U bent hier

Keer weer om - Zes eeuwen reuzen en ommegangen

De reus Samson, gratis kalender voor de abonnees van de krant l' Echo de la Dendre, Aat, 1842, 175, 47 x 29 cm, Stadsarchief Aat, Iconografie.

 

INLEIDING

 

Reuzen en reuzegrote dieren maken deel uit van de litera­tuur, kunst en mythologie van elke beschaving. Dit the­manummer beperkt zich tot de reuzen en dieren die vanaf het einde van de veertiende eeuw meegedragen worden in processies of stoeten in West-Europa. In het huidige Europa komen deze figuren voor in drie gebieden: het noordwesten, het centrum en het zuidwes­ten en de kustgebieden van de Middellandse Zee.

 

In het noordwesten van Europa vinden we dit gebruik nog terug in het noorden van Frankrijk en in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Het fenomeen is vandaag minder verbreid in Nederland, met een dertigtal figuren, en in Groot-Brit­tannië waar een vijftigtal van deze merkwaardige acces­soires rondlopen, meestal van recente makelij.

 

In het zuiden van Frankrijk trekken vooral emblemati­sche dieren of carnavalsfiguren uit, terwijl er in Catalonië meer dan tweeduizend reuzen en dieren worden rondge­dragen ter gelegenheid van lokale feesten (Festa Major), kerkelijke vieringen (Pasen, Sacramentsdag) of carnaval. Ze komen in heel Spanje voor. In Portugal is de traditie bewaard gebleven, vooral in de Minho-streek. Ook in het zuiden van Italië en in Sicilië komen reuzenfiguren voor. In Centraal-Europa (Oostenrijk) is een tiental Samsons sinds de achttiende eeuw een vaste waarde in de Lungau­vallei en in Stiermarken, ten oosten van Salzburg.

 

De Unesco heeft de reuzen en reuzegrote dieren van ne­gen steden in ons land en in Frankrijk erkend als erfgoed en opgenomen in de lijst van immaterieel Werelderfgoed: Dendermonde, Mechelen, de Meiboom van Brussel, Aat en Bergen voor België; Cassel, Douai, Pezenas, Tarascon voor Frankrijk. De Patum van Berga in Catalonië, met zijn monsters en reuzen, staat ook op die lijst. Dit thema­nummer laat kennismaken met de Unesco-selectie voor ons land en Frans-Vlaanderen.


INHOUD

1/ Uit de processie gestapt. Zes eeuwen reuzengeschiedenis

2/ Unesco-werelderfgoed. Uitzonderlijke ommegangen en feesten

2.1/ Het Ros Beiaard in Dendermonde

2.2/ De reuzen dansen in Aat

2.3/ De meiboomplanting in Brussel

2.4/ Een familie van reuzen in Mechelen

2.5/ Doudou in Bergen

2.6/ Reuzen als symbolen van de identiteit in Frans-Vlaanderen

3/ Praktisch


 

UIT DE PROCESSIE GESTAPT - ZES EEUWEN REUZENGESCHIEDENIS

 

 

Reuzen en reuzegrote dieren duiken aan het einde van de Middeleeuwen op in de West-Europese steden. Ze nemen deel aan religieuze en gemeentelijke processies, georganiseerd voor een lokaal feest, volksfeest of kerkwijding in Noord-Europa en voor een Festa Major (feest van de patroonheilige) in Spanje. Ze kunnen kerkelijke feesten (Pasen, Sacramentsdag of Corpus Christi) of carnavalsoptochten opluisteren. Sommige figuren nemen deel aan een opvoering om de intrede van een koning of prins te vieren.

 

In de processies aan het einde van de vijftiende eeuw worden religieuze scènes uitgebeeld gebaseerd op het Oude en Nieuwe Testament, zoals het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil, de profeten, de Aankondiging aan Maria, de uittocht uit Egypte, de Boom van Isaï (de stamboom van Christus die teruggaat tot koning Isaï, de vader van David).

 

De Legenda Aurea is een werk van Jacobus de Voragine, een dominicaan die geboren werd in Varazze, in de streek rond Genua in Italië. Hij was aartsbisschop van deze stad van 1292 tot aan zijn dood in 1298. Men veronderstelt dat de Legenda Aurea is geschreven tussen 1261 en 1267, maar het lijkt erop dat er nog jarenlang aan gewerkt werd. Het is een verzameling van heiligenlevens, geordend in volgorde van de kalender. Het werk was wijdverbreid in de Middeleeuwen en een bron van inspiratie voor tal van scènes en personages die werden opgevoerd in processies, zoals de legende van Sint-Christoffel, Sint-Michiel of Sint-Hermes.

 

De verhalen uit de Bijbel of de Legenda Aurea zijn voorgesteld in miniaturen die gewijde boeken versieren, maar ook in beelden in kerken en kathedralen of in fresco's en glas-in-loodramen van diverse religieuze gebouwen. Deze twee- of driedimensionale didactische werken hebben een pedagogische functie. Ze willen de godsdienst aanleren door ze in beelden weer te geven. Enkele van die verhalen komen ook terug in de mysteriespelen die in de vijftiende eeuw zowat overal werden opgevoerd. In de processies worden ook scènes gespeeld. Ze zijn heel kort, om de toeschouwers niet te vervelen, en worden in de loop van de optocht herhaald. De godsdienst aanleren is de eerste doelstelling, maar de organisatoren (parochies, gildes, gemeentes) lokken het publiek ook met grappige en kleurrijke spelen. Want tijdens de parochieviering is er vaak ook een kermis die geld moet opbrengen.

 

 

REUZEN EN DRAKEN IN DE 15de EN 16de EEUW

 

Sint-Christoffel, uit de Legenda Aurea, loopt vanaf 1398 mee in de Besnijdenisprocessie in Antwerpen. In 1401 is hij ook te zien in Leuven. We kennen zijn verhaal: hij beschikt over een indrukwekkende kracht en wil zijn diensten aanbieden aan de hoogste machthebber. Eerst treedt hij in dienst bij een koning, maar als hij ziet dat die schrik heeft van de duivel, gaat hij Satan dienen. Uiteindelijk brengt hij hulde aan Christus, die hij een rivier overdraagt voor de ogen van de kluizenaar Cucufas. Zodra hij de rivier over is, begint zijn staf te bloesemen. In voorstellingen draagt Sint-Christoffel het Kindje Jezus, dat op zijn beurt de wereld draagt. Op sommige afbeeldingen praat Sint-Christoffel met een metgezel en klaagt dat het Jezuskind zo zwaar is, waarop de metgezel antwoordt dat Jezus toch de wereld draagt. Vast staat dat de eerste verhalen zijn uitgebeeld door grote mannen, maar al snel worden er stelten gebruikt, in elk geval in Bergen-op-Zoom in 1448 en in Namen in 1455. Sint-Christoffel komt in de zestiende en zeventiende eeuw in heel Europa voor (Portugal, Duitsland, Italië) en loopt ook vandaag nog, op stelten, mee in de jaarlijkse processie van de parochie Vloesberg in Henegouwen. Sinds 1976 is hij terug op de Ducasse van Aat waar hij in de negentiende eeuw al in gesprek ging met het Kind Jezus.

 

De Legenda Aurea is ook de bron van inspiratie voor het mysteriespel van Sint-Joris en de draak, dat in de vijftiende eeuw vaak vermeld wordt. Deze soldaat, geboren in Cappadocië aan het einde van de derde eeuw na Christus, stierf de marteldood onder Diocletianus (keizer van 285 tot 305). Hij zou de Libische stad Silena verlost hebben van een bloeddorstige draak uit een nabijgelegen vijver. Nadat hij alle schapen verslonden heeft, eist het monster mensenoffers en hij maakt zich klaar om de dochter van de koning te verslinden. Door de kracht die hij put uit zijn religieuze overtuiging, slaagt de heilige er in om het monster te overmeesteren en te doden. Hij bekeert de hele stad tot het christendom. Dit thema heeft tal van kunstenaars uit de vijftiende en zestiende eeuw geïnspireerd en wordt ook vaak opgevoerd in processies in de Nederlanden. Vanaf 1398 verslaat Sint-Joris de draak in Antwerpen en hij blijft ook in de eerste helft van de negentiende eeuw strijden in Bergen-op-Zoom (1442), Namen (1451), Zoutleeuw (1454) en Oudenaarde (1433).

 

In Spanje komen ook vandaag nog veel draken voor (op 68 plaatsen in Catalonië), maar dan zonder Sint-Joris. In Frankrijk wordt de draak vaak in verband gebracht met lokale legendes. Hij valt een heilige aan en duikt vooral op ter gelegenheid van de Kruisdagen, vanaf de twaalfde en dertiende eeuw. Zo zijn er de heilige Clément in Metz (met Graoully), de heilige Marcel in Parijs, de heilige Hilarius in Poitiers (la grande Goule), de heilige Lupus van Troyes (La Chair salée), de heilige Roman in Rouen (La Gargouille). Veel van deze beesten krijgen aan het einde van de Middeleeuwen een houten geraamte. Bijzonder is Tarasque, de mythische draak van Tarascon, die gedood wordt door de heilige Martha en in 1465 voor het eerst genoemd wordt. Oorspronkelijk breekt hij uit met Pinksteren en wordt hij verslagen op 29 juli, de feestdag van de heilige. Nu wordt deze draak opgevoerd op de laatste zondag van juni. De strijd tussen Sint-Joris en de draak wordt vandaag nog overgedaan op de Ducasse van Bergen op Drievuldigheidsdag.

