U bent hier

Het oog van de dichter - Duetten van verzen en verf

 

In 2017 bestaat het Vlaams-Nederlands cultureel tijdschrift Ons Erfdeel zestig jaar. In de jongste zes jaargangen van Ons Erfdeel boog dichter Anton Korteweg zich over Nederlandstalige gedichten die op schilderijen zijn geïnspireerd. Deze bijdragen zijn nu gebundeld in Het oog van de dichter, een boek met 25 ‘triptieken’: de afbeelding van het schilderij, het gedicht en een beschouwende tekst van Korteweg over het kunstwerk en de schilder en over het gedicht en de dichter.

 

Dit is niet het eerste werk van Anton Korteweg waarin hij schilderijgedichten belicht. In 1992 verscheen Een engel zingend achter een pilaar, met een selectie moderne dichters over schilderijen van alleen maar oude Nederlandse en Vlaamse meesters. Korteweg publiceerde ook kleinere bloemlezingen met gedichten over en bij kunst.

 

Het oog van de dichter is een boek over uitsluitend schilderijgedichten met werk van Nederlandstalige dichters dat, ruim genomen, niet meer dan een eeuw oud is. Het recentste is van Joost Zwagerman bij Van Eycks Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw, die het boek opent. Het oudste gedicht is Middeneeuws portret van Jan van Nijlen bij Idealbildnis einer Kurtisane als Flora van Bartolomeo Veneto. De schilderijen zijn dus niet enkel van de hand van meesters uit de Nederlanden, naast Veneto zijn onder anderen Renoir, Gauguin en Morandi present, maar de kunstenaars van bij ons zijn wel in de meerderheid. Dat zijn de groten van toen, Van Eyck, Bruegel, Rembrandt en Vermeer, in het boek gevolgd door onder meer Khnopff, Léon De Smet en Raveel.

 

Bruegel is (zoals Rembrandt) aanwezig met twee werken. Korteweg stelt dat weinig schilderijen zo veel dichters heeft geïnspireerd als De val van Icarus, en hij geeft een overzicht. Ook Bruegels Jagers in de sneeuw heeft tot de verbeelding van vele dichters gesproken. Terugkeer van de jager van Anna Enquist staat naast het werk. In het commentaar wijst Kortewegop dichters die niet op de jagers scherpstellen, maar op de vogels die Bruegel bovenaan het paneel schilderde, zoals Erik Spinoy, die een reeks van zeven gedichten over dit meesterwerk schreef. Spinoy staat met Interieur naast het werk met dezelfde titel van Léon De Smet. In de bespiegeling beschrijft Korteweg het doek van De Smet, met de neventitel De verliefden, als “een delicate symfonie in blauw met een opmerkelijk asymmetrische compositie” en hij overloopt de kunstwerken die in het interieur te zien zijn om dan via het gedicht van Spinoy het schilderij af te tasten. Dat fungeert volgens Korteweg “als een verbeelding van een toestand waarin de geliefden in elkaar opgaan en als paar één zijn met het interieur”. Bij de aanblik van het schilderij als geheel, merkt Korteweg op, stelt de dichter het voor als “diffuus, de objecten vervormend, onhelder […] Vandaar dat het kijken turen moet worden om nog een concrete voorstelling te kunnen zien.” Dat turen resulteert bij Spinoy tot de vaststelling dat de twee verliefden versmolten zijn in elkaar en met hun omgeving, stelt Korteweg, wat culmineert in de laatste regel van het gedicht: “Door niets zijn ze met twee, door niets vaneen te zien.”

 

Het oog van de dichter bundelt prachtige duetten tussen schitterende schilderijen en briljante poëzie. De schilderijgedichten nodigen uit om opnieuw, anders, nauwkeuriger naar de werken te kijken. De verhelderende commentaren van Anton Korteweg doen nog beter kijken en lezen.