolpen tegen de wanden lijken ze een interventie te zijn van een hedendaagse kunstenaar.

 

 

washington

 

De ambassade in Washington ligt in een groot park en heeft iets van een sprookjeskasteel uit de Franse achttiende eeuw. Het gaat hier om een kopie, of juister een vergroting, van een achttiende-eeuws herenhuis in Parijs: het Hôtel de Rothelin-Charolais (rue de Grenelle), gebouwd door een architect van Lodewijk XIV, Pierre Cailleteau, en bewoond door een kleindochter van Lodewijk XIV, Louise-Anne de Bourbon-Condé, hertogin van Charolais. De Amerikaanse versie werd besteld in 1930 door Anna Dodge Dillman (1871- 1970), weduwe van de autobouwer Dodge, als huwelijksgeschenk voor haar dochter Delphine. Architect hier was Horace Trumbauer (1868-1938), een specialist van grote herenhuizen, die voor de decoratie samenwerkte met Julian Abele (1881-1950), die een paar jaar in Parijs had doorgebracht. Dat verklaart de Franse finesse in de decoratieve details doorheen het hele huis.

 

Het gaat hier duidelijk niet om een ambassade gebouwd in opdracht van de Belgische staat. België had al in 1832 diplomatieke contacten met de Verenigde Staten en stuurde er een minister-resident naartoe, baron Désiré Behr, om de economische belangen te verdedigen. In 1854 werd een verdrag tussen de twee landen afgesloten, het Trade and Navigation Treaty. Behr wordt later in dezelfde functie naar Constantinopel gestuurd, bij de Verheven Porte, de regering van het Ottomaanse Rijk.

 

Dat deze parel van de Amerikaanse Belle Epoque tenslotte in Belgische handen kwam, heeft men te danken aan baron Robert Silvercruys (1893-1971), een ondernemend ambassadeur met goede smaak. In 1945 slaagde hij erin het paleisje te laten aankopen door de Belgische Staat.

 

Het huis was een tijd verhuurd geweest en had zorgen nodig. Baron Silvercruys deed daarvoor een beroep op dezelfde decoratiefi rma als de eerste bewoonster, Anna Dodge Dillman, had gedaan. Zo werd de achttiende-eeuwse Franse Régencestijl helemaal bewaard. Opmerkelijk is de rol van sculpturale elementen daarin, zoals de vier kandelaarsdragers, in de stijl van Jean-Michel Clodion (1738-1814). Deze beeldhouwer verbleef lange tijd in Rome en ontwikkelde een stijl waarin hij Romeinse elementen combineerde met een sensualiteit à la Rubens met Franse trekjes. De schilderkunst speelde niet de hoofdrol in het eerste concept. De twee antiek aandoende landschappen in de eetzaal zijn conventionele replieken die einde negentiende eeuw gemaakt zijn. Maar ze passen mooi in de lambrisering, net als de twee herderinnetjes in biscuit. 

 

Een van de schilderijen vertoont grote gelijkenissen met een schilderij van Paul-Joseph De Cock (1724-1801), een vrij onbekende Brugse schilder, dat zich in het Groeningemuseum in Brugge bevindt. De Cock toont een mengeling van bekende monumenten in Rome, zoals het Pantheon, de overblijfselen van de tempel van Castor en Pollux en het Colosseum. Rond een fontein die bekroond is door een klassiek beeld van Diana, de Romeinse godin van de jacht die een pijlenkoker over haar schouder draagt en een boog in haar rechterhand, bevinden zich enkele fi guren. Het doek is een creatie van een gefantaseerd ruïnelandschap waarbij de verschillende monumenten op nietrealistische wijze worden samengebracht. In oude catalogi wordt vermeld dat het doek gekopieerd is naar een werk van Canaletto (1697-1768). Het origineel waarop dit schilderij teruggaat, is echter niet uitgevoerd door Canaletto, maar wel door Gian Paolo Panini (1691-1765) die gespecialiseerd was in het schilderen van dergelijke Romeinse fantasieën. 

 

Op de schoorsteen staat tussen twee vogels in porselein, een bronzen portret van Silvercruys, een werk van zijn zuster Suzanne (1898-1973). Zij was meer dan de zus van. Ze vluchtte uit België tijdens de Eerste Wereldoorlog en maakte snel naam in de VS als beeldhouwster en gaf vele lezingen. Zij maakte bustes van vooraanstaande persoonlijkheden, zoals president Hoover en Audrey Hepburn, en schreef verschillende boeken. 

 

Baron Silvercruys waakt ook over de grote salon. Daar hangt een portret van hem geschilderd door de Canadese kunstenaar Alphonse Jongers (1872- 1942), dus nog voor de aankoop van het gebouw. Er zijn ook twee strandtaferelen, in Sint-Idesbald geschilderd, van Taf Wallet (1902-2001). Het gaat hier om een gift (1982) aan de ambassade van Mary Marvin Jefferson Patterson (1905-2002). De verstilde, poëtische kunst van Wallet sluit harmonisch aan bij het achttiende-eeuws decor, dat ook nog armstoelen met een bekleding in Beauvaistapisserie en een groot Aubussontapijt (het gaat hier om een kopie) omvat. In 2011 verwierf Buitenlandse Zaken twee bijkomende werken van Taf Wallet.

 

In de tuin staan vier grote urnen in lood, werken van de Franse beeldhouwer Henri-Léon Gréber (1855-1941). Zij worden bekroond door een paar putti. Dit versterkt nog de aristocratische uitstraling van het gebouw. De urnen zijn in 2007 gerestaureerd.