 

 

GOLIATH, SAMSON, HET ROS BEIAARD EN ANDEREN

 

De Bijbel vertelt het verhaal over het gevecht tussen de Joodse herdersjongen David en de Filistijnse reus Goliath. Met zijn slinger haalt David de strijder neer en hij doodt hem door hem te onthoofden met zijn eigen zwaard. Dit symboliseert de zege van God over de duivel, van goed over kwaad; zoals Sint-Joris en de arm Gods die de draak doodt, de incarnatie van het kwade. Goliath gaat de strijd aan met de herdersjongen in diverse West-Europese processies. Vanaf 1424 wordt het thema uitgebeeld op Sacramentsdag in Barcelona en verspreidt zich zo naar de Nederlanden waar twaalf voorbeelden bekend zijn. De bijbelse reus komt vaak voor in de vijftiende en zestiende eeuw, soms in het gezelschap van zijn tegenstander, maar wel vaak zonder naam (bijvoorbeeld in Mechelen, Namen en Nijvel). En hij heeft er een vrouw en een hele familie bij gekregen. In Aat is hij in 1715 getrouwd, maar dit weerhoudt hem er niet van om elk jaar een gevecht aan te gaan met David, op de zaterdag voor de Ducasse op de vierde zondag van augustus. Tegenwoordig komt Goliath nog zelden voor in stoeten. Hij is nog te zien in Nieuwpoort, Dendermonde en Geraardsbergen.

 

Samson, de bijbelse held met zijn enorme kracht, vecht tegen de Filistijnen. Hij doodt er duizend met een ezelskaak. Zonder zijn kracht, omdat Delila zijn haren heeft afgeknipt, wordt hij tot slavernij gebracht en blind gemaakt. Uiteindelijk vindt hij zijn kracht terug en haalt hij de zuilen neer die de tempel ondersteunen en verplettert een groot deel van zijn vijanden. Samson neemt haast nooit deel aan processies. Wel in 1461 in Leicester. In 1462 staat hij op een praalwagen in Leuven (maar misschien niet als reuzegrote pop) en in 1551 trekt hij door Mechelen. In Oostenrijk organiseren de kapucijnenmonniken uit Beieren, wellicht om de katholieke Hervorming kracht bij te zetten, een processie op Sacramentsdag in Tamsweg, waar ze een klooster hebben gesticht. Samson leidt deze processie vanaf 1720. Vandaag wordt de bijbelse held voorgesteld door 12 reuzen met een helm, zwaard en ezelskaak in de Lungau-vallei (provincie Salzburg) en in de provincie Stiermarken.

 

Het Ros Beiaard heeft geen rechtstreekse band met de Kerk. Hij loopt dus in de stoet mee om die op te luisteren met een kleurrijke en bekende scène uit de Karelromans. De vier zonen van heer Aymon van Dordone (Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout) worden door Karel de Grote achtervolgd omdat Reinout de neef van de koning heeft gedood tijdens een schaakspel. Ze ontsnappen met de hulp van een fabelachtig strijdros, het Ros Beiaard, dat hen werd geschonken door hun neef, de tovenaar Malegijs. Uiteindelijk zal Reinout van Montalbaen op pelgrimstocht vertrekken naar Jeruzalem en het paard wordt verdronken in de Maas in Luik (of in Dendermonde in de Schelde, afhankelijk van de lokale versie), maar het zal overleven in de Ardense bossen. Dit thema is nog altijd springlevend in Dendermonde (optocht in 2010), in Mechelen (volgende optocht in 2013), in Nijvel (opnieuw ingevoerd in 2001), in Namen (opnieuw ingevoerd in 1997), in Brussel in de Ommegang (opnieuw ingevoerd in 1930) en in Aat (opnieuw ingevoerd in 1948). Ook Lier, met een Ommegang vanaf 1377, heeft een Ros Beiaard in de bijzonder waardevolle en grote reuzencollectie, die een grondige restauratiebeurt zal krijgen.

 

De organisatoren van de processies in de vijftiende en zestiende eeuw hebben zich niet vaak laten inspireren door de Grieks-Romeinse mythologie. Hercules verschijnt in 1463 in Leuven, maar de held wordt vereenzelvigd met de Keltische god Ogma. Hij staat vaak symbool voor macht tijdens een koninklijke of prinselijke intrede, zowel bij de hertogen van Bourgondië, Karel V als de koningen van Frankrijk (Karel VIII, Frans I, Hendrik II, Lodewijk XIII en Lodewijk XIV). In de vijftiende en zestiende eeuw rijdt Hercules uit in de processie van Leuven, te paard, met harnas en helm, gewapend met een sabel en beschermd door een wapenschild. Dit personage is nu verdwenen en er zijn maar zeer weinig reuzen uit de klassieke mythologie, met Pallas Athena in Antwerpen (gecreëerd in 1768) of Mars in Dendermonde (voor het eerst genoemd in 1682-83 en gemaakt in 1648 voor de buskruitschutters van de Sint-Andriesgilde). Nog een voorbeeld is Triton, de zoon van Neptunus, van de vissers van Aat in de achttiende eeuw.

 

Vanaf de vijftiende eeuw krijgen de processiereuzen geen naam meer. Ze worden simpelweg de Reus genoemd. In Dendermonde loopt er van 1463 tot 1568/69 een anonieme reus mee in de processie. Zo ook in 1497 in Aalst. De Brusselse reuzen die in 1543 voor het eerst genoemd worden, hebben ook geen naam.

 

 

REUZEN EN DIEREN IN DE MODERNE TIJD

 

In de vijftiende eeuw worden de eerste reuzen en draken gemaakt met het oog op het religieuze aspect van de processies. Ze nemen deel aan scènes om de godsdienst op een leuke en didactische manier aan te leren. Maar vanaf die eeuw, en vooral in de zestiende eeuw, worden reuzen en reuzegrote dieren vooral ingezet om het volk te amuseren en te vermaken. Ze staan ten dienste van de koninklijke macht en beelden de belangrijkste thema's van dat ogenblik uit. Ze hebben gewoonlijk een persoonlijk leven. Reuzen trouwen ook vaak. Het eerste bekende echtpaar is dat van het carnaval van Metz in 1498 en later van Namen (1518), Bouvignes (1547) en Douai (1531). Vaak worden er uit deze huwelijken kinderen geboren. De reuzen van Namen krijgen in 1528 een dochter en in 1574 nog drie kinderen. In Bouvignes worden in 1550 twee kinderen geboren. In Douai krijgt het echtpaar Gayant voor 1678 een kind, nog enkele kinderen in 1687 en Binbin in 1715. De Ommegang van Brussel is een interessant geval. In de achttiende eeuw telt die elf poppen: Grootvader, Grootmoeder, Papa Jan, Mama Mieke, Klein Janneke, zijn broers Pietje en Michieltje en daarnaast Goedele en Jean de Nivelles, de Sultan en de Sultane.

 

Naast de reuzengezinnen stappen in de zeventiende eeuw ook steeds meer dieren mee in de processie. Dit zijn dieren uit bestiaria (zoals de arend en de leeuw) of figuren uit religieuze verhalen (zoals de kamelen van de Drie Koningen of de walvis van Jona uit de Bijbel) of fabeldieren (eenhoorns, griffioenen). Religieuze of ideologische overwegingen worden vaak aan de kant geschoven voor originaliteit. Mechelen houdt het in 1501 nog op acht kamelen, maar Brussel maakt er een echte dierentuin van met achttien dieren: een zwaan, twee griffioenen, twee dolfijnen, twee zeepaardjes, twee leeuwen, twee krokodillen, een luipaard, een dromedaris, een eenhoorn, een feniks, een arend en twee kamelen (1785). In Hérault (Languedoc) komen de emblematische dieren van de lokale feesten van de zeventiende eeuw en zijn vandaag springlevend: het veulen van Pézenas (1622), de kameel van Béziers (1613), de ezel van Gignac (1615) of de os van Mèze (1701). In die tijd gaan de reuzen nieuwe thema's uitbeelden, vooral over de verankering in de lokale omgeving of streek. Zo vertelt Druon Antigoon (1535) de legende over het ontstaan van de stad Antwerpen. Druon Antigoon is een piraat die tol heft op de schepen in de Antwerpse haven. Hij wordt verslagen door Brabo, die zijn hand afhakt.

 

 

HOOGTES EN LAAGTES VAN DE REUZEN (17de -18de EEUW)

 

Het lot van de reuzenfiguren hangt samen met de ontwikkeling van de overtuigingen en ideeën, maar ook met de politieke situatie. Zo werden sommige figuren door omstandigheden vernietigd. Tijdens de plundering van de stad Bouvignes in 1554 zijn de lokale reuzen verloren gegaan. We weten ook dat Dinant in de zestiende eeuw zwaar te lijden had onder de oorlogen tussen Frankrijk en Spanje, wat in 1580 fataal is geworden voor de lokale reus. Ook de opkomst van de Reformatie doet de kleurrijke figuren in de religieuze optochten geen goed. Op die manier zijn omstreeks 1575 de figuren van Breda en Bergen-op-Zoom verdwenen. De Contrareformatie (Concilie van Trente, 1545-1563) heeft het niet voor deze optochten met niet-religieuze reuzen, duivels en monsters "die neigen naar heidendom en theater" (bisschop van Arras, 1699). In Spanje worden maatregelen genomen om ze uit de processies te weren. In 1573 verbiedt de bisschop van Gerona deze figuren in de kerk. Ook in Sevilla (1598) en Madrid (1772) worden soortgelijke maatregelen genomen. In 1780 legt koning Karel III (1726-1788) een algemene regel op voor het hele land. Een beslissing die niet overal wordt gevolgd. In Burgos blijven de reuzen behouden en in Barcelona trekken ze voor de religieuze optocht uit.

