U bent hier

Jules de Bruycker - Oude verkoopster

Jules de Bruycker - Oude verkoopster
Jules de Bruycker (1870 - 1945), Oude Verkoopster, Ets, 1923, Museum voor Schone Kunsten Gent.

Jules de Bruycker, honderd jaar geleden, op 29 maart 1870 te Gent geboren en aldaar op 5 september 1945 overleden, behoort ongetwijfeld tot de markantste grafische kunstenaars van zijn generatie in Vlaanderen. Achilles Mussche, de schrijver van 'Aan de voet van het Belfort', herkent in Jules de Bruycker een der authentiekste Gentse artiesten, omdat zijn œuvre wordt gedragen door wat eigen is aan zovele merkwaardige Gentse kunstwerken, namelijk de betovering van de wonderbare alchemie van realisme en nachtelijke droom waaraan de zonderlingste, Gentse fantasmagorieën ontspringen.

 

Realisme, evenwel niet vrij van een laattijdige romantiek; doordringende opmerkingsgeest geboeid door de fantastiek die schuilt in de waargenomen werkelijkheid, een uitzonderlijke begaafdheid om daaraan een pakkend expressieve vorm te geven, kenmerken essentieel Jules de Bruyckers persoonlijkheid en artistieke produktie. Hoe dit heden wel eens moge worden gewaardeerd, wat daaraan ook moge tekort komen of wat daarin ook als aangedikt moge aandoen, hoe dit wellicht ook aan het tijdelijke en lokale geen universele betekenis en bestendigheid zal vermogen te verzekeren, mag de erkenning van Jules de Bruyckers uitzonderlijke begaafdheden niet beschaduwen.

 

Zijn onmiddellijke tijdgenoten, waaronder Frans Hellens, Karel Van de Woestijne, Grégoire Le Roy en nog anderen, hebben ons het verhaal nagelaten van zijn wordingsgeschiedenis, overmachtig beheerst door zijn artistieke scheppingsdrang. Zo pas schreef Frans Hellens nog over hem: 'Ik beschouw Jules de Bruycker als een der oorspronkelijkste kunstenaars van onze eeuw, een soort Vlaamse Daumier, rechtstreekse erfgenaam van Bosch en Bruegel. Zijn roem heeft de hoogte niet bereikt waar zijn scherpe en wrede, maar fascinerend-waarheidsgetrouwe tekenstift recht op heeft... Misschien is zijn uur nog niet geslagen. Ik heb het over het unieke uur der grote scheppers, een uur dat buiten het bestek van de tijd valt, maar reeds virtueel aanwezig is in de duur van de geschiedenis'. De toekomst moge het bevestigen.

 

Jules de Bruycker was de zoon van een behanger, gevestigd in de Jan Breydelstraat, nabij het Gravensteen, en gaf als kleine jongen reeds zulke blijken van opmerkingszin en van tekenaarsgaven dat - zoals Paul Eeckhout het schrijft - 'zijn ouders geen ogenblik aarzelden om hem als tienjarige knaap reeds naar de academie te sturen. De dood van vader, in 1884, noodzaakte echter de jonge de Bruycker de studie te staken en te gaan werken als hulpstoffeerder'.

 

Doch terwijl hij aldus om den brode arbeidde en alles opmerkte wat hij ontmoette in de toenmalige, thans soms niet meer te herkennen oude wijken, straten en pleinen van Gent: - de Theresianenstraat, het Patershol, het Pand, het Veerleplein, het Gravensteen, het Belfort - ontwikkelde zich in hem steeds dwingender zijn zucht om zich algeheel aan de kunst te wijden. Al wat hij zag, al wat dit in hem opwekte, heeft hij in nog steeds opduikende tekeningen, aquarellen en schilderijen willen bestendigen. Zoals meestal de jonge kunstenaars meende hij geroepen te zijn tot de schilderkunst. Daarom wilde hij, in zover zijn ambachtelijke plichten hem daartoe te tijd overliet, terug naar de academie, om er de lessen van Théo Canneel, Louis Tijtgat en Jean Delvin te volgen.

 

Het moest echter duidelijk worden dat hij bestemd was noch om een schilder, noch om een aquarellist van betekenis te worden. Zijn geestes- en gemoedsinstelling, de scherpzinnigheid van zijn opmerkzaam oog en het begenadigd vormscheppingstalent van zijn hand, bestemden hem om een uitzonderlijk tekenaar en, tengevolge daarvan, een der merkwaardigste Vlaamse etsers van zijn tijd te worden. Overheersend is daarin zijn visie op de tragische, uitzichtloze, ellendige lotsbestemmingen van de armzaligen onder de mensen, op de fantastiek die schuilt in het gedaantenbepalende, aan zich zelf overgelaten, tegenover niets reagerende leven; op de fantastiek van de droombeeldig of diepschouwend beleefde gedragingen van de mens, individueel of collectief.

