U bent hier

Henry van de Velde - Zesarmige kandelaar

Henry van de Velde - Zesarmige kandelaar
Henry van de Velde (Antwerpen 1863 - Agert, bij Zurich 1957) Zesarmige kandelaar (omstreeks 1900), Zilver, 59 cm hoog, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel.

Het uitgangspunt voor deze kunstbeschouwing is de zilveren kandelaar in het bezit van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel.

 

De ontwerper was Henry van de Velde, die in het kunstleven van België zoveel jaren een leidinggevende figuur is geweest, in het onderwijs, als bouwmeester, als raadgever, als kunstenaar en als schrijver, dat hij nauwelijks een verdere omschrijving behoeft. Toch zal menigeen niet in de eerste plaats verwachten hem met een kandelaar in de aandacht te zien gebracht. Bouwer van de bibliotheektoren in Gent, van het Peter-Benoitmonument in Antwerpen, van huizen in Brussel, schilder en tekenaar van grote begaafdheid in zijn jonge jaren, zo tekent hij zich al dadelijk af bij het noemen van zijn naam. Evenwel benadert de kandelaar hem juist in dit betrekkelijk kleine en intieme voorwerp van een kant, die hem zeer na aan het hart lag. Immers heeft van de Velde zijn rebelse aanval op de woonvormen van de burgers van de late 19e eeuw, zijn stoutmoedig program voor een hervorming van onze gehele levensomgeving, allereerst gegrond, niet op de architectuur van het huis zelf, maar op de inhoud van het huis: ons eigen levensgedrag, onze bewegingen en verrichtingen in de ruimten, die door de architectuur beschut en beperkt worden. Van binnenuit begon zijn profetische en hartstochtelijke hervorming.

 

De kandelaar is bovendien een treffend, want een koninklijk voorbeeld van zijn doordringend stijlvermogen. Wij kunnen het object in zijn functie als kaarsendrager, in een tijd waarin de onwelriekende petroleumlamp het veld gaat ruimen voor het suizende gaslicht en dit weer voor de eerste peervormige electrische lampjes, zien als een zekere luxe, een feestelijk, stemming oproepend ding. En wij weten allemaal hoe moeilijk het is, als men niet wil teruggrijpen naar de 17e en 18e eeuw, om een waarlijk stijlvolle kandelaar te vinden.

 

De stijl die van de Velde oproept met zijn kandelaar beperkt zich niet tot het object alleen, maar is in feite hart en ziel, de kern van een inzicht, een begrip, een verbeeldingrijke visie op het beginsel van ornamentale zuivering, doorgevoerd in meubels, de kleding, serviezen, juwelen, tapijten, stoffen, maar ook in de architectuur, binnen en buiten. Het is in de jaren 1890 en volgende de grondslag geweest voor een wil om aan de gemeenschap op rationele basis een nieuwe stijl te geven. Een stijl, die ons zou bevrijden van de kitsch ontstaan uit het gebrek aan stijl of liever de historische camouflage van dit gebrek in de 19e eeuw. 'Art nouveau' werd deze nieuwe stijl geheten en vaak verward met de gelijktijdige bazar-produktie, die als 'belle époque' de wereld van nu nog altijd fascineert. Die verwarring was op de tentoonstelling '1900' in Oostende duidelijk waarneembaar.

 

De stijl van de kandelaar is typerend voor van de Velde, maar tegelijk typerend voor de beweging. We herkennen immers daarin zijn afkeer van hetgeen zijn tijdgenoten en ook verscheidene medestanders produceerden: een stileren van natuurmotieven, zodat het ornament geïnspireerd en gebaseerd blijft op de organische natuur. Van de Velde was fel in zijn verzet daartegen. Hij wilde een ornamentale vormgeving op abstracte basis en de kandelaar is er een zeldzaam voorbeeld van. Het is immers functioneel zuiver en tevens expressief. Elk object krijgt dus zijn 'objectiviteit', maar wordt tegelijkertijd nog geladen met een op stijl gerichte subjectiviteit. Het is ontstaan uit de voorstelling van datgene waar een kandelaber aan moet beantwoorden en tegelijk uit één visie, één gedroomde gestalte ontstaan. Een ontplooien van lijnen die een verstrengeling en een beweging verbeelden.

 

Als we er naar kijken begint inderdaad de verbeelding te werken. We zien er een elegant gebaar in, het roept iets op van een vrouw met aan het kapsel gebrachte armen, staande in de lange geplooide kleding van die tijd, we denken aan de danseres Loïe Fuller, die Rodin en Pierre Roche en anderen inspireerde met de zwaai van haar gewaden en haar serpentine dansen in gekleurd wisselend licht.

