U bent hier

Izaak Nicolai van Swanenburgh - De stedemaagd met de Oude en Nieuwe Neringhe

Izaak Nicolai van Swanenburgh - De stedemaagd met de Oude en Nieuwe Neringhe

In 1594 ontving de Leidse schilder Izaak Nicolai van Swanenburgh de opdracht een aantal panelen te schilderen voor de Leidse Saaihal, waarin de verschillende bewerkingen van de wol tot laken tot uitdrukking werden gebracht. De reeks bestond uit zeven grote panelen, waarvan er vier de lakenproduktie te zien gaven, en drie als allegorie waren opgevat. Dergelijke reeksen schilderijen zijn in onze gouden eeuw geen uitzondering: naar de aard van de voorstellingen is deze serie dat echter wel, zodat het zaak is de achtergrond te belichten van de omvangrijke opdracht, die de stadsregering van Leiden in 1594 meende te moeten geven. Leiden is van oudsher een textielstad geweest. Al in het midden van de veertiende eeuw wordt dat door de documenten gestaafd. Tot diep in de zestiende eeuw werd de in hoofdzaak Engelse wol in een nogal omslachtig, en bijgevolg arbeidsintensief en kostbaar procédé van veertien of vijftien handelingen verwerkt tot laken van een uitmuntende kwaliteit, dat afgezet werd in binnen- en buitenland, ondermeer in Duitsland, Polen, Rusland en Hongarije. In 1530 bijvoorbeeld, bedroeg de produktie 24.000 stuks. Maar in 1570, kort voor het beleg, was dit aantal gedaald tot slechts 3.800 stuks. De oorzaken waren: moeilijke aanvoer van wol, en een verminderde afzet tengevolge van de concurrentie van goedkoper laken elders. De gevolgen voor Leiden waren: werkloosheid, verarming en wegtrekken van de beroepsbevolking. De vroedschap van Leiden zag in, dat het voor de stad van het allerhoogste belang was deze nieuwe manier van fabricage van lichtere en goedkopere stoffen, die de nieuwe draperie werd genoemd, naar de stad over te brengen. In juni 1577 werden na enige onderhandelingen de eerste Vlamingen uit het Engelse Colchester, als Leidse poorters ingeschreven. Deze immigratie werd door het stadsbestuur, met name door de secretaris Jan van Hout (1542-1609) krachtig gestimuleerd. Daarmee was een nieuwe periode van bloei voor de Leidse nijverheid geopend. Baai (dik wollen flanel) en saai (lichte gekeperde wollen stof) waren de voornaamste produkten. De saainering vond zijn hoofdkwartier in het voormalige St. Jacobsgasthuis, dat in 1583 daartoe werd gebouwd. In deze Saaihal werden in 1600 al meer dan 40.000 stuks behandeld. Geen wonder dat de vroedschap van de stad in 1594 het besluit nam deze fenomenale opbloei van de economie dankzij de komst van de 'nieuwe draperie' of 'nieuwe nering' te gedenken door aan hun stadsgenoot (en tevens lid der vroedschap !) Izaak van Swanenburgh (1538-1614) opdracht te geven ten behoeve van de Saaihal een aantal toepasselijke voorstellingen te schilderen. Deze panelen werden aangebracht in de 'secreet-camer' (geheime kamer) voor de 'gouverneurs' van de draperie, die hier vooral op dinsdag en vrijdag druk werk hadden de saai te keuren en van loden te voorzien. Eén van de panelen, getiteld: 'De Stedemaagd met de Oude en Nieuwe Neringhe', laat op zinnebeeldige wijze zien hoe de nieuwe manier van lakenbereiden voor de oude in de plaats kwam. In het midden zetelt een jongedame, die door de gekruiste sleutels van het stadswapen, als stedemaagd wordt gekenmerkt. Met de rechterhand voelt zij aan de pols van een oude vrouw, de Oude Neringhe, wier tijd verlopen is, zoals men kan zien aan de zandloper. Met de linkerhand begroet de Stedemaagd een van rechts naderende jonge vrouw, de Nieuwe Neringhe, die door de Tijd (de oude man met de zeis) naar voren wordt geschoven. Blijkbaar was de reeks bij de gouverneurs van de Saaihal in de smaak gevallen: in 1602 bestelden zij op hun beurt een serie gebrandschilderde ramen, als geschenk aan de stadssecretaris Jan van Hout, die zich een kwart eeuw eerder zo ingespannen had om de Nieuwe Neringhe naar Leiden te halen. Van deze ramen zijn de ontwerpen bewaard gebleven: een afbeelding laat zien hoe het ontwerp (alweer van Izaak van Swanenburgh !) voor de 'Oude en Nieuwe Neringhe' er uit zag. Toen jaren later, in 1639, de Saaihal 'niet suffisant ende groot genoech' . bleek, besloot de stadsregering in de nieuwe uitleg van de stad een echte 'Lakenhalle' te laten bouwen door de stadsbouwmeester Arend van 's Gravensamde. Dit gebouw - het tegenwoordige museum - kan men zien op een schilderij uit het museum, dat door de architectuurschilderes Susanna van Steenwijck-Gaspoel werd geschilderd. Curieus is de verplaatsing van de voormuur naar de rechterzijde van het gebouw: waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat het schilderij een soort ontwerp was voor de galerijen en voorplein, die in 1642 werden aangelegd om te dienen als een beurs voor de lakenhandel. De schilderes ontving in dit jaar voor dit schilderij het toen zeer hoge bedrag van f 600,-. De schilderijen van Swanenburgh, en ook van Susanna van Steenwijck, getuigen van de industriële vernieuwing van Leiden in de zeventiende eeuw, de 'Gouden Eeuw' voor Holland, die mede dank zij Leidens textielnijverheid inderdaad in grote trekken welvarend is geworden.