 

 

londen

 

Voor het jonge België was de ambassade in Londen misschien wel de meest belangrijke. Daar besliste de ‘Londen Conference’ van de Europese mogendheden immers, in 1830, over de oprichting van de nieuwe staat. En een jaar later werd prins Leopold van Saksen-Coburg, weduwenaar van princes Charlotte, de enige dochter van koning George IV, verkozen als eerste koning van de Belgen.

 

Sedert 2006 is de ambassade gehuisvest in een prestigieus hoekgebouw van de Grosvenor Crescent (Belgravia). Het Victoriaanse gebouw dateert uit het midden van de negentiende eeuw en staat op de monumentenlijst.

 

Er zijn hier een paar opmerkelijke vorstenportretten. Het meest indrukwekkende is dat van Albert I voor de ruïnes van Ieper, van André Cluysenaer (1899-1939), zoon van Alfred Cluysenaer (1837-1902), van wie men schilderijen vindt in het Koninklijk Paleis en het Parlement te Brussel. André Cluysenaer verbleef tijdens de oorlogsjaren in Londen. Het portret is dus daarna geschilderd. Albert I heeft nooit voor de ruïnes van Ieper geposeerd. Maar er was geen betere achtergrond denkbaar voor Londen, rekening houdend met de vreselijke veldslagen rond deze geheel vernietigde stad tussen de geallieerde en Duitse legers. Het portret hangt in de vergaderzaal.

 

Het bureel van de ambassadeur bevat een ovaal portret van Leopold I, een werk van Polydore Beaufaux (1829-1905). Hij won de Romeprijs en werd leraar aan de academie van Antwerpen. Voor dit portret leunt hij aan bij de portretten van Winterhalter. Er is ook een portret van Maria-Henrietta, aartshertogin van Oostenrijk, die in 1853 trouwde met Leopold II en zo hertogin van Brabant werd (en later koningin). En daarnaast een gekleurde ets van het Paleis der Natiën in Brussel, zetel van het parlement.

 

Er hangen verder nog een paar schilderijen, bruiklenen van de Vlaamse Gemeenschap, een werk van Henri-Victor Wolvens (1896-1977), twee werken van Rik Slabbinck (1914-1991), een werk van een Luiks schilder Edgard Scauflaire (1893-1960) en de tekening Tower Bridge and London Bridge van de Brusselse graficus Jacques Muller (1930-1997).

 

De artistieke brugfunctie van een ambassade komt in Londen tot uiting door het tonen van een aantal aquarellen die de Engelse schilder Hubert James Medlycott in de negentiende eeuw schilderde in België. Veel Engelse kunstenaars, ook William Turner (1775-1851), staken toen het Kanaal over om aquarellen te schilderen, van Normandië tot Zeeland.

 

En dan zijn er nog twee portretten van een befaamd ambassadeur, baron Emile de Cartier de Marchienne (1871-1946), die in Londen was van 1927 tot 1946. Hij maakte zich zeer verdienstelijk in de opvang van Belgische vluchtelingen. Hij deed een beroep op vooraanstaande societyportretschilders. Een portret is het werk van Richard Jack (1866-1952), een Engels schilder die tijdens de Eerste Wereldoorlog de eerste war artist van Canada werd. Hij schilderde onder anderen George V, Queen Mary en de koning van Spanje en werkte herhaaldelijk voor Buckingham Palace. Het andere portret is een werk van Oswald Birley (1880-1952), die in Nieuw Zeeland geboren werd, tijdens een wereldreis van zijn ouders. Hij werd beroemd met portretten van onder anderen George V, Queen Mary, George VI, Queen Mother, Elisabeth II, Churchill (aan deze laatste gaf hij ook schilderles) en prominenten van het British Empire. 

 

 

europees brussel

 

Brussel blijft een draaischijf van de Belgische diplomatie, als hoofdstad van het land en zetel van talrijke internationale instellingen waarin België vertegenwoordigd is, zoals de Europese Unie en de NAVO. Een historisch gebouw speelt daar een prominente rol in: het Egmontpaleis, aan de Kleine Zavel en in de onmiddellijke omgeving van de administratieve zetel van de FOD Buitenlandse Zaken. Het Egmontpaleis is vrijwel de enige grote adellijke residentie die de eeuwen, en meer bepaald de zeer destructieve aanleg van de Noord-Zuid verbinding, heeft overleefd. Het paleis, dat voortdurend uitgebreid en omgebouwd werd, behoorde toe aan de familie Egmont en daarna Arenberg, een van de rijkste Europese geslachten, die overigens niet alleen in België veel bezittingen had. Het werd al in het begin van de negentiende eeuw grondig gerenoveerd door TilmanFrançois Suys (1783-1861), die toen ook de marmerzaal in het Paleis der Academiën ontwierp. In 1892 gaat een hele vleugel, die van Françoise van Luxemburg (de moeder van de onthoofde Lamoral van Egmont, die nu een standbeeld op de Kleine Zavel heeft) in de vlammen op. Het was het oudste deel van het paleis en uitgerekend daar bewaarden de Arenbergs een tot de verbeelding sprekende kunstcollectie, die zowel stukken uit de oudheid als de middeleeuwen, renaissance en barok omvatte. Daar blijft dus niets van over.