 

We zien voor ons de hal met de prachtige zuilenlijnen, die van de Velde ontwierp voor het Karl-Osthaus museum in Hagen. En tenslotte kunnen we op oude foto's de kandelaars zien staan op een eetkamermeubel in de door van de Velde getransformeerde binnenhuizen van zijn vriend en opdrachtgever graaf Harry Kessler in Berlijn en Wei-mar (1898-1903). Dan begrijpt men hoe er toch eenheid is ontstaan, harmonie en schoonheid, want de lijnen van de stoelen, de details van het buffet, de wandschildering daarboven, berusten op een eender verlangen naar zuiverheid en redelijkheid, vrij van naturalisme. Geen overladen ornament met wijngaardranken, rozen, naakte vrouwen, slangen, en toch heeft het een allure. Het drukt een stijl van leven uit. Men ziet het aan de wijze waarop de stam of stengel van zijn voet uit oprijst om dan te ontbloeien in een aantal dragende armen, die spiraalsgewijs eindigen in de cirkel, die de kaarsen moet vasthouden en omsluiten. Alles vloeit en stroomt hierin en het één komt uit het ander onweerstaanbaar voort, zodat de kandelaar niet als vroeger uit delen zichtbaar is opgebouwd en versierd, maar een drie-dimensionaal lijnenspel is kunnen worden, dat tevens functioneel is. Het heeft geen sier, maar het is in zijn totaliteit eenvoudig sierlijk als een juweel, rijk in een beheersing die alle overdaad uitsluit.

 

Mag ik in dit verband herinneren aan het feit, dat van de Velde in Weimar o.a. tot taak had voor de groothertog van Saksen-Weimar de kunstnijverheid in het Groothertogdom te bestuderen en te hernieuwen? Van de Velde deed dat grondig, verdiepte zich in de technieken en schiep voor de werklieden de mogelijkheid in een kunstseminaar een gezonde, nieuwe en zuivere vormgeving te leren. Hij slaagde erin op deze manier inderdaad nieuwe afzetgebieden te openen o.a. voor pottenbakkers, meubelmakers en voor zilver- en goudsmeden. Hij ontwierp tot in onze tijd toe als 'eigentijds' herkende modellen voor messen en vorken.

 

De beweging was internationaal. Engeland, België, Frankrijk en Duitsland waren er principieel in betrokken. Maar de kritische en tegelijk uiterst creatieve van de Velde stond een zó radicale vernieuwing voor, dat hij al spoedig en vooral in Duitsland, dat hem had aangetrokken, grote weerstanden opriep. Er ontstond een splitsing, twee kampen tekenden zich af, waarin een groeiend nationalisme en een (vooral door van de Velde hooggehouden) internationalisme op esthetisch gebied met elkaar in dramatisch conflict kwamen.

 

Maar wij mogen de kandelaar niet uit het oog verliezen. Daarom besluiten we liever met de ontstaantijd omstreeks 1900 en misschien wel een paar jaar vroeger, nog eens in herinnering te brengen. Die tijd immers was voor van de Velde een tijd van grote innerlijke spanning. Hij vocht letterlijk met het ornament, de erfenis van de 19e eeuw, waarin hij geboren was en van waaruit alles beoordeeld werd. Hij zal in 1903 naar Griekenland reizen en daar tot conclusies over puurheid van vormen komen, die hem van alle ornament zullen afvoeren, naar wat een deel van de 20e eeuw gaat beheersen in de architectuur: de functie der dingen, de ratio.

 

Maar zover was hij in 1900 nog niet. Wel op weg. Hij disputeerde met graaf Kessler en anderen. 'De lijn' was voor van de Velde tot symbool van zijn levenshouding geworden en onze kandelaar is er het zeldzaam resultaat van. Maar hij denkt dan bijna uitsluitend aan de gebogen lijn en aan ritme.

 

Zonder overdrijving mag van dit object dus worden vastgesteld dat het inderdaad symbolisch is voor de creatieve gedachte van van de Velde omstreeks 1900: tussen ornament en functie in, zich concentrerend op de zinvolle vorm, die hier door zijn meesterlijke lijn verwezenlijkt wordt.

 

Vergeet het nu allemaal en geniet eenvoudig van het ding zoals het vóór u staat, in zijn voorname schoonheid.

 

Prof. Dr. A. M. Hammacher. 

 


Bibliografie:

A. M. Hammacher, De wereld van Henry van de Velde, Antwerpen-Den Haag, 1967.

Hans Curgel, Henry van de Velde, Persönlichkeit und Werk, Zürich, 1958.

Henry van de Velde, Geschichte meines lebens, verzorgd door Hans Curgel, Piper Verlag, München, 1962.