U bent hier

Het mysterie van Eyck - Museum Boijmans van Beuningen

Jan en/of Hubert van Eyck, De drie Maria’s aan het graf, 1425-1435, olieverf op paneel, Verworven met de verzameling van D.G. van Beuningen, 1958.

 

Kwam Jan van Eyck als een briljante ster uit het duistere niets tevoorschijn, of zijn de verwezenlijkingen van zijn kunst gebed in een langere, aantoonbare traditie? Het zijn vragen die gesteld worden in de tentoonstelling De weg naar Jan van Eyck in het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.

 

 

EEN HISTORIOGRAFISCHE TRADITIE

 

Het beruchte kwatrijn op het Retabel met de Aanbidding van het Lam Gods vertelt ons dat het veelluik in 1432 af was, en dat zowel Jan (circa 1385/90-1441) als zijn oudere broer Hubert van Eyck (circa 1380/85-1426) een aandeel in het werk hadden. Eensklaps was in de schilderkunst de perfectie bereikt: zonder antecedent. Zonder aankondiging, zo leek het. Nochtans weet iedereen dat geschiedkundige evoluties uiterst traag op gang komen, en toch werd dit vanaf de vijftiende eeuw een topos, gebruikt door verschillende geschiedschrijvers, alsof er voorheen volstrekt niets was, en Jan van Eyck eigenhandig licht en duisternis had gescheiden. Op die manier lijkt van Eyck als een briljante ster vanuit het duistere niets tevoorschijn gekomen.

 

Karel van Mander (1548-1606) schrijft in zijn Schilder-Boeck van 1604: “Ik zal dan aanvangen met de twee Maaseyksche beroemde gebroeders Hubert en Jan, die reeds wonderlijk bekwaam waren in onze kunst, op een tamelijk goede wijze de verven verwerkt hebben en geen ongeschikte manier van tekenen hadden, zodat men zich er over verwondert, hoe ze in dien vroegen tijd als zulke volmaakte en schitterende schilders zijn te voorschijn gekomen, want ik heb niet kunnen vaststellen dat in Hoog- of Neder-Duitsland een vroeger schilder bekend is of genoemd wordt.” Met deze ene zin heeft van Mander de probleemstelling van de expo in Rotterdam vastgelegd. 

 

Opmerkelijk hoe de kunstenaarsbiograaf aarzelend, tot zelfs licht denigrerend over het duo bericht: zowel het mengen van verf als hun tekenkwaliteiten achtte hij niet uitzonderlijk. Een pagina verder dicht hij Jan van Eyck de ‘uitvinding’ van de olieverfschilderkunst toe, een hardnekkig en foutief gerucht. 

 

Wat we onthouden is dat de geschiedenis van de schilderkunst van de Lage Landen begint met de van Eycks, en dat die visie anno 2012 nog altijd goeddeels standhoudt. De voorgangers van de van Eycks genieten bijna geen bekendheid meer, ook al werden ze in hun tijd met lofbetuigingen geëerd. We denken aan knappe kunstenaars zoals Jan Boudolf uit Brugge, Claus Sluter uit Haarlem, André Beauneveu uit Valenciennes, Jacquemart de Hesdin uit Artois of Jan Maelwael uit Nijmegen en zijn neven Paul, Herman en Johan, de gebroeders van Limburg. Zij zijn de geestelijke vaders van de Vlaamse primitieven. De renommee van Jan van Eyck is dermate groot, dat we een kunstmatig voor en na gecreëerd hebben. 

 

 

TUSSEN 1370 EN 1420

 

Laten we eerst melden dat zelfs over de drie illustere founding fathers van de Vlaamse primitieven bitter weinig geweten is. Wat kunnen we vertellen over het leven van Jan van Eyck? Zijn evenknie, Rogier van der Weyden (ca. 1399-1464), is zo goed als een enigma. En dat laatste geldt in nog veel sterkere mate voor de grote Robert Campin (ca. 1375-1444). Het kleinste puzzelstukje dat we op de vergetelheid kunnen veroveren, is in deze context van belang. 