 

Na de Eerste Wereldoorlog werden de Belgische bezittingen van de Arenbergs in beslag genomen. Het paleis werd zo eigendom van de stad Brussel tot de staat en Buitenlandse Zaken het overnamen en in zijn oude glorie herstelden. Het wordt nu intensief gebruikt voor ontvangsten, als residentie voor buitenlandse gasten en internationaal conferentiecentrum. Het interieur straalt prestige uit met een spectaculaire trappenhal, een grote galerie en een reeks salons. Van het oorspronkelijk veel grotere park, blijft een aangenaam stadsparkje over met een paar monumenten, gaande van een gotische fontein tot een beeld van Peter Pan en een ruimte Marguerite Yourcenar. 

 

Het huidige paleis is het resultaat van verschillende bouwfases. Zo werd de grote manege die achter de vleugel met de grote galerij stond, omgebouwd tot een goed uitgeruste vergaderzaal van het internationaal conferentiecentrum, dat in 2012 nog gerenoveerd werd. In de centrale gang hangen alle affiches van de Europalia tentoonstellingen, die gesteund werden door de FOD Buitenlandse Zaken. 

 

De vergaderzalen (de blauwe en de oranje) tonen fotoreeksen van de Brusselse fotograaf Bernard Queeckers (°1950) – reeks Aligner, 1986 – en van de Franse Marie-France Lejeune (°1957). Die reeksen hebben te maken met het verdwijnen, de illusie van de realiteit en het spelen met de horizont.

 

In de receptieruimte prijkt een kunstwerk van de in Beiroet geboren Mona Hatoum (°1952), die nu in Berlijn en Londen woont. Het werk Projections (2006) omvat een wereldkaart, niet met de Mercatorprojectie, maar volgens de principes van cartograaf en historicus Arno Peeters, waarin de continenten door een zuur zijn weggevreten. Dat doet nadenken over de plaats van een land in de wereld en de relatie tussen de volkeren. De internationale dimensie wordt bevestigd door een werk van de uit Ethiopië afkomstige Mulageta Tafesse (°1960), die figuratief schildert, als bij voorbeeld Buick, in deep carmine pink (2006-2007). Hij beschouwt de auto als een ‘civilisation vessel’. Naast werk van Sven ’t Jolle (°1966) en Vincent Meessen (°1971) zijn er twee video’s, die van Angel Vergara (°1958), een kunstenaar met Spaanse roots, Palais d’Egmont – Peinture en 1 acte et 12 tableaux en de video Tree van Bart Stolle.

 

In 2011 werd een nieuwe residentie van de permanente vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie verworven. Het gaat om een fraaie art-nouveau woning uit 1903, dicht bij de abdij Terkameren. De selectie van de kunstwerken wordt toegelicht door de kunstwetenschapper van FOD Buitenlandse Zaken, Ilse Dauwe, in de publicatie Kunst in Residentie @ de PV van België bij de EU. De huidige ambassadeur stipuleert daarin dat er 15 kunstwerken werden verzameld en dat hij hoopt dat bewoners en bezoekers van de residentie zullen geïnspireerd worden door de welkomstslogan van het project, een echte ‘vuist’ voor Europa.

 

De gebalde vuist, Power, een brons van Etienne Desmet (°1943), is trouwens het eerste wat de bezoeker ziet in de hall. Het roept de historische kracht van Europa op en symboliseert de daadkracht van Europa, van België, van politiek en diplomatie. Een ander werk verwijst ook naar Europa, een lichtsculptuur van Fred Eerdekens (°1951), die toont Wat af is, is nooit gemaakt, een repliek van zijn werk in het bureau van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy. Het politieke leven is ook aanwezig in Giscard (2004), een litho van Luc Tuymans (°1958). Bij de keuze van de werken heeft men rekening gehouden met de omgeving. Het Zoniënwoud (Terkamerebos) is nabij. Daar herinneren vier tekeningen van bomen aan, van Patrick Van Caeckenbergh (°1960), maar ook een meer klassiek aquarel van de vrijwel vergeten Willy Gilbert van de ingang van het Terkamerebos met de twee paviljoentjes. 

 

Een andere blikvanger is Cities of the Red Night II, het kleurrijke schilderij van de jonge Duitse kunstenaar Abel Auer (°1974). Hij exposeerde reeds in Wiels. Het werk heeft een poëtisch, dromerig karakter en zit vol doorkijkjes naar een andere wereld. Het tweede grote schilderij in dit huis, is een werk van Stijn Cole (°1978), Colorscape, waarin de natuur op een heel andere wijze benaderd wordt, via een abstrahering van de perceptie met als resultaat een doek gevuld met vierkante kleurvakken. Alle kunstwerken, ook nog een lamdaprint van Pieter Vermeersch en vier ‘briefjes’ van Etienne Van Doorslaer, zijn recent verworven, met uitzondering van drie van de vier werkjes van Van Caeckenbergh, in bruikleen bij het M HKA, en het werk van Gilbert in bruikleen van de Vlaamse Gemeenschap.

 

 

bern

 

De residentie van de ambassadeur in Zwitserland kreeg in 2011 nieuwe kunstwerken, op vier oude schilderijen na die er bleven. De villa in neobarokstijl werd gebouwd in 1904 door een lokaal architectenbureau en is momenteel een beschermd monument. Het werd in 1949 aangekocht door de Belgische staat en omvat drie verdiepingen. De kunst is alleen op het gelijkvloers geëxposeerd.