 

In Frankrijk wil de bisschop van Rijsel in 1699 het religieuze van het profane scheiden en de bisschop van Arras wil de reuzen van Douai verbieden in de processie. Aan het einde van de achttiende eeuw laat Jozef II, die over de prinsdommen van de Nederlanden heerst, zich beïnvloeden door de filosofie van de Verlichting. Om alles te rationaliseren, vaardigt hij op 11 februari 1786 een edict uit over de kermissen en bepaalt dat alle lokale feesten moeten plaatsvinden op de tweede zondag na Pasen. Het edict van 10 mei 1786 over de processies sluit aan bij deze maatregel en bepaalt het volgende: "er mogen in de processies geen beelden of eender welke afbeeldingen gedragen worden, noch vaandels van gildes, uitzonderlijke kledij of andere soortgelijke bonte kleuren en er mag geen muziek gespeeld worden." De maatregelen van Jozef II worden weer ingetrokken na de Brabantse Omwenteling en het overlijden van de vorst in 1790.

 

Als België in 1794 na de Slag bij Fleurus door de Fransen wordt ingenomen, zijn de reuzen opnieuw in gevaar. De Fransgezinde en jacobijnse revolutionairen houden niet zo van "kluchten en religieuze maskers". Op 28 augustus 1794 worden de reuzen van Aat vernietigd. Dat gebeurt ook in Duinkerke waar de koppen van de reuzen in 1792 verkocht worden, in Douai waar de poppen en het Rad van Fortuin in verval geraken en in Tarascon waar Tarasque eerst wordt stukgeslagen en daarna in brand wordt gestoken door de nationale garde. Ook op de Grote Markt in Leuven ging het hoofd van Hercules op de brandstapel onder het zingen van het revolutionaire Car­magnole.

 

 

EEN ONGUNSTIGE EN PROFANE 19de EEUW

 

De bevolking heeft nog altijd veel sympathie en interesse voor de reuzen, ondanks de vijandige houding van de Kerk en enkele lokale jacobijnen die een sektarisch en rationalistisch ideaal nastreven. In tal van steden worden de reuzen en dieren gerestaureerd na het Concordaat van 1801 omdat ze deel uitmaken van het culturele leven en een stuk erfgoed zijn geworden. Onder Napoleon I konden de reuzen terug uitgaan maar het was niet van harte. Toen de keizer en zijn echtgenote in 1810 van Gent naar Brussel reisden, werden ze in Wetteren opgewacht door de plaatselijke bevolking en hun drie reuzen. Napoleon schreeuwde woedend: "Arrière, manants, pas de monstres devant l'Impératrice!" De keizerin was in verwachting en Napoleon vreesde dat ze door het zien van de 'monsters' zou bevallen van een lelijk kind. De keizerlijke ruiterij dreef de menigte uiteen en vertrappelde de drie Wetterse reuzen.

 

Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815 tot 1830) schrijft de protestantse koning Willem I in mei 1819 in twee omzendbrieven dat er in elke parochie maar twee processies per jaar gehouden mogen worden. Er mogen geen "uitzonderlijke kledij, bonte kleuren of beelden" gedragen worden. Door deze maatregelen verliezen de reuzen en hun collega's hun plekje in de religieuze processies. Voortaan zullen ze meelopen in een profane stoet. Dat gebeurt ook in Frankrijk, terwijl in Spanje de banden met de religieuze viering niet helemaal verbroken worden. Nu verschijnen poppen die lokale thema's, het burgerlijke leven en de nationale geschiedenis uitbeelden en herdenkingsfeesten opluisteren. De oude figuren krijgen steeds vaker een symbolische betekenis.

 

 

DE BLOEI IN DE 20ste EEUW

 

Het is wachten tot het interbellum (meer bepaald het honderdjarig bestaan van België in 1930) en vooral tot het einde van de Tweede Wereldoorlog voor er nieuwe figuren opduiken die heel populair worden. De Grote Reuzendag op de wereldtentoonstelling in 1958 te Brussel werkte inspirerend. Het midden van de jaren 1970 is eveneens een belangrijk moment. In 1976, bij het zilveren ambtsjubileum van koning Boudewijn, vond in Brussel een groot feest plaats met tweehonderd reuzen, waarvan 25 nieuwe. Na de fusies van gemeenten in 1977 wensten oude gemeenten en deelgemeenten hun eigenheid te benadrukken door de creatie van een reus.

 

In Vlaanderen telt Renaat Vanderlinden in 1981 1.196 reuzen, vooral in Oost- en West-Vlaanderen. Hij stelt een verdubbeling van het aantal locaties vast tussen 1959 (161 locaties) en 1981 (322 locaties). In 1974 telt René Meurant in Wallonië 211 figuren op 99 plaatsen en hij stelt vast dat maar 6 van die locaties dateren van voor de negentiende eeuw. Hij merkt op dat er van de 93 recente locaties maar 4 uit de negentiende eeuw dateren, 12 van het interbellum en 77 van na de Tweede Wereldoorlog. Uit een rondvraag uit 1995 blijkt dat het aantal figuren en locaties aan het einde van de twintigste eeuw verdubbeld is (416 figuren en 224 locaties). Diezelfde evolutie zien we ook in het noorden van Frankrijk, waar er sinds de jaren 1970 tweehonderd nieuwe reuzen zijn bijgekomen. Dit fenomeen doet zich vooral daar voor waar al een eeuwenoude traditie bestaat. In en rond Brussel, bijvoorbeeld, aan de kust, rond Dendermonde en in het Waasland. In Wallonië trekt de helft van de stoetreuzen uit in Henegouwen, door de sterke invloed van Aat en Bergen. We zien ook veel figuren rond Nijvel en Namen, waar de traditie diepgeworteld is.

 

Deze nieuwe reuzen zijn historische figuren (Mercator in Rupelmonde, Jan Turpijn in Nieuwpoort, Robrecht van Bethune in Brugge, Hertog Jan I in Leuven, Childeric of Lodewijk XIV in Doornik) of legendarische figuren (Tijl Uilenspiegel en Nele in Brugge en op verschillende andere plaatsen, Sinterklaas, Zwarte Piet en de Drie Koningen in Sint-Niklaas, Lydéric en Phinaert in Rijsel, Lethold en Engelbert in Doornik). Ontwerpers vinden inspiratie in de literatuur, de kunst, films en stripverhalen (Reinaert de Vos en andere personages uit het dierenepos in het Waasland; Kwiebe Kwibus, een romanfiguur van Michel de Ghelderode in de Brusselse Brueghelwijk; Magritte in Lessen, Kuifje in Waver, Don Camillo in Geldenaken).

 

Ook oude ambachten of beroepen hebben veel succes: Staf de Wever en Manse de Spinster in Ronse, Judocus de Turfsteker in Beveren, Pietje de Kuulkapper in Sint-Gillis, Tist de Bezembinder in Sint-Genesius-Rode, Birken Blok in Vrasene, Lodde de Garnalenleurster in Kieldrecht... Streekproducten zijn eveneens een geliefd thema: Gust de Witloofreus in Moorsel-Tervuren, Kiete Witloof in Evere, Wiske Witloof in Perk, Mieke Muskat en Pitje Royal in Overijse, Nonkel Octaaf (sierteelt) in Lochristi... De pop kan een sympathieke populaire figuur voorstellen: Pépé Jef Suisse in Meerdonk, Dikken Torn in Pamel-Roosdaal, Grote Miel in Waasmunster, Pogge in Schaarbeek, Fille Den Burger in Begijnendijk, Leon de Champetter in Nieuwkerken, Deken Sturm in Beveren, Borre en Trien in Leefdaal... Soms stelt de reus een volksspel voor, zoals de reuzen van Isières die pelotte spelen, een erg geliefd balspel in het dorp. In Turnhout spelen de reuzen een kaartspel. In Vlaanderen krijgen veel reuzen in Brabant de naam Janneke en Mieke, naar het voorbeeld van Brussel, of Manten en Kalle in West-Vlaanderen, genoemd naar de reuzen van Kortrijk.

 

Al deze figuren hebben één ding gemeen. Ze staan symbool voor een wijk of een stad die ze moeten verpersoonlijken en vertegenwoordigen.

 

 

SPRINGLEVEND

 

De oude reuzen hebben vandaag in heel Europa een tweede adem gevonden. Ze worden omringd door nieuwe figuren, ontstaan uit een creatieve golf sinds de Tweede Wereldoorlog. De interesse voor de reuzen kan gezien worden als een zoektocht naar de oorsprong, een wens om een identiteit te vormen en te bevestigen. De reuzen vormen een immaterieel erfgoed omdat ze een band hebben met hun ontwerpers, hun bezielers, hun dragers, met de muzikanten die mee optrekken en met iedereen die hen met plezier ziet dansen en stappen in tal van Europese stoeten. Ze zijn ook de dragers van een cultureel patrimonium dat al meer dan vijf eeuwen van generatie op generatie wordt doorgegeven. Er is heel wat aandacht om dit patrimonium met zorg te behandelen. Zo nam de Erfgoedcel Waasland het initiatief om alle reuzen van het Waasland te inventariseren en via de website informatie te verzamelen, ook over de verdwenen poppen.