 

Het corpus schilderijen van de Vlaamse primitieven is niet omvangrijk en de archivalische, contemporaine bronnen die deze periode documenteren zijn dat evenmin, voor de pre-Eyckiaanse schilders is de toestand nog veel treuriger. Om een voorbeeld te geven: slechts een dertigtal werken worden wereldwijd gerekend tot de pre-Eyckiaanse paneelschilderkunst. Een reden hiervoor is dat de pre-Eyckiaanse kunst na verloop van tijd overschaduwd werd door de Vlaamse primitieven, en dus uit de mode was. Daarenboven sprong men in die tijd pragmatisch om met kunst. Men deinsde er niet voor terug om panelen bij te zagen om er kasten van te maken. En natuurlijk had ook de Beeldenstorm een verwoestend effect. 

 

Jan van der Asselt, Pieter van Beervelt, Meester Vrancke, Jan Coene en Claus Poulette zijn maar enkele namen van schilders die werkten in de schemerzone rond 1400. Het zijn mannen wiens naam niet meer aan schilderijen gekoppeld kan worden. De enkele geïsoleerde werken die overgeleverd zijn, geven ons geen representatief beeld van de gehele productie. PreEyckiaans is een rigide classificatie die een lading dekt – kunst die ontstaan is in de Bourgondische Nederlanden tussen circa 1370 en 1420 – maar die voorbijgaat aan een hypercomplexe situatie. Ook in Parijs, dat voor het graafschap Vlaanderen hét kunstencentrum van West-Europa was, zijn realistische tendensen te ontwaren. Kunstenaars waren mobiel: dezelfde man die beeldhouwde voor de Bourgondische hertog kon zijn geluk kilometers verderop beproeven. 

 

 

MELCHIOR BROEDERLAM

 

Er hangt rond 1400 vernieuwing in de lucht: de beeldende kunst in West-Europa is in beweging. Stijve figuren worden beweeglijk en zweven niet langer in het ijle. Gezichten krijgen een gevoelsgeladen uitdrukking en de atmosferische perspectief wenkt heel zachtjes. Nieuwe en oude stijl lopen dooreen.

 

In 1369 trouwt Bourgondisch hertog Filips de Stoute (1342–1404) met Margaretha, de dochter en enige erfgename van graaf van Vlaanderen Lodewijk van Male. Na het overlijden van van Male in 1384 komen Bourgondië en een substantieel deel van de Nederlanden onder eenzelfde invloedsfeer. Om de Franse koning in stijl te overtreffen, voert Filips een geprofileerd kunstmecenaat, net als zijn andere broers uit het geslacht Valois. Macht was een zaak van decorum: door met geld te smijten verzekerde men zijn stand. Wie had de behendigste ambachtsmannen onder contract en wie had de meeste handschriften in zijn privébibliotheek, daar draaide het om. 

 

Vanaf 1385 laat Filips in Champmol, nabij Dijon, een kartuizerklooster optrekken, met als doel de herdenking van zijn geslacht. De namenlijst van de gecontracteerde kunstenaars leest als een best of. Een van hen is Ieperling Melchior Broederlam, ex-hofschilder van Lodewijk van Male. Hij was, net zoals Jan van Eyck na hem, een hofschilder met een gevarieerde takenlijst: decoratieve werkjes zoals het ontwerpen van vloertegels, het schilderen van banieren, vergulden van beeldhouwwerk of het ontwerpen van kostuums voor ambtsleden. Voor de kartuizerkerk werkte hij samen met Jacques de Baerze aan twee prestigieuze altaarstukken: het Retabel van Heiligen en Martelaren en de Kruisigingstriptiek (1399). De binnenkant van dat laatste drieluik bestaat uit een gesculpteerde kruisiging die de Baerze in 1391 in zijn studio in Dendermonde afwerkte. Vervolgens werd het stuk in Ieper door Broederlam verguld en gepolychromeerd, en de buitenluiken voorzien van een geschilderde Annunciatie, Visitatie, Presentatie in de tempel en Vlucht naar Egypte.

