U bent hier

Judith Leyster (1609-1660) - Na 400 jaar ten toon tussen zelfportret en 'blompot'

Judith Leyster, Zelfportret ca. 1632-33, doek, 72,3 x 65,3 cm, National Gallery of Art, Washington, schenking van Mr. en Mrs. Robert Woods Bliss.

 

In het Frans Hals Museum loopt een kleine tentoonstelling over de zeventiende-eeuwse Haarlemse kuntenares Judith Leyster. Net voor de opening is in een Oostendse privéverzameling een tot nu toe onbekend werk van Leyster ontdekt.

 

 

DE ARTIESTE IN DE SPIEGEL

 

De spiegel moet worden verbannen uit het 'gynaece­um' of het vrouwenvertrek. De geleerde Anna Maria van Schurman (1607-1678) roept in haar Verhande­ling over de aanleg van vrouwen voor wetenschap alle vrouwen op om in innerlijke schoonheid te investeren. Sta niet te lang stil bij je kapsel en je mooie kleren en gun de tijd die je door de Hemel wordt geschon­ken niet aan je spiegel. Die doet immers je gebreken niet slijten. Als je elke dag nog mooier wil worden, zoek dan je heil in wetenschap en kunst. De vrouw die meer dan tien talen sprak en schreef, waaronder ook het Hebreeuws, het Ethiopisch, het Grieks en het Latijn, ophefmakende pamfletten liet verschijnen en tal van kunsttakken beoefende, vormde de proef op haar eigen stelling. In 1638 publiceerde zij een eerste verhandeling over de intellectuele en artistieke aanleg van vrouwen. In 1641 rolde een meer complete versie van de pers. Haar visie belette het haar niet om kwis­tig zelfportretten te produceren. Soms gebruikte ze olieverf, vaker nog pastelkrijt of houtskool.

 

In precies dezelfde periode schilderde de Haarlemse kunstenares Judith Leyster (Haarlem, 1609 - Heemstede, 1660) een halflijfs zelfportret terwijl ze op een stoel achter de ezel zit (Washington, National Gallery of Art). Geen enkele andere schilderes voelde zich zo zichtbaar goed in haar vel. In 2009 wordt de vierhonderdste verjaardag van haar geboortejaar herdacht. Tussen 21 juni en 29 november 2009 was er een bescheiden tentoonstel­ling te zien in de National Gallery of Art in Washing­ton. Nog tot 9 mei 2010 toont het Frans Hals Museum een aan haar werk gewijde expositie. De tentoonstel­ling brengt een vergelijkbaar initiatief rond Leyster in herinnering. Zestien jaar geleden, in 1993, bood hetzelfde museum een groots overzicht van haar oeu­vre in relatie tot dat van de belangrijkste Haarlemse tijdgenoten. In een recensie van 5 juni 1993 in NRC Handelsblad schreef de dichter-schrijver Hans Warren haast smalend: "Judith Leyster, hoe interessant ook, blijft een figuur van de zoveelste garnituur en is vol­strekt ondenkbaar zonder Frans Hals [...]. Onder haar gezichten zit geen schedel, onder haar figuren geen li­chaam."

 

Net als op het zelfportret uit 1548 van de zestiende-eeuwse Antwerpse Catharina van Hemessen (Bazel, Öffentliche Kunstsammlung, Kunstmuseum), heeft ook Judith Leyster haar mooiste kleren aangetrokken om te poseren, maar haar houding verraadt noncha­lance en vooral een goed humeur. Ze kijkt naar zich­zelf in de spiegel en dus ook naar ons als toeschou­wers. Leyster koos niet voor een minzame glimlach maar lacht ongegeneerd de tanden bloot. In een recent verschenen studie over de traditie van het westerse zelfportret contrasteert Laura Cumming Leysters uitnodigende portret met het afstandelijke zelfportret van de Franse schilder Nicolas Poussin uit 1650. Twee kunstenaarsportretten, respectievelijk van de hand van een vrouw en van een man, getuigen van een we­reld van verschil: "Intimiteit is de truc: ze was net aan het werk in haar atelier toen je binnenkwam, waarna ze voor jou een stoel bijschoof. Bijgeknipt als een in­formele foto, vlak onder het middel en zo krap dat een elleboog en een deel van de kraag niet in het kader kunnen, leunt ze losjes achterover met een gezellige glimlach, even niets doen voor een babbel [...]. Wat een warme welkom."

 

In 1633, het jaar waarin dit portret werd geschilderd, werd ze als 'meesteres' toegelaten in het Haarlemse Sint-Lucasgilde. Het is zelfs niet uit te sluiten dat ze dit portret als een meesterproef aanbood. Als dochter van een brouwer hoefde ze zich niet al te veel aan te trekken van burgerlijke gedragsnormen. Zij leidde een eigen atelier en had zelfs twee leerjongens in dienst. Leyster was vooral een schilderes van genreta­ferelen waarin ze op een bijzonder subtiele wijze — en steeds badend in atmosferisch licht — dagdagelijkse scènes verbeeldde. De vioolspeler die is afgebeeld op het schilderij van haar schildersezel is representatief. Een infraroodopname heeft niettemin aangetoond dat de meesteres aanvankelijk een damesportret op het doek had voorzien. Ging het om een tweede zelfportret? Mogelijk veranderde zij haar compositie omdat zij op deze manier de hele voorstelling boeiender kon ma­ken. Maakt de violist muziek voor haar? In zowat alle taferelen van de naar ons gevoel onorthodoxe Leyster speelt een — alvast op het eerste gezicht - ongedwongen relatie tussen een man en een vrouw een belangrijke rol. Drie jaar lang produceerde ze de meest bekoorlijke genrescènes uit de Hollandse Gouden Eeuw. Het klop­pend hart van het leven met zijn littekens en franjes is voelbaar in elk schilderij. In 1636 trouwde ze met de genreschilder Jan Miense Molenaer. Het echtpaar kreeg tenminste vijf kinderen en terwijl de echtgenoot veel succes oogstte met rake en pasteus geschilderde voorstellingen uit het dagelijkse leven, concentreerde de vroegere schilderes zich op haar moederrol en nam zij - met behulp van dienstmeid Marytge Abrahams - de taken van de zaakwaarneemster op zich.

