U bent hier

Jean-Jacques de Grave - Zonnekin-geschiedenis

Jean-Jacques de Grave - Zonnekin-geschiedenis

Rijke lui, keizers, koningen, prinsen en edelen, bisschoppen abten, kortom al degenen die reeds hier op aarde door de Voorzienigheid waren gezegend, lazen destijds hun gebeden uit missalen en vesperboeken die door de grootste kunstenaars van hun tijd weelderig met minaturen waren verlucht. In het begin van de XVe eeuw worden ook voor de gewone man die lezen noch schrijven kan, devotieprentjes gedrukt, afzonderlijke figuren of stichtende geschiedenissen tot een soort van 'stripverhaal' gebundeld in de zogenaamde blokboeken. Het meest verspreide van die blokboeken is de 'Ars moriendi', een moraliteit in beeld waarin geleerd wordt hoe de arme ziel - gewoonlijk de ziel van de arme - op de drempel van de eeuwigheid door de duivel wordt belaagd maar, dank zij de tussenkomst van de Heilige Moeder Gods, door een engel wordt behoed en van het vuur der hel wordt gered. Het karakter, de stijl van deze prenten draagt de stempel van hun volkse oorsprong - zeker - maar ook van de stof waarin ze zijn uitgekorven. Ze zijn inderdaad 'houterig'. Alleen de omtreklijn van de figuren is uit het blok gehaald en het valt direct op dat de guts of het beiteltje zich niet zo soepel en gewillig door het harde houtblok beweegt als het penseel over het paneel. Doorgaans worden de uitgespaarde, witte vlakken op de afdrukken bijgekleurd. Edgard Tijtgat, één van onze expressionnisten, heeft dat procédé nog gebruikt in enkele van zijn allesbehalve devote prenten. Devotieprent en blokboek zijn de oudste modellen van houtsnede, het vroegste voorbeeld van mechanische reproduktie. Later is de prentenmaker, de 'printere' harder en harder houtsoorten gaan gebruiken; liefst palmboomhout. Doordat die houtsoorten weinig of geen vezel bevatten kan de houtsnijder er fijner en fijner arceringen in uitkerven zodanig dat de overgangen tussen wit en zwart zachter en zachter worden geschakeerd en het volume der figuren geleidelijker tot zijn recht komt. Zo is de houtgravure ontstaan die, onder de hand van grote meesters, de fluwelen toon van de ets evenaart. In de houtsnede, zoals in de schilder- en beeldhouwkunst, wil de hedendaagse kunstenaar naar de bron terugkeren. Derhalve wordt door de meeste houtsnijders het contrast tussen wit en zwart weer scherp geaffirmeerd. Deze evolutie is gepaard gegaan met het gebruik van een nieuwe grondstof: het linoleum. Linoleum is zachter, inschikkelijker voor de hand van de snijder. Maar de afdruk van de linoleumprent mist het scherpgesneden, houten karakter van de echte houtsnede omdat de linoplaat onder de pers aan de randen wel iets toegeeft. En ze duldt, meer dan de houtsnede, wel enkele kleine slordigheden bij het kerven. Van haar oorsprong heeft de houtsnede door de eeuwen heen haar volks, haar democratisch karakter bewaard en ook haar illustratieve eigenschappen. De geschiedenis van een volksheld die tot de verbeelding spreekt omdat er geen individuele psychologische problemen mee zijn gemoeid, kortom een geschiedenis in wit-zwart zoals die van Zannekin, de man die aan het hoofd van de afgeperste boeren van de kuststreek in het krijt trad tegen de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, en tegen de Franse koning, Filips van Valois, de man die tenslotte als een held is gesneuveld in de slag bij Kassei; die geschiedenis is voor de houtsnede geknipt. Dat heeft Jean-Jacques de Grave zeer goed begrepen. Het leven van Zannekin vertellen in negentien prenten, zoals de Grave het heeft gedaan, is echter geen kinderspel ook niet wanneer men de houtsnede gebruikt als 'medium' zoals dat nu heet. In het gewone 'stripverhaal' kan men de geschiedenis uitrafelen, het aantal tafereeltjes vermenigvuldigen om van het ene tot het andere topmoment over te gaan en aldus die topmomenten ook visueel begrijpelijk te maken. De Grave geeft alleen de topmomenten. Die moet hij in de eerste plaats kiezen. Op dit probleem zullen wij hier niet verder ingaan. Elk dier topmomenten is de conclusie van een reeks voorafgaande, minder beslissende momenten die op de een of de andere manier binnen in het beeld van het topmoment aanwezig moeten zijn. Hoe de Grave dit heeft klaargespeeld leert bv. de prent die hierbij is afgedrukt: Zannekin wordt uit Veurne gebannen. Die prent is samengesteld uit vier elementen : de stad, het land, Zannekin, en, zeker het moeilijkste van al om zichtbaar te worden gemaakt, om 'uitgebeeld' te worden: de verbanning. Een man die de stad verlaat en met pak en zak het land intrekt is daarom nog geen banneling. Hij kan gewoon een reiziger zijn. Of een verloren zoon. Het is vooral uit de oplossing van dit probleem dat de suggestieve kracht van de prent duidelijk moet worden. Links, de stad, opeengestapeld binnen haar muren, gesloten: een fier, hard, genadeloos beeld in de vranke tegenstellingen tussen de witte en zwarte vlakken welke niet de weergave zijn van een natuurlijke afwisseling van licht en schaduw maar de elementen van een in zichzelf besloten beeld. Een blok waarin verschillende facetten zijn geslepen. Rechts, het land, het landschap. Hier wordt alles vloeiend; alle onderdelen roepen de indruk op van beweging en verandering: de naaldfijne kriskraslijnen in de hemel, de waaiende vormen van de donkere bomen, de lokstem van de boot die uit de prent gaat varen. Maar de kleur van het landschap is donker, bijna dreigend, de toon dramatisch. Op de grens van beiden, de stad verlatend, het landschap instappend, een rijzige, licht voorwaarts gebogen figuur, nog niet tot aan de knieën uitgetekend en wellicht daarom het gehele beeld met zijn gestalte dominerend. Hij verlaat, hij vlucht de stad, de lege stad. Hij is geen gewone reiziger, niemand neemt van hem afscheid, niemand zegt hem vaarwel. Hij is een zwerver. Hij is al over de helft van het beeld, hij is al over de scheidingslijn tussen de stad en het land en die beweging is zeer handig en tevens zeer uitdrukkingsvol gesuggereerd door het stukje hemel en de boom die reeds tussen het hoofd van de licht naar voren hellende gestalte en de uiterste grens van de stad zichtbaar zijn. De prent is, zoals reeds gezegd, slechts één bladzijde uit een levensverhaal dat er negentien telt. Indien ze, afzonderlijk gezien en ontleed reeds haar betekenis heeft, heeft ze ook een plaats in de gehele reeks. Daarover kan hier niet verder uitgeweid. Maar het is beslist een element dat bij de appreciatie niet uit het oog mag worden verloren.