U bent hier

Honoré Daumier - De prentenliefhebbers

Honoré Daumier - De prentenliefhebbers

De Franse kunstenaar Honoré Daumier werd geboren op 26 februari 1808 in de oude havenstad Marseille. Zijn vader was een glazenmaker die in zijn vrije uren de literatuur beoefende. Een dichtbundel van hem, 'Un matin de Printemps', kende een kortstondig succes. In 1816 vestigden de Daumiers zich te Parijs. Daar de financiële toestand van de familie niet te rooskleurig was moest de jonge Honoré reeds vroeg uit werken gaan. Zijn eerste betrekking was klerk-loopjongen bij een deurwaarder. Terwijl hij voor zijn opdrachtgever de veelal ongunstige boodschappen ter bestemming bracht, zag hij de droevige ellende die overal heerste. En hij begreep zeer vlug hoe onrechtvaardig een groot deel van de toenmalige bevolking behandeld werd door het gerecht. Het leven van de arme lieden aan de ene kant, en anderzijds de wereld van het gerecht, zullen later een grote inspiratiebron zijn voor zijn werk. De verontwaardiging heeft bij de jongeling een blijvende liefde opgeroepen voor het lot van iedere dag van de gewone man uit elke straat. En alhoewel Daumier behoort tot de generatie van de School van Barbizon, zal hij niet zoals zijn vrienden landschappen schilderen maar wel figuren, mensen, mannen, vrouwen en kinderen, zo gegrepen uit het volle leven rondom hem. Het tweede beroep van Honoré was helper bij de boekhandel Delaunay. Hier wordt hij betoverd door de talrijke prenten die in grote hoeveelheden te koop worden aangeboden. Het fotomechanisch clicheren is nog niet in gebruik en alle afbeeldingen worden op een ambachtelijke manier gedrukt. Vooral de steendruk (lithografie) is in volle expansie. Benevens het economisch winstpunt van een grotere oplage biedt het ook artistieke voordelen. De kunstenaar tekent zijn onderwerp direct op de steen en zo kan hij de vrije teugel laten aan zijn inspiratie. Honoré Daumier is een en al bewondering. De zuiderse pathetische uitroepen van zijn moeder kunnen hem niet tegenhouden. Hij wil dringend veranderen van beroep en in de eerste plaats leren tekenen. Kunstschilder Alexander Lenoir, een oude vriend van zijn vader, was zijn eerste leermeester. Die Lenoir was een bewonderaar van de kleurenweelde van Rubens, wat toen vrij zeldzaam was, en hij heeft zijn liefde voor de kunst van het Noorden doorgegeven aan zijn leerling. De jonge schilder volgt daarna nog wat tekenlessen naar levend model aan de vrije Académie Suisse. Maar vooral zal hij kijken naar de grote voorbeelden in het Louvre en vol bewondering staan voor Goya, Rembrandt en Rubens. Tussen 1825 en 1830 werkt hij bij uitgever Belliard en leert er alle knepen van de lithografie, alle mogelijkheden kennen van inkt en steen. Ondertussen is Daumier ook behekst door het gistende Parijse geestesleven. Letterkunde en politiek zijn er innig met en in elkaar verweven. Dichters dromen van revolutie en verlangen er naar om de ganzeveder te verwisselen voor de glimmende degen. De jonge Daumier bruist van liefde voor de republiek en kookt van gramschap als hij denkt aan de toenmalige monarchie en haar regering. In 1830 maakt hij een reeks karikaturale portretbustes van politici. Hij werkt mede aan satirische bladen zoals 'Le Charivari' en 'La Caricature'. Een karikatuur van de burgerkoning Louis Philippe bezorgt hem in 1832 zes maanden hechtenis in de gevangenis Sainte-Pélagie. De steeds strengere censuur op de pers noopt hem er toe de politieke prent te verlaten en zich toe te leggen op de zedenschildering. Die belangstelling voor het gewone leven van de doorsnee Fransman uitgedrukt in tekeningen zal de opkomst helpen voorbereiden van een kunstrichting die men het 'Realisme' noemt. Een groep schilders zoekt niet langer meer zijn inspiratie in de heldenwereld van de klassieke oudheid of in de geschiedenis van het machtige vaderland, maar ontdekt zijn onderwerpen