 

Zoals gebruikelijk bij Buitenlandse Zaken stelde men eerst een kunstplan op, waarin men rekening houdt met de architectuur en de functie van de ruimten. Het heet: “De nieuwe kunstwerken dienen een frisse, hedendaagse, veelzijdige Belgische toets aan het geheel te geven.” Opmerkelijk is ook dat men lette op de Zwitserse gevoeligheid voor een talenmix en men er dus voor zorgt dat er kunstenaars uit de drie gemeenschappen aanwezig zijn. De nabijheid van Art Basel speelt ook mee.

 

Men vindt in de residentie 21 werken. Het gaat vooral om originele, unieke stukken. Men heeft er naar gestreefd de lijsten te harmoniseren. Een investering die de moeite waard is. Bern wordt beschouwd als een stabiele en belangrijke diplomatieke post. 

 

In de hal hangt er een jas en een werk (een pastel) dat een jas voorstelt. Een voor de hand liggend onderwerp voor een inkom. De getekende jas is een werk van Mathieu Weemaels (°1967), een Brussels kunstenaar die al in Bern exposeerde. Hij tekende de jas die hij droeg toen hij studeerde aan La Cambre. De ‘echte’ jas, die aan een nagel in de muur hangt, is een werk van de Antwerpse kunstenaar Mark Luyten (°1955). Het werk kreeg als titel Iconography. Hij beschrijft het zo: “Jas, zakken gevuld met schelpen. De jas is een gedragen eenvoudige, wollen, donkerblauwe vest, Noordzeeschelpen in zakken (mag op termijn vervangen worden door een jas die strookt met de mode uit die tijd; de jas verslijt mee met de tijd).”

 

In de bibliotheek hangen drie schilderijen (olie op papier) van de Luikse kunstenaar Yves Zurstrassen (°1956), van wie ook werk bewaard wordt in het IKOB in Eupen. Het blauw salon is versierd met vijf doeken van Gilbert Swimberghe (°1927), die debuteerde onder de invloed van het Vlaams expressionisme maar naderhand eerder constructivistisch ging werken. Deze kleurrijke werken passen in die beweging. Men hield bij de ophanging van de werken rekening met de aanwezige moulures aan de wanden.

 

In de eetzaal hangen de oudere schilderijen. Het zijn anonieme schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw, in de Vlaamse traditie. Het meest belangrijke is Twee personages keuvelen aan de rand van een bos.

 

In de trappenhal hangt – dat is in vele residenties zo – een wandtapijt, hier een lyrisch abstract werk van Jules Lismonde (1908-2001), geweven bij De Wit in Mechelen.

 

 

tokio

 

De ambassade in Tokio heeft een bewogen bestaan gekend. De oude ambassade werd tijdens de Tweede Wereldoorlog volledig verwoest. De nieuwe ambassade verdween ook, zij het in meer vreedzame omstandigheden. Ze werd immers vervangen door een groot complex waarvan slechts een deel als ambassade en residentie wordt gebruikt. Dat verklaart waarom alle kunstwerken en meubelen naar België zijn verscheept en in 2010 vervangen door meer hedendaags werk.

 

Voor dit project is een vrij uitzonderlijke procedure uitgedacht. Men selecteerde in het gebouw, in samenspraak met de architect en de binnenhuisarchitect, een aantal muren en, na een prospectie- en researchfase, duidde men dan voor elke locatie een kunstenaar aan, die werd gecontacteerd voor een bestaand kunstwerk of om een voorstel uit te werken. In totaal werden 37 kunstwerken aangekocht van 15 kunstenaars, één werk is in bruikleen genomen en twee werken die ter plaatse waren kregen een nieuwe plaats. Het kostenplaatje bedroeg 200.000 €. Dit komt neer op iets meer dan 1% die de gemeenschappen (en de Vlaamse en Brusselse bouwmeester) hanteren voor kunstintegratie in overheidsgebouwen. 

 

Een dialoog met het gastland is altijd welkom en in de VIP-ruimte aan de inkom is er een duidelijke dialoog tussen een Belgische hemel van Marie-Jo Lafontaine (°1950), Sky, en een Japanse hemel van Nobuyoshi Araki (°1940). Bij deze gelegenheid kocht Buitenlandse Zaken dus een werk van een belangrijk buitenlands kunstenaar.

 

Aan de ingang van de Visadienst ziet men een rond werk, met in het centrum een Japanse kerselaar en daarrond de skyline van Brussel. Het is Eternelle ephémère van Marin Kasimir. Vier werken in fluo-tinten van Anne-Mie Van Kerckhoven (°1951) krijgen een prominente plaats in de grote inkomhal, boven de twee zitbanken van de Belgische designer Charles Kaisin (°1972). Een overigens voor de hand liggende link tussen de Japanse manga en het Belgisch stripverhaal vindt men in werken van Yves Ullens en Benoit Platéus (°1972). 

 

Sophie Nys (°1974) maakte voor de ontvangstdesk zes Fujigrammen, uiteraard geïnspireerd door de Fujiberg. In het secretariaat van de ambassadeur wordt de dialoog verdergezet door een Belgisch kunstenaar die in Japan woont, Patrick Gerola (°1959), die Kamakura in full bloom toont, naast drie zaadzakjes (litho’s) van Jef Geys (°1934). Pierre Alechinsky (°1927) toont twee werken op rijstpapier waarin een belangrijke inspiratiebron van de kunstenaar, de Japanse kalligrafie, duidelijk is. In het bureau van de ambassadeur zijn nog vier werken op papier van Panamarenko (°1940), vol grafische en poëtische verfijning.