 

Tot blijheid stemt dit voorzeker niet, spijts de humor die er vaak in zou kunnen vermoed worden. Jules de Bruycker was daarin evenwel niet pessimistischer dan al de kunstenaars die onverbiddelijk de armzaligheden van de mens in raak getekende vormen blootleggen. Ook overschrijdt hij nooit de grens waarover zijn uitbeeldingen caricaturaal zouden mogen geacht worden.

 

De hierbij gereproduceerde en gecommentarieerde, in 1923 getekende 'Oude verkoopster' - de daaraan beantwoordende ets, welke door de kunstenaar ook 'Pointe sèche' ('Droge naald') werd getiteld - biedt daarvan een sprekend voorbeeld.

 

Zoals talrijke onder de grootste tekenaars het sedert eeuwen hebben gedaan, heeft Jules de Bruycker deze figuur in beeld gebracht met raak gekozen en levendig doorgehaalde trekken. Hij heeft in de gedaante waarin zij hem heeft getroffen, haar armtierig volhoudende, naar geen verbetering strevende bestaansgeschiedenis doorpeild. In haar bestendig zittende, vooral nu haast roerloos wachtende houding, is zij geworden tot wat zij te beschouwen geeft. Het essentieel uitgetekende plooienspel van haar te ruime kleding is niet alleen suggestief voor haar treffende verschijning, het leidt naar wat haar verdroogd, uitgemergeld, 'pezig' hoofd reveleert. Op haar droef mijmerig en knokig aangezicht, met zijn ingezonken ogen die op haar nietige rommel schijnen neer te blikken, staat haar door niets meer bewogen gemoed te lezen. Zij 'bestaat' nog slechts zonder verdere levensverzuchtingen. Heeft zij aldus Jules de Bruycker, niet zonder innerlijke ontroering, getroffen - hoeveel andere dergelijke ontmoetingen hebben hem niet aangetrokken ? - dan wordt daarin ongetwijfeld één der grondige aspecten van zijn geaardheid geopenbaard.

 

Maar hoe menselijk wij met hem de tragische lotsbestemmingen onzer onbevoordeelde evennaasten mogen medeleven, toch worden wij bij de figuren die Jules de Bruycker geïnspireerd hebben, vooral geboeid door de kunst waarmede hij ze heeft uitgetekend. Hij legt er getuigenis van af dat de tekening, dat de grafische uitdrukkingswijze, de vormentaal bij uitstek is om essentieel en direct te concretiseren wat de kunstenaar, diepschouwend ziet, wat hij wil. Handelend over de tekeningen van Degas, heeft Paul Valéry zeer gevat betoogd: 'Il faut vouloir pour voir et cette vue voulue a le dessin pour fin et pour moyen, à la fois'. De tekening is 'de wil van de vorm', heeft Max Jacob op zijn beurt geschreven.

 

Ook heeft Ingres, een der merkwaardigste tekenaars uit de 19e eeuw, niet geaarzeld erop te wijzen dat 'tekenen, verwijderen is'. Wat de tekening ontdoet van alle verstrooiende bijkomstigheden, is tenslotte de uiterste eenvoud - laat dit woord in zijn etymologische betekens worden verstaan, in tegenstelling met wat complex of ingewikkeld is -de uiterste eenvoud van haar wezenlijk uitdrukkingsmiddel, te weten de lijn die aan niets gebonden is, die volkomen vrij en los is van alles, behalve en uitsluitend van de wil van hem die ze kiest en schrijft, de lijn die niet bestaat uit de wil van de kunstenaar die ze naar zijn inzicht, naar zijn ontroering 'schept'; de lijn die slechts belang, betekenis, waarde en verlokkelijkheid heeft in de mate dat zij door haar geconcentreerde evocatiemacht suggereert, aanschouwbaar en aan-voelbaar maakt wat de kunstenaar essentieel heeft gezien, wat hem grondig heeft ontroerd.

 

Geen wonder dan dat Jules de Bruycker zich zelf in zijn tekeningen ten minste evenzeer als zijn modellen kenbaar maakt. Hij heeft er de dramatiek van de door het leven misdeelden, pakkend in beeld gebracht; hij heeft er ontroerend schoon gemaakt wat in de werkelijkheid niet aanlokkelijk is; hij heeft er zijn meesterlijk en gevoelig vormscheppende hand, aan de opwellingen van zijn gemoed en aan de imperatieven van zijn geest, doen gehoorzamen; hij heeft erin te bewonderen gegeven wat met een lijn, wat met een spel van lijnen, essentieel kan worden uitgedrukt; hij heeft erin doen waarnemen dat naar gelang die lijn b.v. met potlood of met houtskool wordt geschapen of met een naald rechtstreeks in het metaal wordt gegrift of er door een aangepast zuur in geëtst wordt, zij een bepaalde zintuigelijke aansprekingswaarde in zich draagt.

 

Is Jules de Bruycker een der markanste kunstenaars van zijn generatie in Vlaanderen, dan is hij dat in de eerste plaats als grafische beeldenschepper, overeenkomstig zijn evolutie steeds meer gelouterd, steeds kernachtiger en directer expressief, steeds persoonlijker representatief.

 

Prof. Dr. Louis Lebeer,

Vast Secretaris Kon. Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.