 


TOPSTUKKEN

 

Zes eeuwen lang is de reuzentraditie generatie op generatie overgeleverd. Het is immaterieel erfgoed dat soms een plaats heeft gekregen in onze musea. In de collectie van het vroegere Volkskundemuseum van Antwerpen bevindt zich het originele hoofd van de reus Druoon Antigoon. Het is het werk van Pieter Coecke van Aelst. Druoon Antigoon, de reus die verwijst naar de legende over de stichting van de stad, stapt vanaf 1535 mee in de Antwerpse Ommegang. Het hoofd is vervaardigd uit een houten structuur waarrond papier-maché is aangebracht. Tijdens de restauratie in 2002, uitgevoerd door Rose-Mie en Jan Cheroutre, ontdekten ze een papierfragment waarop het jaartal 1534 voorkomt. Op die manier is achterhaald dat het om het originele hoofd van Druoon Antigoon gaat. Het museum bezit eveneens het hoofd van de reuzin Pallas Athene, in 1765 gesculpteerd door Daniel Herreyns. Beide hoofden zullen opgesteld worden in het MAS, dat volgend jaar de deuren opent.

 

M van Museum Leuven heeft ook een bijzonder hoofd in de verzameling: dat van reuzin Megera. Als vrouw van Hercules was ze vanaf 1532 aanwezig in de Ommegang van de universiteitsstad. Dat blijkt uit het Liber Boonen (1594), bewaard in het Leuvense stadsarchief. Megera zit op een wit paard, met achter haar een aapje met een speelgoedje. De dragers konden met behulp van touwen het hoofd van Megera en het aapje doen bewegen. Het hoofd dat vandaag te zien is in M is waarschijnlijk het originele exemplaar

 

De eeuwenoude reuzehoofden in Antwerpen en Leuven zijn museumstukken geworden en gaan niet meer mee in stoeten. Dat is anders in Aat. In 1794, tijdens de revolutionaire omwenteling, zijn de reuzen vernield. Later, in 1806 en 1807, zijn er nieuwe gemaakt. De hoofden van Goliath en zijn vrouw Tirant, Samson en de Arend zijn het werk van de lokale beeldhouwer Emmanuel Florent. Het merendeel van de reuzenonderdelen (wilgenstructuur, kleren, accessoires) is regelmatig vervangen, maar dat geldt niet voor de hoofden. Die defileren nu al ruim tweehonderd jaar door de straten van Aat.


 

UNESCO WERELDERFGOED

UITZONDERLIJKE OMMEGANGEN EN FEESTEN

 

De Unesco heeft in 2005 een aantal reuzenstoeten erkend als meesterwerken van het orale en immateriële erfgoed van de mensheid. Het ging om een gezamenlijk dossier met reuzen en dierenfiguren uit ommegangen en stoeten in Vlaanderen, Brussel, Wallonië en Frankrijk, gecoördineerd door het Maison des Géants in Aat.

 

 

HET ROS BEIAARD IN DENDERMONDE

 

Als er één evenement in 2010 hoog op de agenda staat in het 'wereldje' van de reuzen, dan is het wel de ommegang van Dendermonde, met het Ros Beiaard. Op 30 mei zal het enorme strijdros weer uitrijden. De inwoners van de stad en de genodigden kijken altijd weer vol ongeduld uit naar dit feest, dat maar eens om de tien jaar gevierd wordt.

 

De andere traditionele reuzen trekken er natuurlijk elk jaar op uit voor de Katuit-ommegang. Op de laatste donderdag van augustus dansen Goliath, Mars en Indiaan traditiegetrouw door de straten van de stad. De ommegang is ontstaan uit een processie die voor het eerst werd gehouden in de vijftiende eeuw ter ere van de wijding van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, op de dag van de onthoofding van Johannes de Doper (29 augustus). Tijdens het ancien régime werd de processie elk jaar gehouden, gelijktijdig met de kermis van Dendermonde. Na 1450 gaan de gilden en later de rederijkerskamers religieuze en profane tableaux vivants opnemen in de stoet.

 

In die context duikt ook het Ros Beiaard op, in het tweede kwart van de vijftiende eeuw. In 1466 is er sprake van rieten paarden. Een jaar later wordt er op initiatief van de gemeentelijke gezagdragers een anonieme reus gemaakt. De processie heeft in de zestiende eeuw zwaar te lijden onder de godsdienstoorlogen en verliest een deel van zijn profane elementen. Het is wachten tot de zeventiende eeuw en een periode van stabiliteit voor de processie in ere hersteld wordt. Het Ros Beiaard duikt opnieuw op in 1600 met de nog steeds anonieme reus en met de rieten paarden in 1626. Vanaf 1648 wordt een heuse reuzenfamilie gevormd. De Mechelse beeldhouwer Valentyn Lantscroon creëert Mars, een godin van de jacht, het kamermeisje, een zoon en een dochter. Deze laatste drie reuzen zijn nu verdwenen, maar de anonieme reus is in de negentiende eeuw omgedoopt tot Goliath; Mars is er ook vandaag nog bij; en de godin van de jacht is in de achttiende eeuw omgebouwd tot Indiaan.

 

In de achttiende eeuw gaat de traditie van de ommegang verloren; in 1762 trekt hij voor het laatst uit. Als het gemeentebestuur in de negentiende eeuw een groot feest wil organiseren, betekent dat de terugkeer van de ommegang. De stoet trekt niet meer elk jaar uit en de traditionele figuren zijn alleen nog bij bijzondere evenementen te zien. In de eerste helft van de twintigste eeuw wordt de ommegang maar twee keer georganiseerd, in 1914 en in 1930. Sinds de Tweede Wereldoorlog trekt de ommegang vaker uit, want het Ros Beiaard maakt zijn opwachting in 1952, 1958, 1975 en 1990. Dat jaar wordt beslist, gezien de toegenomen populariteit, om elke tien jaar uit te trekken. Bij de vorige edities werd de organisatie van de ommegang in handen ge­geven van een regisseur die een volledig scenario uitschrijft voor de stoet. In 1952 staat de lokale legende van de Helleput centraal, naast de legende van Lohengrin. Voor de stoet van de Wereldtentoonstelling in 1958 bedenkt regisseur Frans Van Immerseel een spektakel rond de legende van de vier heemskinderen en het Ros Beiaard; in 1975 kiest hij voor hetzelfde thema, maar dan in een ommegang die veel spectaculairder is. Zo'n 2.500 figuran­ten trekken samen met de historische groepen en praalwagens door de stad. In 1990 en 2000 wil regisseur Franki Hervent de geschiedenis van de stad en de legende van het Ros Beiaard vertellen. De ommegang wordt uiteraard afgesloten met de traditionele elementen.

 

Het Ros Beiaard is een indrukwekkende reus. Het is bijna zes meter hoog en wordt gedragen door drie teams van twaalf dragers, de Pijnders. Die worden allemaal gekozen uit dezelfde families en uit de voormalige heemskinderen. De vier heemskinderen op de rug van het reusachtige strijdros zijn uitzon­derlijke figuranten. Zij worden geselecteerd op basis van een aantal strikte criteria. Het moeten vier broers zijn die opeenvolgend geboren werden zon­der een dochter ertussen. De jongste moet minstens zeven jaar zijn, de oudste mag niet ouder zijn dan 21. En uiteraard moeten de vier jongens geboren en woonachtig zijn in Dendermonde. Het Ros stapt op het ritme van een eigen lied, het Ros Beiaardlied waarvan de melodie uit de zeventiende eeuw zou dateren en dat onafgebroken gespeeld wordt door de Ros Beiaardharmonie. De ommegang eindigt met een opvoering op de Grote Markt. Begeleid door een vioolspeler en gemend door een 'zot' moet het Ros Beiaard afrekenen met buskruitschutters die herhaaldelijk op hem schieten. In de stoet duiken ook andere traditionele elementen op. De Knaptanden, een soort wolvenkoppen op een stok, laten hun kaken klapperen om de toeschouwers schrik aan te jagen; het Rad van Fortuin wordt ook meegedragen in de ommegang.

 

In Dendermonde wordt er alles aan gedaan om van de ommegang van het Ros Beiaard een onvergetelijk spektakel te maken. Het feit dat dit uitzon­derlijke evenement, dat maar een keer per decennium plaatsvindt, meer dan 100.000 toeschouwers lokt, zegt genoeg.

 

 

DE REUZEN DANSEN IN AAT

 

In 2009 hebben 50.000 bezoekers deelgenomen aan de feestelijkheden tij­dens het vierde weekend van augustus in Aat. Deze traditie is gegroeid uil een processie aan het einde van de Middeleeuwen om de wijding van de Sint-Julianuskerk te herdenken en is uitzonderlijk, om meer dan een reden Aan dit feest gaan meer dan zes eeuwen geschiedenis vooraf waarin telkene nieuwe elementen werden toegevoegd om te komen tot een smeltkroes van diverse invloeden. Vandaag wordt een tiental dagen vooraf met de voorbere

idingen begonnen. In een gemeentelijke opslagplaats bereidt een kleine groep de reuzen voor die tijdens het jaar in losse stukken worden opgeslagen. De manden en bus­tes worden op elkaar gezet. Het draagsysteem wordt bevestigd. De kleding wordt in een vaste volgorde aangetrokken; de accessoires worden aange­bracht; de kapsels van de gigantische figuren worden bijgewerkt. Dit alles duurt een hele week en verloopt volgens een strikt protocol, onder het toeziend oog van de lokale bevolking die massaal komt kijken naar dit ritueel. Elke reus wordt geleid door één persoon uit een groep van acht tot twaalf dragers. In de aanloop naar het feest komen die het draagsysteem aanpassen en hun reus 'passen'. Ook de families zitten niet stil; de huizen worden ver­sierd in de kleuren van de stad en er wordt een traditionele taart gebakken, de Tarte Gouyasse.

