U bent hier

Het museum van de Nationale Bank van Belgie

Het museum van de Nationale Bank van Belgie

 


INHOUD:

  • Het Museum van de Nationale Bank van België - Christiane Logie
  • De verzamelwoede van de Nationale Bank van België - Marianne Danneel
  • De educatieve museumwerking - Ingrid Van Damme

Het Museum van de Nationale Bank van België

 

 

Op 14 februari 1982 opende toenmalig gouverneur Cecil de Strycker het museum voor geld en geschiedenis van de Nationale Bank van België. Dat was zomaar niet in een plotse opwelling tot stand gekomen. Er was een vrij lange wordingsgeschiedenis aan voorafgegaan die begon in 1950 bij de herdenking van het eeuwfeest van de Bank. De pioniers in de geschiedschrijving van de instelling, Pierre Kauch, haar eerste historiograaf en hoofdeconoom, en Augusta Maes, eerste conservator, opperden toen het idee om door een museum de herinnering aan het verleden levendig te houden.

 

 

Geldmuseum en bedrijfsmuseum

 


De opzet was tweevoudig: enerzijds een overzicht bieden van de muntgeschiedenis aan de hand van de betaalmiddelen die in ons land hebben gecirculeerd, van de Keltische en Romeinse tijd tot heden, en anderzijds een inzicht geven in de geschiedenis van de nationale centrale bank.
 

 

Uiteraard is het concept in de loop van de wordingsjaren mee geëvolueerd met de maatstaven die in de museumwereld werden gehanteerd. Wat behouden bleef, is het principe om vooral vanuit tastbare voorwerpen te werken en veel minder om theoretische concepten visueel te vertolken. Mochten wij nu, twintig jaar later, voor dezelfde opgave staan, dan zouden wij die onvermijdelijk vanuit een andere, meer hedendaagse optiek benaderen en inspelen op de verwachtingen van een gewijzigd, want anders gericht publiek. De doorsneebezoeker van vandaag is economisch veel beter voorgelicht dan die van dertig jaar geleden. In de media krijgt hij dagelijks economische informatie, zoals de evolutie in de geschreven pers bewijst. De uitgebreide rubrieken over de financiële en de bedrijfswereld, die de meeste kranten nu bieden, en de bloei van economisch-financieel gespecialiseerde kranten en tijdschriften zijn een verschijnsel van de laatste kwarteeuw.
 

 

Zoals reeds gezegd, wil het museum van de bank een combinatie zijn van een geldmuseum en een bedrijfsmuseum. Het lijkt ons interessant om even de vergelijking met gelijkaardige musea in ons land te maken.
 

 

Naast het Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I, het Muntmuseum van de Koninklijke Munt van België, beide te Brussel, en het Munt- en Penningkabinet van de Provincie Limburg te Tongeren, kent men geen eigenlijke geldmusea. Wel bezitten de meeste historische musea en universiteiten een min of meer beperkte afdeling of een collectie van numismatische voorwerpen, munten, biljetten, medailles of penningen. Typisch voor het Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek en voor het Limburgse Muntkabinet zijn hun puur numismatische karakter. Zij fungeren daarbij als studiecentra van bodemvondsten en schatten, samen met de numismatische departementen aan de universiteiten en de archeologische diensten.
 

 

Specifiek voor de musea van de Koninklijke Munt en de Nationale Bank is hun technische benadering als 'producenten' van het geld. In de Munt kan de bezoeker het proces van de muntslag vanop een loopbrug boven de ateliers volgen. Spijtig genoeg kunnen wij zo'n directe benadering niet aanbieden: de drukateliers zijn voor het publiek niet toegankelijk. Niet uit schrik dat de bezoeker met verse briefjes aan de haal zou gaan, maar louter uit veiligheidsoverwegingen, ter bescherming van de personen zelf. Dit wordt verholpen met video's en uiteenzettingen van specialisten die de stadia van het drukproces toelichten.
 

 

Met de productie van de biljetten - het product waarmee het publiek dagelijks in aanraking komt - raken wij de werking van de bank zelf. Vele van de taken van de bank kunnen moeilijk museaal uitgewerkt. We doen daarvoor een beroep op mondelinge toelichtingen door collega's-specialisten. En dat vormt precies het meest karakteristieke kenmerk van de educatieve werking van ons museum. De bezoeker krijgt dus gegarandeerd informatie uit eerste bron zelf. Voor het museum biedt dat een dubbel voordeel: de klant krijgt kwaliteit en het museum wordt door de andere diensten als een imagovormer van de instelling erkend Het Museum van de Nationale Bank is geen alleenstaand fenomeen. Over de wereld bestaan er ca. 31 centrale-bankmusea. Ze hebben niet alle een gelijke aanpak: men kan drie types onderscheiden. Het eerste type, tevens het oudste, houdt het midden tussen een numismatisch kabinet en een schatkamer, zoals in de Banque de France. Een tweede type sluit aan bij de currency-musea en biedt een overzicht van de betaalmiddelen die te lande en elders ter wereld gangbaar zijn: het museum van de Centrale Bank van Maleisië is daar een typisch voorbeeld van.
 

 

Een derde soort poogt, net zoals wij, een combinatie te maken van geld- en bedrijfsmuseum, waarbij de nadruk nu eens meer op het eerste element (zoals in de Banco de Portugal) dan weer meer op het bedrijfsaspect valt (getuige de baanbrekende aanpak van de Bank of England). In het voorjaar van vorig jaar opende het museum van de Deutsche Bundesbank zijn deuren, waar beide aspecten belicht worden vanuit economisch perspectief. De uitdaging die dit museum had aangegaan om de abstracte economische begrippen evident didactisch voor te stellen, is een der meest geslaagde experimenten in dit vlak.
 

 

Het museum van de Nationale Bank plaatst zich in de derde categorie, als het oudste experiment om beide aspecten gelijkmatig te belichten, met dien verstande dat wij een beroep op het gesproken woord doen om de abstracte economische gegevens uit te leggen. In de nabije toekomst ligt de uitdaging vooreerst in een meer visuele benadering van de economische begrippen en de taken van een centrale bank, onder meer dankzij het gebruik van andere media. Vervolgens moet de bredere, Europese dimensie die de Bank er sedert vorig jaar bij kreeg, in samenspraak met de andere partners van het Europese Stelsel van Centrale Banken (ESCB) museaal vertaald worden. Dat is onze manier om bij te dragen tot een beter begrip door het brede publiek van de ESCB, de Europese Centrale Bank, de eurozone en de wording van Europa in het algemeen.

 

 

De Nationale Bank van België: een centrale bank, en dus geen gewone bank

 


Men placht te zeggen dat de Nationale Bank geen bank is zoals de andere banken. Zij is een autonome instelling met belangrijke opdrachten van openbaar nut, die verschillende diensten verleent aan de overheid, de financiële sector, de ondernemingen en de particulieren.
 

 

De Bank bestaat thans 150 jaar en heeft in die anderhalve eeuw een grote evolutie doorgemaakt: zij evolueerde van uitgiftebank van Belgische bankbiljetten tot stichtend lid van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Sedert 1 januari 1999 maakt de Nationale Bank van België immers integrerend deel uit van het ESCB. Zij zorgt dus mede voor het uitstippelen en het ten uitvoer leggen van het monetaire beleid van de eurozone. Dankzij het handhaven van prijsstabiliteit is dat beleid erop gericht de voorwaarden voor een duurzame economische groei te creëren. Samen met andere centrale banken die deel uitmaken van het ESCB bereidt zij nu reeds de productie voor van de eurobiljetten die vanaf 2002 zullen worden uitgegeven.
 

 

Bij de wet van 5 mei 1850 werd de Nationale Bank op initiatief van toenmalig minister van Financiën Hubert Walthère Frère-Orban opgericht met het doel de biljettenuitgifte te uniformiseren en een einde te stellen aan het stelsel van veelvuldige uitgiftebanken dat het financiële beeld van ons land in de eerste helft van de 19de eeuw kenschetste.
Na een eerste, kortstondige poging op het einde van de achttiende eeuw met de Banque d'Ostende et de Bruxelles, richtte Willem I in 1822 de Algemeene Maatschappij ter bevordering van de Volksvlijt op, later beter bekend als de Société Générale. Zij verkreeg dezelfde opdracht voor het Zuiden als de Nederlandsche Bank had gekregen voor het Noorden: het verzorgen van de biljettenuitgifte en het land, voornamelijk de industrie, van de nodige kredieten te voorzien. Naast de uitvoering van gewone bankactiviteiten, gaf zij biljetten in gulden uit. Vrij vlug na de Belgische Onafhankelijkheid waren haar biljetten in frank gelibelleerd, maar ze behield het etiket van een 'Hollandse' instelling. Verscheidene concurrenten eisten eveneens het uitgifterecht op en verkregen het: de Banque de Belgique te Brussel, de Banque d'Anvers, de Banque de Flandre te Gent en de Banque Liégeoise et Caisse d'Épargnes. Zoals die enkele namen laten vermoeden, bedienden deze banken hoofdzakelijk een lokale cliënteel. De werking van de banken en de aard van het biljet in de eerste helft van de 19de eeuw geven de verklaring voor die lokale aard.De relatie tussen de bankier en zijn klant was meestal nog heel persoonlijk. Recente Angelsaksische studies hebben aangetoond dat de belangrijkste klanten van een privé-bank vaak eveneens haar aandeelhouders waren en wij mogen aannemen dat dat ook in ons land het geval was. De Algemene Spaar- en Lijfrentekas - net zoals de Nationale Bank een initiatief van Frère-Orban - vormde daar bij ons de eerste uitzondering op en had precies tot doel het lenen van geld aan de minder gegoede klasse toegankelijk te maken.

 

 

En wat het bankbiljet betreft, bij de oprichting van de Bank bedroeg de kleinste coupure 20 frank. Hoe belangrijk deze som wel was, kan men afleiden uit de lonen die in die tijd golden. Een dagloner verdiende omstreeks het midden van vorige eeuw gemiddeld tussen 2,50 frank en 50 centiem. Een briefje van twintig vertegenwoordigde dus het loon van 8 tot 40 dagen werk en was beslist niet de meest gebruikte geldvorm van Jan-met-de-pet.
 

 

Het biljet bleef geruime tijd inwisselbaar tegen de klinkende (edelmetaal) munt, die tot in 1873 het enige wettige betaalmiddel bleef. Het biljet diende hoofdzakelijk om grote bedragen te vereffenen zonder grote hoeveelheden goud- en zilverstukken te moeten verplaatsen, die als waarborg in de kluizen van de bank waren gedeponeerd. De bankier was dus enkel geneigd biljetten te verkopen aan klanten die hij kende, net zoals de klant enkel zijn kostbare hebben deponeerde in de bank die hem vertrouwd was. Deze nauwe vertrouwensrelatie verklaart waarom de eerste uitgiftebanken een beperkte geografische actieradius hadden.
 

 

De eerste taak van de Nationale Bank bestond er dus in het gehele land op gelijke basis van geld te voorzien. Vanaf 1850 startte zij met het drukken van biljetten die het jaar daarop in omloop kwamen. Zij stond eveneens in voor de verspreiding van zowel biljetten als munten, alhoewel deze laatste door de Koninklijke Munt worden geproduceerd.
Zij legde daarvoor een net van agentschappen aan dat op zijn hoogtepunt 44 vestigingen telde. De beperkte communicatie- en transportmiddelen maakten deze spreiding noodzakelijk: bij guur winterweer deden de geldtransporten er twee dagen over om vanuit Brussel Aarlen te bereiken. De enorme evolutie van de betaal- en communicatiemiddelen, geschraagd door ontwikkelingen in de elektronica en de spitstechnologie, geven ons daar nu een andere visie op. Zo het bankbiljet in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw tot het populairste betaalmiddel uitgegroeid was, dan heeft het elektronische betalingsverkeer vandaag beslist de overhand genomen.