 

De residentie van de ambassadeur heeft een meer klassieke aankleding gekregen met een tekening van Gustave De Smet (1877-1943), die iets heeft van Foujita, vier aquarellen van begin jaren 1930 van Léon Spilliaert (1881-1946) met landschappen met huizen met rode daken en als pendant daarvan een hedendaags werk van Hans Vandekerckhove (°1957), Little Village. In de eetkamer prijkt naast een foto van keizer Akihito en koning Albert II, een schilderij van Albert Saverys (1886-1964), Entrée au chateau (1942), dat herinnert aan hun ontmoeting.

 

De maatstaven die Buitenlandse Zaken handhaaft voor de presentatie van kunstwerken in het buitenland komen hier bijna voorbeeldig aan bod.

 

 

nairobi

 

De Belgische ambassade in Nairobi heeft niet dadelijk iets te maken met de koloniale architectuur, wat men ergens zou kunnen verwachten. Het is een (verkleinde) repliek van het Grand Trianon te Versailles, weliswaar in een weelderig tropisch park.

 

Het nog altijd indrukwekkende gebouw dateert van het begin van de jaren 1950. De Fransman Pierre Pichot kon dankzij het geld van zijn Britse vriend, eigenaar van de oudste koffieplantages in Kenia, opdracht geven aan een lokale architect, Indris Davies, om een schaalverkleining uit te voeren van het Franse paleis. Het resultaat is nog altijd verbluffend. Voor de villa staat een kopie van de fontein van het Grand Bassin in Versailles. Dit zeer nostalgische monument, verfraaid met heel wat kunstwerken, werd intensief gebruikt voor feesten tot het overlijden van zijn partner en de koffiecrisis in 1955 Pichot ruïneerden.

 

In 1963 werd Kenia onafhankelijk. Toen de eerste Belgische ambassadeur, baron Eugène Rittweger de Moor (1921-1984), daar aankwam, stond het Trianon te koop. De Belgische staat kon het verwerven tegen 30.000 pond van toen. De renovatie werd toevertrouwd aan een Belgisch architect, Brunard, in de geest van de Lodewijk XV-stijl. Het werd een ideale receptieruimte voor de nieuwe elite. De tuinen werden heraangelegd – zo vindt men hier de grootste collectie varens in Afrika.

 

In dit voor Afrika toch zeer speciale decor vond in 2012, onder impuls van ambassadeur Bart Ouvry, een opmerkelijk evenement plaats. Een tentoonstelling van Keniaanse en Belgische kunstenaars over een politiek geladen onderwerp. Het was Funika-Fufuka Cover-Recover met twaalf kunstenaars en een curator van ter plaatse Gonda Geets. Vertrekpunt was een bruikleen van het M HKA, In Flanders Fields van Berlinde de Bruyckere, een dood legerpaard uit 14-18. Men nodigde plaatselijke kunstenaars uit met werk over agressie, geweld en onrecht, waar dan ook. De tentoonstelling was uiteraard bedoeld voor de bezoekers van de ambassade, maar ook voor de studenten in en rond Nairobi. De ambassadeur koppelde dat aan de hoop op vrije, eerlijke en geweldloze verkiezingen in 2013. En dat is gelukkig werkelijkheid geworden. De tentoonstelling had dus iets profetisch.

 

Curator Gonda Geets wijst op de aanwezigheid van conflicten in de kunst en zegt: “The artworks invite introspection. As much as they express vulnerability, pain and confusion, they are also carriers of hope, beauty and dignity.” De beeldhouwer Gor Soudan toont The mother of all eatings, een werk dat de expressiekracht van een Roel d’Haese benadert, en zegt: “Our lives are a battlefield on which is fought a continious war between the forces that are pledged to confirm our humanity and those determined to dismantle it.” Men staat hier ver van het soms wat duffe beeld van de diplomatieke wereld.

 

 

Joost De Geest

 


 

Verborgen maar niet vergeten

 

 

Belgische wandtapijten in ambassades wereldwijd

 

 

Ons land wordt als vanzelfsprekend in verband gebracht met hoogstaande kunst. Dit geldt ook voor de ‘Vlaamse wandtapijten’. Zowat alle belangrijke musea hebben ze in hun collectie en in vele kastelen en paleizen sieren ze de muren. Bezoekers komen op die manier in contact met kunst die al eeuwenlang bijdraagt tot de uitstraling van België. Wat echter enkel toegankelijk is voor een beperkte kring en daardoor zo goed als niet gekend is, zijn de wandtapijten in de Belgische ambassades, consulaten en ambtswoningen verspreid over de wereld. Juist omdat deze kunstvorm zo nauw verbonden is met ons land en ermee wordt geassocieerd, zijn deze plaatsen zeer geschikt om ze te tonen. 

 

In de collectie van Buitenlandse Zaken bevinden zich 55 antieke wandtapijten. Ze dateren van de zestiende tot de achttiende eeuw en zijn geweven in Brussel, Antwerpen, Oudenaarde en Aubusson. Een groot deel ervan bevindt zich in het Egmontpaleis in Brussel, terwijl in de ambassades in Rome (Vaticaan en Quirinaal) en Londen samen 29 wandtapijten hangen. Het betreft mythologische voorstellingen, jachtscènes en landschappen. Soms worden de oude wandtapijten gecombineerd of afgewisseld met twintigste-eeuwse. Buitenlandse Zaken bezit immers ook zo’n 140 moderne wandtapijten naar ontwerpen van Belgische kunstenaars. Op dit vlak behoort deze verzameling, naast die in Doornik in het Musée de la Tapisserie, meteen tot de belangrijkste van het land. 