 

Op vrijdagavond wordt het feest in gang gezet met de brûlage des marron­nes. Dit is een recente traditie die herinnert aan een volks gebruik waarbij de toekomstige bruidegom zijn vrijgezellenleven begraaft. De volgende dag trouwt immers de reus Goliath. De menigte stapt in een stoet achter de gi­gantische marronnes (dialect voor broek), die worden verbrand op de Espla­nade, gevolgd door woelig feestgedruis.

 

Zaterdagmiddag gaat het feest verder. De inwoners van Aat komen samen aan de voet van de klokkentoren van de Sint-Julianuskerk. Tientallen uitver­korenen klimmen naar de top van de toren om Marie Pontoise, de zwaarste luiklok, manueel te luiden en dat is het officiële startschot van de festivitei­ten. Om 15.00 uur komen de reus Goliath en zijn toekomstige echtgenote aan bij het stadhuis, op de Grote Markt. Op de tonen van processieliederen gaan ze naar de Sint-Julianuskerk waar de vespers geluid worden. De reuzen worden voorafgegaan door het gezelschap van de Bleus, een overblijfsel van de oude militaire eed die werd gezworen door de kanonniers-buskruitschut­ters. Ze worden omringd door hun wachters, de duivel Magnon, de gebla­derde mannen en de Diricq-paarden (rieten paarden). Op de pont du Gâdre, waar vroeger een poort van de Middeleeuwse ringmuur stond, voeren beide reuzen de Goliath-dans uit. Volgens een vaste choreografie stappen ze op elkaar toe en weer terug en hun passen worden onderbroken door lange kussen, toegejuicht door de bevolking. Na het huwelijk gaan Monsieur en Madame Goliath terug naar het stadhuis voor de strijd tussen David en Goliath. Deze strijd is een overblijfsel van de historische spelen die werden opgevoerd tijdens de Middeleeuwse processie en confronteert de reus met een jongeman die de rol van de herder David speelt.

 

De twee tegenstanders schelden elkaar uit met de woorden van Bonimée, een Oud-Franse tekst uit het einde van de zestiende eeuw. Daarna krijgt de jongen één kans om een steen naar de reus te gooien; hij moet het venstertje in de mand raken waardoor de drager zich kan oriënteren. Lukt dat, dan wint hij de strijd. De menigte laat van zich ho­ren en er begint een nieuwe dans. Als het niet lukt, maakt de ontgoocheling snel plaats voor de festiviteiten. In beide gevallen eindigt Goliath de strijd met de woorden: "Je n'sus nieu co mort" (Ik ben nog niet dood) zodat de reus de volgende dag kan terugkomen voor het vervolg van de Ducasse.

 

De volgende dag trekt de stoet door de stad, 's morgens in de ene richting en 's namiddags in de andere. In de stoet lopen zeven reuzen. De tweekoppige arend (die verwijst naar de wapenschilden van de stad) leidt de stoet. Samson stelt de Bijbelse held voor; hij draagt de zuil van de tempel en de ezelskaak. Daarna volgt de Eburonenkrijger Ambiorix die in 1850 Tyran, de reus van de boogschutters, is komen vervangen om het nationale verleden te herdenken. Mademoiselle Victoire symboliseert de stad en draagt ook de stadskleuren, paars, wit en geel. Elke reus weegt tussen 120 en 130 kg en danst op de tonen van de meelopende lokale fanfares. Het Ros Beiaard is een indrukwekkende verschijning met zijn acht meter hoog en 700 kilo; hij wordt gedragen door twee teams van zestien dragers die perfect synchroon bewegen om het ros voort te bewegen. Goliath en zijn vrouw sluiten de stoet.

 

Naast de reuzen stappen ook historische groepen mee die de lokale of natio­nale geschiedenis uitbeelden. De allegorische praalwagens uit de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw beelden instellingen uit (België, de stad Aat) of traditionele economische activiteiten (landbouw, tuinbouw, ...) of een kleurrijk animatie (het schip van de Napolitaanse vis­sers). Zo'n duizend mensen trekken de hele dag door de stad. Het feest kreeg de voorbije jaren zoveel bijval van de deelnemers en toeschouwers dat het nu langer duurt. De nacht is bijna gevallen als de inwoners van Aat de laatste reuzen naar hun opslagplaats begeleiden; ze eisen nog een laatste dans en nemen voor een jaar afscheid van de figuren.

 

De volgende dag, maandag, trekken de reuzen apart door de straten van de stad om een bezoek te brengen aan bepaalde families. Een mooie gelegenheid voor de bevolking om de dragers te bedanken. 's Namiddags komt iedereen samen op de Esplanade om de luchtballons te zien opstijgen. Het feest gaat nog enkele dagen door, tot 8 september, het officiële slot van de festiviteiten. De Ducasse wordt dan feestelijk afgesloten met een vuurwerk. Het enthousiasme van de lokale bevolking, gekoppeld aan de tradities die van generatie op generatie worden doorgegeven, maken van de Ducasse van Aat een uitzonderlijk gebeuren, de bevestiging van een echt immaterieel erf­goed. Alle facetten van het leven in de stad worden weerspiegeld door deze reuzen en deze tradities.

 

 

DE MEIBOOMPLANTING IN BRUSSEL

 

Brussel is, als thuisstad van de Europese instellingen, ook de hoofdstad van Europa geworden. Zijn statuut als metropool heeft dit internationale ka­rakter alleen maar versterkt. In dit licht is het altijd weer verrassend om op 9 augustus de festiviteiten van de meiboomplanting bij te wonen. Enkele uren lang nemen de Brusselaars hun stad terug in; het autoverkeer in de lanen wordt stilgelegd om deze vreemde stoet te laten passeren: een boom en zijn dragers, de Buumdroegers, reuzen die gedragen worden door de Poe­pedroegers, en andere feestelijke elementen. Met één doel: deze boom, de Meiboom, planten op de hoek van de Broekstraat en de Zandstraat. En dat moet voor 17.00 uur gebeuren, anders verliezen de Brusselaars hun privilege aan de Leuvenaars. "Il faut le faire", zo luidt het motto van de gezellen van Sint-Laurentius.

 

Het planten van een meiboom of een gedenkboom is een eeuwenoude tradi­tie waar ook vandaag nog sporen van terug te vinden zijn in Henegouwen en de provincie Luik. In Brussel, zo vertelt de legende, zou het gaan om een privilege dat in 1213 door de hertog van Brabant werd verleend aan de kruis­boogschutters van Sint-Laurentius als dank voor hun bescherming toen de stad werd aangevallen door de Leuvenaars. Elk jaar kregen ze toestemming om een boom te planten bij de kapel van hun patroonheilige, de avond voor diens naamdag. Historisch gezien zijn er bewijzen van dit feest sinds het einde van de zestiende eeuw, zoals blijkt uit de toestemming om een boom te kappen in het Zoniënwoud.

 

Vanaf het begin van de negentiende eeuw krijgt dit feest meer bekendheid na de oprichting van een gezelschap, de gezellen van Sint-Laurentius. In de wijk van de Zandstraat, niet ver van de Sint-Laurentiuskerk, worden op 10 augustus vaak festiviteiten georganiseerd. In 1839 gebruikt de vereniging het materiaal van de oude ommegang dat in onbruik is geraakt. Zo vieren ook de reuzen mee tijdens de meiboomplanting. Janneke en Mieke, de twee populairste reuzen van de hoofdstad, worden vergezeld door hun familie, hun kinderen Jefke en Rooske en hun ouders Bomma en Bompa. Later komt daar nog Pietje de champetter bij.

 

In de twintigste eeuw wordt het feest danig verstoord door het stedenbouw­kundig beleid van Brussel. In de wijk van de Zandstraat en de Broekstraat zijn grote werkzaamheden aan de gang voor de bouw van de spoorwegtun­nel tussen Brussel Centraal en Brussel Zuid. In de jaren vijftig moeten de bewoners van deze volkse wijk, die de 'Bas-Fonds' worden genoemd, plaats maken voor de administratieve wijk van de staat en bankinstellingen. De bewoners verhuizen; de meesten vestigen zich in de randgemeenten, in Sint-Joost of in Schaarbeek. Vanaf dan krijgt het feest een andere betekenis. Een keer per jaar is de meiboomplanting een gelegenheid voor de verdrevenen om revanche te nemen. Op 9 augustus komen ze deze spookwijk, waar nu geen sociaal leven meer heerst, opnieuw innemen.