 

 

Andere belangrijke opdrachten die de bank van bij haar oprichting waarneemt, zijn de taak van rijkskassier en die van bank van de banken, de lender in last resort. Meer recent kwamen daar een aantal diensten van algemeen belang bij. Zo stelt zij de nationale economische statistieken op en verspreidt zij economische informatie; de Balanscentrale houdt de jaarrekeningen van de ondernemingen bij, de Centrale voor krediet aan de ondernemingen verzamelt de gegevens over de kredieten aan de ondernemingen en de Centrale voor krediet aan de particulieren, die enkel voor kredietinstellingen en voor de betrokkene zelf toegankelijk is, beheert de gegevens over kredieten aan de particulieren. Men kan dus gerust stellen dat de evolutie van de bank gekenmerkt is door anderhalve eeuw vertrouwen tussen haar en de gemeenschap, waarvan zij ten dienste staat.
Nog steeds heeft de bank de juridische vorm van een NV. Haar aandelen staan op de beurs genoteerd waar eenieder kan intekenen op de helft ervan; de andere helft behoort toe aan de Staat. Haar administratieve zetel ligt in de schaduw van de Sint-Michielskathedraal, in het hartje van Brussel. Hier heeft zij sedert 1870, na de voorzichtige beginjaren, een onderkomen gekozen en hier ook is het museum gehuisvest.

 

 

De Wildewoudstraat 9 te Brussel

 


Het museum huist dus in het oudste gedeelte van de bank, in een van de zeldzame in de oorspronkelijke staat bewaarde negentiende-eeuwse bankgebouwen van Brussel, het enige deel van de oude bank dat in 1948 de nieuwbouw van architect Van Goethem overleefd heeft. Het beslaat twee vleugels die met een halve eeuw verschil werden gebouwd.
Wanneer men de gevel van het museum bekijkt, ziet men links van de ingang de ambtswoning van de gouverneur en rechts de vroegere kantoren van de directieleden. De ambtswoning van de gouverneur werd in de tweede helft van de 19de eeuw opgetrokken naar plannen uit 1859 van de Kortrijkse architect Hendrik Beyaert en zijn Brusselse collega Wijnand Janssens. De bouwwerken begonnen in 1860 en waren klaar in 1874. In dit gedeelte, achteraan op de gelijkvloerse verdieping, bevinden zich de tijdelijke tentoonstellingszaaltjes.

 

 

Alhoewel nog enigszins in de classicistische trant en meer bepaald neigend naar de Lodewijk XVI-stijl, vertoont het gebouw alle kenmerken van de toen geldende eclectische bouwstijl. Hendrik Beyaert is tot een van de toonaangevende vertegenwoordigers van die stijl in België uitgegroeid. Later tekende hij eveneens de bijbank van de Nationale Bank te Antwerpen.
 

 

Zijn bekendste realisatie is ongetwijfeld het parkje van de Kleine Zavel te Brussel, een geliefd plekje voor de Brusselaar en een druk bezochte pleisterplaats voor toeristen. Dit parkje was een van de laatste verwezenlijkingen van de bouwmeester; de opdracht van de Nationale Bank lag aan de oorsprong van zijn carrière. Aan de gevel, net zoals in het interieur, verwijzen ornamenten, beelden en bas-reliëfs naar economische begrippen, culturele activiteiten of nationale waarden. Hier zetelen de Vrede en de Arbeid op de kroonlijst, ondersteunen de Handel, de Nijverheid, de Landbouw en de Schone Kunsten de frontons boven de inrijpoorten en zijn de vensters gekroond met de wapenschilden van de (toen nog) negen provincies. De beelden en de bas-reliëfs werden toevertrouwd aan Leopold Wiener, Egidius Melot en Eduard Fiers. Voor de afwerking van het geheel deed de architect een beroep op befaamde kunstenaars en kunstambachtslui. De kunstambachtelijke bedrijven kenden in die periode overigens een hoge bloei. Recente studies hebben uitgewezen hoe hoog de kwaliteit van de Belgische kunstambachten in de tweede helft van de 19de eeuw in buiten- en binnenland stond aangeprezen. Geregeld kaapten meubelmakers en -ontwerpers, bronsgieters en tapijtwevers de prijzen weg op internationale tentoonstellingen. Zij vonden opdrachtgevers tot ver over de grenzen.
 

 

Vele vertrekken in de ambtswoning getuigen van dit hoogtij van onze kunstambachten. De houten lambriseringen, de zware bronzen kroonluchters, de wandtapijten en het handgeknoopt legwerk van de zitmeubelen vindt men terug op de benedenverdieping in de administratieve lokalen, net zo goed als op de eerste en tweede verdieping met de privé-vertrekken van de gouverneur en zijn gezin.
 

 

De rechtervleugel werd opgetrokken in het begin van de 20ste eeuw, naar een ontwerp van de Gentse architect Louis De Ryckere, in harmonie met de stijl van het Beyaert-gebouw. Oorspronkelijk waren hier de kantoren van de directeurs en hun secretaressen gehuisvest. Thans worden deze ruimtes grotendeels in beslag genomen door de permanente tentoonstelling.
 

 

Maar wij komen terug naar de ingang van het museum, de oorspronkelijke toegang tot de bankkantoren die zich in een vleugel parallel achter de woning van de gouverneur bevonden. Eenieder die het museum bezoekt, wordt geconfronteerd met architect Beyaert. Hij liet niet na te benadrukken dat hij de ontwerper was van het gebouw en plaatste, naar het voorbeeld van illustere voorgangers uit de Renaissance, zijn beeltenis op zijn werk. Oorspronkelijk stond het beeld, halfgebogen over de trapleuning, bovenaan een vier verdiepingen hoge draaitrap: dramatisch effect verzekerd! De bezoekers van de vroegere bank waren rotsvast overtuigd dat een bewaker helemaal bovenaan de trap iedereen onbeweeglijk en onafgebroken in de gaten hield: dat hebben ze ons vaak genoeg verteld wanneer zij hem plots in het museum terugzagen. Bij de afbraak sneuvelde de trap, echter niet het beeld met bijbehorend opschrift. Een merkwaardig opschrift overigens: het enige Nederlandstalige document in het voor het overige volledig in het Frans gestelde archief van deze West-Vlaamse bouwmeester. Bovendien vertoeft de architect nu in hoog gezelschap. De bank laat traditioneel borstbeelden van het regerende vorstenpaar maken, zodat het museum een galerie van het Belgische vorstenhuis bezit. Maar laten we nu eerst het museum gaan verkennen...

 


De verzamelwoede van de Nationale Bank van België

 


De numismatische en historische verzamelingen van de Nationale Bank van België bevatten zodanig uiteenlopende deelcollecties en voorwerpen dat een niet ingewijde op het eerste gezicht gevaar loopt doorheen het spreekwoordelijke bos de bomen niet meer te zien. Bij nader toezien valt er wel degelijk een rode draad doorheen dit alles te bespeuren: de verzamelingen van de Nationale Bank van België houden rechtstreeks verband met de instelling, waardoor ze zowel thematisch als geografisch begrensd zijn. Thematisch bestrijken ze het hele domein van het bank-, geld- en financiewezen, geografisch ligt de nadruk op België of beter, het grondgebied dat in 1830 het onafhankelijke België is geworden. Voor het overige gelden geen beperkingen. De collecties bevatten iconografische documenten (wandtapijten, schilderijen, tekeningen, gravures, foto's), numismatische stukken (munten, penningen, biljetten), boeken en archivalia, voorwerpen en machines. Ze maken de schatkamer van de bank uit. In het bankmuseum wordt een weloverwogen, didactische keuze uit deze schatkamer aan het publiek getoond.

 

 

De numismatische verzameling
De munten

 

 

Wie numismatiek zegt, denkt hierbij over het algemeen het eerst aan munten. De muntenverzameling van de Nationale Bank van België is het kleine broertje van de grote, openbare verzameling die zich in het Penningkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I bevindt. Ze is niet alleen kleiner van omvang, er zijn nog enkele andere verschilpunten. De bankcollectie spitst zich toe op munten die in onze gewesten geslagen zijn of er hebben gecirculeerd, meer bepaald betreft het munten van Brabant, Doornik, Henegouwen, Limburg, Luik, Luxemburg, Namen en Vlaanderen, aangevuld met die van enkele heerlijkheden en abdijen. Daarnaast is er natuurlijk de verzameling Belgische munten van 1832 tot vandaag. Vanaf het begin was het de bedoeling alle opeenvolgende munttypes bijeen te brengen, veeleer dan een opeenvolging van jaartallen na te streven. Enkel voor de verzameling Belgische munten wordt volledigheid beoogd en worden alle exemplaren verzameld die er zijn uitgegeven en dus ook alle jaartallen.
 

 

Berust het overwicht van de muntencollectie bij de stukken uit de eigen gewesten, dan bezit de bank ook een bescheiden fonds van munten die belangrijke keerpunten in de economische en de geldgeschiedenis symboliseren, zonder dat ze een onmiddellijk verband hebben met de vaderlandse geschiedenis. Toen de bankdirectie in 1982 de beslissing nam om een museum te openen, had zij een didactische museumopstelling voor ogen die een zo breed mogelijk publiek vertrouwd moest maken met de nationale geld- en bankgeschiedenis, maar ook met de geld- en financiële geschiedenis in het algemeen. De beslissing 'to go public' had uiteraard ook gevolgen voor de collectievorming. Er werd een kleine collectie zogenaamde 'primitieve' munten of betaalmiddelen bijeengebracht die aan de museumbezoeker het verhaal vertellen van het premonetaire betaalverkeer. Ze zijn afkomstig uit alle windstreken. Slechts enkele van deze voorwerpen zoals het Keltische ring- of wieltjesgeld en de Congolese betaalmiddelen houden wel degelijk verband met onze 'nationale' geschiedenis.
 

 

Het gebruik van munten als geldvorm gaat terug op de Oudheid. In het koninkrijk Lydië, gelegen in het huidige West-Turkije, werden rond 650 vóór Christus voor het eerst stukjes edelmetaal van een instempeling ('beeldenaar') voorzien die een bepaald gewicht en dus een bepaalde waarde garandeerde ('intrinsieke waarde'). De muntslag verspreidde zich vervolgens van de westkust van Klein-Azië naar het Griekse vasteland, waar de verschillende stadstaten elk een eigen beeldenaar in het leven riepen. De Griekse munten zijn dus de oudste van Europa. Op hun beurt hebben de Griekse munten de latere Romeinse munten beïnvloed. De Oudheid zag niet alleen de oorsprong van de munt als geldvorm, maar ook de inburgering ervan en de voortdurende toename van de muntomloop. De antieke stukken in de bankcollectie, hoewel gering in aantal, laten toe de grote lijnen van de muntgeschiedenis van de Oudheid te schetsen.
 

 

De meest internationale Griekse munt was ongetwijfeld de Atheense uil, zoals men gemeenzaam de Atheense zilveren munt noemt die vanaf de 6de eeuw vóór Christus is geslagen. Terwijl de muntuitgiften van zeer veel Griekse steden beperkt zijn gebleven tot één of twee denominaties, bestond de Atheense muntenreeks uit maar liefst vijftien, later zelfs zestien, verschillende waarden. Het grootste stuk was de dekadrachme (10 drachmen), het kleinste de hemitetartemorion (1/8 obool), waarbij één drachme zes obolen waard was. De dekadrachme woog ongeveer 43 gram, de hemitetartemorion woog nauwelijks 0,08 gram en is slechts een speldenkop groot. Alle dragen ze op de keerzijde de uil als beeldenaar, de meeste zijn op de voorzijde voorzien van het hoofd van de godin Athena. Samen vormen ze niet alleen een esthetisch fraai geheel, ze getuigen ook van de aanzienlijke mate waarin de geldeconomie in het leven van de Atheners was binnengedrongen. De muntenreeks was niet alleen bruikbaar voor grote, zelfs internationale, transacties, maar evenzeer voor de kleine, dagelijkse boodschappen. Door zijn grote, sociale betekenis is het kleingeld als studieobject minstens even boeiend als de grote, internationale valuta. Toch is het kleingeld relatief minder goed vertegenwoordigd in de bankcollectie dan de hoge waarden. De reden hiervoor ligt voor de hand: kleingeld circuleert veel meer dan de hoge waarden. De kans dat een pasmunt sporen van gebruik en slijtage vertoont, is dan ook veel hoger. Omdat de collectie in de eerste plaats een museumcollectie is, worden aan elke aanwinst hoge kwaliteitsnormen gesteld. Het vormt de verklaring voor de relatieve ondervertegenwoordiging van de kleine denominaties.
 