 

 

wereldtentoonstellingen en de opdracht van spaak

 

In de eerste helft van vorige eeuw liet de Belgische staat meermaals wandtapijten weven om te exposeren op de wereldtentoonstellingen. Elisabeth De Saedeleer (1902-1972), die een kleinschalig maar belangrijk weefatelier leidde, weefde voor de wereldexpositie in Parijs in 1937 wandtapijten naar ontwerp van Edgard Tytgat (1879-1957): La souplesse des Femmes est comme celle des flots en Le sommeil des Femmes fait rêver les Hommes

 

Voor de wereldtentoonstelling in New York in 1939 kwam daar La fortune de la roulotte bij. De wandtapijten, waarvan ook kleinere uitgaven werden geweven, zijn nu in het bezit van Buitenlandse Zaken en bevinden zich sinds 2009 in de residentie van de consul-generaal in Sint-Petersburg. Voordien sierden ze al de residentie van de ambassadeur in Washington. Op de wereldexpositie in New York waren ook twee wandtapijten naar ontwerp van Floris Jespers (1889-1965) te zien, De Stichting van New York en Het werk van de Missionarissen in de Verenigde Staten, geweven door de manufactuur Braquenié in Mechelen. Dit laatste tapijt hangt nu in Washington. De belangrijkste impuls voor de Belgische wandtapijtkunst kwam door de opdracht die minister Paul-Henri Spaak (1899-1972) in 1947 aan het Centre de Rénovation de la Tapisserie de Tournai gaf. De bestelling van 300 m² wandtapijten, voor een bedrag van 2.100.000 Belgische frank, moest binnen de drie jaar worden uitgevoerd. De aanleiding hiervoor was ingegeven door Forces Murales, een collectief dat in 1947 was opgericht door de jonge kunstenaars Louis Deltour (1927-1998), Edmond Dubrunfaut (1920-2007) en Roger Somville (°1923).

 

De groep werd later aangevuld door Marcel Baugniet (1896- 1995), Michel Holyman (1924-1966) en Jean Ransy (1910-1991). Hun doelstelling was het bewerkstelligen van de herwaardering van de monumentale kunsten. Zij wenste kunst voor het volk te maken, kunst die de werkende mens weergeeft in voor- en tegenspoed, zowel vreugdevol als strijdend. Wandtapijten in de klassieke legwerktechniek werden beschouwd als één van de middelen tot de verwezenlijking van de doelstellingen. De kartonontwerpen werden uitgevoerd in het Atelier Coopérative de Tournai. Ondanks de goede start, de grote inzet en het enthousiasme van de betrokkenen ging de coöperatieve in 1951 failliet. 

 

Tijdens de drie jaar van haar bestaan werden er minstens achttien wandtapijten naar ontwerpen van Forces Murales geweven. Zij behoren toe aan Buitenlandse Zaken en waren van bij aanvang bedoeld om de verschillende ambassades in het buitenland te sieren. In het Doornikse atelier werden ook kartons uitgevoerd die de leden van de groep onafhankelijk van elkaar ontwierpen. Op vraag van het ministerie werd het merkteken van het weefatelier niet op alle wandtapijten aangebracht maar werden enkel de initialen van de drie kunstenaars ingeweven. Bij sommige wandtapijten werd de Forces Murales-signatuur, een F en een naar rechts gekantelde M, verborgen in het lijnenspel van de compositie. 

 

De opdracht van Spaak ondersteunde niet enkel de Doornikse wandtapijtproductie maar ook de daarmee samengaande werkgelegenheid en artistieke promotie van een internationaal heroplevende kunstuiting. De wandtapijten naar ontwerpen van genoemde kunstenaars sierden ambassades over heel de wereld: Riyad, Canberra, Johannesburg, Montreal, New Delhi, Santiago de Chile, Seoul, Sydney, Teheran, enz. Vandaag valt de stijl van deze wandtapijten echter minder in de smaak, waardoor een groot deel ervan momenteel in Brussel in het kunstdepot van Buitenlandse Zaken wordt bewaard.

 

 

nog meer bestellingen

 

Buitenlandse Zaken (en ook andere departementen zoals Economische Zaken, Cultuur, Middenstand en Onderwijs) plaatste eveneens bestellingen bij andere ateliers voor wandtapijten. De Manufactuur Gaspard De Wit in Mechelen kreeg in 1952 van de Belgische staat de opdracht het winnende karton van de wedstrijd voor een wandtapijtontwerp voor het VNhoofdgebouw in New York uit te voeren. De werkzaamheden van de Verenigde Naties, naar ontwerp van Peter Colfs (1906-1983), was gedurende lange tijd het grootste bestaande wandtapijt (860 x 1350 cm) dat in één stuk werd geweven. Hoewel het na voltooiing in 1954 door België aan de Verenigde Naties werd geschonken, draagt Buitenlandse Zaken er de zorg voor. Het wandtapijt is een typisch kind van zijn tijd en is nu wel wat gedateerd. Toch vindt het, ondanks het verliezen van zijn kleurenpalet, nog steeds zijn plaats in het VN-hoofdkwartier in New York.

