U bent hier

Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren

Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren
Charles Girault (1851-1933). De tuingevel (eigenlijk de voorgevel) van het huidig Koninklijk Museum voor MiddenAfrika te Tervuren. 1910.

 


Inhoudsopgave:

1. Inleiding

2. Oorsprong en eerste historische ontwikkeling van de instelling 

3. De Afrikaanse ervaring van Belgische kunstenaars uit de 19e en 20e eeuw

4. Kongolese kunst in een Belgische context

5. De etnografische verzamelingen


1. Inleiding

 
Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika voorstellen aan het publiek van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, is mij een vreemde en moeilijke taak omdat dit museum in feite geen kunstmuseum is, dit wil zeggen niet opgericht en bestemd om kunstschatten te herbergen, te verzamelen en aan het publiek te tonen. Toch zijn er rechtstreeks en onrechtstreeks zovele kunststrekkingen en kunstuitingen met ons museum verbonden, dat de voorstelling ervan in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen ten zeerste gerechtvaardigd lijkt.
 
Het huidig Koninklijk Museum voor Midden-Afrika werd door koning Leopold II (1835-1909) opgericht in 1897, eerst als een tijdelijke tentoonstelling en als een onderdeel van de Brusselse wereldtentoonstelling in dat jaar gehouden.
 
Het doel ervan was in België belangstelling op te wekken voor de Kongo-vrijstaat, de handelsmogelijkheden tussen België en Kongo aan de Belgen te leren kennen en eventueel onze landgenoten aan te moedigen om een loopbaan in Kongo te kiezen. Om deze doeleinden te bereiken werd in het Park van Tervuren een tentoonstellingspaviljoen opgericht, het "Koloniënpaleis", samen met een openluchttentoonstelling van Afrikaanse dorpen en een reeks attracties voor het publiek.
 
Van uit het centrum van Brussel werd een grote laan met dubbele rijweg aangelegd, tot aan dit "Koloniënpaleis". Deze grootse Tervurenlaan omvatte dubbele rijstroken, gescheiden door een beplantingszone van ongeveer 40 meter breed ; doorheen het Zoniënwoud volgden deze rijstroken zelfs onregelmatig slingerende en niet evenwijdige trajecten met beukenwoud tussenin ; en vanaf het Rondpunt der Rododendrons zakte deze dubbele rijlaan in een volledig rechte strook van drie kilometer op het Koloniënpaleis toe. Aan de wondermooie laan is gelukkig, buiten de asfaltering der rijstroken en het normale vellen of opsnoeien der bomen, nagenoeg niets veranderd. De bouw van de Tervurenlaan en de ganse architecturale aanleg van het Park van Tervuren zijn nu nog steeds een merkwaardig voorbeeld van goede en kunstzinnige landschapsarchitectuur en van de grootse visie van Leopold II. Ze vormen nog altijd een attractiepunt in Tervuren.
 
Een tweede aspect van het museum als kunstcentrum betreft de rol die het speelde bij de doorbraak van de art nouveau in België. Alhoewel Leopold II streng de plannen controleerde van de bouwwerken en van de algemene aanleg van het park en het museum te Tervuren, liet hij voor de binneninrichting van de zalen, vooral van het oude Koloniënpaleis, volledig de vrije hand aan een niet gering aantal kunstenaars, meubelontwerpers en binnenhuisdecorateurs.
 
Het interieur was dan ook op verscheidene plaatsen een juweeltje van art nouveau en de Kongotentoonstelling heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de doorbraak van deze kunststroming in België. Jammer genoeg is veel van dit meubilair bij veranderingen en verbouwingen verloren gegaan en werden de overblijvende stukken samen met de zeer belangrijke chryselefantiene (uit ivoor en goud) sculpturen in 1967 aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (Brussel) overgemaakt. Jammer genoeg is deze kunststroming dus thans niet meer in ons museum vertegenwoordigd.
 
De aanvankelijk tijdelijke Kongotentoonstelling in het Koloniënpaleis werd, gezien het grote succes, reeds in 1898 tot een permanente tentoonstelling omgevormd. Dra bleek het oorspronkelijk gebouw veel te klein en in 1910 werd een nieuw en groter gebouw, het huidig museum, ingehuldigd.
 
Daarbij bleef het Koloniënpaleis wel behouden doch niet meer als tentoonstellingszaal.
 
De parkaanleg werd volledig herwerkt tot mooie Franse tuinen. De totale landschapsarchitectuur werd er alleen door verbeterd.
 
Ook werk van Belgische kunstenaars in het buitenland vormt een interessante kunstcollectie in het museum.
 
Het is overbekend dat het licht, de kleurenrijkdom, de natuur en het exotisme van de tropen vele kunstenaars hebben beïnvloed en de Belgische kunstenaars die geconfronteerd werden met de Afrikaanse wereld maakten hierop geen uitzondering. Vele schilders en beeldhouwers reisden naar Afrika om er inspiratie op te doen of hoorden voor de eerste maal de roep van de muze in Afrika en werden er zich bewust van hun kunstenaarsgaven. Trouw aan een van de opdrachten van het museum om zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de Belgen in Afrika en hun vroeger werk en leven in de tropische wereld, werden deze schilderijen, aquarellen, beeldhouwwerken, enz. van Belgische kunstenaars in ons museum verzameld.
 
Wegens plaatsgebrek kunnen deze voorlopig niet tentoongesteld worden, maar in tal van zalen zijn wandschilderingen van Afrikaanse landschappen bewaard die bij de bouw van het museum werden aangebracht en die zowel een kunstwaarde als een historische waarde hebben.
 