 

Ook de Romeinse muntenverzameling beperkt zich tot een aantal met zorg uitgekozen stukken die representatief zijn voor de diverse denominaties die in omloop waren en hun onderlinge verhouding enerzijds en de geschiedenis van het Romeinse Rijk en van het toenmalige Gallië anderzijds. Rond 280 vóór Christus, lang voor er sprake was van een Romeins imperium, begon Rome met de uitgifte van een reeks munten. Net zoals bij de Atheense muntenreeks betrof het een groot aantal verschillende denominaties die in een vaste verhouding tot elkaar stonden. Het grootste, zeldzame stuk was de decussis (10 assen), het kleinste de semi-uncia, waarbij één as twaalf unciae waard was. Het zijn zware koperen munten die niet geslagen, maar gegoten zijn en inzake vormgeving veel minder verfijnd zijn dan hun Griekse voorgangers. Toch wijst het uitgekiende waardensysteem waarop deze muntenuitgifte berustte, ook hier op een relatief uitgebreid betaalverkeer. Eenmaal de Romeinse expansie op gang kwam, schakelden de Romeinen over op de uitgifte van voornamelijk zilvergeld waarbij de denarius ruim 450 jaar de Romeinse munt bij uitstek is gebleven.
 

 

De munten uit de Middeleeuwen en het ancien régime kunnen perfect als leidraad fungeren bij de reconstructie van zowel het politiek-institutionele als het financieel-economische verleden van ons land. Ze vertellen het verhaal van de groeiende staatsvorming in de Nederlanden en weerspiegelen de economische wet van vraag en aanbod. Bekijken we enkele in het oog springende exemplaren. Tot deze categorie behoort zeker de in Gent geslagen gouden engel uit 1337-1338 van de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers of van Crécy (1322-1346). Tijdens zijn regering werden in Vlaanderen, na ruim zes eeuwen, weer goudmunten geslagen. Het tijdstip was niet toevallig; de vraag naar hoogwaardige munten en het aanbod van beschikbaar goud, vielen op dat moment samen. Van de gouden engel zijn slechts twee exemplaren bekend; het tweede exemplaar berust in het nationaal muntenkabinet te Parijs. De engel, zo genoemd naar analogie met de Franse 'ange d'or', verbeeldt op de voorzijde Sint-Michiel en draagt op de keerzijde een versierd kruis met een leeuwtje tussen de armen. Het stuk weegt 4,52 gram. Gedurende lange tijd lag het overwicht van de muntproductie van de Nederlanden in Vlaanderen.
 

 

Toen Brugge in de late Middeleeuwen aan economisch belang moest inboeten ten voordele van Antwerpen, was dit ook merkbaar in de muntslag. De Brabantse munten werden de belangrijkste. Onder hen, de zware Carolusguldens en Filipsdaalders, geslagen in zilver dat afkomstig was uit de Nieuwe Wereld en met het realistische, renaissanceportret van hun uitgever als beeldenaar.
 

 

Ook de prins-bisschoppen van Luik beschikten van de 10de eeuw tot 1792 over het muntrecht. Het levert een aaneenschakeling van Luikse munten op die deels teruggaan op types die ook in de naburige regionen werden geslagen, maar deels ook eigen creaties zijn. Een merkwaardige Luikse munt van Gelderse oorsprong is de zilveren snaphaen van prins-bisschop Erard de la Marck (1506-1538). Hij ontleent zijn naam aan een roofridder, de Haen genaamd, die na een hele reeks wandaden werd 'gesnapt'. De munt weegt 7,72 gram. Het betreft een eerste stap op weg naar grotere zilveren munten, maar het duurde nog tot 1545 vooraleer Georges van Oostenrijk (1544-1557) een daalder liet slaan van 28,45 gram. Van een geheel eigen type daarentegen zijn de 'sede vacante'-munten met de buste van de Heilige Lambertus als beeldenaar die geslagen werden telkens wanneer de bisschopszetel onbezet was.
 

 

Het einde van het ancien régime wordt in de numismatische bankcollectie belichaamd door de munten-reeks van de Brabantse Omwenteling, de eerste 'Belgische' onafhankelijkheidsstrijd (1789-1790), en door de daaropvolgende uitgiften uit het Franse (1794-1815) en het Hollandse (1815-1830) tijdvak.
 

 

Gezien haar rol van centrale bankier van België, zal het niet verwonderen dat de Nationale Bank van België het grootste belang hecht aan haar collectie vaderlandse stukken. Niet alleen worden alle jaartallen verzameld, ook alle mogelijke varianten en proefslagen worden opgenomen. Deze laatste zijn vaak zeldzamer dan de eigenlijke munten en laten een blik toe achter de schermen. Ze leren ons ontwerpen, denominaties of uitvoeringen kennen die, hoewel soms reeds in een verregaand stadium verkerend, uiteindelijk nooit gerealiseerd werden. Beperken we ons hier tot de beschrijving van enkele bijzondere Belgische munten die mijlpalen vormen in de geschiedenis van de Belgische frank.
 

 

De oudste zilveren en koperen munten, respectievelijk ter waarde van vijf frank en van tien centiem dateren uit 1832; de uitgifte van de eerste goudstukken ter waarde van veertig en twintig frank liet nog tot 1834 op zich wachten. Het waardeverschil tussen de gouden stukken, het zilvergeld en de koperen pasmunt wordt op subtiele wijze benadrukt door hun respectievelijke iconografische kenmerken. Het is geen toeval dat de oriëntatie van het koninklijk profiel op de gouden munten verschilt van die op de zilveren stukken en dat het koningsportret al helemaal ontbreekt op het kopergeld. Op de kostbaarste stukken blikt de vorst naar rechts, naar de toekomst, op de zilveren munten naar links, naar het verleden. De reden waarom het portret ontbreekt op het kopergeld, ligt bij zijn geringe waarde: de koninklijke beeldenaar past er niet. De vorst manifesteert er zich slechts van op afstand, in de vorm van een initiaal.
 

 

In 1860 was België het eerste land dat overging tot het vermunten van nikkel, weliswaar in een legering met koper. In 1902 verbaasde het Europa toen een reeks doorboorde nikkelen munten op de markt werden gebracht. Zo kon men de nikkelen munten ook bij dageraad of bij het invallen van de avondschemering van de zilveren onderscheiden. Dit onderscheid was essentieel, gezien het grote verschil in intrinsieke en nominale waarde van zilverstukken enerzijds en nikkel-koperstukken anderzijds. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, sloeg België zijn laatste courante goudmunten ter waarde van 20 frank, naar een ontwerp van beeldhouwer Godfried Devreese (1861-1941).
 

 

Inmiddels had zich ook een traditie van regelmatige uitgiften van gedenkmunten ontwikkeld waarvan de meest opvallende ongetwijfeld de 'dynastieke' reeks is, bestaande uit het gouden 100 frank-stuk van 1880, het nikkelen 10 frank/2 belga-stuk van 1930, het zilveren 100 frank-stuk van 1948 dat in feite een circulatiemunt was en het koperen-nikkelen 500 frank- stuk van 1980. Een stuk met de zes koningshoofden is (nog) niet voorhanden. Al even opvallend was het initiatief van de Koninklijke Munt van België om vanaf 1987 een aantal gouden en zilveren ecu-munten uit te geven die, hoewel in de eerste plaats verzamelaarsmunten, toch wettige betaalkracht hadden.
 

 

De jongste Belgische aanwinsten zijn de acht euromunten die hoewel nog niet in omloop, toch reeds opgenomen zijn in de bankcollectie. Deze schenking door de Koninklijke Munt van België werd, als primeur, dadelijk in het museum tentoongesteld.

 

 

De medailles en penningen

 


Zonder betaalwaarde, maar evenzeer behorend tot het domein van de numismatiek, zijn de penningen en de medailles. Aanvankelijk viel de nadruk bijna uitsluitend op Belgische medailles van na 1830 die hetzij gewijd waren aan ons vorstenhuis, hetzij aan de economische en financiële geschiedenis van ons land. Onder invloed van de vernieuwde belangstelling bij kunsthistorici voor de historische penningen werd het verzameldomein gaandeweg aangepast en verruimd.
 

 

De medaille is een uitvinding van de Renaissance en is zowel een kunstwerk als een historische bron van informatie. De bank bezit slechts enkele stukken uit de 16de eeuw, zoals de zilveren huwelijksgulden van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk uit 1517. De stempels voor deze pronkgulden werden gesneden door muntmeester Ulrich Ursenthaler (1482-1562) van de Munt van Hall. Toen Maximiliaan in 1517 doorheen de Zuidelijke Nederlanden reisde, gelastte hij de stempelsnijder om de stempels naar de Munt van Antwerpen te sturen opdat het stuk ook daar geslagen zou kunnen worden. De penning in de collectie van de bank, is een exemplaar van deze emissie. Weliswaar niet in edelmetaal, maar van een ongemeen gedetailleerde weergave en bovendien eveneens van Antwerpse makelij, is de loden eenzijdige plakettenreeks van omstreeks 1580 die de opstand en inname van de citadel van Antwerpen in augustus 1577 verbeeldt. De penningen vormen een reeks van zeven, waarvan de bank er vier bezit. Ze hebben een diameter die varieert tussen 18,3 en 16,6 cm.
 

 

Van een veel kleiner formaat zijn de talrijke penningen die, zeker in hun koperen vorm, een ruime verspreiding kenden als strooi-, draag-, gedenk-, zit-, presentie- of eenvoudige rekenpenning. Zo zijn er bijvoorbeeld de penningen van de intendanten van de Brusselse Scheepvaart die in de tweede helft van de 16de eeuw gebruikt werden als rekenmiddel bij het afleggen van de rekeningen. Later worden het pronkstukjes die de figuur en de familie van de intendant-uitgever in de verf zetten. In iconografisch opzicht zijn ze, ondanks hun miniformaat, eersterangsgetuigen van de scheepvaart die één van de hoofdtrekken was van de Brusselse handelseconomie in die periode. Een tweede interessante partij penningen in de bankcollectie kent zijn oorsprong in de Brabantse Omwenteling en in de patriottische beweging die hierbij op gang kwam. Ze omvat draag- en kentekens in allerlei vorm, in allerlei materialen en technieken. De hoofdrolspelers van de beweging zoals Hendrik van der Noot en generaal Jan André van der Mersch zijn er opvallend op aanwezig. Niet alleen vanuit numismatisch, maar ook vanuit sociologisch oogpunt, belichten ze een boeiend fenomeen.
 

 

De Belgische medailles ten slotte. Wie op zoek is naar het in metaal vereeuwigde portret van een minister van financiën of een ander vooraanstaand personage uit de financiële of economische wereld, heeft veel kans dat in de medailleverzameling van de Nationale Bank van België te vinden. Hetzelfde geldt voor de medailles die uitgegeven zijn naar aanleiding van de plechtige openstellingen van kanalen, spoorwegen, nationale openbare gebouwen, wereldtentoonstellingen enzovoort. Ook naar aanleiding van haar eigen verjaardagen heeft de Bank niet nagelaten herdenkingsmedailles uit te geven.