 

In de jaren 1950 liet Buitenlandse Zaken bij De Wit onder meer ook Opschik van Venus en Oranje boeket van de Vlaamse kunstenaar Julien Van Vlasselaer (1907-1983) weven en Les Vendanges en Les vièrges sages et vièrges folles van Mary Dambiermont (1932-1983). Het atelier realiseerde in 1963 Triomf van de Vrede naar het ontwerp van Roger Somville. Het werd door de Belgische staat in bruikleen gegeven aan de NAVO voor haar toenmalig hoofdkantoor te Parijs. Daarnaast zijn heel wat wandtapijten in de collectie tussen de jaren 1950 en 1980 geweven door de Manufactuur Chaudoir te Brussel. Het betreft vooral werk naar kartonontwerpen van Liliane Badin (°1929), José Crunelle (1924-2012), Robert Degenève (1919-2008), Marce Truyens (°1939) en Jean Van Noten (1903-1982). Al deze kunstenaars hebben een belangrijke bijdrage geleverd tot de Belgische wandtapijtkunst.

 

De selectie van kunstwerken die te zien is in het buitenland gebeurt op voorstel van de dienst Roerend Patrimonium, Kunst en Antiek van de FOD Buitenlandse Zaken, in overleg en/of op vraag van de betrokken ambassadeur. Er wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van het gebouw, met de locatie en met de toestand van de wandtapijten. Soms is werk te zien dat verschillende decennia beslaat, zoals in Washington DC. Daar is het hierboven genoemde wandtapijt van Floris Jespers uit 1936 samengebracht met Sint-Joris en de draak, ook gekend als St-Georges et la Pucelle uit 1949 van Michel Holyman.

 

 

combinatie van stijlen

 

Op andere plaatsen zijn verschillende stijlen gecombineerd. Zo worden in de ambassade van Riyad Le Chèvre van Dubrunfaut en Le Dormeur van Somville getoond. José Crunelle is een kunstenaar die bekend staat om zijn kleurrijke, lyrische abstracte composities. Zijn werk heeft de schitterende ambtswoning in New Delhi gesierd. Een plek waar sinds 2011 meerdere wandtapijten (onder andere Le pêcheur en Les grandes voiles) van Somville en Forces Murales hangen. In de ambassade in Kampala zijn kleurrijke, abstracte wandtapijten van Degenève en Reginald Mangon ondergebracht en is van Truyens het gestileerde Puenté la Reina te zien. Dichter bij huis tenslotte wordt op de ambassade in Helsinki een modern ensemble van vier wandtapijten getoond. Uit de jaren 1960 dateren Vogels met slingerplanten van Netty de Montalembert (1892-1993) en het warme, indrukwekkende Ardente Espagne van Crunelle. Heel bijzonder is het werk van Marcelle La Croix-Flagey (1900-1999). Haar abstracte kartonontwerpen hebben betrekking op natuurfenomenen, gevoelens of steden, zoals Helsinki uit 1971, dat zeer gepast op deze locatie hangt. Door de zeer persoonlijke vormentaal en het subtiel kleurgebruik hebben de wandtapijten van La Croix-Flagey een zekere tijdloosheid. Recent werd hier een werk in rood en paars van Tapta Wierusz Kowalski (1926-1997) toegevoegd dat getuigt van de evolutie die de wandtapijtkunst in de jaren 1970 ondergaat. Op deze manier zijn in Helsinki verschillende genres vertegenwoordigd.

 

Deze korte schets met een beperkte selectie van ambassades illustreert de aandacht die de FOD Buitenlandse Zaken besteedt aan het evenwichtig representeren van de moderne Belgische wandtapijtkunst in het buitenland. Wetende dat vandaag in België deze kunstvorm, en ruimer de textielkunst, nog steeds leeft, kan hier de hoop worden geuit dat deze traditie wordt verder gezet en het ministerie zijn voortrekkersrol behoudt door ook hedendaagse creaties in de collectie op te nemen.

 

 

Elsje Janssen

 


 

Praktisch

 

 

Beknopte literatuur Belgische ambassades algemeen

 

  • B. Pierre, e.a, Belgian Embassy Beijing, FOD Buitenlandse Zaken, 2010.
  • HC, Kunstzinnige ambassades als culturele uithangborden, De Morgen, 9/04/2010.
  • I. Dauwe, Kunst @het conferentiecentrum van het Egmontpaleis, FOD Buitenlandse Zaken, 2012
  • De Gruben, e.a. Belgian Embassy London, FOD Buitenlandse Zaken, 2008.
  • R. Delcorde, Les diplomates belges, Wavre: Mardaga, 2010
  • VDY, De nieuwe ambassade wordt ook een uithangbord van Belgische kunst.
  • F. Geerkens, e.a., Kunst en cultuur aan huis. Oost-Vlaanderen te gast., Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 2012.
  • A. Hollosi, ‘Nieuwe ambassade in Tokio heeft veel aandacht voor Belgische kunstenaars’ en ‘Des oeuvres d’art dans la nouvelle ambassade de Belgique à Tokyo inaugurée jeudi’, Belga, 7/04/2010
  • E. Laloire, Histoire des deux hôtels d’Egmont et du Palais d’Arenberg (1383-1910), Bruxelles, 1952
  • J. Matthysen, e.a., Belgian Embassy Bangkok, FOD Buitenlandse Zaken, 2009.
  • B. Ouvry, G. Geets, Funika-Fufuka CoverRecover, Contemporary Art Exhibition 15 Nov - 9 dec, 2012, Nairobi, 2012.
  • 175 ans de diplomatie belge, 175 jaar Belgische diplomatie, 175 Jahre Belgischer Diplomatie (tentoonstelling Egmontpaleis), Brussel, 2005.
  • Minister Vanackere kijkt bewonderd toe., Het Nieuwsblad, 9/04/2010.
  • Belgische kunst siert ambassade in Tokio, De Redactie, 7/04/2010.
  • O. Stevens,e.a., La Belgique et ses plus belles ambassades à travers le monde = België en haar mooiste ambassades wereldwijd = Belgium’s most beautiful embassies from around the world, Bruxelles : La Renaissance du livre/ La Libre-Match, 2003
  • F. van Daele, e.a., Belgian Embassy Washington, FOD Buitenlandse Zaken, 2010.
  • D. Wouters, e.a., Kunst in Residentie @ de PV van België bij de EU, FOD Buitenlandse Zaken, 2013