De belangrijkste kunstvorm in ons museum is wel de zogenaamde primitieve kunst of de oorspronkelijke kunstvormen van schriftloze volkeren en stammen uit de ontwikkelingswereld. Hier dient echter duidelijk gesteld dat de etnografische voorwerpen tentoongesteld in het museum in wezen geen kunstvoorwerpen zijn, maar de gewone gebruiksvoorwerpen, materiële getuigen van de cultuur van de bestudeerde volkeren. Aldus vinden wij in de tentoonstellingen zowel voorwerpen gebruikt in het gewone dagelijkse leven, zoals bekers, kammen, stampers, weefsels, pijpen, drinkbekers, bijlen, messen, als voorwerpen dienstig bij godsdienstige en andere rituelen, zoals maskers, voorouderbeelden, mythologische figuren, enz. Vele van deze voorwerpen zijn gewoon vervaardigd voor het gebruiksdoel, zonder enige vormverfijning en daarbij stijgen ze dan niet boven het niveau van de gewone etnografica uit.
 
Soms echter werden deze objecten vervaardigd door een vakman of beeldhouwer die meer kon en wou dan alleen maar een gebruiksvoorwerp maken en die dan aan deze stukken -binnen de beperkingen van functie, vorm en stijl, eigen aan voorwerp en stam - juist deze verfijnde afwerking en harmonie van vorm wist te geven, dat we niet meer gewoon van een gebruiksvoorwerp, maar wel degelijk van een kunstvoorwerp kunnen spreken. Bij de selectie van de tentoongestelde voorwerpen in ons museum viel de keuze zeer dikwijls op de mooiste en de meest kunstzinnige.
 
We mogen hier dus stellig spreken van tentoonstellingen van primitieve kunst, doch dan vooral in die zin dat het gaat om etnografica met een universele kunstwaarde.
 
Ten slotte moeten we hier nog de tentoonstellingen over de prehistorie van Afrika vermelden. Ook bij de prehistorische voorwerpen, bij voorbeeld de pijl- en speerpunten uit het steentijdperk, vinden we een verscheidenheid en een symmetrie van vormen, die duidelijk aantonen dat de prehistorische mens ook reeds streefde naar een verfijning en een verfraaiing van zijn gebruiksvoorwerpen, een kunstvorm reeds beoefend lang vóór de eerste rotstekeningen vervaardigd werden. Naast deze verschillende tentoonstellingen en aspecten van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren, waarbij rechtstreeks of onrechtstreeks kunstvormen en kunstuitingen verbonden zijn, wensen wij nog zeer kort het multidisciplinaire karakter van dit museum te benadrukken.
 
Zo komt het dat de bezoeker ook nog tentoonstellingen aantreft over de flora en de fauna van Afrika, over de geologische samenstelling en vormgeving van de aarde, over economisch belangrijke gewassen en produkten uit de derde wereld en over de geschiedenis van de Belgische exploraties in Afrika. Ook hier kan de kunstminnende bezoeker een aangenaam en leerrijk bezoek brengen.
 
 
Dirk F.E. Thijs van den Audenaerde,
directeur a.i. van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren.

2. Oorsprong en eerste historische ontwikkeling van de instelling

 

Het gebouw van Charles Girault (1851 - 1933)

 
Van 1884 af, dus nog vóór het tot stand komen van de Onafhankelijke Kongostaat (1885) vernemen wij echo's over het verzamelen van Afrikaanse collecties en het inrichten van een museum te Brussel.
 
Zoals gewoonlijk moeten we echter wachten tot internationale exposities de materiële mogelijkheid tot verwezenlijking scheppen.
 
Te Antwerpen kreeg men in 1894 de gelegenheid kennis te maken met allerlei objecten van Afrikaanse bodem. Edmond van Eetvelde (1852-1925), de kunstzinnige staatssecretaris van de Kongostaat, besloot dat deze voorwerpen de kern zouden vormen van een museum te Brussel. Ter aanvulling werden ook nog in Afrika collecties bijeengebracht.
 
En weer naar aanleiding van een (ditmaal Brusselse) wereldtentoonstelling, werd in 1897 een .verzameling over Afrika samengesteld ; en wel in een specifieke afdeling, heerlijk gesitueerd in het park te Tervuren. Wat men toen in die vorstelijke residentie te zien kreeg, overtrof alles wat men reeds in België op gebied van Afrika had meegemaakt.
 
De blikvanger van Jan Publiek lag in de drie dorpen die men langs de Sint-Hubertusvjjver had gebouwd, overdag en bij goed weer bevolkt met 267 speciaal naar België overgekomen Kongolezen.
 
Voor de verder geïnteresseerde bezoeker was, op de plek waar het in 1879 afgebrande paviljoen van de Prins van Oranje had gestaan, een "Koloniënpaleis" voorzien, een neoklassiek uitziend gebouw van architect Ernest Acker (1852-1912). Voor de binnenarchitectuur had Van Eetvelde echter vier kunstenaars aangesproken die naam zouden maken in de "Nieuwe Stijl" : Paul Hankar (1859-1901), Henry van de Velde (1863-1957), Gustave Serrurier-Bovy(1856-1910) en Georges Hobé (1854-1936).
 
Zij en hun artistieke medewerkers stelden een tentoonstelling samen die een mijlpaal betekent in de kunstgeschiedenis en van waaruit de "stijl 1900" België en het buitenland beïnvloedde.
 
Afrikaanse elementen - fauna, flora, inheemse kunst -werden in het werk van deze decorateurs ingevlochten, vandaar de benaming "Kongostijl".
 
Kongolese grondstoffen vonden ook een toepassing : exotisch hout en het rijke ivoor. Leopold II stelde dit ivoor ter beschikking van Belgische kunstenaars.
 
Dit betekende een enorme stimulans voor de ivoorsculptuur, die hierdoor een opbloei kende. In het eresalon werd deze herbronde sculptuur, die de naam "chryselefantien" droeg omdat er bij vele kunstwerken naast ivoor ook "goudversiering" te pas kwam, in volle praal vertoond. Daarnaast kreeg men zalen te zien gewijd aan de militaire geschiedenis van Kongo (de recente operaties tegen de slavenhandel), aan de volkenkunde, de fauna, de geologie, de flora (in een tropische serre), aan de in- en uitvoer van en naar Kongo en aan de grote landbouwculturen.
 