 

 

De biljetten
 

 

Toch zijn het de bankbiljetten die het leeuwendeel uitmaken van de numismatische verzameling van de Nationale Bank van België en die de collectie uniek maken, in vergelijking met de andere numismatische verzamelingen van ons land. Ook hier wordt het verzamelbeleid bepaald door dezelfde criteria. Het Belgische biljet, het eigen product van de bank, is vanaf zijn ontstaan tot in zijn huidige vorm prominent aanwezig. De buitenlandse briefjes belichten belangrijke keerpunten in de geschiedenis van het bankbiljet of kunnen worden gelinkt aan specifieke fenomenen zoals de inflatie, de concentratiekampen, oorlogen, belegeringen enzovoort. Bij de opbouw van de Belgische biljetten-verzameling werd en wordt nog steeds de meeste zorg besteed aan het verwerven van alle bestaande varianten, door bijvoorbeeld biljetten van eenzelfde type, maar met alle opeenvolgende handtekeningen te verzamelen. Een exemplaar van alle biljettenemissies is terug te vinden in de vierde zaal van het museum; de reeks vormt steevast één van de meest dankbare, want erg herkenbare, onderdelen van de museumrondleiding. Hoewel de Nationale Bank van België sinds haar oprichting in 1850 over het uitgifteprivilege beschikt en zij dus als enige gemachtigd is om papiergeld uit te geven, zijn er in de loop der geschiedenis toch nog enkele andere Belgische emittenten geweest.

 

Het eerste papiergeld in onze gewesten duikt reeds in de Oostenrijkse periode op. Het werd uitgegeven door de Banque d'Ostende et de Bruxelles, een bankinstelling die in 1782 in Oostende was opgericht. Deze biljetten waren geen lang leven beschoren; na korte tijd trok de regering van de Zuidelijke Nederlanden het privilege om bankbiljetten uit te geven weer in. Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief te Amsterdam bezit het enige gekende exemplaar van deze uitgifte. De bank moet zich noodgedwongen tevreden stellen met een facsimile van dit unieke biljet. Met de Franse bezettingstroepen (1794-1815) deden de assignaten ook in de Zuidelijke Nederlanden hun intrede. Hun dekking bestond uit in beslag genomen adellijke en vooral kerkelijke goederen, maar door hun massale aanmaak devalueerden ze al snel tot nagenoeg waardeloos papier. Het maakt ze voor de verzamelaar van vandaag allesbehalve zeldzaam.

 

Tijdens het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) drongen de biljetten van de Nederlandsche Bank nauwelijks tot onze gewesten door; ze waren alleen in Amsterdam terugbetaalbaar. De Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter begunstiging van de Volksvlijt, opgericht in 1822 en in het zuiden ook Société Générale des Pays-Bas pour favoriser l'industrie nationale geheten, werd gemachtigd biljetten aan toonder uit te geven. Proefdrukken van deze uitgifte bevinden zich vandaag nog steeds in het museum van de Haarlemse drukkerij Johannes Enschedé en Zonen. Ook hier moet de Nationale Bank van België zich grotendeels met foto's tevreden stellen; zij bezit slechts één biljet van één gulden, uitgegeven te Brussel op 1 oktober 1826. De coupure draagt een rood stempeltje met de naam 'Suriname', wat meteen de bestemming van deze emissie aangeeft.
 

 

Na de onafhankelijkheid van België werden de biljetten van de Société Générale in frank uitgedrukt en uitsluitend in het Frans gesteld. Nog andere banken verkregen het emissierecht, onder meer de Banque de Belgique, de Banque Liégeoise et Caisse d'Épargnes en de Banque de Flandre. Van het papiergeld op naam van deze privé-instellingen zijn weinig sporen overgebleven. In de loop der jaren heeft de bank toch enkele van deze zeldzame coupures op de kop kunnen tikken; ze bezit een 5 frank-biljet van de Banque de Belgique en een 50 frank-, 25 frank-, 10 frank- en 5 frank-biljet van de Banque Liégeoise; van alle overige uitgiften bezit ze foto's.
 

 

Wat de Belgische biljetten van na 1850 betreft, ziet de toestand er veel rooskleuriger uit. De basis van deze collectie ligt bij de biljetten die door andere diensten in de bank, de Hoofdkas en de Drukkerij, na verloop van tijd naar de verzamelingen zijn overgeheveld. De biljetten dragen hiervan sporen: vele zijn geperforeerd, dragen een handgeschreven notitie of een stempel; het betreft vaak uit omloop genomen biljetten of specimens. Tot deze reeks behoren ook de biljetten met een waarde van 100 frank en meer die in 1945 ten gevolge van de afgekondigde monetaire saneringsmaatregelen, beter gekend onder de benaming Gutt-operatie, verplicht dienden te worden ingewisseld. Ze dragen een stempel die verwijst naar het verzamelcentrum en de monetaire omwisseling.
 

 

De oorlogsomstandigheden hebben ertoe geleid dat ook nog na de oprichting van de Nationale Bank van België, tijdelijk ook andere organismen papiergeld hebben uitgegeven. Tijdens de Eerste en in mindere mate ook de Tweede Wereldoorlog zijn tal van Belgische gemeenten, gedwongen door het groeiend geldtekort, overgegaan tot de uitgifte van eigen papiergeld. De talrijke steun- en hulpcomités, waaronder het Nationaal Hulp- en Voedingscomité, deden dit eveneens. Fabrieken en firma's gaven salaris- en aankoopbons uit. Al deze biljetten worden met de verzamelnaam 'noodbiljetten' aangeduid. Hun waarde is niet altijd in Belgische frank uitgedrukt; sommige biljetten waren specifieke voedsel- of goederenbons. In de jaren vijftig heeft de bank systematisch alle gemeentebesturen aangeschreven met de vraag naar informatie over hun eventuele uitgifte van noodgeld tijdens beide oorlogen. Dit leverde niet alleen kostbare informatie, maar ook de basis voor een grote verzameling noodbiljetten.

 

Een andere emittent onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was het Belgische leger. In 1946 gaf dit acht verschillende denominaties uit, variërend van 1 tot 500 frank-biljetten, bestemd voor de Belgische bezettingstroepen in Duitsland. Slechts op 15 juni 1959 werden ze uit de omloop genomen en veelal vernietigd; een niet onbelangrijk deel echter is in de verzamelingen van de bank terechtgekomen. Ten slotte dook in elk van beide Wereldoorlogen nog een andere emittent op van de nationale biljetten: de Société Générale de Belgique tijdens de Eerste en de Emissiebank te Brussel tijdens de Tweede Wereldoorlog. In het eerste geval heeft dit vanaf 1915 geleid tot de uitgifte van coupures op naam van de Société Générale, maar gedrukt op de persen van de Nationale Bank van België. In het tweede geval heeft de Nationale Bank voor rekening van de Emissiebank weliswaar eveneens een reeks biljetten gedrukt, maar deze zijn nooit in omloop gebracht. Een aantal van deze biljetten van 10.000, 1.000, 100 en 50 frank, naar ontwerpen van Louis Buisseret (1888-1956) en Jean Mayné (1850-1905), heeft zijn weg gevonden naar de verzamelingen waar ze getuigen van een bewogen periode in onze nationale geschiedenis.
 

 

Dit laatste brengt ons meteen naar de specificiteit van de biljettenverzameling van de bank. Deze bevat niet alleen, zoals in het geval van de Emissiebank, een aantal afgewerkte, maar om één of andere reden nooit in omloop gebrachte biljetten, ze omvat ook de volledige reeks van voorontwerpen, ontwerpen en proefdrukken die aan de uitgifte van de bankbiljetten zijn voorafgegaan. Het betreft hier een transfer door de Drukkerij die hiertoe na de opening van het museum in 1982 stapsgewijs is overgegaan.
 

 

Het fonds bevat niet alleen ontwerpen en proefdrukken, maar ook alle drukmateriaal, zoals clichés, glazen platen en watermerkvormen. Ook veel archieven, bestaande uit correspondentie, rapporten, rekeningen en verificaties, zijn in de loop der jaren in de verzamelingen van de bank beland, hoewel ook de centrale archiefdienst van de bank archivalia van de Drukkerij bijhoudt. Het hoeft geen betoog dat de combinatie van al deze documenten, bronnen en voorwerpen een schat aan informatie oplevert, niet alleen over het bankbiljet stricto sensu maar ook over de officiële Belgische kunst en haar symboliek, en zelfs over de politieke, de economische en de mentaliteitsgeschiedenis van ons land. Een allesomvattende studie, onder meer op basis van deze bronnen, waarbij het bankbiljet vanuit de verschillende invalshoeken wordt benaderd, laat vooralsnog op zich wachten. Detailstudies, onder meer over het biljettenpapier en over de nationale symboliek op de Belgische biljetten, hebben ondertussen reeds de waarde van een geïntegreerd gebruik van al deze bronnen bewezen.

 

 

De historische verzameling
 

 

Naast de numismatische verzameling werden vanaf het begin ook iconografische en historische documenten verzameld. Ze vallen grotendeels uiteen in twee groepen.
Een eerste categorie getuigt van de topografie, de iconografie en de geschiedenis van Brussel, als thuishaven van de hoofdzetel van de bank, en van de andere Belgische steden waar zich ooit een agentschap van de bank heeft bevonden en eventueel nog bevindt. Bij het doorkijken van deze bronnen, stelt men vast dat men zich bij de samenstelling van deze collectie niet beperkt heeft tot illustraties van het economische en financiële leven van deze steden. De nadruk valt veeleer op het stadsbeeld in het algemeen: men vindt er afbeeldingen in terug van zowel burgerlijke als kerkelijke gebouwen, getuigenissen van zowel het plaatselijke economische als het politieke en zelfs het volksleven.

 

 

De tweede categorie sluit meer aan bij de munten- en biljettenverzameling en biedt informatie over de economische, geld- en bankgeschiedenis. Hierbij aansluitend horen de gespecialiseerde bibliotheek en de archiefstukken met een aantal oude drukken, oorkonden, wisselbrieven, waardepapieren, muntordonnanties, boekhoudkundige documenten en dies meer.

 

 

De Belgische steden in de kijker
 

 

Geen plein, straat of openbaar gebouw in Brussel of de bank bezit er wel een gravure, een lithografie, foto of postkaart van. Ook het meest sprekende wandtapijt uit de collectie is op en top Brussels. Het tapijt, met een voorstelling van Koning Salomon en de koningin van Saba, draagt onderaan links het stadsmerk en in de rechterzijboord het monogram van Jan de Buck, de Brusselse 'legwerker' of wever, die het kunstwerk wellicht in het derde kwart van de 16de eeuw vervaardigde. Op de achtergrond herkent men het paleis als symbool van de centrale macht en de adel, het stadhuis, symbool van de burgerij en de Sint-Michielskathedraal, symbool van de kerkelijke macht. Sommige kunsthistorici menen dat koning Salomon niemand minder dan keizer Karel is, vergezeld van zijn zus Maria van Hongarije.
 

