U bent hier

Jozef Cantré - Vaardige vrouw

Jozef Cantré - Vaardige vrouw
Jozef Cantré (Gent, 1890-1957), Vaardige vrouw - 1935, Brons - 63,5 cm - gesigneerd op het voetstuk, in het midden, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten België, Brussel.

 

Een Franse filosoof - ik meen dat het Alain was - heeft ergens geschreven dat beeldhouwen eigenlijk de gemakkelijkste en tevens de allermoeilijkste van alle kunstvormen is. De gemakkelijkste, omdat men in verbazend korte tijd vrij verrassende resultaten kan bereiken... kwestie van vaardigheid en gevoeligheid van de vingertoppen. Iedereen die wat met klei geknutseld heeft, weet dat. Doch in dat stadium heeft men slechts een 'vorm' tot stand gebracht, dat wil zeggen, aan een stuk materie een bepaald uitzicht gegeven. De materie blijft daarbij zo dood als zij was; in de veronderstelling natuurlijk dat materie dood zou zijn. Beeldhouwkunst op het hoger vlak begint pas dan, wanneer de materie geen materie meer is doch iets levends, iets onstoffelijks, iets dat geest heeft, iets dat bezield is, in de etymologische betekenis van het woord.

 

Waar schuilt het geheim van die vergeestelijking der stof, van de bezieling van de materie, kortom, het moment waarop een steen, een klomp klei, een blok hout ophouden steen, klei of hout te zijn om iets te worden dat 'des geestes' of 'des harten' is; daar schuilt het ondoorgrondelijk mysterie van de sculptuur en daarom is zij de moeilijkste aller plastische kunsten. En daarom ook is het beeldje dat ons vanavond bezighoudt, iets allereenvoudigs en tevens iets zeer ingewikkelds. Het is een bronzen figuurtje, amper een halve meter hoog, dat de kunstenaar 'Vaardige Vrouw' heeft gedoopt. De schepper van dit werk is Jozef Cantré, geboren en gestorven te Gent. Hij was vijfenveertig jaar toen hij er in 1935 de laatste hand aan legde. Dat is voor een beeldhouwer die uiteraard altijd traag opschiet, een vrij jonge leeftijd. Toch had onze artiest reeds een zeer omvangrijk oeuvre op zijn actief en dat niet alleen als plasticus maar tevens als tekenaar, illustrator en xylograaf. Ja, op dat ogenblik steunde zijn faam nog hoofdzakelijk op zijn uitgebreide en voortreffelijke creaties als houtsnijder. Samen met zijn broer Jan-Frans mag hij gerekend worden tot de pioniers van de zwart-wit prent: die eeuwenoude, bij uitstek volkse kunst die door de Duitse expressionisten in eer hersteld werd en door onze Frans Masereel tot een ongemene bloei was gebracht.

 

Jozef Cantré, steunend op de aloude wetten van de houtsnede, had zich een stijl geschapen zonder compromissen, zonder 'Spielerei', streng en zuiver, maar uiterst gevoelig. Met de allereenvoudigste middelen, zonder schilderkunstige effecten, zonder halve tonen of subtiele schakeringen, bouwt hij een plastisch verhaal op met niets dan licht en donker, scherp afgescheiden en toch samenklinkend in één harmonie. Ernst en opgeruimdheid, kracht en zachtheid, lyriek en evenwicht spreken uit iedere houtsnede van deze kunstenaar die maat wist te houden in de heftigste aandrang van zijn intuïtie. In dat opzicht heeft de kunst van Cantré iets klassieks, iets dat dichter staat bij Gust de Smet dan bij Permeke, dichter bij de kubisten dan bij de expressionisten.

 

Deze uitvoerige inleiding was nodig omdat over de plastiek van Jozef Cantré in feite niet kan gesproken worden zonder zijn voortreffelijk grafisch oeuvre daarbij te betrekken. Beide kunstvormen zitten bij die man zo verstrengeld, dat zij samen één uiting zijn van een veelzijdige, rijke persoonlijkheid, waarvan moeilijk uitgemaakt kan worden of de graficus de voorrang heeft op de beelhouwer of omgekeerd. Desondanks ben ik de mening toegedaan dat Cantré in zijn diepste wezen vóór alles plasticus is en dat zijn beste houtsneden ondenkbaar zijn zonder het meesterschap over de vorm dat hij via de sculptuur had veroverd.

