U bent hier

Het fotografisch geheugen van Le Corbusier - Een kostbaar oog op overschot

 

De unieke tentoonstelling ‘Le Corbusier en fotografie’ heeft twee delen: ‘Het beeld opbouwen’ en ‘Een passie voor prentbriefkaarten’. Ze is op rondreis en is nog tot in de herfst te zien in het Centre International pour la Ville, l’Architecture et le Paysage in Elsene.

 

 

Het mirakel van de fotografie

 

Fotografie was voor architect Le Corbusier (1887-1965) een uitgelezen middel om zijn werk te documenteren. Hij liet zich daarin bijstaan door fotografen die exact wisten wat de meester van hen verwachtte. Hijzelf heeft ook heel wat gefotografeerd en gefilmd. Dit resulteerde in een fotografisch archief van duizenden en nog eens duizenden beelden. Een representatieve selectie hiervan is te zien in het CIVA, de vroegere Fondation pour l’Architecture.

 

Architect Le Corbusier had een wakkere geest. Hij was niet louter architect, maar ook dichter, vormgever en beeldend kunstenaar. Zijn aanpak was multidisciplinair. Zijn teksten en tekeningen spreken tot de verbeelding, direct en verfijnd net als al zijn gebouwen. Hij was gevoelig voor de poëzie der dingen, of het nu een mooi gebouw was, een pakketboot, een nieuwe auto of een schelp op het strand. Als een onverzadigbare spons zoog hij impressies op en verwerkte ze in zijn oeuvre.

 

Al heel vroeg is hij een fervent gebruiker van de fotografie. In een brief uit 1911 drukt hij zijn geestdrift uit in een verrassend gevatte formulering: “O le miracle de la photographie! Brave objectif, quel œil surnuméraire précieux ! ” (“Ach, het mirakel van de fotografie! Onversaagde lens, wat een kostbaar surnumerair oog!”)

 

De woordkeuze is gelaagd, zoals al zijn waarnemingen het zijn. De lens noemt hij ‘brave’, in de zin van ‘dapper’, ‘onversaagd’, met een ondertoon van ‘bravoure’ en panache’. De tegenstelling met de volgende bijstelling kan niet radicaler, met de stroeve administratieve term ‘surnuméraire’, duf en onwelluidend. Toch is het letterlijk dat wat hij bedoelt. De fotolens is een toemaat, een extraorgaan dat zijn waarnemingsvermogen komt verrijken. Met andere woorden: voor hemzelf beschouwt hij de fotografie als een uiterst kostbaar en veelzijdig hulpmiddel en niet als een zelfstandige kunstuiting.

 

Tot nog toe is de relatie van Le Corbusier tot de fotografie een beetje aan de aandacht van vorsers en publiek ontsnapt, deze tentoonstelling zet een en ander recht. Le Corbusier is iemand die de mogelijkheden van de fotografie doorgrond heeft en dat is in zijn houding voor de camera duidelijk merkbaar. Hij was bijzonder veeleisend over de manier waarop hijzelf en zijn werk in beeld werden gebracht. Niets werd gepubliceerd zonder dat hij er zijn fiat over gegeven had.

 

Zelfs foto’s uit de privésfeer lieten geen plaats voor wanklanken. Zich zomaar laten verrassen door de camera was ondenkbaar. Nonchalance was binnen bepaalde perken tolereerbaar, maar hij zou zelf wel de lijn trekken van wat door de beugel kon. Zo gebruikte hij de fotografie om een eigen imago op te bouwen, waarbij zijn hoornen bril en vlinderdasje al even emblematisch werden als Chaplins snorretje en bolhoed. Hij gebruikte zijn professorale verschijning als een onmiskenbaar handelsmerk, maar met voldoende souplesse, zodat hij niet als een stijve hark overkwam. Le Corbusier liet zich vaak fotograferen bij zijn werk of voor een maquette ervan. Dit maakte ook nog deel uit van de promotionele uitstraling.

 

 

De huisfotograaf

 

Het documenteren van zijn realisaties was een andere zaak die hij met de grootste ernst opnam. Fotografen die met hem werkten hebben het aan de lijve mogen ondervinden. Zijn veeleisendheid was spreekwoordelijk. Aan beeldopbouw en belichting kon niet genoeg zorg worden besteed. Opnames regisseerde hij tot in de puntjes, of de fotograaf van dienst dat nu graag had of niet. Nadien was het niet ongebruikelijk dat hij de afdrukken opvroeg, om de kadrering aan te passen en retouches aan te brengen. Toch vond iedereen het een voorrecht om voor hem te kunnen werken.

 

Meer dan twintig jaar was Lucien Hervé (1910 -2007) de persoonlijke fotograaf van Le Corbusier. Het beeld dat wij van het oeuvre hebben is dus grotendeels aan hem te danken. Die samenwerking leverde meer dan twintigduizend clichés op, onder de vorm van bijgesneden en op karton geplakte contactafdrukken. Alle aspecten van het werk heeft Hervé belicht, maar ook de persoonlijke leefomgeving van de kunstenaar. Dat leverde hem afwisselend lofbetuigingen en striemende kritiek op, gaande van: “Mijn complimenten! Uw werk is uitstekend! U hebt de ziel en het oog van een architect!” tot: “U vergeet dat niet u, maar ík degene ben die de huizen ontwerpt en bouwt, én kritiek en lof oogst.”