 

Het wandtapijt is niet het enige verzamelstuk waarop de Brusselse Sint-Michielskathedraal wordt afgebeeld. De samenstellers van de verzameling hebben duidelijk een voorliefde voor deze Brusselse site gehad, wat niet verwonderlijk is vermits het tegelijk de site van de hoofdzetel van de bank zelf is; het museum van de bank is in de Wildewoudstraat gelegen en heeft de Sint-Michielskathedraal als overbuur. Twee kleurrijke schilderijtjes illustreren nog deze belangstellingssfeer. Het eerste is van de hand van A. Martin en biedt een gezicht op de voorgevel en de zuidkant van de kerk, met veel aandacht voor de uit 1703 daterende nieuwe monumentale trap en balustrade. Het tweede paneel, geschilderd door Pierre-François Poelman in 1826, toont de noordgevel waartegen zich sinds 1805 een reeks huisjes had gevlijd die later afgebroken werd. De afbeeldingen van de Sint-Michielskathedraal zijn ingedeeld op basis van het gezichtspunt: de noordgevel, de zuidgevel, de voorgevel (chronologisch ingedeeld in de perioden 1800-1815, 1815-1844, 1844-1860, 1860-1900, na 1900), de grote trap en het interieur. Het betreft een klassement of indeling die in huis en 'op maat' is uitgedacht. Deze werkwijze is trouwens in de hele bankcollectie toegepast. Het klassement en de rubriceringen zijn organisch en pragmatisch gegroeid. Rekening houdend met de grote diversiteit van de verzamelstukken, zowel naar inhoud als naar vorm, was dit wellicht de meest voor de hand liggende werkwijze. Buitenstaanders hebben het er moeilijker mee. De verzamelingen zijn weliswaar, afgezien van de selectie die in het museum getoond wordt, niet voor het grote publiek toegankelijk, maar het spreekt vanzelf dat ze voor vorsers en studiedoeleinden beschikbaar zijn.
 

 

Brussel is het best vertegenwoordigd in de reeks afbeeldingen van steden, maar wordt op enige afstand gevolgd door Antwerpen en Luik. In Antwerpen en Luik zijn twee bijbanken van de Nationale Bank van België gevestigd die onder leiding van een beheerder staan. In een aantal andere Belgische steden bezit de bank een agentschap dat door een agent gerund wordt.
 

 

In de Luikse verzameling bevinden zich bijvoorbeeld tal van lithografieën en documenten die getuigen van het industriële verleden van ons land. Ze beelden de hoogovens, de steenkoolmijnen en andere fabrieken af die er voor zorgden dat België het eerste land op het Europese continent was dat in navolging van Groot-Brittannië de 'Industriële Revolutie' met succes wist door te zetten. Ze behoren onder meer tot de prestigieuze reeks La Belgique industrielle die te Brussel in 1852 werd gepubliceerd en die 200 afbeeldingen bevat van ongeveer 160 bedrijven uit de belangrijkste gemechaniseerde sectoren. De bedoeling was, vanuit een onmiskenbaar gevoel van trots, een visueel overzicht te geven van het aan de gang zijnde industrialiseringsproces en van de veranderingen in het stedelijke en rurale architecturale landschap die ermee gepaard gingen.
 

 

Doorheen de jaren heeft de bank ook ijverig alle mogelijke gegevens bijeengebracht over de gebouwen waarin haar bijbanken en agentschappen gehuisvest waren. In sommige gevallen trad de bank zelf als bouwheer op zoals in Antwerpen waar ze een beroep deed op Hendrik Beyaert, dezelfde architect die ook het gebouw in Brussel had ontworpen. In de verzamelingen van de bank bevinden zich niet alleen alle plannen en voorbereidende schetsen voor beide gebouwen, maar ook heel wat fotomateriaal. Dit laatste geldt ook voor de gebouwen die de bank niet zelf heeft gebouwd, maar die ze heeft aangekocht om er een agentschap te vestigen. Ze vertellen er de soms bewogen geschiedenis van. De foto's van de verwoeste agentschappen te Nijvel in 1940 en te Leuven in 1944 brengen de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog tot leven. Ook de interieurfoto's van de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw, vooral van typische onderdelen zoals de lokettenzalen, ontvangstruimten en kluizen, kunnen reeds historisch worden genoemd. Recent is de belangstelling bij kunsthistorici voor bankgebouwen als een typisch onderdeel van de 19de-eeuwse burgerlijke architectuur, naast bijvoorbeeld stations of grootwarenhuizen, trouwens gevoelig toegenomen.

 

 

Geld en financiën in beeld
 

 

Zoals het elders in deze bundel zo treffend wordt verwoord: geld stinkt niet. Wat meer is, de verzamelingen van de bank bewijzen dat geld voor veel kunstenaars een bron van inspiratie en een dankbaar thema is geweest. Hun beweegredenen zijn weliswaar uiteenlopend; voor de enen is het geldthema slechts de aanleiding om een esthetisch fraai werk te scheppen, anderen willen het publiek op een visuele manier informeren over een onderwerp uit het geldwezen of één of andere financiële kwestie. De enen hebben moraliserende, anderen dan weer uitgesproken spottende motieven. Het resultaat is een geheel van schilderijtjes, didactische en instructieve prenten, scènes uit het dagelijkse leven, affiches en karikaturen.
 

 

Zeer instructief en onmiddellijk aansluitend bij de numismatische collectie, zijn de afbeeldingen van de muntslag doorheen de eeuwen en van de meer recente aanmaak van fiduciair papier. Voor een treffende en stapsgewijze visuele uitleg over de techniek van de muntslag met de hamer kan men terecht bij de gravure met de voorstelling van het bezoek van keizer Maximiliaan (1459-1519) aan één van zijn muntateliers. Ze is afkomstig uit het door de keizer bestelde prozawerk Der Weisskönig, een grotendeels verzonnen biografie van de opdrachtgever. Het boek werd verlucht door onder meer Hans Burgkmair (1473-1531), tijdgenoot van Dürer. Hij is ook de auteur van de plaat van het muntatelier dat volgens enkele historici de Munt van Hall in Tirol zou zijn.
 

 

De gravure toont hoe munten tot stand kwamen, van het smelten van het metaal in de oven, tot de eigenlijke hamerslag. Pas in de 17de en de 18de eeuw werd de hamer vervangen door de schroefpers die het machinale tijdperk inluidde. Onder meer de Encyclopédie van Diderot en d'Alembert uit 1762-1772 bevat een kopergravure die de balancier of muntpers in beeld brengt. De schroefpers betekende een hele vooruitgang; machinaal geperste munten zijn gelijkmatig van dikte, niet hol of bol, de omtrek is zuiver cirkelvormig, het reliëf scherp en regelmatig.
 

 

Niet alleen van de munt- en druktechniek bestaan tal van verhelderende afbeeldingen, er zijn ook heel wat illustraties voorhanden van de manier waarop geld wordt aangewend in het betaalverkeer en in het bankwezen. Deze laatste zijn geklasseerd onder de rubriek 'geldwisselaars'. Ze gaan van een 15de-eeuwse, ingekleurde houtsnede die een wisselaar achter zijn tafel toont, tot foto's van de hedendaagse bankactiviteiten.
 

 

Van de grote 'financiers', zowel overheidsfunctionarissen als privé-bankiers, bestaat een portrettengalerij waarin in de eerste plaats de eigen directieleden zijn opgenomen. Van hen is op zijn minst een foto beschikbaar. In het geval van de gouverneurs is het een traditie om vooraleer van een gouverneur afscheid te nemen, hem op doek te vereeuwigen. Deze reeks bestaat vandaag reeds uit negentien schilderijen, gaande van het door Alexandre Robert (1817-1890) geschilderde portret van gouverneur François-Philippe de Haussy (1850-1869) tot het recent verworven portret van gouverneur Alfons Verplaetse (1989-1999) door Roger Raveel (1921- ). De bank is een huis van tradities: van alle Belgische ministers van financiën die tijdens hun mandaat een wijziging in de statuten van de centrale bank hebben aangebracht, wordt een marmeren buste gemaakt die in haar beeldengalerij wordt opgenomen.
 

 

Voor wie een boodschap aan het publiek kwijt wil, over geld of andere zaken, is de affiche een geschikt medium. Wanneer munten of biljetten op affiches worden afgebeeld, gebeurt dit uiteraard omwille van een welbepaalde reden, zoals de affiches van de Nationale Bond ter Verdediging van den frank (1924-1925) bewijzen. Deze vereniging die op 12 maart 1924 te Brussel werd opgericht, bond de strijd aan tegen de naoorlogse ontwaarding van de Belgische valuta. Zij genoot de steun van koning Albert I, de regering en de Nationale Bank. De leden dienden de drie stelregels van de Bond na te leven: de uitsluitende aankoop van binnenlandse producten, de beperking van het eigen verbruik en van de aankoop van buitenlandse deviezen. Ze werden geworven door middel van een grootscheepse propagandacampagne, waarbij onder meer affiches en postkaarten werden gedrukt. De Bond was bijzonder actief tussen maart 1924 en juli 1925. De herhaalde financiële en monetaire moeilijkheden van 1925-1926 gaven hem nochtans de genadeslag. In de verzamelingen van de bank bevinden zich de drie affiches die door de Bond uitgegeven zijn, hetzij in ware grootte, hetzij in postkaartformaat. Ze werden alle ontworpen door de Brusselse kunstenaar Michel De Goeye (1900-1958).
 

 

Kan men van mening verschillen over het al dan niet moraliserende karakter van deze en andere affiches, dan kan men bij de opdrachtgever van het schilderij De dood nodigt de oude rijkaard uit voor de laatste dans door de Antwerpse schilder Frans Francken de Jonge (1581-1642) rustig een geheven vingertje veronderstellen. Het betreft een gesigneerd werk in olieverf op koper van ca. 1635. Het beeldt het 'memento mori'-motief uit dat sinds de Middeleeuwen zeer geliefd was. Vrij vertaald betekent dit: 'Denk eraan dat je ooit zult sterven', of anders gezegd, aan de dood ontsnapt niemand, of je nu jong of oud, arm of rijk, mooi of lelijk, burger, edelman of geestelijke, man of vrouw bent. In dit geval zijn het de oude, rijke grijsaard en de elegante, modebewuste jongeling voor wie het laatste uur geslagen is. De meeste aandacht gaat ongetwijfeld naar de oude man op de voorgrond. Aan de Dood die voor hem de laatste dans speelt, probeert hij duidelijk te maken dat hij onder meer wegens nog niet afgehandelde geldzaken niet klaar is om afscheid van het leven te nemen. Met andere woorden hij probeert 'de dans te ontspringen'. De zandloper waarop de musicerende Dood de voet heeft geplaatst, loopt nochtans onverbiddelijk door. Dit bewijst dat zelfs de grootste rijkdom vergankelijk is.
 

 

Dit laatste geldt ook voor jeugd en schoonheid. Hoe jong en hoe elegant de man op de achtergrond ook is, ook aan hem presenteert de Dood de rekening op het door hem gekozen ogenblik. Dit schilderij is slechts één voorbeeld van de vele belerende afbeeldingen die de vrek of de verspilzuchtige, de verdorven rijkaard of de nobele arme als onderwerp hebben. Populair was ook het thema van de 'ongelijke liefde', de afbeeldingen van koppels die erg verschillen in leeftijd maar voor wie het geld het cement in de relatie is: hoogbejaarde mannen die hun jonge geliefde met geld lokken en al even oude, maar vermogende dames die zich met hun geld verzekeren van het gezelschap van hun jonge minnaar.
 

 

De scheidslijn met de eigenlijke karikatuur is hier reeds uiterst dun. De verzameling spotprenten van de bank bevat documenten waarin de draak wordt gestoken met allerhande financiële en monetaire toestanden. Naar aanleiding van de reeds vermelde geldsanering van 1945 bijvoorbeeld circuleerde een postkaart met de afbeelding van een 100 frank-biljet, waarop de zwierige verpersoonlijking van de Overvloed vervangen is door een al even zwierige afbeelding van minister van financiën Camille Gutt; de benaming Banque Nationale de Belgique is er vervangen door Banque du compte Gutt. Een andere spotprent hekelt het tekort aan nikkel in 1915. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, potten de Belgen massaal de nikkelmunten op zodat ze bijna volledig uit de circulatie verdwenen. Ze werden noodgedwongen vervangen door zinken munten, kleine coupures, noodbiljetten en Duits geld. De aquarel draagt als titel 'Exposition d'objets rares' en toont ons een zwaar bewaakte vitrinekast waarin drie nikkelen pasmunten zijn uitgestald.