Met de enorme volkstoeloop te Tervuren hadden de voorstanders van de Belgische aanwezigheid in Midden-Afrika - en ook Leopold II - hun slag thuisgehaald.
 
Zoals in uitzicht gesteld, kreeg het "Koloniënpaleis" een blijvende bestemming. In de lente van 1898 werd er het nieuwe Kongomuseum opengesteld. Het had een dubbel karakter : economisch en wetenschappelijk. Enerzijds werden de Belgische exporteurs op de hoogte gebracht van de handelsmogelijkheden in de onlangs verworven territoria in Afrika en anderzijds kreeg de bezoeker een breed overzicht van land en volk aldaar. Een reeks publikaties, de "Annalen" van het Kongomuseum, droeg de naam van de nieuwe instelling uit over de gehele wetenschappelijke wereld. Spoedig groeiden de verzamelingen dusdanig dat Leopold II, die op de wereldtentoonstelling te Parijs in 1900 het nieuwe "Petit Palais" van architect Charles Girault had bewonderd, deze laatste aanwierf om te Tervuren een heel complex te bouwen met een Kongomuseum, een Museum voor het Verre Oosten en de zogenaamde "Ecole Mondiale", het onderwijscentrum dat landgenoten zou opleiden voor hun taak overzee.
 
Wegens het overlijden van Leopold II op 17 december 1909 en de daaropvolgende besparingspolitiek, werd alleen het Kongomuseum verwezenlijkt. Met de bouw van de school - in 1905 begonnen - geraakte men niet verder dan de funderingen. Het Oost-Aziatisch Museum bleef zelfs in de plannen steken. Op 30 april 1910 werd het Kongomuseum door koning Albert I (1875-1934) plechtig geopend. Alhoewel het economisch aspect niet werd verwaarloosd, viel de nadruk vooral op het wetenschappelijk onderzoek. Het "Museum van Belgisch Kongo" (sedert de overname van Kongo door België in 1908) was nu gevestigd in een gebouw dat de bezoekers geweldig trof door de grootsheid van zijn afmetingen en het luxueuze van de binnendecoratie en van de tentoonstelling. De pers was zeer lovend, al betreurde een Vlaamse krant dat de zuiver Franse stijl van de constructie niet paste tussen de heerlijke stadhuizen van Brussel en Leuven. Iedereen moest echter wel toegeven dat het een waardig symbool was voor de jonge overzeese activiteit van ons land.
 
In 1928 werd de wetenschappelijke bedrijvigheid nog wat vaster omlijnd, zodat het museum dan officieel de volgende afdelingen behelsde : de morele, politieke en historische wetenschappen ; de economie ; de volkenkunde ; de antropologie en voorgeschiedenis ; de geologie en mineralogie ; de zoölogie en entomologie ; de botanica. Giften, aankopen en studiereizen verrijkten het bestand van het Museum van Belgisch Kongo dat, volgens de administratieve terminologie als taak had alle voorwerpen te verzamelen die betrekking hadden "op de politieke, morele, wetenschappelijke en economische geschiedenis van de kolonie" (K.B. 18.5.1928).
 
In die lijn ging de activiteit steeds breder en dieper, met als resultaat dat voor wie zich op een van die gebieden wilde toeleggen, een studie van hetgeen op het inmiddels (1952) "koninklijk" geworden museum bewaard werd, een "must" was.
 
 
Dr. M. Luwel,
departementshoofd bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren,
hoofd van de afdeling Geschiedenis van de Belgische aanwezigheid in het buitenland.

3. De Afrikaanse ervaring van Belgische kunstenaars uit de 19e en 20e eeuw

 
Traditioneel aanvaardt men Edouard Manduau (1855-1937) als eerste "koloniale" schilder. Als luitenant bij de handelsvloot nam hij in 1884 dienst bij de "Association Internationale du Congo", de voorloper van de Onafhankelijke Kongostaat. Zijn reizen gaven hem de gelegenheid de stroom, de plantenweelde en de langzaam oprukkende blanke aanwezigheid vast te leggen. Realistische beschrijvingen waren het zeker, waaraan men echter een vleugje kunst niet kan ontzeggen.
 
De eerste Belgische kunstschilder die naar Kongo trok, was de tot de Antwerpse school behorende Frans Hens (1856-1928). Avontuurlijk van geest, trok hij er tweemaal op uit naar de Verenigde Staten en tweemaal naar Midden-Afrika, uitlaatklep voor vele landgenoten die het wat benauwd hadden binnen de eigen landsgrenzen. Vermits hij geen officiële zending kon verkrijgen bij de organismen die de Leopoldiaanse expansiepolitiek realiseerden, deed hij het op eigen kosten.
 
Hij bereikte in 1886 het station Isangila tussen Matadi en de Stanley Pool en in 1887-1888 het station van de Bangala op de bovenstroom. De collecties vissen en planten die hij ginder aanlegde, werden met veel interesse in de wetenschappelijke middens bestudeerd en zijn naam wordt herhaaldelijk bij de eerste verzamelaars geciteerd.
 
Zijn zin voor exactheid vindt men terug in de potloodschetsen die hij tijdens zijn verblijf in de tropen maakte. Zij vormen de basis voor latere aquarellen en meer monumentale schilderijen. In de schetsen werkt Hens evenwel wetenschappelijk het nauwkeurigst. Toch geven de aquarellen het getrouwst de natuur weer, terwijl de schilderijen best passen in de wijze van schilderen van deze Vlaamse impressionist die ook in Kongo zijn uitgesproken voorkeur voor het landschap niet kon vergeten. Doch ook de autochtone mens interesseerde Hens, alhoewel etnografische optekeningen meestal slechts in schetsvorm bewaard bleven.
 