 

Tegenwoordig beginnen de festiviteiten in de vroege uurtjes, met het kiezen en omhakken van de boom in het Terkamerenbos. Dit is een bevoorrecht ogenblik waar de hoogste verantwoordelijken van de gilde en enkele met zorg gekozen gezellen aan deelnemen. De boom wordt dan met een vracht­wagen naar het plein voor het stadhuis gebracht. Vanaf 13.30 uur komen de gezellen van Sint-Laurentius samen aan het gedenkteken van hun wijk. Om 14.00 uur gaan de fanfare en de reuzen in stoet op weg naar de Grote Markt van Brussel. Naast de reuzen herkennen we ook andere traditionele elemen­ten uit de oude ommegang, zoals de rieten paarden. Om 15.00 uur komt de stoet aan op de Grote Markt, bij de boom en een dertigtal boomdragers of Buumdroegers. De boom wordt getoond aan het stadsbestuur en de geno­digden. Dan zet de stoet weer koers naar de Zandstraat. Omstreeks 16.30 uur is de bestemming dan eindelijk bereikt, op de hoek van de Broekstraat. De dragers beginnen de meiboom dan geleidelijk op te zetten in een speci­aal daarvoor voorzien gat. Daarna wordt er een Belgische vlag naar de top van de boom gehesen en zet de fanfare het volkslied in te midden van een enthousiaste menigte.

 

Tot zover het ritueel. De gezellen van Sint-Laurentius betuigen dat ze hun privilege nooit geschonden hebben. Ze herinneren zich het ongelukkige voorval in 1939 nog wel. Een groep Leuvenaars maakte toen handig gebruik van de onoplettendheid van de Brusselaars om de dierbare boom te stelen. De gezellen konden de situatie nog redden door vlakbij een boom om te hak­ken en die nog net voor het beslissende tijdstip te planten. Sindsdien wordt in Leuven trouwens een tweede meiboomplanting gehouden en elke stad eist natuurlijk zijn privilege op.

 

 

EEN FAMILIE VAN REUZEN IN MECHELEN

 

Mechelen is in de Middeleeuwen sterk tot ontwikkeling gekomen dankzij de bloeiende lakenhandel vanaf de twaalfde eeuw. In de vijftiendee en zestiende eeuw speelt de Brabantse stad een belangrijke rol in het rijk van de herto­gen van Bourgondië. Hier zijn namelijk de Rekenkamer en het Parlement gevestigd. De Bourgondische familie houdt hier hof, de Staten-Generaal vindt er plaats en in 1504 wordt Mechelen de juridische hoofdstad van de Nederlanden met de Grote Raad. In 1544 telt Mechelen 25.000 tot 30.000 inwoners. In deze bruisende stad wordt de woensdag voor Pasen een processie gehou­den ter ere van Sint-Rombout (de Peis processie herinnert aan de vrede na de politieke en sociale onlusten van 1302). In 1416 stapt het Ros Beiaard, gedragen door acht dragers, mee in de stoet. Het is gemaakt door Jean Tser­mentens. Golyas staat vanaf 1464 op een praalwagen, waar hij door David wordt verslagen. Hij wordt onderhouden door de schilder Jan de Hollander.

 

In 1468 krijgt hij een nieuw hoofd en nieuwe benen. In 1470 wordt zijn hand hersteld en krijgt hij een nieuw laagje verf. In een verslag uit 1481 wordt de Riese (reus) naast Goliath vermeld. Die blijft meedoen tot 1586. Intussen heeft de Reus in 1549 een vrouw gevonden. In 1600 maakt beeld­houwer Alexandre Colyn een reus die op een praalwagen zit en voortgetrok­ken wordt door zes zwarte paarden. Deze opa (hij is dus de vader van de Reus of van zijn vrouw) is een krijger met helm, pantser en zwaard en is misschien de vervanger van Goliath, zoals historicus Eugeen Van Autenboer aanneemt. Leuk detail: vanaf 1680 beweegt hij zijn hoofd heen en weer tij­dens de stoet. In 1618 wordt de familie uitgebreid met drie kinderen: een dochter (Mieke) en twee zonen (Janneke en Claeske). Tussen 1615 en 1680 krijgt de groep gezelschap van een dienstmeisje (De Kamenier).

 

In 1601 duiken er naast de mensenfiguren ook acht kamelen op in de Om­megang van Mechelen. Aanvankelijk worden die bereden door Indiërs met een zwart beschilderd gezicht. Sinds het einde van de 18e eeuw worden de twee kamelen bereden door Cupido's die pijlen afschieten. De reuzen en die­ren krijgen sinds 1648 gezelschap van rieten paarden, sinds 1594 van een oorlogsschip en sinds 1615 van een Rad van fortuin. De processie wordt opgevrolijkt door een klein personage, een soort gedron­gen en dikbuikige nar die in de lucht gegooid wordt, de Vuylen Bruydecom, of ook wel Op-Signorken genoemd.

 

De meeste figuren komen ook terug in de grote processie ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk die elke vijfentwintig jaar uittrekt (volgende edi­tie 2013).

 

 

DOUDOU IN BERGEN

 

De Ducasse van Bergen vindt jaarlijks plaats op Drievuldigheidsdag, de zondag na Pinksteren. De oorsprong van dit feest gaat terug naar een pro­cessie gewijd aan Sint-Waltrudis, de patroonheilige van de stad, die al in de dertiende eeuw bekend is. Enkele van de figuratieve groepen die meelopen met de kerkelijke en gemeentelijke gezagdragers vertellen het verhaal van Sint-Joris. Hiervan zijn sinds het begin van de zestiende eeuw sporen terug te vinden. De legendarische draak zelf wordt vermeld in de archieven vanaf 1524, wat wijst op het bestaan van een processiespel. Sinds de achttiende eeuw wordt Sint-Joris vervangen door Gilles de Chin, een Henegouwse edelman die in Wasmes, in de Borinage, een draak zou hebben verslagen. Vandaag noemen de Bergenaren hun feest 'Doudou', naar het lied dat voort­durend gespeeld wordt tijdens de feestelijkheden. Doudou is een aaneen­schakeling van belangrijke momenten. Op zaterdagavond om 20 uur komt de bevolking met de kerkelijke en gemeentelijke gezagdragers samen in de collegiale Sint-Waltrudiskerk. Het schrijn met de relieken van de patroon­heilige dat gewoonlijk hoog in de koepel boven het hoofdaltaar staat, wordt naar beneden gehaald en in een processie door de kerk gedragen tot aan de kruising. Daarna wordt het schrijn overhandigd aan de gemeentelijke ge­zagdragers belast met de organisatie van de processie van de volgende dag. Honderden inwoners raken het schrijn aan om hun verbondenheid met hun patroonheilige te benadrukken.

 

De processie van zondagochtend heeft een bewogen geschiedenis en werd verschillende keren verstoord. De huidige vorm, een historisch-religieuze processie, is vooral te danken aan de heropleving rond 1930 onder impuls van kanunnik Puissant. Er trekken traditionele religieuze broederschappen in de processie op, maar ook nieuw gevormde groepen. Het schrijn van Sint-Waltrudis staat op een praalwagen, de Gouden Koets, die de processie afsluit. Aangekomen bij de kapittelkerk moet de Gouden Koets in één keer de heuvel van Sint-Waltrudis oprijden, een steile weg die naar de ingang van de kerk leidt. De zes paarden die de koets trekken, zetten zich in gang. Ze worden geholpen door een menigte die de koets vooruitduwt om de helling zonder problemen op te komen. Het schrijn van Sint-Waltrudis op de Gou­den Koets wordt dan opnieuw in de kapittelkerk geplaatst. De traditie wil dat de Gouden Koets in één keer de helling oprijdt, anders zal er een jaar lang groot onheil boven de stad hangen.

 

Het tweede traditionele evenement op Drievuldigheidsdag is het gevecht tus­sen Sint-Joris en de draak. Hoewel deze strijd oorspronkelijk in de processie werd uitgevochten, staat ze daar sinds het begin van de negentiende eeuw los van. In de achttiende eeuw krijgt dit gevecht al de bijnaam 'lumechon' (slak), verwijzend naar de cirkelende bewegingen van de groepen in de processie of de bewegingen van de acteurs in de strijd. Vandaag heet het 'Lumeçon'.

 

Na de beklimming van de Gouden Koets gaan de acteurs van de strijd naar de Grote Markt via de rue des Clercs. Om 12.30 uur begint het gevecht. Met aan de ene kant Sint-Joris op zijn paard, bijgestaan door twaalf Chins-chins, een soort rieten paarden, en aan de andere kant de draak, gedragen door de witte mannen en geholpen door de gebladerde mannen (die zijn staart dragen) en de elf duivels gewapend met hun blazen. De strijd verloopt via een nauwgezette choreografie. De draak zal de Chin-chins drie keer om­verduwen; Sint-Joris zal de staart van de draak drie keer vastgrijpen en hem een rondje rond de arena laten maken. Tijdens het gevecht slaat de draak regelmatig met zijn staart naar het publiek dat in een kring rond het strijd­toneel staat; de toeschouwers proberen het paardenhaar op het uiteinde van de staart te bemachtigen als 'geluksbrenger'. Tijdens dit ritueel breekt Sint-Joris herhaaldelijk zijn lans in een poging het monster te doden. Aan het einde van het gevecht gebruikt hij zijn pistool en doodt hij de draak met het derde schot. Het dode beest vlucht weg van het strijdtoneel. Het gevecht heeft een half uur geduurd, in een uitzonderlijke sfeer, met voortdurende interactie tussen de acteurs van het gevecht en het publiek.

 

Sinds een jaar of dertig wordt de organisatie van Lumeçon overgelaten aan regisseurs die de complexiteit van het ritueel hebben benadrukt en een gro­tere symbolische betekenis hebben gegeven aan alle handelingen die worden verricht tijdens de strijd. Er werden verschillende vernieuwingen doorge­voerd. Er zijn nieuwe personage opgedoken, zoals Cybèle en Poliade, naast de traditionele acteurs: Sint-Joris, de draak, de Chins-chins, de duivels, de witte mannen...

