U bent hier

Henry van de Velde - Passie, functie, schoonheid

Henry van de Velde - Passie, functie, schoonheid

 

De tentoonstelling over Henry van de Velde in het Jubelpark is het sluitstuk van een grote huldiging van de kunstenaar in Duitsland. Aanleiding is de 150ste verjaardag van zijn geboorte. 

 

 

gesamtkunstwerker

 

De voorbije maanden kon men voor het eerst in het oosten van Duitsland veel van de ondertussen gerestaureerde gebouwen van Henry van de Velde (1863-1957) bezoeken. In Weimar, Chemnitz, Gera, Jena en het Osthaus Museum in Hagen liepen al heel wat tentoonstellingen. De Duitse pers was enthousiast over deze reeks evenementen. Die Welt omarmde Van de Velde als “Der Überkünstler des Bauhaus” terwijl de Frankfurter Allgemeine Zeitung het bij de “Alleskünstler” houdt en stelt: “Dit jaar zal Weimar in het teken staan van de Vlaamse kunstenaar Henry van de Velde .” De Mitteldeutscher Rundfunk onderstreepte dat Van de Velde in Weimar zorgde voor een derde grote cultuurperiode, na die van Goethe (1749-1832) en Franz Liszt (1811-1886). Het was een heropleving van het kunstambacht, geïnspireerd door Arts and Crafts van William Morris (1834-1896) en John Ruskin (1819-1900), maar dan in de architectuur. De Duitse media zien Van de Velde als de echte oprichter van het Bauhaus. In Die Welt stelt Manuel Brug: “Met hem kreeg de opgang van de kleine stad in Thuringen tot metropool van de wereldkunst tijdens de Eerste Wereldoorlog tenslotte een finale, die kunsthistorisch nog wat verlengd werd door het Bauhaus.” Manuel Brug stelt ook voor ‘Alleskünstler’ te vervangen door ‘Gesamtkunstwerker’.

 

Dat zijn suggestieve superlatieven voor iemand, de zoon van een apotheker in Antwerpen, die begon als leerling schilderen aan de academie van Antwerpen in 1880. Hij was daar tot 1883 leerling van Karel Verlat (1824-1890), toen een beroemdheid, wegens zijn dierenstukken en fraaie portretten op het strand, in heldere kleuren. Verlat stond open voor de jeugd en liet in 1886 zelfs Vincent van Gogh (1853-1890) toe in zijn cursus, maar dat is een ander verhaal. In 1884 trekt Van de Velde naar Parijs, naar het atelier van Emile Auguste Carolus-Duran (1837-1917), ook een academische beroemdheid, die de jonge impressionisten – onder anderen Edouard Manet (1832-1883) – steunde. Ondertussen was hij in Antwerpen medestichter geworden van de kunstkring Als ick kan. Hij werkte ook in Kalmthout en Wechelerzande, waar kleine kunstenaarskolonies aanwezig waren. Men vindt daarvan een echo in zijn vroege schilderijen. In Kalmthout richtte hij het tijdschrift Van Nu en Straks op. Dat belangrijk literair blad is vooral bekend gebleven wegens zijn tekeningen en design. Van de Velde heeft iets met verenigingen. Zo richt hij in 1886 in Antwerpen een vernieuwende vereniging op, L’Art Indépendant, in de geest van Les XX in Brussel. Zonder succes. Maar twee jaar later wordt hij opgenomen in het selecte gezelschap van Les XX, tegelijk met Auguste Rodin (1840-1917) en Georges Lemmen (1865-1916). 

 

 

de basis van een universele reputatie

 

In de loop van de jaren 1890 komen stilaan alle facetten van Henry van de Veldes genie te voorschijn. Hij wil niet meer of minder dan het dagelijks leven een nieuwe dimensie geven, die van de schoonheid. Zijn belangstelling gaat meer en meer uit naar architectuur en design. Dat verklaart waarom hij breekt met de schilderkunst, op een moment waarop hij, na een periode in dialoog met Van Gogh, zich het pointillisme à la Georges Seurat (1859-1891) had eigen gemaakt.

 

Een teken daarvan was de bouw en de inrichting van zijn persoonlijke woning ‘Bloemenwerf’ (1895-96) in Ukkel, niet ver van de Dieweg. Alles wat in het huis aanwezig was, meubels, tapijten, huisgerei, zilverwerk, de garderobe voor mevrouw, enz., was door hem ontworpen. Dat maakte veel indruk, ook internationaal. Zo kreeg hij een tentoonstelling in de kunsthandel van Siegfried Bing (1838-1905) in Parijs, het hart van de Art Nouveau. Twee jaar later maakte zijn werk in Dresden een grote indruk. Toen hij in 1899 voor de Duitse kunstcriticus Julius Meier-Graefe (1867-1935) en Bing de nieuwe galerij Maison Moderne in Parijs ontwierp, gingen alle deuren voor hem open. In 1900 gaf de bankier Karl Ernst Osthaus (1874-1921) hem de opdracht het interieur van het Folkwang Museum in Hagen te ontwerpen. In 1902 verhuisde Van de Velde naar Weimar. Wat hij daar gedurende tien, twaalf jaar kon realiseren ligt aan de basis van zijn universele reputatie in het ontstaan van de moderne kunst. En dat op het gebied van design en architectuur, boekdesign, mode, pedagogie en kunsttheorie. Hij was er ook omringd door kunstenaars, die van hem zeer sprekende portretten hebben nagelaten, zoals Ernst Ludwig Kirchner (1880-1938), Edvard Munch (1863-1944) en Georg Kolbe (1877-1947). Van de Velde bouwde er voor zijn familie het huis ‘Hohe Pappeln’, dat bewaard is gebleven, met kinderkamers aangepast aan hun leeftijd. Zoek maar eens een spelend kind in een huis van Victor Horta (1861-1947).