De Brusselaar Léon Dardenne (1865-1912) had meer geluk dan Frans Hens. Geboren als zoon van een niet onbemiddelde meesterkleermaker en amateur-schilder uit de Schildknaapstraat, liep Léon Dardenne school op de Academie voor Schone Kunsten van zijn vaderstad. Hij was een onregelmatige leerling, die het in schoolverband niet heel lang uithield en ten slotte een blijvende hekel aan de "meester" meekreeg.
 
Een eerste tentoonstellingssucces behaalde Dardenne in 1886 op het salon van de kunstkring "L'Essor" waar men de openhartigheid en de jeugdigheid van zijn bijdrage loofde. Van 1887 af zal hij meewerken aan het invloedrijke literaire tijdschrift "La Jeune Belgique" dat "de kunst om de kunst "-theorie voorstond. Geregeld tekende hij ook voor de krant "Le Petit Bleu" en voor het weekblad "Le Diable au Corps", twee vaste waarden in de Brusselse perswereld.
 
Heel onverwachts - tijdens een etentje met vrienden -kwam hij in contact met luitenant Charles Lemaire, een van die talrijke militairen die zich met enthousiasme ten dienste stelden van de expansiepolitiek van Leopold II in Afrika. Dardenne, de vlotte burgerzoon uit het levendige Brussel op het einde van de negentiende eeuw, liet zich aanmonsteren voor een belangrijke wetenschappelijke expeditie in Katanga, een officiële onderneming van de Onafhankelijke Kongostaat.
 
Dardenne genoot de bezoldiging van kapiteincommandant in het Kongolese leger, 6.000 fr. per jaar. Hij had een welomschreven taak, namelijk de wetenschappelijke resultaten van de expeditie illustreren, alsook de landschappen vastleggen in schilderij en tekening.
 
De reis duurde van 14 april 1898 (vertrek uit Brussel) tot 24 september 1900 (aankomst in Antwerpen). Dardenne had de gelegenheid kennis te maken met Afrika van Chinde in Mozambique tot Boma op de Kongostroom. Van uit Katanga, dat intensief werd bereisd, zond Dardenne zijn produktie naar Europa, met een zekere dosis ongerustheid om de risico's van zo'n transport. Zelf had hij de problemen van het reizen in Afrika leren kennen. Zijn astma speelde hem parten, hij ontsnapte niet aan de tropische ziekten en kon het niet goed stellen met luitenant Lemaire, de strenge commandant van de zending.
 
Dardenne legde zich met ijver op zijn opdracht toe : "vóór alles wens ik documenten mee te brengen", schrijft hij in zijn dagboek op 23 december 1898. En hij wijdde zich graag aan het minutieus weergeven van natuurkundige specimina, al vergde dat soms wel een dosis moed : "En ik, die in Europa reeds de geur van verse vis niet kon verdragen, ben nu gedwongen een rotte vis te tekenen !" (uit zijn dagboek, 22 oktober 1898).
 
Wanneer hij echter een landschap kan schilderen of tekenen, waarbij het sfeer scheppen primeert boven de exacte weergave, dan voelde Dardenne zich in zijn element. Vooral zijn aquarellen tonen hem op zijn best. Naast de olieverfschilderijen, die soms dof van kleur zijn, verrassen de aquarellen door een fris palet van duidelijk afgelijnde kleuren of zachtjes overvloeiende tinten.
 
Het landschap laat Dardenne toe de realiteit wat minder slaafs weer te geven. De mens wordt anderzijds eerder zelden behandeld. In zijn zeldzame etnografische tekeningen worden de personages tot in de bijzonderheden weergegeven, met haartooi en versierselen. Meestal zijn de menselijke gezichten echter slechts enkele vlekken in een natuur-of dorpsschilderij. Kenners zijn het erover eens dat Dardenne de Afrikaanse natuur getrouw heeft weergegeven, vooral de karakteristieke tonaliteit van het Katangese landschap. Zijn reis doorheen Equatoriaal Afrika gaf hem immers ruimschoots de gelegenheid om de Afrikaanse natuur in al haar facetten te leren kennen.
 
Hij nam deel aan de recepties die na de terugkeer van de expeditie werden gehouden in het vaderland, maar daar bleef het bij. De jolige gezel van vóór zijn Afrikaanse reis bestond niet meer. Hij trok zich terug uit de drukte van de hoofdstad en vertolkte indrukken uit de kuststreek waar hij veel verbleef. Uit zijn regelmatige medewerking aan de salons van "Pour l'Art" bleek duidelijk zijn innige verbondenheid met onderwerpen van eigen bodem. Kongo was een intermezzo geweest, zonder duidelijke, verdere beïnvloeding op zijn artistiek werk.
 
Andere schilders zijn in het museum vertegenwoordigd door werken waarvoor zij inspiratie vonden in de tropen.
 
In de zaal voor prehistorie bevindt zich het kleurrijke, traditionele "Panorama van Kongo" door Alfred Bastien (1873-1955) en Paul Mathieu (1872-1932), resultaat van een studiereis naar Kongo in 1911. Het is een verkleinde versie van het monumentale schilderij (15 x 115 m), dat in 1913 op de wereldtentoonstelling te Gent werd getoond en er een ongelooflijk succes beleefde.
 
Volgens J.-M. Jadot was Paul Mathieu de auteur van de landschappen en had Alfred Bastien gezorgd voor de volksscènes en mensentypes.
 
De Luikenaar Auguste Mambour (1896-1968), één van de zeldzame Waalse expressionisten, besteedde zijn Prijs van Rome (1923) voor een reis naar Belgisch Kongo. Hij ontdekte er een weelde aan sculpturale naakten, die hem nog verder stimuleerden in zijn drang naar het weergeven van figuren in eenvoudige uitdrukking, met "in hun scherp reliëf een ontroerende grootsheid" (A. de Ridder).
 
Floris Jespers (1889-1965) kwam eerst in 1952 in contact met Kongo en onderging er ten volle de invloed van volk en natuur. Hij ondernam nadien nog twee Kongo-reizen, die stuk voor stuk aanleiding waren tot een bijzonder creatief en fantasierijk expressionisme.
 