 

De Ducasse van Bergen, en dan vooral de twee meest traditionele evene­menten, de Gouden Koets die de heuvel oprijdt en de Lumeçon-strijd, wor­den intens meebeleefd door de bevolking van Bergen. Om ook de jonge generaties aan te spreken, werden nieuwe initiatieven genomen, zoals de organisatie van een kleine Lumeçon, zodat ook de kinderen kunnen mee­doen aan de strijd.

 

 

REUZEN ALS SYMBOLEN VAN DE IDENTITEIT IN FRANS-VLAANDEREN

 

Toen de Unesco in 2005 enkele reuzenstoeten erkende als meesterwerken van het orale en immateriële erfgoed van de mensheid, stonden ook twee steden in Noord-Frankrijk op het lijstje. De traditie van de reuzen is goed ingeburgerd in deze streek, waar dit soort feesten net zo gevierd wordt als in Vlaanderen en Wallonië. De reuzen staan ook symbool voor de identiteit van Noord-Fankrijk.

 

In Douai, tussen Cambrai en Rijsel, gaat de traditie terug tot 1530. Om de processie ter ere van de heilige Manrand, patroonheilige van de stad, nieuw leven in te blazen, vragen de gemeentelijke gezagdragers aan de gilden om tij­dens de processie 'verhalen', tableaux vivants, uit te beelden. De gilde van de mandenmakers besluit om een reus te maken. Die heeft geen naam. Door het grote succes besluit de gilde van de fruithandelaars het volgende jaar om deze reus een vrouw te schenken. Beide reuzen blijven anoniem. In het Picardisch wordt een reus 'gayant' genoemd. De reuzen krijgen dan ook snel de naam Monsieur en Madame Gayant. Pas in de zeventiende eeuw komt er gezinsuit­breiding. In 1678 is er sprake van een kind, in 1687 van meerdere. Vandaag hebben de Gayants drie kinderen, Jacquot, Fillon en Binbin. De reuzen worden vergezeld door een aantal traditionele figuren. De zot van de kanonniers, een rieten paard, wordt vermeld sinds het einde van de zestiende eeuw; het Rad van fortuin verschijnt aan het einde van de zeventiende eeuw.

 

Vandaag duurt het feest drie dagen. Het begint de zondag die het dichtst bij 6 juli valt. Om 8 uur worden de reuzen wakker. Die zijn indrukwekkend. Gayant is 8,5 meter hoog en weegt 370 kilo; hij wordt gedragen door zes mannen. Zijn vrouw is 6,25 meter groot en weegt 250 kilo; ook zij wordt ge­dragen door zes mannen. Om 9 uur hebben de reuzen afspraak op het plein voor het stadhuis om de gemeentelijke gezagdragers te begroeten. Om 11 uur beginnen ze hun rigaudon te dansen op de noten van Gayant, gespeeld door de lokale fanfare. In de namiddag stappen ze door de straten van de stad met hun genodigden. 's Maandags wandelen de reuzen door alle wijken van de stad; de dragers houden een kroegentocht. Op dinsdag begint het spelletje opnieuw. De kinderen proberen vooral om Binbin, de jongste, te onderschep­pen. Met zijn bijnaam Ch'tiot Tourni (omdat hij scheel kijkt) staat hij in het middelpunt van de belangstelling van alle jongeren in Douai die hem willen kussen voor de beroemde 'baiser à Binbin'. 's Avonds gaan de reuzen weer naar binnen. Nu is het tijd voor interactie met het publiek. Als de familie zich klaarmaakt om terug de loods in te gaan, loopt Binbin weg, zodat de andere reuzen hem moeten gaan zoeken. Dit spel duurt tot de nacht valt.

 

Reuze Papa en Reuze Maman, de reuzen van Cassel (tussen Rijsel en Duinkerke) zijn nauw verbonden met het carnaval. Ze werden gemaakt in de ne­gentiende eeuw (Reuze Papa in 1827; Reuze Maman in 1860) en spelen een rol in de winterfeesten. Hun maker is Alexis Bafcop, een lokale kunstenaar die zich heeft laten inspireren door de lokale legende van een reus die de beschermer van de stad was. Reuze Papa komt alleen buiten voor het wintercarnaval, op Vastenavond. Maar de belangrijkste reuzenstoet vindt plaats op paasmaandag, tijdens het zomercarnaval van Cassel. 's Ochtends komen de carnavalsgroepen samen om een complot te smeden. De reuzen komen pas in de namiddag buiten. Ze trekken in een stoet door de straten van Cassel op de muziek van de Reuze, die onafgebroken gespeeld wordt door de harmonie van Cassel. De twee reuzen voeren een nauwgezette choreografie uit, afgewisseld door de dansen van de carnavalsgroepen. De reuzen worden begeleid door de haan, de grote trom en de dikhoofden. Bij het vallen van de avond gaan de reuzen een laatste keer rond in het licht van fakkels en lampions. Aangekomen op het plein maken ze zich klaar om weer naar binnen te gaan. Telkens als ze lijken te stoppen met dansen, wor­den ze aangevuurd door de menigte om te blijven dansen. Dat kan zo uren doorgaan, tot de dragers en muzikanten van de harmonie uitgeput zijn.

 

 

MAKEN EN BEWAREN

 

Sommige reuzen behoren tot de volkscultuur en zijn met eerder beperkte mid­delen gemaakt. Andere zijn het werk van kunstenaars en ambachtslui. Vanaf de vijftiende eeuw worden schilders betrokken bij de organisatie en de decoratie van processies. Zo zou Rogier Van der Weyden een draak hebben gerealiseerd voor de processie van Nijvel. In de zestiende eeuw werkte Pieter Coecke van Aelst voor de Ommegang van Antwerpen en een eeuw later ontwierp Rubens een aantal triomfwagens.

 

Ook vandaag besteedt men veel zorg aan het vervaardigen en onderhouden van reuzen. Het ontwerp van het reuzehoofd is dikwijls het werk van een beeldhouwer. Die maakt eerst een model in klei, wat dan via een systeem van mallen en tegenmallen resulteert in een hoofd in papier-maché of polyester. Het lichaam van de reus is vervaardigd uit hout en gevlochten wissen. Het wilgenhout zorgt voor een relatief lichte structuur die, dankzij het vlechtwerk, toch voldoende sterk is. Er zijn nog enkele goede mandenvlechters die de stiel onder de knie hebben. Voor de gigantische garderobe van de reus heeft men bedreven kleermakers nodig en voor de attributen doet men een beroep op ambachtsluit zoals koperslagers. Het behoud van de eeuwenoude reuzen vereist een bijzondere restauratie. Die moet er voor zorgen dat elk van de onderdelen optimaal bewaard wordt en dat de geassambleerde reus sterk genoeg is om mee in de stoet te stap­pen.

 

Jean-Pierre Ducastelle & Laurent Dubuisson

 


PRAKTISCH


MAISON DES GÉANTS (AAT)

 

In oktober 2000 opende het Maison des Géants zijn deuren. In dit informatiecentrum komt de bezoeker alles te weten over het Europese fenomeen van de processie- en stoetreuzen. De vaste tentoonstelling heeft al meer dan 80 000 bezoekers gelokt. Die doet de oorsprong en de geschiedenis van deze gigantische figuren uit de doeken. Ook het maken en dragen van de poppen komt aan bod. Daarnaast wordt speciale aandacht besteed aan het internationale karakter van dit fenomeen. Er worden regelmatig tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd.

 

Maison des Géants

rue de Pintamont 18

7800 Aat
Tel.: +32 (0) 68 26 51 70  

Fax. +32 (0) 68 26 51 79  

e-mail: maison.des.geants@ath.be  

www.maisondesgeants.be


BEKIJK DE REUZEN IN 2010 

30 mei ommegang van het Ros Beiaard in Dendermonde

30 mei Doudou, met het gevecht tussen Sint-Joris en de draak in Bergen

11 juli optocht van de familie Gayant in Douai

9 augustus meiboomplanting in Brussel

21 en 22 augustus Ducasse van Aat, met Monsieur en Madame Goliath, de tweekoppige arend, Samson, Ambiorix, Mlle Victoire en het Ros Beiaard

26 augustus ommegang Katuit, met Goliath, Mars en Indiaan in Dendermonde

In Mechelen is het wachten tot 2013 om de processie van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk bij te wonen en de reuzenfamilie te zien. 


AUTEURS

Jean-Pierre Ducastelle: is historicus van opleiding en voert al meer dan dertig jaar onderzoek naar processiereuzen. Hij is voorzitter van de Commissie voor het mondeling en immaterieel patrimonium van de Franstalige Gemeenschap van België en is ook deskundige van de Franstalige Gemeenschap van België bij de Unesco.

Laurent Dubuisson: is historicus. Hij is conservator van het Maison des Géants in Aat sinds de opening ervan in 2000. Door zijn onderzoek is hij zich gaan interesseren voor het fenomeen van de reuzen. Hij heeft ook deelgenomen aan de samenstelling van diverse tentoonstellingen over dit onderwerp.


BIBLIOGRAFIE

R. MEURANT, Géants processionnels et de cortège en Europe, en Belgique et en Wallonie, Ministère de la Communauté française, Brussel, 1979.

R. MEURANT, La ducace d'Ath. Etudes et documents, Ministère de la Communauté française, Brussel, 1981.

R. VAN DER LINDEN, Reuzen in Vlaanderen. Volksleven van vijf eeuwen, (Vlaams Boekenfonds), Aartselaar, 1985.

M.-F. GHEUSQUIN, Fêtes, géants et carnavals du Nord-Pas-de-Calais: Cassel, (Documents d'Ethnographie Régionale du Nord-Pas-de-Calais, n°3), 1993.