 

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was een ramp voor de ontwikkeling van de nieuwe Europese cultuur, waarin Van de Velde een grote rol speelde. Hij nam ontslag uit al zijn functies in Weimar maar kon het land niet meer verlaten en werd bovendien in het oog gehouden door de lokale politie. In 1917 slaagde hij er toch in met zijn familie naar het neutrale Zwitserland uit te wijken. 

 

Dat alles bracht mee dat Van de Velde in een slecht daglicht werd geplaatst in Brussel. Victor Horta was in 1914 zijn vrouw achterna gereisd via Engeland naar de Verenigde Staten en had zich daar ontpopt als een gevraagd spreker over de cultuur en de geschiedenis van België. Hij zal bij zijn terugkeer wel niet nagelaten hebben de eigen ‘patriottische’ houding te onderstrepen en te wijzen op de ‘diensten aan de vijand’ van zijn grote concurrent. Dat ging er bij het Franstalige Brusselse wereldje in als zoete koek. 

 

 

opnieuw opdrachten in ons land

 

Het heeft inderdaad enige tijd geduurd eer Van de Velde opnieuw aan de slag kon in België. Gelukkig verscheen dan Helene Kröller-Müller (1869-1939) op het toneel. Het echtpaar Kröller-Müller bezat een internationaal import-export bedrijf dat tijdens de Eerste Wereldoorlog kolossale winsten had gemaakt en had een van de grootste verzamelingen moderne kunst van die tijd. Zij hadden al samengewerkt met Hendrik Petrus Berlage (1856-1934) voor hun villa en met Mies van der Rohe (1886-1969), een leerling van het Bauhaus, maar zochten iemand anders om een groot museum voor hun collectie te ontwerpen. In 1919 besloot Helene het voorbeeld van Karl Ernst Osthaus (Folkwang Museum) te overwegen en kwam zo in contact met Van de Velde, die op dat ogenblik geen overvolle agenda had. Het klikte dadelijk, wellicht ook omdat Van de Velde zich thuis voelde in hun kunstcollectie en zeker de voorliefde van Helene voor Van Gogh deelde. Van het aanvankelijk eerder gigantische museumontwerp werd tenslotte maar een miniversie uitgevoerd: het huidige Museum Kröller-Müller, dat men nu nog als het meesterwerk van Van de Velde beschouwt. De samenwerking, als ‘huisarchitect’, was gepland voor twee jaar, maar duurde tenslotte zes jaar.

 

Tijdens het interbellum krijgt Van de Velde opnieuw opdrachten in België. De voornaamste en nog steeds de meest in het oog springende is de Boekentoren van de universiteit Gent, die momenteel in zijn vroegere sobere glorie hersteld wordt. Hij doceerde aan die universiteit van 1926 tot 1936. Op het gebied van kunsteducatie is misschien nog belangrijker de rol die hij speelde in de oprichting van het Belgische Bauhaus, de nog bestaande hogere Terkamereschool (La Cambre), waarin hij de principes die hij in Weimar had uitgedacht voor het nog op te richten Bauhaus, kon toepassen.

 

In de Brusselse tentoonstelling legt curator Werner Adriaenssens een paar Belgische accenten, zoals weinig bekende schilderijen, de samenwerking met Val-Saint-Lambert (glas), de stukken in zilver, de architectuurtekeningen voor de wereldtentoonstellingen, de maquette van de Boekentoren en het meubilair voor het bureau van Leopold III.

 

Via zijn rol in het concept van het Belgisch paviljoen voor de wereldtentoonstellingen in Parijs (1938) en New York (1939) kwam Van de Velde opnieuw volop in de belangstelling. Voor Parijs tekende hij mee aan het fraaie paviljoen dat voor de Eiffeltoren stond. Hij zorgde voor een goede zichtbaarheid van de kunstambachten en toonde zo producten uit Terkamere. Van de Velde vertrok daarna nog eens naar Zwitserland en schreef er zijn levensgeschiedenis. Hij werd beschouwd als het geheugen van de opkomst van de moderne kunst in Europa en erkend als een universeel genie. 

 

 

Joost De Geest

 


Info

 

Tentoonstelling

 

Henry van de Velde Passie – Functie – Schoonheid

Nog tot 12 januari 2014

Open: dinsdag t.e.m. vrijdag van 9.30 tot 17.00 uur; zaterdag, zondag en feestdagen van 10.00 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag

 

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis

Jubelpark 10

1000 Brussel

Tel. 02 741 72 11

www.kmkg-mrah.be

 


 

OKV-archief

 

Henry van de Velde, Zesarmige kandelaar OKV 1968, 19

De architectuur van het interbellum OKV 1987, nr. 4

Henry van de Velde goud op snee OKV 2010, nr. 6

www.tento.be