In de periode volgend op de Tweede Wereldoorlog richtte het museum talrijke tentoonstellingen in waarop het Kongolese werk van Belgische kunstenaars werd voorgesteld. Velen van die kunstenaars - zoals trouwens tal van literatoren uit die tijd - was de gelegenheid geboden om Afrika te bezoeken, sommigen hadden daar zelfs hun loopbaan opgebouwd of een studieverblijf gehad.
 
Onder diegenen die hun indrukken met penseel, met pen of met potlood hebben vastgelegd, vermelden wij Paul Daxhelet (1905), Jean-Marie Strebelle (1916), Jean Milo (1906), Luc Peire (1916), M. Roos (1916-1962), Pierre de Vaucleroy (1892 -1980), Jean van Noten (1903-1982), Idel Ianchelevici (1909), Henri Kerels (1896-1956) en James Thiriar (1889-1965).
 
Meestal zijn deze kunstenaars op zijn minst door een paar werken in de museumverzamelingen vertegenwoordigd.
 
Voor de bezoekers aan het museum willen we even wijzen op de muurschilderingen (geen frescotechniek, maar doek op de muur geplakt) in de zaal van de vogels (A. Diericx 1862-1939), van de reptielen (E. Fabry 1865-1966) en van de insecten (A. Ciamberlani 1864-1956), gekende artiesten in hun tijd, doch zonder Afrikaanse ondervinding. Alle drie maakten zij deel uit van de groep "Pour l'Art", bekend om de interessante tentoonstellingen die zij inrichtte. Zij behoorden tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de in die tijd bloeiende monumentale Belgische schilderkunst.
 
Het schilderij (1853) dat de hertog van Brabant (de latere Leopold II) voorstelt is een werk van Nicaise de Keyser (1813-1887), hofschilder van menig Europees vorstenhuis. Hoewel romantisch van inspiratie bleef dit schilderij nogal koud. Invloed door de academische geest en de noodzaak een officiële tint aan de voorstelling te geven, moeten daarvan de oorzaak zijn.
 

Het museum biedt eveneens plaats aan beeldhouwkunst.

 
Ook hier zijn er kunstenaars met een eigen Kongolese ervaring en anderen die slechts deelnamen aan de algemeen-vaderlandse koloniale beweging in België zelf. Leopold II wordt in de museumzalen door twee beeldhouwers vereeuwigd. Thomas Vinçotte (1850-1925) maakte een borstbeeld in ivoor, de materie die in België een hernieuwd succes kende als rechtstreeks gevolg van de aanvoer van die grondstof uit Kongo. Het is een imposant portret, waarvan de kwaliteit nog wordt benadrukt door het voorname en ongewone aspect van de materie.
 
Jean Canneel (1889-1963) schiep in 1956 een majestueus koningsbeeld, ten voeten uit. Het is een monumentale Leopold II, op het hoogtepunt van zijn politieke carrière. De voorstelling blijft traditioneel, maar weet een vorstelijke indruk na te laten.
 
In de prachtige rotonde van het museumgebouw, prijken enkele specimina van kunstenaars, die hun kunnen ten dienste hebben gesteld van de koloniale expansie.
 
Bij de eerste Europese beeldhouwers in Kongo hoort de Londenaar Herbert Ward (1863 -1919) die werkte in dienst van de Association Internationale du Congo en van Henry M. Stanley (1841-1904). Zoals in zijn geschriften stelde hij de inlandse mens voor met realisme en ook met veel belangstelling en sympathie.
 
Frans Huygelen (1878 -1940) was een goed classicistisch kunstenaar die de expansie van België verheerlijkte en een ivoren borstbeeld maakte van koning Albert.
 
Arsène Matton (1873 -1953), die nog vóór de Eerste Wereldoorlog in Leopoldstad werkte en exposeerde, heeft zich ook gewaagd aan symbolistische sculptuur.
 
De eclecticus Ernest Wynants (1878-1964) heeft, zoals hij wel meer deed, het vruchtbare Afrika gedrapeerd voorgesteld en met goudbeslag bekleed. Arthur Dupagne (1895 -1961) concentreerde zich vanaf 1927 volledig op de primitieve mens.
 
Oscar Jespers (1887-1970), wiens expressionistische negervrouw met kruik een aparte plaats inneemt tussen de veeleer natuurgetrouwe beelden die de rotonde bevolken, verloochende ook hier zijn zin voor monumentaliteit niet.
 
Samenvattend moeten wij vaststellen dat het Kongolese experiment slechts voor enkele kunstenaars van werkelijk doorslaggevend belang is geweest. Voor anderen was het de enige bron van hun bekendheid omdat hun bedrijvigheid op de overige domeinen zeer beperkt bleef.

 

Ten slotte hebben ook nog een aantal kunstenaars zonder Afrikaanse ervaring geprofiteerd van opdrachten in verband met de overzeese ondernemingen.
 
 
Dr. M. Luwel

4. Kongolese kunst in een Belgische context

 
Indien de koloniale aanwezigheid in Zaïre een diepgaande uitwerking heeft gehad op de economie, de industrie, de godsdienst, het onderwijs en de ethiek, dan mocht men er zich ook aan verwachten dat op kunstgebied een bepaalde verwestersing merkbaar zou worden. De sculptuur die traditioneel hoogstaand werk had voortgebracht, kwam - althans in de beginperiode - niet tot treffend resultaat in de vernieuwing. De schilderkunst daarentegen die in de autochtone samenleving een minder belangrijke rol had gespeeld, maakte in hogere mate gebruik van de nieuw geboden mogelijkheden.

 

Lubaki een ivoorsnijder uit Thysstad (Neder-Kongo) was de voorloper : in 1929 stelde het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel zijn aquarellen tentoon. Fauna en flora, inheemse scènes en het weergeven van inlanders en blanken wijzen op de Afrikaanse realiteit.