 

Beknopte literatuur Belgische wandtapijten in ambassades wereldwijd

  • R. Avermaete, Van Vlasselaer. Wandtapijten, Brussel, 1973
  • D. Biernaux, Tapisserie et Art Textile. Collection du Ministère de la Communauté Française de Belgique, Doornik, 1984
  • cat.tent., José Crunelle Cartonnier, Schaarbeek, 1999
  • cat.tent., Kleur voor wand en vloer. Het weefatelier Elisabeth de Saedeleer, Oudenaarde, 1993
  • cat.tent., La Croix-Flagey. Tapisseries, Brussel, 1971
  • cat.tent., Robert Degenève Peintre-Cartonnier, Sint-Pieters Woluwe, 1999
  • N. Chalmet, e.a., cat.tent., Mobiele fresco’s van het Noorden, Antwerpen, 1994
  • N. Chalmet, Edmond Dubrunfaut. De mens in het middelpunt van de tijd, Brussel, 2000
  • F. Coppe, Artisanat d’Art Aujourd’hui En Belgique Francophone. Le Textile, Brussel, 1983
  • Fondation de la Tapisserie, des Arts du Tissu et des Arts Muraux de la Communauté française de Belgique, Doornik, 1992
  • N. Gadenne, e.a., cat.tent., Forces Murales 1947-1959, Doornik, 1989
  • J. Guisset, Somville. Tapisseries 1945-1999, Sprimont, 1999
  • E. Janssen, La tapisserie en Belgique, De Wandtapijtkunst in België, Tapestries in Belgium, Sprimont, 1996
  • E. Janssen, Examples of Belgian Government Use of Tapestries, in International Tapestry Network Journal, vol. 3, nr. 1, 1997, p. 16
  • E. Janssen, De wandtapijtkunst in België na 1945. Onuitgegeven doctoraatsthesis, Kunstwetenschappen en Archeologie, Vrije Universiteit Brussel, 2002
  • H. Juin, Edmond Dubrunfaut et la recherche de liens communs. Art Monumental, Brussel, 1982
  • L.L. Sosset, Tapisserie Contemporaine en Belgique. Hedendaagse wandtapijten in België. Contemporary Tapestries in Belgium. Zeitgenössische Wandteppiche in België, Luik, 1989
  • A.L.J. Van de Walle, cat.tent., Gaspard De Wit, Mechelen, 1972

 


 

Auteurs

 

Ilse Dauwe studeerde kunstwetenschappen aan de Universiteit Gent. Ze behaalde tevens de diploma’s kunst- en antiekhandelaar bij Syntra Brussel (avondonderwijs). Sinds november 2002 beheert zij de kunst- en antiekcollectie van Buitenlandse Zaken. Joost De Geest studeerde aan de RUG en de VUB. Zijn proefschrift had als thema de fantastische literatuur en kunst. Hij werkte aan de Université de Lille III en in de communicatie van het Gemeentekrediet/Dexia, onder meer als conservator van de kunstverzameling. Hij had de directie van de reeksen Musea Nostra en Monografiën over moderne kunst.

 

Joost De Geest publiceerde onder andere over het Brabants fauvisme, de kunst aan het front 1914-1918, H.V. Wolvens, Gustave Van de Woestyne, Emile Veranneman, Wilchar, Jozef De Coene, Emile Salkin, Armand Rassenfosse, Willy Peeters, Jozef Van Ruysseveldt, Bruno Vekemans en Roel D’Haese en hij is de samensteller van Het Belgisch kunstboek (Lannoo en Standaard). Joost De Geest was kunstcriticus bij De Standaard, nu bij Het Laatste Nieuws en Netto. Hij is de auteur van de OKV-themanummers Aquarelkunst na 1800 (2008, nr. 4) en Regionale schilderscholen (2009, nr. 6).

 

Dr. Elsje Janssen studeerde Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, Textielrestauratie en Sociale en Culturele Antropologie. Zij behaalde een doctoraat in de Archeologie en Kunstwetenschappen aan de VUB met een proefschrift over De wandtapijtkunst in België na 1945. Zij werkte als Conservator Wandtapijten en Textiel bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel en was in Antwerpen actief betrokken bij het tot stand komen van het MAS. Zij was daarnaast ook Conservator Collectie Vleeshuis en Collectie Stadhuis en Directeur Collectiebeleid/Behoud en Beheer voor Stad Antwerpen. Elsje Janssen is coördinator van de Textiles Working Group van ICOM- Conservation Committee en selecteert de kunstenaars die op de International Triennial of Tapestry te Lodz, Polen, België vertegenwoordigen. Elsje Janssen werkt sinds januari 2011 als Conservator Textiel bij het Rijksmuseum te Amsterdam.