in de eigen tijd. Millet, Courbet en Daumier zijn drie grootmeesters van deze school. De sociale belangstelling primeert in hun werk en de beweging is geestelijk verbonden met de revolutie van 1848. Honoré Daumier wordt eerst beroemd door zijn ontzettend aantal litho's. De catalogus opgemaakt door Delteil vermeldt niet minder dan 4000 prenten! Omwille van het aantal en ook van de inhoud, - de brede zedenschildering van een gans tijdvak - heeft men H. Daumier vergeleken met zijn tijdgenoot en vriend Balzac, die reus uit de letterkunde met zijn 'Comédie Humaine', die uit niet minder dan 16 delen bestaat. Als schilder wordt Daumier slechts actief na 1848 zonder nog ooit de hoeveelheden van zijn prenten te benaderen. Vrij laat heeft men dan ook de waarde van zijn schilderijen begrepen. Zijn kunst heeft hem trouwens, niettegenstaande de verbazende kwantiteit en kwaliteit, geen financieel succes gebracht. Op het einde van zijn leven wordt hij stilaan blind. Hij kent armoede. Vrienden richten voor hem een tentoonstelling in bij Durand-Ruel in 1878. De verkoop is onvoldoende. De sociale aanklacht die spreekt uit zijn werk maakt hem niet geliefd bij het burgerlijk publiek. De schilder Corot laat hem zijn huis bewonen, te Valmondais près d'Angers. Hij sterft er de 11e februari 1879. Het schilderij in het museum van Gent heeft het kenmerkend klein formaat dat de meester, op een drietal uitzonderingen na, gewoonlijk gebruikt. Links in de hoek staan grote pakken prenten tegen elkaar gestapeld. In het midden van het doek houdt een figuur een groot blad opengevouwen. Een tweede figuur kijkt vol aandacht over de schouders van de eerste naar de prent. De achtergrond links is overwegend donkerrood, rechts donker bruin gekleurd. Het doek is vrij duister en men vraagt zich af op welke wijze de kunstenaar de twee figuren tot leven brengt. De schilder typeert zijn personages door de werking van het clair-obscur, door de tegenstelling van licht en donker. De twee mannen staan belicht als toneelspelers op de scène. Alles is schetsmatig weergegeven, maar laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Zo'n schetsmatigheid, die hem gedurende zijn leven veelal kwalijk werd genomen, zien wij nu eerder als een kwaliteit. Het expressionisme heeft ons geleerd vooral belang te hechten aan de uitdrukkingskracht van een schilderij, en minder aan de gladde ambachtelijke uitvoering. Terecht heeft Ricourt van Daumier gezegd: 'Il a le geste'. Hij heeft de sprekende beweging, het duidelijk gebaar. Hij legt de synthese van een houding vast met enkele lijnen: de man die toont en de man die kijkt. Wellicht heeft de kunstenaar hier zichzelf afgebeeld terwijl hij aan een of andere vriend, Baudelaire of Daubigny, een prent toont. Het onderwerp is door Daumier verschillende malen behandeld en er zijn varianten in Parijs, Glasgow, Rotterdam en Mannheim. Uiteraard ligt het onderwerp voor de hand bij iemand als Daumier met zijn onstellend aantal prenten. Hoeveel malen zou hij zijn grafisch werk niet hebben getoond. Enige verwantschap blijkt uit het onderwerp met voorstellingen als daar zijn 'De schilder en zijn model', 'Zelfportret aan de ezel', e.a. die het beroep van de kunstenaar tot onderwerp hebben. Daumier heeft hier meteen het klimaat aangeduid, de omstandigheden omschreven waarin men het best naar prenten kijkt: namelijk in de stilte van een intiem verlichte rustige kamer! De gezichten zijn enkel vaag weergegeven door kleurvlekken. De beide heren zijn derwijze getroffen door de prenten dat zij hun eigen ik verliezen, en volledig opgenomen zijn in het aanschouwen. Het werk voelt zeer hedendaags aan! En wij mogen dan ook besluiten, een zin parafraserend van Charles Baudelaire: 'Ik heb vanavond gesproken over een van de belangrijkste kunstenaars, en niet enkel onder de karikaturisten, want hij is een van de grote meesters van de moderne kunst'.