 

De waterverfpogingen van Lubaki verrassen vooral wanneer wij ze beoordelen naar de hoge mate van stilering en naar de ongewone vrijheid in het gebruik van kleur. Beide elementen herinneren aan de karikatuur; zij zijn ook kenmerken van de jeugdige uitdrukkingskracht van de kunstenaar, die eigenlijk werkt met vroeger onbekende technische hulpmiddelen. Lubaki genoot de interesse van sommige etnografen. Een onverdeeld succes bleef evenwel uit.

 

In de jaren veertig ontstond in Kinshasa (ex-Leopoldstad) de "School van de Stanley Pool". Een in 't oog vallend exponent ervan was de autodidact Albert Mongita, die later naam kreeg als literator en cultureel animator. Door zijn conformistische schildertechniek vond hij een ruime afzet in de Kongolese hoofdstad, waar men nu eenmaal niet gesteld was op een avant-gardementaliteit.

 

Verrassend nieuw vertoonde zich de school van Lubumbashi (ex-Elisabethstad). Haar ontstaansgeschiedenis klinkt als een sprookje. De niet meer zó jeugdige Fransman P. Romain-Desfossés (Brest 1887 - Elisabethstad 1954), marineofficier en specialist in het schilderen van onderwatergezichten, vestigde zich te Lubumbashi, in gezelschap van een hulpje uit Tsjaad, nadat hij de oorlogsjaren in Frans Midden-Afrika had doorgebracht.

 

Zo zijn theorieën over het verleden van Katanga (thans : Shaba) weinig aanhang vonden, dan werd er met heel wat meer bewondering gekeken naar de opbouw in 1947 van "Le Hangar", het atelier waarin de "Academie d'Art Populaire Congolais" werd ondergebracht.
 
Romain-Desfossés, zelf een onafhankelijke geest, hield zijn leerlingen een systeem voor van totale vrijheid van conceptie en uitdrukking. Hij wees ze op waarden die voor hen nog gemeengoed waren of nog niet zo ver in het verleden lagen: het leven in de volksstam, de dieren- en plantenwereld. Het leek hem nuttig aan te knopen met traditionele elementen, alhoewel hij hun wel Europees schildersmateriaal ter beschikking stelde.
 
Drie Afrikanen hebben de roem van de school van Romain-Desfossés uitgedragen in de wereld van de kunstminnaars : Mwenze Kibwanga, Bela en Pili Pili Mulongoy. Mwenze uit Katanga had zich, als autodidact, de Europese techniek van het portretschilderen eigen gemaakt, vooraleer in aanraking te komen met Romain-Desfossés die hem van zijn realistische techniek afbracht. Het resultaat droeg een verbazend persoonlijk karakter.
 
Door het gebruik van naast elkaar liggende strepen wist hij expressieve figuren te construeren die zonder erg vaste omlijning een esoterische atmosfeer schiepen, eigen aan de geheimzinnige traditionele Afrikaanse wereld.
 
Bela, afkomstig uit Tsjaad, stond reeds vanaf 1940 in dienstverband bij Romain-Desfossés. Hij waagde zich ook aan schilderkunst, zonder dat deze iets ervan wist.
 
Het penseel verving hij door zijn vingers en deze uitzonderlijke - alhoewel niet volledig onbekende techniek - kreeg de naam "digitalisme". In de Kongolese schilderkunst was dit een nieuwigheid die veel bijval genoot bij de Europese kunstliefhebber. Levendige kleuren en intens licht vormden de hoofdelementen van Bela's kunst, die een heel wat luchtiger indruk gaf dan de zwaartillende Mwenze Kibwanga. Hij keerde terug naar Brazzaville in 1956 waar hij zijn eerste sporen had verdiend in 1943 bij de verluchting van een reeks vertellingen voor het volk "Gutenberg dans la brousse".
 
Pili-Pili was de meest poëtische van de drie bekende schilders uit de "Académie d'Art Populaire Congolais". Hij behandelde bij voorkeur dieren en planten, zeer zelden de mens.
 
Sinds de kunstwereld door de school van Elisabethstad in beroering werd gebracht, heeft de moderne Zaïrese kunstenaar heel wat gepresteerd. Vooral de techniek heeft vooruitgang gemaakt. Of de specificiteit van de Afrikaanse kunst wel werd bewaard, kan betwijfeld worden. Dit is evenwel een probleem dat de wereld rond wordt gesteld nu de beïnvloeding zo algemeen is doorgedrongen.
 
 
Dr. M. Luwel

5. De etnografische verzamelingen

 
Sedert het ontstaan van de Onafhankelijke Kongostaat had koning Leopold II ervoor geijverd om bij de publieke opinie van binnen- en buitenland belangstelling te wekken voor de overzeese landen en meer bepaald voor Midden-Afrika.
 
Daartoe deed hij een beroep op geleerden van diverse nationaliteit, zoals geografen, niet alleen voor het op het punt stellen en uitwerken van ontdekkingsexpedities, maar ook voor het verzamelen van natuurhistorische, etnografische en archeologische specimina.
 
Een eerste reeks van de geoogste resultaten werd aan het publiek voorgesteld op de Wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1894. Doch het grootste deel werd evenwel ondergebracht in Tervuren, meer bepaald in de "Kongolese" sectie van de universele tentoonstelling van 1897. Deze verzamelingen vormden de basis en de hoekstenen van de huidige museumcollecties.
 
Daar waar in andere Europese landen volkenkundige en natuurhistorische musea veelal waren gegroeid uit de vorstelijke en prinselijke "curiositeitenkabinetten" zoals te Wenen, Kopenhagen, Stockholm, Braunschweig, later Parijs en Sint-Petersburg (Leningrad), bestond er in België in feite geen traditie in het verzamelen van dit soort curiosa en exotica. Toch blijkt uit een archiefstuk van 1470 dat in onze contreien toch wel enige belangstelling voor de uitheemse levenswijzen aanwezig was.
 