 

Dit moge overvloedig blijken uit het beeld 'Vaardige Vrouw', een nerveus naaktfiguurtje, half meisje, half vrouw; frontaal gezien, het hoofd naar rechts afgewend; één hand op het hart, de andere eventjes naar links wijzend; de stevige benen in spreidstand; een sluier die beide knieën verbindt. De sluier suggereert feitelijk een licht, gedrapeerd kleed dat onder de borst vastgehouden wordt en in de torso gegraveerd is op de wijs van Zadkine. Cantré, zomin als Oskar Jespers, heeft nooit de grote aantrekkingskracht geloochend noch verloochend die de Frans-Russische beeldhouwer op hem heeft uitgeoefend. Meerdere sporen van die stijlverwantschap zijn nog elders aan te wijzen, doch dit zou ons te ver leiden.

 

Wat de vormgeving betreft, volstaat één enkele oogopslag om te merken dat het hoofd en de handen enigszins anders behandeld zijn dan de zachte ronde romp en armen. Het hoofd en de rechterhand schijnen eerder in hout gesneden dan in klei geboetseerd. Dat zijn ongetwijfeld herinneringen - onbewust of liever onderbewust - aan de techniek van de houtsnede of van de 'taille directe' in hout. Alles wijst er op dat wij hier staan voor een werk uit een overgangsperiode in de loopbaan van Jozef Cantré. Hij laat de strenge en hoekige vormentaal van zijn kubistische en constructivistische tijd geleidelijk varen om rondere, mildere massa's te scheppen, waaromheen het licht glijdt, zonder scherpe contrasten doch met fijn genuanceerde overgangen: enkele goed afgewogen lichtpunten op de groengrijze materie en de rest baadt in het halfduister van het mysterie.

 

De streng gesloten, synthetische vorm van de jaren 20-30 is opgegeven: elleboog en linkerhand steken uit de massa en grijpen in de ruimte, terwijl de open driehoek tussen voetstuk en benen wijst op een bewuste terugkeer naar een vrijere, bijna impressionistische formule voor het uitbeelden van een houding die eerder dynamisch dan statisch is. De aanwezigheid van de sluier, ook al onderstreept hij het ritme van de rechterarm, is toch in feite, hoe fraai ook, een noodoplossing.

 

Al deze elementen leiden tot één conclusie: Jozef Cantré wendt zich hoe langer hoe meer af van de orthodoxie zijner jeugdjaren. De verworvenheden van zijn na-Hollandse expressionistische stijl blijven behouden en maken nog aldoor de kern uit van zijn kunst doch alles helt nu over naar een nieuwe liefde waar rijpheid en wijsheid, dieper besef en hogere verzuchtingen, de 'Sturm und Drang-periode' geleidelijk in het verleden terugdringen. De ronding der vormen, de lenigheid der bewegingen, het dynamisme der houdingen, de tederheid der uitdrukkingen, alles wijst op een tweede jeugd in het werk van Cantré. En wie zijn koppen van Karel van de Woestijne en van René de Clercq kent zal, zonder veel commentaar, onmiddellijk de afstand kunnen overschouwen die beide beelden, beide tijdperken, beide levenshoudingen scheidt. De opzettelijke stroefheid en de koele monumentaliteit hebben plaats gemaakt voor een idyllische frisheid die geen mannelijke slagvaardigheid uitsluit.

 

Zegevierend over de materie, over alle materialen, hout, brons, graniet, terracota en arduin, begaafd met een uitzonderlijke fantasie en een waarachtig beeldhouwerstemperament, gelouterd door de strijd om de vorm, verstandig, gecultiveerd, gevoelig en naarstig, zacht en sterk tegelijk, zal Jozef Cantré nog een kwart eeuw doorwerken aan een levenstaak die - van de nederige gedenkpenning tot het monumentaal Anseele-standbeeld - torenhoog boven de middelmaat onzer beeldhouwkunst uitreikt.

 

Ook al is zijn loopbaan geen pad van rozen geweest, al werd eigen tegenspoed hem niet gespaard en al kreeg hij zijn volle portie miskenning, toch werd hij per slot van rekening als een der besten van zijn generatie, binnen en buiten de landsgrenzen erkend en gehuldigd.