U bent hier

Karel van Mander - Marteldood van de Heilige Catharina

Karel van Mander - Marteldood van de Heilige Catharina
Het schilderij 'Marteldood van de H. Catharina' wordt niet zozeer besproken, in de overtuiging dat het een topwerk is van de Nederlandse schilderkunst maar omdat het geschilderd is door Karel van Mander, die wereldberoemd werd door het 'Schilder-boek' dat hij in 1604 heeft uitgegeven. Met dat boek luidt hij de, in het Nederlands gestelde biografische kunstgeschiedenis in. Het gaat er o.m. over de Italiaanse en Nederlandse schilders - 'zowel des ouden en nieuwen tijds' en in plechtstatige stijl is het opgedragen aan de jeugd, aan wie hij meteen de 'Grondt' der schilderkunst voordraagt. Na zijn dood werd het in 1618 heruitgegeven en aangevuld met een levensbeschrijving van de auteur. Daarin vernemen wij zijn belevenissen, van de wieg tot aan het graf, én dat hij een beroemd schilder én poëet is geweest. Niettemin is zijn nalatenschap op het stuk van schilderwerk eerder karig. Er zijn geen twintig schilderijen van hem bekend en zo het schilderij, in 1964 door de stad Kortrijk aangekocht voor haar museum, een authentieke Van Mander is, dan bewaart deze stad samen met de 'Marteldood van de H. Catharina' de twee enige bekende schilderijen van zijn hand die zich in ons land bevinden. Het is het vroegst bekende werk. Het werd besteld in 1581 kort nadat hij voor de malcontenten gevlucht uit Meulebeke, met zijn ouders en familie, te Kortrijk asiel had gevonden bij de Grauwe Minnebroeders. De bestelling kwam van het Kortrijks 'ammelakenwerkersgild'. Dat gild van tafellakenwevers wenste voor zijn altaar in de St.-Maartenskerk een drieluik, leven en marteldood van zijn patrones, de H. Catharina van Alexandrië voorstellend. Die heilige is bekend als patrones van de wijsbegeerte en der welsprekendheid. Zij was zó welbespraakt en wijs dat zij 50 heidense wijsgeren die keizer Maximinus Daza (305-313) op haar had afgestuurd, om haar met strikvragen te doen wankelen in het christelijk geloof, zelf wist te overreden en te bekeren. Waarom zij en niet de H. Severinus, gewezen wever en eigenlijke patroon der wevers door het Kortrijkse gild werd uitverkoren kan een verklaring vinden in het verdere verloop van haar leven. Na de geschiedenis met de wijsgeren was de keizer zó vergramd dat hij haar veroordeelde te sterven door een marteltuig dat samengesteld was uit vier met scheermessen bezette wielen. De tussenkomst van een hemels vuur, dat het tuig heeft doen uiteenspringen, heeft belet dat de heilige geraakt werd. Integendeel beweert de gulden legende, werden 4000 heidenen gedood. Dat wondere wiel heeft de verbeelding aangesproken en de heilige, gebruikelijk voorgesteld met het wagenwiel, werd de patrones zowel van wagenmakers als van de vele beroepen waarbij een wiel wordt aangewend. Voor de Kortrijkse spinners en wevers, die toen nog niet gescheiden werkten, geldt bovendien dat ze te Kortrijk het spinnen en weven aanleerden bij de zusters van het St.-Catharinaklooster van Sion. Beslist zijn de Kortrijkse wevers zeer trouw gebleven aan hun patrones, want in het begin van de 18de eeuw hebben zij voor dezelfde kerk opnieuw een 'Marteldood' van deze heilige besteld, wellicht om de leemte te herstellen daar Van Manders werk een tijd lang uit de kerk verdwenen was. Omstreeks 1770 werd het bij een uitdrager teruggekocht. Hier kan nog aangestipt dat in de Gravenkapel van de O.-L.