Het vermeldt inderdaad dat Karel de Stoute (1433-1477) voor de verzamelingen van het hertogelijk paleis te Brussel verschillende Afrikaanse beeldjes en een zwaard had aangekocht.
 
Het is niet bekend of Willem Rubroeck, de Vlaamse franciscaan die vóór Marco Polo Azië doorkruiste (1253-1255), voorwerpen heeft verzameld. Toch blijken zijn etnografische waarnemingen en beschrijvingen van een niet te onderschatten belang.
 
Onzeker ook blijft het lot van de grootse verzameling gouden voorwerpen uit Mexico. Deze collectie werd door keizer Karel V (1500 -1558) in het paleis te Brussel ondergebracht, waar Albrecht Dürer (1471-1528) ze met laaiend enthousiasme bewonderde.
 
De vraag of de Antwerpenaar Pieter van den Broecke die in de 17e eeuw op West-Afrika voer (evenwel in dienst van handelaars uit Dordrecht en Amsterdam), in Loango verbleef van 1605 tot 1606, de monding van de Kongostroom bezocht van 1609 tot 1612 en nadien een merkwaardig relaas over zijn bevindingen publiceerde, ook een verzameling etnografica aanlegde, blijft eveneens onbeantwoord.
 
Van andere zeer voortreffelijke "afrikanisten" zoals de arabist Nicolaas Cleynaerts, professor aan de Leuvense Universiteit, die van 1540 tot 1542 in Marokko vertoefde en van pater Joris van Geel, van 1645 tot 1652 verblijvend in Kongo en wie we het eerste Bantu-woordenboek verschuldigd zijn, bleven alleen de geschriften bekend.
 
Misschien is deze parafrase toepasselijk : "res volant scripta manent" (daden werden vergeten, maar wat geschreven is blijft bestaan). Pas na de onafhankelijkheid van België en wel in het raam van de koloniale expansie worden de eerste stappen gezet naar een meer systematisch onderzoek. Een eerste poging op initiatief van koning Leopold I op de kust van Sierra Leone faalt echter.
 
Een andere mislukte zending, ondernomen in 1861 door F. Eloin en A. Michel in Oceanië en meer bepaald op de Nieuwe-Hebriden, Fiji- en Salomon-eilanden, levert als enig tastbaar resultaat een niet zo onbelangrijke reeks van een vierhonderdtal gebruiksvoorwerpen op. De collectie, bijeengebracht door A. Michel, bevindt zich nu in de afdeling Etnografie van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.
 
Naast de officiële, werden er ook individuele expedities georganiseerd. Bij voorbeeld door de Belgische officier A. Burdo, die enkel uit zuivere belangstelling, drang naar kennis en ook wel lust naar avontuur, de streek van de Niger-Benue bezocht en in 1880 zijn reisverhaal publiceerde waarin hij de stoffelijke cultuur van de lbo, Igala, Calabar, enz. belichtte. Korte tijd nadien bezocht dezelfde A. Burdo Oost-Afrika en beschreef de levenswijzen van de Nyamwezi en andere groepen van het huidige Tanzania in een boek dat in 1884 verscheen. Veel van de door A. Burdo in beide gebieden verzamelde etnografica maken nu deel uit van de collecties van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.
 
Vanaf de stichting van de Onafhankelijke Kongostaat kregen de staatsagenten o.m. de opdracht de zeden en gebruiken zoals het toen heette, dit wil zeggen de gedragspatronen, de levenswijzen en het cultuurgoed van de inlandse bevolking waar te nemen, hun bevindingen systematisch weer te geven en voorwerpen ter illustratie te verzamelen. Alhoewel deze agenten geen geschoolde etnografen waren en veelal officieren of andere staatsbeambten, hebben ze ons toch vaak zorgvuldig opgestelde nota's nagelaten met een schat van informatie en die meestal getuigen van een strikte objectiviteit. Zo kunnen we hier het belang aanstippen van én de verzameling én de etnografische notities van generaal E. Storms, de bevelvoerder van Karema (nu Tanzania), de eerste post die België in Afrika stichtte.
 
De verzameling rust thans in het museum en biedt een representatief beeld van de kunst en de toegepaste kunst van de Tumbwe en Tabwa, van de Marungu op de westelijke oever van het Tanganikameer en tevens van andere stammen in Katanga (het huidige Shaba). De verzamelde gegevens van E. Storms werden systematisch herwerkt door dr. V. Jacques en gepubliceerd in 1886-1887.
 
Talrijke andere wetenschappelijke zendingen brachten een massa aan informatie naar België. Sommige zendingen zorgden bovendien voor uitstekende verzamelingen.
 
Zo vermelden we de opdrachten van L. Hanolet, Th. Masui, Ch. Lemaire, Fr. Michel. Deze laatste bracht trouwens een unieke verzameling veldfoto's mee uit Kongo, die de kern vormt van de thans meer dan 57.000 opnamen tellende fotografische documentatie van de afdeling Etnografie.
 
Voor diegenen die het mochten betwijfelen, mag er terloops op gewezen worden dat alle voorwerpen, in de loop der jaren door het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika bijeengebracht, op normale wijze in bezit kwamen. Nergens is er een spoor of bewijs dat stukken werden verworven door dwang, diefstal of andere ontvreemding. Van in den beginne golden de instructies dat ieder voorwerp diende te worden aangeschaft tegen betaling. In 1911 bij voorbeeld beschikte elke districtscommissaris over 500 goud frank voor het aankopen van etnografica ten behoeve van het Kongomuseum.
 
De verzamelde voorwerpen waren zeer uiteenlopend en brachten een volledig en representatief overzicht van de dagelijkse gebruiksvoorwerpen die deel uitmaakten van het traditionele en aan regels gebonden leven van de zwarte bevolking.
 
Wat van uit westers standpunt als kunststuk overkomt, werd echter niet als dusdanig ontworpen. Veel van die voorwerpen zijn evenwel voor de Afrikanen in het raam van hun religieus, sociaal en politiek leven met een zeer diepe en betekenisvolle symboliek geladen.
 