 

Broederlams werkplaats zal in grote mate overeengestemd hebben met die van Jan van Eyck in Brugge. Assistenten maakten borstels, vermaalden pigmenten en prepareerden voorbereidende verflagen. De meester ontfermde zich over het ontwerp en de schildering. Die schildering maakt van het retabel een laat veertiende-eeuws meesterwerk. De figuren zijn in een driedimensionale ruimte weergegeven met telkens een gebouw dat geflankeerd wordt door een dal en een steile bergpas. In de Annunciatie zit Maria in een gotisch voorportaaltje, terwijl de engel Gabriël haar komt influisteren dat god grootse plannen met haar heeft. Keramische tegels, een goudkleurige lezenaar in de vorm van een arend, de brokaten doek die Maria’s bank tooit, het zijn beschrijvende details in een vergevorderd realisme. 

 

Een van de doorslaggevende verschillen met het Lam Gods is het medium. Met olieverf bekwam Van Eyck verglijdende schakeringen – in essentie een spel van licht en schaduw - die het uiterst geavanceerde illusionisme nog gevoelig hebben vergroot. Dat gemis loste Broederlam ten dele op door het gebruik van bladgoud. Brokaat bestond uit bladgoud dat beschilderd werd en bewerkt met instrumenten om reliëf te bekomen. Maar Broederlam loste sommige zaken soms ook puur technisch op. In De presentatie in de tempel is de doorzichtige voile van Maria opmerkelijk. Het kindje Jezus grijpt achteloos naar een van de baardlokken van Simeon, wat duidt op een emotioneel geladen realisme. 

 

 

DE WEG NAAR JAN VAN EYCK

 

Filips de Stoute was zo verrukt over zijn hofschilder dat hij hem boven zijn jaarloon een extra 200 gouden franken uitkeerde: “Voor het goede en bekorende werk dat hij heeft vervuld en nog altijd doet dag na dag.” Van de kartuizerkerk van een van de machtigste en rijkste mannen van Europa rest vandaag niet veel meer. De razende Franse Revolutie liet enkel het portaal in ere. 

 

Brengt men alle gekende werken van rond 1400 samen, dan zal enerzijds blijken dat de kunst van Jan van Eyck in foetale vorm reeds aanwezig was en dat hij geenszins een geheel oorspronkelijk genie was. Anderzijds is de weg naar Jan van Eyck lang en moeilijk begaanbaar, net omwille van het feit dat we zo slecht ingelicht zijn. Eigenlijk is er geen weg, er is een windrichting en er zijn enkele richtingaanwijzers.

 

De weergave van het licht, de illusionistische reproductie van stoffen en de illusie van diepte zijn zaken die van Eycks voorgangers nog niet echt onder de knie hadden. Het vernieuwde onderzoek van de laatste jaren wijst niettemin uit dat de pre-Eyckiaanse schilderkunst niet het primitieve opstapje naar de Ars nova van de Vlaamse primitieven was. De gesofisticeerde kunst uit de ‘duistere’ middeleeuwen krijgt met dergelijke expo’s en studies alsnog stap voor stap haar glans terug.

 

Matthias Depoorter

 


Info

Tentoonstelling

De weg naar Van Eyck

Van 13 oktober 2012 tot 10 februari 2013

Open: dinsdag tot en met zondag van 11 tot 17 uur

Gesloten: maandag

 

Museum Boijmans Van Beuningen

Museumpark 18-20

3015 CX Rotterdam

Tel.: 00 31 (0)10 44 19 400

www.boijmans.nl