 

 

DE GRENSVERLEGGENDE 'BLOMPOT'

 

Tot voor kort nam men aan dat ze na haar huwelijk nog maar één keer het penseel ter hand nam. In 1643 aquarelleerde Leyster, als een volleerde dilettante à la Van Schurman, een kostbare tulp, de vroege Brabantsson. Op de tentoonstelling in Haarlem wordt voor het eerst een schilderij getoond, afkomstig uit een Oost­endse privéverzameling, dat door de schilderes iets meer dan twintig jaar na haar huwelijk werd gemaakt. Het paneel (69,7 x 50,4 cm) is voluit gesigneerd Juffrouw/ molenaers 1654 en laat een prachtig en rijk gevarieerd boeket zien in een Chinese vaas. Het NRC Handelsblad publiceerde op 11 december 2009 een afbeelding van het bonte bloemstuk op de voorpagina, voorzien van de titel: "'Blompotje' werpt nieuw licht op oeuvre van Leyster." Het nieuw ontdekte schilderij voegt een di­mensie toe aan Leysters artisticiteit. Zij schilderde dus niet alleen portretten, genretaferelen en een enkel tulpje in waterverf maar profileerde zich — tenminste één keer en mogelijk nog vaker — als een volleerde schilderes van bloemstillevens. Het is niet uit te sluiten dat deze rui­ker identiek is aan een 'blompotje van Juffr. Molenaer' dat werd vermeld in de boedelstaat van 1668 die naar aanleiding van de dood van haar echtgenoot werd opge­maakt.

 

Het aantal schilderijen van haar hand is relatief beperkt. Frima Fox Hofrichter beweert in het cataloogje van de expositie in Washington dat Leysters oeuvre on­geveer vijendertig werken telt, terwijl de conservator van het Frans Hals Museum het bij negentien schilderijen houdt. Hoe dan ook, het bloemstuk voegt een belang­rijke dimensie toe. Leyster was als schilderes veelzijdiger dan werd aangenomen en levert tevens het bewijs dat zij ook lange tijd na haar huwelijk nog schilderkunstig actief was. Terwijl ze op het blad met de tulp uit 1643 nog haar monogram, bestaande uit de ligatuur van haar initialen en een sterretje (alluderend op de 'leid-ster'), noteerde; signeerde ze het schilderij met de ruiker van 1654 niet alleen als echtgenote van Miense Molenaer maar ook als 'Juffrouw', een niet ongebruikelijke titel voor echtgenotes van stand. Onder haar gezicht ging en gaat niet alleen een schedel schuil, deze herbergde naast een flinke portie eigenzinnigheid, een uitzonderlijke mate van scherpzinnigheid en experimenteerlust.

 

Katlijne Van der Stighelen


INFO

Judith Leyster. De eerste vrouw die meesterschilder werd

Nog tot 9 mei 2010

Open: dinsdag t.e.m. zaterdag van 11 tot 17 uur, zon- en feestdagen van 12 tot 17 uur

Gesloten: maandag

Frans Hals Museum

Groot Heiligland 62

2011 ES Haarlem

Tel. 00 31 23 511 57 75

www.franshalsmuseum.nl 


ILLUSTRATIES

Judith Leyster, Zelfportret, ca. 1632-33
doek, 72.3 x 65.3 cm, National Gallery of Art, Washington, Schenking van Mr. en Mrs. Robert Woods Bliss

Infraroodopname van Leysters zelfportret, James A. Welu en Pieter Biesboer (Eds)., 1993, p. 166, afb. 7F

Judith Leyster, Tulp, vroege Brabantsson, 1643
zilverstift en aquarel op perkament, Tulpenboek folio 29, Frans Hals Museum, Haarlem

Judith Leyster, Bloemstilleven, 1654
Paneel, 69.7 x 50.4 cm, Privéverzameling


BIBLIOGRAFIE

Anna Maria van Schurman, Verhandeling over de aanleg van vrouwen voor wetenschap
vert. uit het Latijn door Renée ter Haar, Groningen, 1996

Katlijne Van der Stighelen en Mirjam Westen (Eds.), 'Elck zijn waarom', Vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950
Tentoonstellingscatalogus, Antwerpen, KMSK- Arnhem, Museum voor Moderne Kunst, Gent

Frima Fox Hofrichter, Judith Leyster. A Woman Painter in Holland's Golden Age
Tentoonstellingscatalogus, Frans Hals Museum, Haarlem, Zwolle, 1993

L. Huet en J. Grieten, Oude meesteressen. Vrouwelijke kunstenaars in de Nederlanden, Leuven, 1998

Laura Cumming, A Face to the World On Self-Portraits, Londen, 2009