Als getuigen van een eigen geestelijk en artistiek beleven werd hen een plaats ingeruimd in het universele patrimonium van de mensheid.
 
Ruime aandacht gaat ook naar de technologie, dit wil zeggen de verschillende technieken en materialen die worden gebruikt bij het vervaardigen van diverse essentiële gebruiksvoorwerpen zoals potten, manden, matten, smeedwerk, weef- en houtsnijwerk.
 
De verzamelingen werden van meet af aan onderverdeeld in zes grote regio's, elk beantwoordend aan een geografische ruimte : het kustgebied, het Kristalgebergte, het oerwoud, het noorden, het oosten en het zuiden. Deze classificatie werd reeds gebruikt in de voortreffelijke catalogus "Bruxelles-Tervuren" (1897) van Th. Masui, de eerste directeur van het Koloniënpaleis, het latere Kongomuseum.
 
Na enkele tijd werden de zes regio's verdubbeld en werden de verzamelingen gerangschikt en beschreven volgens twaalf omlijnde gebieden. Ook hier, zoals elders trouwens, werd er min of meer rekening gehouden met de ontwikkeling van de verschillende antropologische theorieën.
 
Ongewijzigd bleef echter de aanvaarde stelling dat de afdeling Etnografie als essentiële taak werd opgedragen het verzamelen en bewaren van alle materiële getuigenissen van de traditionele waarden zoals die werden beleefd in Midden-Afrika. Wat dus niet tot haar domein behoort zijn alle nieuwe cultuurverschijnselen ten gevolge van het versneld ontwikkelingsproces dat zich in de meeste derdewereldlanden manifesteert.
 
Geleidelijk groeiden de verzamelingen verder uit tot een wel indrukwekkend geheel dat nu de onderzoekers van binnen- en buitenland ter beschikking staat.
 
Deze verzamelingen werden ter plaatse aangelegd door talrijke medewerkers vooral ambtenaren en missionarissen die vaak uiterst waardevolle achtergrondinformatie over deze etnografica verstrekten.
 
Naast de bijdrage van deze verdienstelijke medewerkers moeten we vanzelfsprekend ook enkele massale verzamelingen vermelden, die ofwel in de loop van de jaren in Centraal-Afrika zelf, ofwel in Europa aangelegd werden en die het museum hetzij door aankoop (H. Pareyn, T.A. Fourche) of door schenking (Compagnie du Kasai, C. Janssen, Z.M. koning Leopold III) verworven heeft.
 

De belangrijke reeks etnografica, in het begin van deze eeuw bijeengebracht door A. Hutereau in het noorden (Uele en Ubangi), werd aangevuld met de oogsten van de recoltereizen van twee leden van het wetenschappelijk personeel van de afdeling :J. Maes die in West-Centraal-Kongo werkzaam was in 1913-1914 en later door A. Maesen die in 1953-1955 het zuidelijk deel vanaf de monding van de Kongostroom grondig prospecteerde.

 
Achteraf bij de onafhankelijkheid van Zaïre (1960) werd de verzameling verder uitgebouwd en uitgebreid met de cultuurgetuigen van de overige Afrikaanse gebieden.
 
De grote verscheidenheid van de collecties in de vorm, afmetingen en materie (hout, vezels, ivoor, veren, huid, terracotta, ijzer, messing, enz.) stelt heel wat problemen voor het optimaal bewaren en beschermen van de voorwerpen. De studieverzamelingen die het belangrijkste zijn, werden ergologisch, dit wil zeggen volgens type voorwerp, gerangschikt.
 
De opstelling in de tentoonstellingszalen is tweevoudig. Enerzijds worden de etnografica respectievelijk van Centraal-Afrika en de overige Afrikaanse gebieden (vooral West-Afrika !) volgens de etnische en/of culturele gebieden gepresenteerd. Anderzijds zijn de voorwerpen ondergebracht in een aantal functionele categorieën die de belangrijkste aspecten van de culturen belichten (materiële cultuur en technologie, economie, sociale en politieke structuur, religieuze voorstellingen en rituelen, enz.). Hierbij werd zorgvuldig rekening gehouden met de kwaliteit en de representativiteit van de tentoongestelde voorwerpen.
 
Het staat immers buiten kijf dat de kwalitatief waardevolle voorwerpen, of het nu een eenvoudige vishaak of een prachtige hoofdmansstok betreft, steeds de parameters en de meest sprekende getuigen blijken van de betrokken culturen.
 
De laatste jaren wordt geijverd om rond de rijke Afrikaanse kern een complementaire verzameling cultuurgoed op te bouwen van andere schriftloze volken uit de andere werelddelen zoals Oceanië, Noord- en Zuid-Amerika, maar met uitsluiting van de hoog ontwikkelde culturen (zoals de archaïsche beschavingen van Midden-en Zuid-Amerika, dit wil zeggen : Maya, Inca, enz.).
 
Het ligt in de bedoeling om een zo volledig mogelijk beeld naar voor te brengen van de parallellen, de wisselwerking en ook de verschillen tussen de volksgroepen die vóór de contactname met het westen een eigen cultuurpatroon met een sociaal-politiek en godsdienstig systeem hadden uitgewerkt.
 
De inbreng van een groot deel van de etnografische verzamelingen van Afrika, Melanesië en Amerika uit het bestand van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel maakte een eerste stap in die richting mogelijk. Het verder uitgraven wordt nu een probleem voor de toekomst.
 
Misschien wordt op die manier toch een wens verwezenlijkt van koning Leopold II die in Tervuren een groot wereldinstituut zag waar alle buiten-Europese culturen zouden bestudeerd worden. Dit zou een streven naar een meer universeel en wereldgericht cultuurbeeld mogelijk maken en tevens het begrijpen en het aanvaarden van andere en voor ons totaal vreemde levenswijzen bevorderen.
 
Huguette van Geluwe,
hoofd van de afdeling Etnografie

De afbeeldingen kan men bekijken via de PDF-file