-Vrouwkerk het beroemde Catharinabeeld van Beauneveu te bezichtigen is. Die gravenkapel heet Catharinakapel, maar ditmaal niet dank zij de wevers, maar omdat de bouwheer Lodewijk van Male op haar feestdag (25.11.1330) geboren, het zo wilde. Een andere tip uit de recentere kortrijkse Catharinaverering en aanknopend met het gild van wevers en spinners, is dat Guido Gezelle als onderpastoor, een Zondagspatronaat heeft gesticht en geleid voor werkmeisjes die men de 'Kathrijntjes' noemde. Op het te bespreken schilderij is geen spoor van het wondere wagenwiel te zien, omdat, naast andere episodes uit te leven, de voorstelling van het uiteen springende wiel voorkwam op een der verdwenen zijpanelen van het drieluik. Het vierkante middenpaneel vertoont het ultieme moment vóór de door de Keizer bevolen onthoofding, nadat ook de proef met het wiel gefaald had. Omgeven van heremijten, maagden en gehelmde soldaten, waartussen de keizer gezeten is op een ingetoomd wit paard, zien wij als middenmotief, de beul met geheven zwaard en de kalm neergeknielde heilige. Op het voorplan rechts liggen zeer in 't gezicht, onthoofden, met er bovenop honden. Wij storen ons niet aan de honden. Onze voorouders hielden veel honden. Hun beeld verschijnt vaak op schilderijen, ook daar waar wij thans hun aanwezigheid ongepast vinden. Denken wij slechts aan de zeven Sacramenten van Rogier van der Weyden, waar op elk zijluik enerzijds een hazewind, anderzijds een poedel gewoon in de kerk aanwezig is. De Schilder-Poëet heeft er schuld aan dat een interpretatiemoeilijkheid oprijst. Op het schilderij, 'stomme Poeterij' genoemd, leidt hij ons met 'twee regelen dichts van zijn ghemaeck tot beduydenisse van het werk' af van de hoofdfiguur naar een zekere Porphirius. In de rechterbenedenhoek staat te lezen dat 'II c rudders die in 't gheloove stonde(n) fijn, met porphrio onthooft en gheworpe(n) de honde(n) zijn'. Misschien moet Porphirius, de legeroverste die onder Catharina's invloed zich bekeerd had en om die reden vóór haar marteldood, onthoofd werd, als een gesynchroniseerd herinneringsbeeld opgezocht worden tussen de reeds onthoofden. Het verwarringstichtend rijmpje biedt tenminste voor de actieve aanwezigheid der honden een alibi. De biograaf beschrijft episch dat 'een deel doode Lichamen door eenighe honden, met hun clauwen opgheplant staan toonende al grijnzende haar slagh en backtanden... al gereed om te vechten wie dat eerst zijn hongerige muyl in 't vergooten mensenbloed zou waden en met de gave tonghe opslorpen en slicken'. Beslist hebt u nu ook opgemerkt dat tegenover de sierlijke windhond een grijnzende hondenkop opdaagt inspirerend tot het signalement van slag- en baktanden en de voorspelling van bloedslorpen en slikken. De verdere beschrijving is minder bloederig en wijst op de 'suyverlijke' maagd die met blij gelaat, beschenen wordt door een klaarheid, die glans en gloor geeft aan haar albasten witte leden. Al is de beschrijving van de eigenlijke commentator in overeenstemming met de werkelijkheid, toch is het zo, dat naar ons gevoel de dramatische voorstelling niet zo aangrijpend is, als de beschrijving wil doen vermoeden. Té overwogen en nadrukkelijk zijn de dramatische details bijeen geordonneerd. Op het linkervoorplan: onthoofden met de hoofden ernaast; in het centrum: een perfect contrast van de klare rust der heilige naast het donkere geweld van de beul. Het schilderij kan afgetast worden en overal toont het een berekende afwisseling van klaar en donker en van netjes elkaar beantwoordende bewegingen en kruisingen. Achter de