 

Op de benadering van René Burri (°1933) die voor het agentschap Magnum werkt heeft hij minder vat. Burri publiceert in Paris-Match en Du en die reportages zijn meer verhalend. De aandacht gaat ook naar de mens, met anekdotes en momentopnamen. Af en toe schiet de meester dan wel uit zijn krammen. Op een bepaalde opname lijkt het alsof hij voor een Madonna staat te bidden: “Ik was enkel de lamp aan het draaien om ze [de Madonna] beter te belichten. U had die leugenachtige getuigenis beter achterwege gelaten.”

 

 

Het oog van de meester

 

Le Corbusier heeft zijn leven lang graag gereisd, altijd met een open blik en het fototoestel bij de hand. De foto’s die hij maakte waren geheugensteuntjes, net als zijn schetsen en zijn geschreven nota’s. Toch geeft hij toe dat hij veel liever tekent en schetst. De tegenzin belet niet dat hij verwoed is blijven fotograferen. Alles boeit hem: oude gebouwen, architecturale gehelen, maar ook details, een overvliegende zeppelin, inlandse schonen.

 

Gretig richt hij zijn blik op details. In de geest van de Bauhaus-fotografen, doet hij aan objectfotografie: close-ups van een hoop bakstenen, van een eind opgerold meertouw. Soms zijn het natuurfenomenen: een grillige ravijnvorming, slierten wier op het strand, ribbels in het zand met een voetafdruk of een verloren voorwerp. De toevallige vondst, een kei, een schelp, een stuk hout, een bot: het zijn zaken die hem inspireren, “vooral als zij een poëtische reactie uitlokken”. Ze zijn terug te vinden in zijn schilderijen en bepalen de licht surrealistische, dromerige toon ervan.

 

Opvallend is de manier waarop hij zijn 16 mm filmcamera gebruikt. Hij filmt er korte sequensen mee, maar gebruikt ze vooral om foto’s mee te maken. In het jaar 1936 zijn er dat al meer dan zesduizend, telkens in uitgebreide reeksen. Maar nog merkwaardiger is het feit dat die foto’s nooit afgedrukt werden. Van dat deel van zijn fotografisch werk heeft hij dus weinig of niets gezien. Wellicht was de daad van het fotograferen voor hem al voldoende als geheugensteun, of als aanzet tot een creatief proces.

 

 

Fotografie en architectuur

 

Foto’s ondersteunen het betoog van Le Corbusier als hij zijn stedenbouwkundige concepten uitdraagt. Hij maakt er overvloedig gebruik van in zijn geschriften. Op tentoonstellingen realiseert hij grote montages die zijn droombeelden plastisch gestalte geven. Zij moeten wervend zijn en het optimisme van de Agitprop uitdragen. Het beeld wordt vervlochten met abstracte motieven; de schilder Le Corbusier kan zich hierin weer eens uitleven, maar ook de vormgever.

 

Zijn eigen fotografie mag hij dan niet als kunst beschouwen, hij toont zich een groot voorstander van het integreren van foto’s in zijn architectuur. Voor het Zwitsers paviljoen van de Cité Universitaire in Parijs laat hij op een wand een fotofresco van elf bij vier meter realiseren: vierenveertig stuks natuurfotografie naast en onder elkaar geplakt, tot een groot fresco. “Het geheel vormde een symfonie en ik was de dirigent!” Hij is duidelijk geestdriftig over de vondst en het resultaat ervan. Het is alvast geen instrument om zijn eigen natuurfotografie te gelde temaken. Die gedachte zal wellicht nooit in hem zijn opgekomen.

 

Een tip voor wie op reis op zoek is naar het beste standpunt om een gebouw of een landschap te fotograferen? Koop een prentbriefkaart, gegarandeerd dat u niet beter vindt. En dat is net wat Le Corbusier altijd gedaan heeft. In zijn archief zitten meer dan tweeduizend van die ansichten die hij onderweg kocht, vaak aangevuld met nota’s en andere schetsen. Ook hier zijn sporen terug te vinden in zijn plastisch werk. Twee gesluierde Algerijnse vrouwen op de trappen van een kasba poseren voor een prentkaart uit een reeks getiteld Scènes et types. De houding spreekt hem aan en is terug te vinden in een tekening. De vrouwen zijn nu naakt, maar wel gesluierd en ook de kasbatrap werd behouden. Later worden zij nog verder geabstraheerd tot golvende motieven.

 

 

Voer voor fetisjisten

 

Een verrassing op de tentoonstelling: een replica van het ministudiootje dat hij in zijn woning inrichtte gebruikmakend van zijn Modulor afmetingensysteem. Het oorspronkelijk meubilair is aanwezig, samen met een abstract beeldhouwwerk van zijn hand.

 

Ook de fetisjisten worden bedacht. De fototoestellen van Le Corbusier kunnen van dichtbij bewonderd worden. Hij had wel oog voor het betere materiaal. Het stelde hem ten slotte in staat zijn fotografisch geheugen te voeden. Er liggen zelfs filmrolletjes bij, die waren ook voor hem onmisbaar, zelfs al liet het eindproduct hem onverschillig.

 

Rik Sauwen

 


Info

 

Tentoonstelling

 

Le Corbusier en fotografie

Nog tot 6 oktober 2013

Open: van dinsdag t.e.m. vrijdag van 12.00 tot 18.00 uur, zaterdag en zondag van 10.30 tot 18.00 uur

Gesloten: maandag

 

CIVA

Kluisstraat 55

1050 Brussel

Tel. 02 642 24 50

www.civa.be 

 

 

OKV-Archief

 

Le Corbusier, Huis Guiette OKV, 1970/26

Bruggen OKV, 1995, nr. 4, p. 169-170

www.tento.be