M.-F. GHEUSQUIN en M. MESTAYER, Gayant, fêtes et géants de Douai, (Documents d'Ethnographie Régionale du Nord-Pas-de-Calais, n°5), Béthune, 1994.

J.-P. DUCASTELLE

  • La ducasse d'Ath, (La tradition par l'image, n°1), Brussel, 1994.
  • La ducasse de Mons, (La tradition par l'image, n°2), Brussel, 1995.

J: P. DUCASTELLE, M.-F. GHEUSQUIN, Y. DE SIKE, B. TWYFFELS, J. WILLEMART
Géants et dragons. Mythes et traditions à Bruxelles, en Wallonie, dans le nord de la France et en Europe, Doornik, 1996.

STROOBANTS en I. SPIJKER, "Een paard uit de duizend": het Ros Beiaard in woord en beeld, Dendermonde, 2000.

Folklore(s). Carnavals de Binche et de Malmédy, Ducasses d'Ath et de Mons, Marches de l'Entre-Sambre-et-Meuse, Meyboom à Bruxelles
Catalogue de l'exposition réalisée par la Maison des Géants (Ath) et le Musée International du Carnaval et du Masque (Binche), Ath-Binche, 2002.

J.-P. DUCASTELLE en J. FRAIKIN (s.dir.)

  • Géants, dragons et animaux fantastiques en Europe, (Tradition wallonne, 20), Brussel 2003
  • Le Doudou, Ducasse rituelle de Mons, Bergen, s.d.

ILLUSTRATIES

Affiche voor het tabaksmerk Goliath (Aat)
lithografie L Delvigne, 57 x 36,5 cm, Collectie Maison des Géants

Constructieschema voor de reus Lydéric (Rijsel), tekening van Stéphane Deleurence, 1998
potlood op papier, 70 x 50 cm, Collectie Maison des Géants

De wagen met 'De boom van Isai' (f° 455v° - 456 r°), de wagen met 'De Boodschap' (f° 457v° -458 r°)
en het tafereel 'De duivel met Sint-Michiel' (f° 418v° - 419 r°)
uit: Willem Boonen, De heerlijcke ende exsellente Processie van de kermisse der Stadt van Loeven
in het tweede deel van zijn Geschiedenis van Leuven, 1594, handschrift op papier, 29,6 x 13 cm, Stadsarchief, Leuven

Sint-Christoffel in de Ducasse te Aat

De 'Drac' van Villafranca-del-Penèdes (Catalonië, Spanje), Collectie Maison des Géants

Processie van de Tarasque te Tarascon, postkaart, begin 20ste eeuw, Collectie Maison des Géants

De zaterdag van de Ducasse  te Aat: Het gevecht tussen David en de reus Goliath

De reus Samson, gratis kalender voor de abonnees van de krant 'L'Echo de la Dendre'
Aat, 1842, 175, 47 x 29 cm, Stadsarchief Aat, iconografie

Inwoners van de Steenstraat in Geraardsbergen hebben 'grote mensen' aangekleed zoals de reuzenfamilie van de stad
Goliath, reuzin Gerarda en Kinneke Baba, Foto einde jaren 1940 - begin jaren 1950, Collectie Olav Geerts, Geraardsbergen

De reus Goliath van Lier, tekening van Felix Timmermans
in het programmaboek van de ommegang te Lier in 1928, Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

'Het Ros Beiaard' (f° 478v° - 479 r°) uit: Willem Boonen
De heerlijcke ende exsellente Processie van de kermisse der Stadt van Loeven
in het tweede deel van zijn Geschiedenis van Leuven, 1594, handschrift op papier, 29,6 x 13 cm, Stadsarchief Leuven

Koning Melchior, gevolgd door kemels en andere dieren (f° 461v°-462 r°) uit: Willem Boonen
De heerlijcke ende exsellente Processie van de kermisse der Stadt van Loeven
 in het tweede deel van zijn Geschiedenis van Leuven, 1594, handschrift op papier, 29,6 x 13 cm, Stadsarchief Leuven

De reuzenfamilie, het Ros Beiaard met de vier Heemskinderen en veulens, gravure
Programmaboek van de Geestelijken Praeltreijn, ter gelegenheid van het 850-jarig jubilé
gevierd met grooten luyster tot lof van O.-L.-V. van Hanswuyck te Mechelen, 1838, 15 x 54,5 cm, Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

De Ommegang te Antwerpen, promotieprentje van Liebig, Collectie Maison des Géants

Ommegang op de Meir, 17de eeuw, olieverf op doek, 97,5 x 110 cm, MAS - Collectie Volkskunde-Museum Antwerpen

Louis Watteau, La Famille du Grand Gayant de Douai, 1780
olieverf op doek, 67 x 92 cm, Musée de la Chartreuse, Douai

Exotische en fabeldieren in de Heilig-Bloedprocessie van Brugge in 1749, gravure in
Beschryvinge van de vreugde-teeckenen. De welcke op den 3. Mey 1749. Sullen geschieden in het Ses-hondert-jaerig Jubilé
van het heylig bloedt onses saligmaeckers het welck rust in de stad Brugghe in Vlaenderen
20 x 31,3 cm, Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

Monsters en wagens in de Heilig-Bloedprocessie van Brugge in 1749, gravure in
Beschryvinge van de vreugde-teeckenen. De welcke op den 3. Mey 1749. Sullen geschieden in het Ses-hondert-jaerig Jubilé
van het heylig bloedt onses saligmaeckers het welck rust in de stad Brugghe in Vlaenderen
20 x 31,3 cm, Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

Magritte en zijn werk 'Le Thérapeute' zijn reuzen geworden in Lessen, de geboortestad van de schilder

Internationale samenkomst van reuzen te Aat in 2000 (1)

Mercator, een reus van Ruppelmonde

Jan Turpin, de reus van Nieuwpoort, zou de grootste reus van Europa zijn (11,40 m)

Internationale samenkomst van reuzen te Aat in 2000 (2)

Hoofd van de reus Goliath (1806), Collectie Stad Aat

Hoofd van reuzin Megera, M - Museum van Leuven

Reuzenhoofd Druoon Antigoon, 1534-1535 en reuzenhoofd Pallas Athena, 1766
MAS - Collectie Volkskunde-Museum, Antwerpen

Schema van de Processie van Aat in 1981, tekening René Sansen, einde jaren 1970, Collectie Maison des Géants

Het Ros Beiaard van Dendermonde, 1952, Archief Ros Beiaardcomité en Hendrik De Schrijver

Het Ros Beiaard van Dendermonde, 1990, Archief Ros Beiaardcomité en Hendrik De Schrijver

Affiche van de Ducasse te Aat, 1952, 98 x 61 cm, Collectie Maison des Géants

Fernand Verhaegen, La danse des géants, olieverf op doek, 98 x 105 cm, Collectie Maison des Géants

De reuzen Monsieur et Madame Goliath van Aat

Het Ros Beiaard, Aat

De wagen van de Stad Aat (1850)

De boot van de Napolitaanse vissers (1856), Aat

De gebladerde mannen en de duivel Magnon vormen de verzamelde wacht van Goliath, De wagen van de tuinbouw (1850), Aat

Het planten van de Meyboom, reclameprentje van Liebig, Collectie Maison des Géants

De reuzen van Mieke, Bomma en Bompa op de Grote Markt te Brussel

De Boom en de Buumdroegers op de Grote Markt te Brussel

Het Rad van Fortuin op de Grote Markt te Brussel

De Reuzen van de Meyboom op de Grote Markt te Brussel

De oude reus, genaamd Grootvader, gravure uit 850-jarig jubilé
gevierd met grooten luyster tot lof van O.-L.-V. van Hanswuyck te Mechelen, 1838
Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

Het Ros Beiaard en de kamelen van Mechelen, postkaart, Collectie Maison des Géants

De kamelen van Mechelen, postkaart geïllustreerd met tekeningen van A. Ost, Collectie Maison des Géants

De drie kinderen van de Mechelse reuzenfamilie tentoon gesteld in de Lamotsite, Mechelen

De Mechelse reuzen, reclameprentje van Liebig, Collectie Maison des Géants

Gravure van de Ommegang te Mechelen, getekend door Leo de Pape, in 988-1888
Jubelfeesten van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswyck te mechelen. Praaltrein gevolgd door den ouden ommegang, Mechelen, 1888
Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

Programma van de Ommegang te Malines in 1838, Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

Mieke

De Lumeçon, Gevecht tussen Sint-Joris en de draak

Le Doudou, reclameprentje van Liebig, Collectie Maison des Géants

Les Chinchins, compagnons van Sint-Joris

Alexis Bafcop, Le carnaval de Cassel, 1876
olieverf op doek, Musée Départemental de Flandre, Cassel

De reuzen van Douai, postkaarten, Collectie Maison des Géants

Het weer samenstellen van Argayone (Nijvel)
ingekleurde tekening van Paul Collet, 1929, Stadsarchief Aat, Fonds Meurant

Als de ommegangen voorbij zijn, worden de reuzen zorgvuldig bewaard
In Rijsel mag P'tit Quinquin, een personnage uit een populair wiegelied, vredig slapen.

De maquillage van Madame Goliath (Aat)

De arm van een reus, een combinatie van wilg en polyester

Het werk van de mandenvlechtster Lieve Lieckens (Keerbergen)