stevig gesloten driehoek van het linkervoorplan, die begint met een kalm toeschouwer, de deken van het weversgild, en eindigt met behoorlijk in elkaar gekluwde krijgers, is er de naar links stijgende lijn van drie klaarten : de hazewind, de heilige en het naar het voorplan toestappend paard van de keizer. Dat paard moet een tegenstelling vormen met het naar de achtergrond gewend paard van de krijger rechts. Het zwaard van de beul geeft weerom netjes een antwoord aan de lans van een soldaat in de verte, en alles is zo geregeld dat het ons voorkomt dat dit onderwerp voor van Mander meer een thema is geweest om rustig academisch te componeren dan dat het een motief van bewogenheid is geworden. In weerwil van het vele bewegen is er geen bewogenheid. Meer gedragen door de vormen dan door de onderdanig over de vormen gespreide kleuren is het veeleer de decoratief-vormelijke schikking die onze aandacht wekt dan dat wij het oor te luisteren leggen naar een kleurenzang. Zelden, bijvoorbeeld bij het hoofd van een maagd in de verte, wordt blijk gegeven van een coloristisch hallo. Voorbeeld van technische verzorgdheid en 'gracelijk doen' is het een typisch werk van een romanistisch schilder uit de late 16de eeuw. De kleurenweelde die parelt uit het haarfijne realisme bij de Vlaamse Primitieven werd geruild voor decoratieve Italiaanse idealisatie. Inderdaad is van Mander gaan leren in Italie. Te Meulebeke geboren in 1548 uit adellijke ouders van wie hij de Franse voornaam Charles kreeg (maar gewoonlijk, fluistert zijn biograaf, noemde men hem Karei, omwille van de grotere 'lichtichet der uitspraak'), leerde hij schilderen eerst bij de Gentse schilder-dichter Lucas de Heere en later te Kortrijk en Doornik bij Peter Vlerick, maar in 1574 trok hij naar Rome en verbleef er meer dan drie jaar. Toen hij naar Meulebeke terugkwam en in 1582 de eerste belangrijke opdracht de 'Marteldood' schilderde, was hij volop Romanist. Zijn leergedicht over de schilderkunst dat hij uitgaf na een verblijf van 20 jaar in Haarlem, waar hij bovendien een Academie stichtte (Frans Hals zou er volgens de legende leerling zijn geweest), geeft recepten die wij toegepast vinden in het schilderij. Afkerig voor harde tegenstellingen adviseert hij 'wilt op een soet verdrijven altijts trachten', zodat het werk niet lijkt op een schaakbord of drukkersprent. Ergens geeft hij zelfs goede raad om 'schoon weder' te leren schilderen, maar met de aanbeveling de personnages zó op te stellen dat zij aan alle kanten 'hun acten doen als fijn comedianten', evoceert hij tenvolle het theatrale dat ons weerhoudt om onbeperkt deze academische kunst te genieten. Te Amsterdam gestorven in 1606 werd hij met de grootste eer begraven. Bredero wijdde een treurdicht aan 'Karel die Man der Mannen wel mocht heeten', en ook Vondel schreef in 1657 nog een eredicht. Kunnen wij de artistieke waarde van het schilderij niet zo hoog gestemd roemen, dan weze deze bespreking een gelegenheid om dankbaar terug te denken aan de Schilder-Poëet die het waagde over schilderkunst te schrijven. Hij heeft het gedaan in dezelfde overtuiging als de Italiaanse schilder-schrijver Vasari, die hij heeft nagevolgd en die schreef over kunstenaars, omdat hij het kwade vermoeden had dat louter geleerden, alles niet weten te onderscheppen'. Men zegt van Van Mander dat zijn 'Schilder-boek' onsterfelijk is, maar dat zijn schilderijen zijn vergeten. Deze bespreking is een poging om althans één zijner werken aan die vergetelheid te onttrekken.