 


De educatieve museumwerking

 

 

Een bezoek aan het museum
Geld stinkt niet

 

 

Het lijkt vreemd, maar het is misschien niet zozeer de collectie zelf van ons eerder bescheiden museum die een grote aantrekkingskracht uitoefent, dan wel de instelling waarvan het museum deel uit maakt. De imposante en strakke gevel van de voorzijde boezemt ontzag in en zet tegelijk aan tot een grote portie nieuwsgierigheid naar de activiteiten van het instituut dat schuilgaat achter deze strenge geslotenheid. De recente en tegelijkertijd zeer drastische veranderingen in het monetaire vlak zijn voor velen een extra stimulans om kennis te maken met een van de hoofdrolspelers van de omschakeling van de frank naar de euro. Het museum speelt een zeer belangrijke rol als tussenpersoon tussen het grote publiek en onze centrale bank die sinds 1999 deel uit maakt van het grotere geheel van het Stelsel van Europese Centrale Banken. Als plaats voor deze kennismaking is niet gekozen voor een of ander modern ogend gebouw, maar wel voor ruimten die de band beklemtonen met de beginfase van de Bank. De eerste publieksingang doet dienst als grote ontvangstruimte en de vroegere kantoren van het directiecomité worden nu gebruikt als tentoonstellingsruimte.
 

 

Geld, het zegt ons niets? Laten we eerlijk zijn. We kunnen er niet omheen, geld interesseert ons wel degelijk en de manier waarop het gemaakt wordt evenzeer. Om op onze vragen een antwoord te krijgen, zitten we goed in het Museum voor geld en geschiedenis van de Nationale Bank van België. De permanente collectie van munten en biljetten, zoals zij vandaag is opgesteld, komt slechts ten dele tegemoet aan de vraag van de individuele bezoeker. De identificatie is summier, er zijn geen tekstpanelen, geen moderne interactieve media, maar... er is meer. Onze vragen zijn haast onuitputtelijk, zijn vaak tijdgebonden en onze voorkennis verschilt sterk. Om op al deze factoren zo direct mogelijk te kunnen inspelen, heeft het museum van bij de aanvang gekozen voor aangepaste rondleidingen. Sinds de opening in 1982 staan er elke dag vier tot zes enthousiaste gidsen ter beschikking om de geldcollectie tot leven te wekken voor een zeer divers publiek. Het is een vreemde ervaring om in een zaal met een volwassen publiek een gids te horen uitweiden over de geldsanering terwijl in een zaal vol jonge kinderen een andere gids een antwoord probeert te geven op de vraag hoe geld witgewassen wordt.
 

 

De gidsen, met als vakopleiding meestal een licentie in de geschiedenis, worden voor de duur van een jaar aangeworven. Na een intensieve voorbereiding waarbij zij zich verdiepen in de financiële geschiedenis proberen zij tijdens de rondleidingen het beste van zichzelf te geven en zich telkens opnieuw aan te passen aan de verschillende bezoekersgroepen. Indien gewenst, kunnen zij voor gespecialiseerde groepen ook een beroep doen op hulp van economen om een of ander specifiek onderwerp nader toe te lichten.

 

 

Spervuur van vragen
 

 

Jonge kinderen in een museum zijn een ervaring op zich, en in een geldmuseum is dit niet anders. Hun aandeel in ons museum is de jongste jaren opmerkelijk toegenomen en dit tot ieders genoegen want kinderen zijn een zeer aangenaam publiek. Zij hebben ten opzichte van geld geen koudwatervrees en duiken met veel enthousiasme in het geldverhaal. Aan de hand van een museumspel komen zij in contact met de meer exotische vormen van betaalmiddelen, de munten, de biljetten en de instelling die deze biljetten uitgeeft. Waarom hebben wij geld nodig? Waarom drukt de Bank geen biljetten tot iedereen genoeg geld heeft? Wat is zwart geld? Kunnen wij de drukkerij bezoeken? Hebben jullie ook euro's? Aan vragen geen gebrek. Om de jonge bezoekers een gestructureerd verhaal aan te bieden, nemen de gidsen samen met hen het museumspel door. Geen spel in de echte betekenis van het woord, eerder een klein dossier over geldgeschiedenis met denkvragen en observatieoefeningen. Rekening houdend met de leeftijd van de bezoekers krijgen zij meer teken-, invul- of denkopdrachten om zich vertrouwd te maken met de wereld van munten, biljetten en het 'primitieve' geld. De vragen 'Moeten wij al weg?' of 'Is het al gedaan?' na een bezoek van anderhalf uur of langer, zijn voor de gidsen een mooi teken van dank en een duidelijk bewijs dat het er in het museum spannend kan aan toe gaan.

 

 

Tijdelijke tentoonstellingen
 

 

Naar aanleiding van speciale gebeurtenissen of op vraag van bepaalde instanties richt het museum op geregelde tijdstippen tijdelijke tentoonstellingen in of verleent het zijn medewerking aan externe projecten. Hoewel de onderwerpen zeer uiteenlopend kunnen zijn, variërend van bijvoorbeeld Karel V, Belgische medaillekunst tot Willem I, is - op een enkele uitzondering na - numismatiek in de ruime betekenis van het woord de leidraad. Er wordt hierbij steeds opnieuw gestreefd naar een aangename vermenging van numismatische voorwerpen, die van nature vrij klein zijn, en archivalia en objecten uit andere kunstdisciplines, als schilderijen, gravures, beeldhouwwerken enzovoort. Net zoals de onderwerpen kunnen de locaties heel divers zijn: het eigen museum, scholen, bijkantoren van de Nationale Bank of een ander museum. Deze tijdelijke tentoonstellingen worden, net zoals de permanente collectie, ondersteund door rondleidingen en begeleidende catalogi die, soms in samenspraak met externe auteurs, door de wetenschappelijk medewerker worden verzorgd.

 

 

Een bezoek in vogelvlucht
 

 

In een zestal zaaltjes wordt de bezoeker wegwijs gemaakt in het reeds meer dan 27 eeuwen durend proces van geld en financiën. Om dit op een didactische wijze te kunnen presenteren, was een strenge selectie van de getoonde voorwerpen van primordiaal belang. Zoals reeds vermeld, werd gekozen voor een beperking tot de Belgische betaalmiddelen, of beter gezegd die van het gebied dat later België werd. Zowel voor het premonetaire stadium, als voor de grote stappen in de evolutie van de munten en de biljetten, wordt van dit principe afgeweken, omdat voorbeelden uit andere regio's die ontwikkeling duidelijker tot uiting kunnen brengen.
 

 

De diversiteit van premonetaire betaalmiddelen evenals de onderscheiden categorieën en waardefactoren worden geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit nagenoeg alle continenten. Bij de opstelling van deze betaalmiddelen is gekozen voor een geografische ordening per continent, omdat in tegenstelling tot munten en biljetten een chronologische rangschikking vrijwel uitgesloten is. De bezoeker reist dus als het ware per vitrine van het ene continent naar het andere en ontdekt er, samen met de gids, telkens andere voorbeelden van de drie grote categorieën premonetaire betaalmiddelen: dierlijke producten, voedingswaren en metaal. De overgang naar de afdeling munten verloopt heel geleidelijk dankzij de aanwezigheid van een aantal betaalmiddelen waar de muntvorm reeds inherent aanwezig is. Het Chinese messengeld dat verder uitgebreider belicht wordt, is hiervan een perfecte illustratie.
 

 

De muntslag is niet ontstaan op ons huidige grondgebied, dus ook hier is het aangewezen om de geografische begrenzing te doorbreken. Een kleine selectie van belangrijke munttypes uit de Oudheid laat ons toe de antieke muntgeschiedenis en haar invloed op de muntslag in onze gewesten te reconstrueren. Inspelend op de interesses en het beschikbare tijdsbestek van de bezoekers poogt de gids een aantal munten te concretiseren door te verwijzen naar hun economische, sociale en zelfs politieke functies. Al zoekend naar de verschillen tussen munten en medailles ontdekken de bezoekers het essentiële kenmerk van een munt, namelijk de aanvaarding door een grote groep mensen van een gestempeld stukje metaal met een bepaalde vorm, gehalte en gewicht als betaalmiddel. De Gallische staters geslagen in de tweede eeuw vóór Christus zijn in het museum de aanzet van een reeks bijzonder mooie munten die in onze gewesten circuleerden. De Belgische frank ten slotte neemt met elke variant die tijdens de 167-jarige muntslag (1832-1999) werd geslagen, een aparte plaats in. In de bijdrage over de collectievorming werden eerder reeds een aantal mooie en interessante voorbeelden nader toegelicht. Iconografisch materiaal zoals de gravure Bezoek van Maximiliaan I aan een muntatelier van Hans Burgkmair en muntmateriaal zoals een wisseltafel, muntgewichtendoosjes, weegschalen, muntordonnanties en waarderingsboekjes zijn ideale hulpmiddelen voor de gids om het publiek rechtstreeks te betrekken bij de muntproductie en de geldcirculatie via een zogenaamd werkbezoek aan een muntatelier en een bankier.
 

 

Als onderdeel van de Nationale Bank van België schenkt het museum bijzondere aandacht aan het papiergeld in het algemeen en aan het Belgische bankbiljet in het bijzonder. De tentoongestelde voorlopers van het bankbiljet, dat in België pas vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw definitief zijn intrede deed, illustreren heel uiteenlopende zaken als ontstaansperiode, emittent, dekking en vertrouwen, inflatie, nooduitgiften en zo meer. Het oudste papiergeld dat zich in het museum bevindt, een biljet uitgegeven door ambtenaren van de Ming-dynastie, is zonder meer een publiekstrekker. Dat de overgang van munten met een waarde die afhankelijk is van het gebruikte metaal, naar papiergeld niet zonder moeilijkheden en evenmin zonder enkele tot de verbeelding sprekende faillissementen verliep, wordt duidelijk in deze zaal. Zolang er papiergeld werd uitgegeven dat volledig gedekt was door een metaaldeposito bleven de risico's beperkt. In de loop van de 17de en de 18de eeuw werden in een aantal landen pogingen ondernomen om het bankbiljet, al dan niet gedekt door metaal, ingang te doen vinden bij een ruim publiek. En met succes. Vertrouwen is van cruciaal belang, zeker als we het hebben over papiergeld. Een schrijnend gebrek daaraan leidde in de periode 1920-1923 in Duitsland tot biljetten met bijna astronomische waarden. In tegenstelling tot hun schijnbare aantrekkelijkheid waren ze echter allesbehalve geliefd bij de bevolking en hebben zij er voor gezorgd dat inflatiebestrijding vandaag een van de hoofdtaken is van de Europese Centrale Bank in Frankfurt.
 

 

Na de voorlopers en de biljetten die verbonden kunnen worden met een specifieke periode of gebeurtenis, komen de Belgische biljetten aan bod. De herkenbaarheid, de losgeweekte herinneringen - ik verdiende toen zoveel per jaar; ons huis kostte maar... ; in de tijd van Gutt...; die heb ik nog gekend... - en de aangename ontdekking dat je eigen gemeente of stad ook biljetten heeft uitgegeven is voor heel wat mensen de aanzet om terug te keren met kinderen, kleinkinderen of vrienden. Het bezoek aan de afdeling over het Belgische biljet wordt afgesloten met een korte videofilm over de werking van de drukkerij.
 

 

De laatste Belgische munten en biljetten zijn intussen geslagen en gedrukt en de Europese eenheidsmunt heeft, althans in girale vorm, haar intrede gedaan op 1 januari 1999. Dat de Europese eenheidsmunt er niet zomaar gekomen is, wordt duidelijk aan de hand van een reeks tekst- en fotopanelen over de Europese economische en monetaire eenmaking. De bezoeker kan zich in een aparte eurozaal vertrouwd maken met de euro en de taken van de Europese Centrale Bank en het Europees Stelsel van Centrale Banken. Aan de hand van meerkeuzevragen en een met fouten doorspekte tekst kan de bezoeker zijn eurokennis testen. Door de contrasterende opstelling van de 8 euromunten en de 7 ontwerpen voor de eurobiljetten enerzijds en de verzameling munten en biljetten in omloop in de landen van de eurozone anderzijds wordt de blik van de bezoeker gericht naar zijn nieuwe economische en monetaire ruimte, de Europese Unie.

 

 

Een blik in de permanente tentoonstelling

 

 

Ossen, zout, hakken en bijlen
 

 

Deze voorwerpen zijn enigszins verrassend in een geldmuseum, maar ooit werden ze gebruikt om mensen te betalen. Niet alles was in alle omstandigheden even geschikt als ruilmiddel. Zo kon vee geliefd zijn in vele Afrikaanse culturen en kon de os uitgroeien tot rekeneenheid in de tijd van de Griekse schrijver Homerus, maar voor reizende handelaren was vee veel minder aangewezen. Zij hadden behoefte aan ruilmiddelen die algemeen aanvaard werden, die bovendien niet al te omvangrijk waren en niet onderhevig aan bederf. In ons dagelijks taalgebruik vinden we af en toe nog restanten van deze gebruiken. Zo verwijst ons woord salaris naar het veelgebruikte betaalmiddel zout (Latijn sal, franse sel). Niet alleen in het oude Rome werden soldaten en officieren betaald met zout, maar zowat overal ter wereld vinden we sporen terug van zout als handelswaar, element van rijkdom, waardemeter en betaalmiddel. Marco Polo bijvoorbeeld vermeldt in zijn 14de-eeuwse verslag over zijn reis naar China geperst en officieel gestempeld zout, waarvan veertig baren in waarde gelijk waren aan één baar goud. Niet alle voorwerpen maakten echter evenveel kans om door te groeien tot een echt betaalmiddel. Om praktisch bruikbaar te zijn, moet geld op zijn minst draagbaar, deelbaar, herkenbaar en duurzaam zijn. Het is dan ook niet te verwonderen dat metaal in grote delen van de wereld die taak op zich nam. Als gongen, zwaarden, messen, bijlen, hakken, kogels, platen enzovoort werd metaal verhandeld en begeerd. Eens deze ruilmiddelen door iedereen aanvaard werden en ook een min of meer vaste waarde vertegenwoordigden, kon hun gebruikswaarde plaats ruimen voor een symbolische waarde. In China circuleerden bronzen hakjes en mesjes die almaar kleiner werden en steeds minder gingen lijken op het origineel. In de derde eeuw vóór Christus vertoonde het uiteinde van de mesmunten zelfs een opvallende vormovereenkomst met de Chinese standaardmunten die in 221 vóór Christus, op bevel van de eerste Chinese keizer werden ingevoerd.
 

 

Deze ronde munten met een vierkante uitsparing worden in het Westen 'cashmunten' genoemd, maar dit heeft niets te maken met de huidige betekenis 'contant betalen'. Voor de productie van hun munten gebruikten de Chinezen mallen waarin enkele tientallen munten tegelijkertijd konden worden gegoten. Als de munten niet werden afgebroken van de stam, konden ze zo op stap met een hele muntjesboom.

 

 

Zwaar om dragen
 

 

Het stenen geld van Yap, een eilandengroep in Micronesië, is waarschijnlijk een van de meest in het oog springende betaalmiddelen ter wereld. Het is een mooie illustratie van de diversiteit van materiaal, formaat en factoren die een rol kunnen spelen bij de waardebepaling van een betaalmiddel. De aragonietsteen in het museum behoort zeker niet tot de grootste exemplaren maar is met zijn diameter van ongeveer 50 cm en een dikte van zowat 10 cm in het midden niet bepaald een betaalmiddel om overal bij de hand te hebben. De verscheidenheid in het formaat komt nog duidelijker tot uiting als men de grootste steen met een diameter van 4,10 meter en een gewicht van ongeveer 15 ton vergelijkt met exemplaren van amper een paar centimeter. De ronde tot ovalen stenen met een opening in het midden ontlenen hun waarde deels aan de relatieve zeldzaamheid van het gesteente - aragoniet komt immers niet voor op Yap - , deels aan de inspanningen en de risico's verbonden aan het verkrijgen van deze stenen. De eilandbewoners gebruikten aanvankelijk de stenen voor tal van betalingen maar omwille van hun formaat zijn deze stenen niet echt geschikt voor intensieve circulatie. In de loop van de 20ste eeuw ontwikkelden zij een systeem waarbij bepaald werd dat naast de Amerikaanse dollar voor dagelijks gebruik hun aragonietstenen het enige betaalmiddel waren voor het regelen van schadevergoedingen en de aankoop van gronden en woningen.
 

 

Ietwat lichter misschien dan een aragonietsteen uit Yap, maar in ieder geval nog veel te zwaar voor een elegante geldbeurs zijn de Zweedse 'plâtmynte'. Tijdens de eerste helft van de 17de eeuw raakte Zweden verwikkeld in een aantal geldverslindende opstanden en het land zocht en vond een alternatief muntmetaal. Kopererts was in grote hoeveelheden beschikbaar. Overstappen op koper voor munten met een lage waarde leek de juiste oplossing en na een periode van technische problemen kwam er een massale productie op gang van hele, halve en kwart öres. Op tien jaar tijd werden er niet minder dan 100 miljoen kopermuntjes geslagen voor een bevolking van amper iets meer dan 1 miljoen inwoners. Na verloop van een paar jaar liet het gebrek aan grotere zilvermunten zich fel gevoelen zodat men zelfs voor relatief kleine aankopen verplicht was talloze munten te verhandelen. Technisch was het echter niet mogelijk grote ronde kopermunten te gieten zodat in 1644 werd gekozen voor rechthoekige platen. De hoogste waarde, 10 daler silvermynt, had een 'draagbaar' gewicht van 19,7 kg en mat ongeveer 30 x 70 cm. Behalve hun duidelijke herkenbaarheid hadden deze koperplaten nog een extra voordeel: ze konden zowel gebruikt worden als geld of als handelswaar. Steeg de prijs van het koper, dan kon de bezitter een meerwaarde krijgen voor zijn platen, daalde de prijs dan gold nog altijd de nominale waarde.

 

 

Papier: vliegend geld
 

 

We kunnen niet om China heen als het om papier en het bedrukken ervan gaat. Ook het oudste papiergeld hebben we aan de Chinezen te danken. Wanneer de eerste biljetten zijn uitgegeven, is nog niet te achterhalen maar de oudste bewaarde biljetten dateren uit de jaren 840. Of deze biljetten lange tijd in circulatie bleven, is evenzeer een raadsel, maar papiergeld of vliegend geld, zo genoemd omdat het zo licht was in vergelijking met een gelijke waarde in munten, werd ook uitgegeven tijdens de Yuandynastie gesticht door de Mongool Kublai Khan (1214-1294).
 

 

Marco Polo geeft een gedetailleerd verslag over de productie van dit papiergeld. Het gaat ongeveer als volgt: 'Het is in de stad Khanbalik dat de Grote Khan zijn Munt heeft, en zij is zo georganiseerd dat je wel kan zeggen dat hij de kunst van de alchimie beheerst. Je moet weten dat hij geld voor hem gemaakt heeft uit de bast van de moerbeiboom, dezelfde boom die de blaren levert voor de zijdewormen. De bast tussen de schors en het hout wordt er afgetrokken, verbrijzeld en met de hulp van lijm platgedrukt in vellen, zoals vellen katoenpapier die helemaal zwart zijn... De procedure van uitgifte is even formeel en gezaghebbend alsof ze gemaakt zijn van puur goud of zilver. Op elk stuk geld schrijven speciaal aangeduide ambtenaren hun naam en zetten hun eigen stempel. Wanneer dit naar behoren is uitgevoerd, doopt de door de Khan aangestelde chef van de ambtenaren zijn zegel in de kleurstof en stempelt het bovenaan zodat de vorm van het zegel er in vermiljoen op gedrukt wordt. Dan is het geld authentiek.'
 

 

Het biljet in onze collectie dateert uit de Ming-dynastie (1368-1644) maar een precieze datering is onmogelijk. Wat staat er eigenlijk op vermeld? De naam van de stichter van de dynastie Hung Wu, de waarde 1 Kuan of 1000 cash in karakters en in 10 muntstapeltjes. De tekst onderaan zegt verder dat het biljet geldig is in het hele keizerrijk, dat namaak bestraft wordt met de dood en dat diegene die een vervalser kan aanwijzen al zijn bezittingen krijgt.

 

 

Draagbaar maar brandbaar
 

 

Zolang de omstandigheden niet noopten tot een versnelde invoering van geld dat uitsluitend op vertrouwen berust, bleef men in Europa gehecht aan metaalgeld met een eigen intrinsieke waarde. In het midden van de 17de eeuw was de tijd evenwel rijp. Om een uitweg te vinden uit een Zweedse monetaire impasse werd de invoering van papiergeld mogelijk gemaakt. Er was een nijpend tekort aan geschikte betaalmiddelen en Johan Palmstruch vroeg toestemming om een privé-bank op te richten die zich ook mocht inlaten met kredietverleningen. De depositocertificaten van de Stockholms Banco werden slechts in beperkte mate als betaalmiddel gebruikt, want Palmstruch had één moeilijkheid over het hoofd gezien. De depositocertificaten waren rentedragend zodat bij elke verhandeling interest berekend en betaald moest worden. Vijf jaar later, in 1661, verkreeg de privé-bankier een exclusief emissierecht voor niet-rentedragende bankbiljetten, de zogenaamde kreditivsedlar. Deze biljetten duidden ronde bedragen aan, waren omwisselbaar in koper en werden uitgegeven zonder dat er een deposito van metaalgeld tegenover stond. Het moderne bankbiljet was een feit. Het Zweedse bankbiljet van 100 daler silvermynt in het bezit van het museum dateert uit 1666 en de 8 handtekeningen met de daarbijbehorende zegels en het stempel van de bank in drievoud zijn een duidelijke poging om het biljet te beveiligen en het vertrouwen van het publiek te behouden.

 

 

Ons huisproduct
Een korte geschiedenis van de thematiek

 

 

Reeds van bij haar oprichting in 1850 beschikte de Bank over een drukkerij. De organisatie van de chartale geldomloop was een van de sleuteltaken die toenmalig minister van financiën Frère-Orban aan de nieuwe instelling toevertrouwde. De Nationale Bank stelde haar loketten open van het ogenblik dat de biljetten beschikbaar waren, met name 2 januari 1851. Van bij het begin was de Bank uiterst waakzaam voor de kwaliteit van haar 'uithangbord': exclusief watermerk, 'handgemaakt' papier van zuivere lompen, souche, manuele nummering en zelfs, op de allereerste reeks... de originele handtekening van de gouverneur! De Bank moest immers het vertrouwen van het volk winnen en het vooral geruststellen. Het staat trouwens vast dat de eerste uitgiften van de Nationale Bank niet gericht waren naar het grote publiek, dat weigerachtig stond tegenover dat betaalmiddel, maar wel op de grote commerciële transacties en de discontoverrichtingen. De vijf biljetten van 1851 gingen van 20 frank tot 1.000 frank, omgerekend naar de hedendaagse koopkracht het equivalent van zowat 150.000 frank.

 

 

Deugden in de vorm van allegorieën
 

 

Die eerste biljetten blijven ons verrassen, niet alleen door de handgeschreven vermeldingen of het zegelrechtstempel maar ook door hun grafisch ontwerp, dat totaal verschilt van onze huidige biljetten. Op esthetisch vlak leunde het biljet aan bij de aandelen: de tekst kreeg een belangrijke rol toebedeeld. Hij eiste het middelste deel van de compositie volledig voor zich op en werd met een versierde rand omkaderd. Dat alles werd gedrukt in zwarte inkt. De achterzijde van het biljet was op dezelfde manier bedrukt: dezelfde motieven maar in spiegelbeeld, waaraan ter beveiliging een lichte kleurtint werd toegevoegd.
 

 

De figuren in het kader winnen traag maar zeker aan belang, tot ze de gehele oppervlakte bestrijken. Tot de Eerste Wereldoorlog gaat het onveranderd over allegorieën waarin bovendien bepaalde constanten kunnen worden onderscheiden. Zo wordt België op biljetten uit die periode nagenoeg altijd afgebeeld in heraldische vorm, in allegorische vorm of in een combinatie van de twee. De allegorieën voor de natie nemen de vorm aan van een leeuw of van een vrouw zittend op een troon of gehelmd en gepantserd als Minerva. Het kan niet verbazen dat de allegorieën rond economische thema's de kroon spannen: Mercuriusstaffen, symbolen van de god Mercurius (beschermer van de handel en het bankwezen), hoornen des overvloeds, bijenkorven (symbool voor de arbeidsgemeenschap) of ook wel allegorieën 'geënt op de Oudheid'. Soms gaat het om antieke goden (Ceres, Mercurius,...), dan weer om soms moeilijk te definiëren allegorieën: de Arbeid, de Landbouw, de Veiligheid, de Vooruitgang en vooral de Handel en de Industrie. Op de biljetten worden deze laatste allegorieën meer dan eens weergegeven door de verpersoonlijking van de Maas en de Schelde. Op vormelijk vlak kunnen mannelijk en vrouwelijk worden geassocieerd en voor het evenwicht van de compositie kunnen liggende figuren worden gebruikt. Maar bovenal zijn die rivieren eng verbonden met de steden Antwerpen en Luik. Het biljet benadrukt dus de band die Vlaanderen en Wallonië verenigt. Ten slotte worden de beide steden ook gekenmerkt door hun hoofdactiviteit: Antwerpen door zijn handelsactiviteiten (de haven) en Luik door zijn industriële bedrijvigheid (het Maasbekken). Af en toe maakt de allegorie plaats voor duidelijkere beelden: tandraderen, schoorstenen, landbouwwerktuigen, aambeelden,... of, bij grote uitzondering, modernere voorwerpen zoals een kolenwagen, een locomotief of een dynamo.
 

 

Behalve die economische thema's zien we in de allegorieëngalerij ook vaak elementen opduiken zoals een paleis- of beursfaçade, symbool voor alle deugden en talenten waarop de staat berust: Wetenschap, Kunst, Justitie, Wet,... De meest geslaagde en mooiste composities in die stijl zijn van de hand van Hendrickx die het eerste tweetalige biljet (50 frank, 1887) illustreert.

 

 

Van het overwicht van het beeld naar de dominantie van het reële
 

 

Onder invloed van vernieuwende kunstenaars zoals Louis Titz en vooral Constant Montald ondergaat het biljet op het einde van de eeuw een ware metamorfose: het beeld neemt een steeds grotere plaats in en het verband met de tekst wordt wetenschappelijker en harmonieuzer. In 1894 zorgt de drukkerij van de Bank voor een Europese primeur door het gebruik van Lambert-drukpersen die het mogelijk maken om tijdens een enkele doorgang in vierkleurendruk te drukken.
 

 

De Eerste Wereldoorlog is een echt scharniermoment voor het Belgische biljet. Op de laatste biljetten uitgegeven vóór het uitbreken van het conflict en op de coupures die tijdens de oorlog door de Generale Maatschappij worden uitgegeven, zijn voor het eerst portretten te zien: die van koning Leopold I, zijn echtgenote Louise-Marie en P.P. Rubens. En men gaat verder op de ingeslagen weg. Het portret van koning Albert en koningin Elisabeth staat in medaillonvorm op alle biljetten van de 'nationale' reeks gedrukt. Die zucht naar het reële blijkt ook uit de voorstelling van echte arbeiders in plaats van allegorieën en van nauwkeurig weergegeven landschappen. Men kan dan ook niet anders dan het verband leggen tussen die nieuwe geest en de sociale en politieke emancipatiebeweging die volgt op de Eerste Wereldoorlog. In 1927 wordt het thema 'arbeid' verder uitgewerkt, nu door de markante expressionist Anto Carte die op het 50 frank-biljet een boerin met krachtige gelaatstrekken portretteert. In een context van devaluatie en crisis wordt in 1929 het eerste biljet van 10.000 frank uitgegeven en neemt de Schatkist de biljetten van 20 frank en nadien 50 frank over. De Nationale Bank zal die schatkistbiljetten blijven drukken tot ze in 1989 definitief uit omloop worden gehaald.
 

 

Op het laatste biljet dat verschijnt vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog staan de Maas en de Schelde afgebeeld, samen met een jongetje dat speelt met een vis. Ondanks het ontkennen van tekenaar Emile Vloors menen velen er het Albertkanaal in te zien. Dat kanaal verbindt beide rivieren en het graven ervan, beëindigd in 1939, was een belangrijke economische inzet. Het motief zal terugkeren op het grootste deel van de biljetten die tijdens de bezetting in Engeland werden gedrukt en in omloop werden gebracht op het ogenblik van de Gutt-operatie in 1944.

 

 

De heerschappij van het portret
 

 

Het ons zo bekende biljet met portret heeft slechts een geschiedenis van een vijftigtal jaar, en dan betrof het nog alleen maar portretten van onze overleden vorsten. De Eeuwfeestreeks (1950-1952) was vernieuwend doordat ze grote nationale figuren koppelde aan koninklijke portretten: minister Frère-Orban, ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van de Nationale Bank van België, en sluiswachter Geeraert, een held uit de Eerste Wereldoorlog. Het was het begin van een nieuwe trend. Op de drie reeksen die de geschiedenis van het Belgische biljet vervolledigen, waren steeds belangrijke personen uit onze geschiedenis of cultuur van de partij. Van Mercator tot Magritte, via Vesalius, Grétry en Van Orley: niet minder dan zeventien kunstenaars, wetenschappers of uitvinders van de 16de tot de 20ste eeuw verrijken deze nationale bloemlezing. Vanaf 1964 doet het portret van de regerende vorst en nadien van het koninklijke paar opnieuw zijn intrede. Het vorstenpaar werd door de Nationale Bank ook op de jongste twee biljetten van 10.000 frank gehuldigd.

 

 

Beveiliging tegen namaak
 

 

Een bezoek aan de bedrijfslokalen of de drukkerij waar de biljetten van de persen rollen, is helaas niet mogelijk. Een videofilm over de productie van het Permeke-biljet biedt evenwel een waardig alternatief. Gedurende een twaalftal minuten wordt de bezoeker ondergedompeld in een wereld van hoogtechnologisch veiligheidsdrukwerk. De ongeveer 150 miljoen biljetten per jaar rollen niet zomaar van de persen. Een jarenlange voorbereiding op het vlak van ontwerp, beveiliging en techniek gaan aan de eigenlijke productie vooraf. Zolang er enkel sprake was van Belgische biljetten speelden alle fasen van ontwerp tot realisatie zich af binnen de streng bewaakte omgeving van de drukkerij. De eigenheid van een biljet begint reeds bij het basismateriaal, het papier. Voor de productie van dit papier is gebruik gemaakt van katoenvezels die zorgen voor de uitzonderlijke stevigheid. Het watermerk, de metaaldraad en een willekeurig aantal fluorescerende vezeltjes worden aangebracht in de papierpap. De fluorescerende vezels zijn niet zichtbaar met het blote oog, maar wel met UV. Eens het papier geleverd en grondig gecontroleerd is, kan het ingewikkelde drukproces van diepdruk, offset, zeefdruk en hoogdruk beginnen.
Het meest in het oog springende element op een biljet is het portret. Aan de keuze van de personages gaan lange discussies vooraf. Eerst en vooral moet een thema gekozen worden, de huidige reeks bijvoorbeeld heeft als thema '19de-eeuwse kunstenaars met een belangrijke invloed op de kunst van de 20ste eeuw', eerder kwamen al 19de-eeuwse kunstenaars en 16de-eeuwse wetenschapslui aan bod. Na de keuze van het thema moeten, rekening houdend met de Belgische taalgevoeligheden, de personages worden ingevuld. Behalve de dynastie met koning Albert II en koningin Paola op het biljet van 10.000 frank, komen ook nog de schilderkunst, de muziek en de architectuur aan bod. Bij het betasten van het biljet - hoe nieuwer hoe duidelijker - voelt men dat het portret er in reliëf uitkomt.Het portretgedeelte, net als enkele andere motieven, wordt gedrukt volgens de diepdruktechniek. Met behulp van etsnaalden en burijnen brengen de graveerders het portret aan in een metalen plaat. Op het ogenblik van het drukken wordt de eigenlijke drukplaat overgoten met een zeer dikke inkt die zich vastzet in de uitgegraveerde gedeelten. De combinatie van de dikte van de inkt en de vervorming die het papier tijdens het drukproces ondergaat, geeft het reliëf. Een ander element dat volgens dezelfde techniek is gedrukt, is de streepjescode voor blinden en slechtzienden. Aan de hand van een vrij eenvoudig spel van horizontale en verticale streepjes kunnen zij in de linkerbovenhoek de waarde op de tast aflezen.

 

 

De achtergrond van een biljet wordt gedrukt in offset, maar om de mogelijke vervalsers een stapje voor te blijven, worden in de offsetpers voor- en keerzijde gelijktijdig bedrukt. Dankzij de uitzonderlijke drukprecisie kon een nieuw veiligheidskenmerk ingebouwd worden: het doorkijkregister. Elk biljet bevat in de rechterbenedenhoek een gedeeltelijk ingekleurd motief, zoals bijvoorbeeld een stoel voor het Horta-biljet van 2000 frank. Op de keerzijde komt datzelfde motief terug, maar nu zijn de resterende delen ingekleurd. Als het biljet tegen het licht wordt gehouden, vullen de elementen langs beide zijden mekaar precies aan, zodat men een volledig gekleurde stoel ziet.
 

 

Bij nader toezicht kan men nog heel wat eigenaardigheden in een biljet ontdekken: met scherpe ogen of desnoods met de hulp van een loep vindt men op de meest eigenaardige plaatsen kleine lettertjes en in de rechterbovenhoek zit de waarde verborgen. In de niet ophoudende strijd tegen de illegale productie van biljetten probeerde de drukkerij eind de jaren tachtig de bijzonder aantrekkelijke kleurenwisseling van pauwenveren te imiteren en zij ontwikkelde het procédé van de optisch variabele inkt of de OVI die van kleur wisselt naargelang de invalshoek. De productie van het Belgische biljet is intussen volledig stopgezet ten voordele van de eurobiljetten die nog steeds met dezelfde uiterste zorg en technische perfectie van de persen rollen.

 


Praktisch
 


Het museum is elke maandag vrij toegankelijk van 10 tot 17 uur.
Tijdens de maanden juli en augustus is er ook van dinsdag tot vrijdag vrije toegang van 14 tot 16 uur. Het hele jaar door is er elke werkdag tussen 9 en 17 uur mogelijkheid tot geleid bezoek. Deze rondleidingen worden bij voorkeur telefonisch aangevraagd op het nummer 02/221.22.06.

 

Adres
Museum voor geld en geschiedenis van de Nationale Bank van België Wildewoudstraat 9 1000 Brussel

 

Correspondentie
de Berlaimontlaan 14 1000 Brussel
Tel.: 02/221.22.06
Fax: 02/221.31.60
e-mail: ingrid.vandamme@nbb.be


Auteursidentificatie

 

Chrisliane Logie is licentiate in de geschiedenis en in de rechten en conservator van het Museum van de Nationale Bank.

 

Marianne Danneel is doctor in de geschiedenis  (1992) en sinds 1989 odjunct-adviseur bij de Nationale Bank van België.

 

Ingrid Van Damme is licentiate in de Germaanse filologie (1979) en sinds 1989 verbonden aan het Museum.