U bent hier

De wedergeboorte van Bernard van Orley

Portret van Margaretha van Oostenrijk door Bernard van Orley
Bernard van Orley, Portret van Margareta van Oostenrijk, na 1518, olieverf op paneel, 37,1 x 27,5 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

 

Met de monografische tentoonstelling gewijd aan Bernard van Orley in BOZAR worden zijn werken verzameld op de plaats waar ze circa vijfhonderd jaar geleden ontstonden: Brussel. Curatoren Véronique Bücken (KMSKB) en Ingrid de Meûter (KMKG) geven deze belangrijke schilder en ontwerper van tapijten (eindelijk) de aandacht die hem toekomt.

 

DE RENAISSANCE GEÏNTERPRETEERD

Bernard van Orley (ca. 1488-1541) is een sleutelfiguur voor de introductie van de Italiaanse (hoog)renaissance in de Zuidelijke Nederlanden. Hij verrichtte pionierswerk. Niet als een adept sluisde hij facetten van Mantegna, Signorelli, Michelangelo of Rafaël binnen, maar als een kunstenaar met persoonlijkheid. Elke kunstenaar wordt uitgedaagd door wat voor hem kwam of wat tijdens zijn leven ophef maakt, maar relatief weinig kunstenaars kunnen voorkomen dat hun werk erdoor overstemd wordt en weinigen maken zich die invloed zo eigen dat het geruisloos gaat behoren tot hun kunst.

 

Van Orley is zowel diepgeworteld in de vijftiende eeuw als richtinggevend voor de zestiende eeuw. Die hybride situatie, schijnbaar twijfelend tussen behouden en vernieuwen, maakt van hem een kunstenaar in een overgangsperiode. Eigenlijk is dat een beetje een vreemde voorstelling van zaken. ‘Overgangsperiode’ is op zich een merkwaardig begrip.

 

Alsof Van Orley’s kunst doelmatig een periode overbrugde, tussen wal en schip als het ware. Als kunsthistorisch label en in functie van een analyse van vijftiende en zestiende-eeuwse schilderkunst heeft dit zijn nut, maar het artificiële karakter ervan lijkt tekort te doen aan de man en zijn werk. 

 

Een sleutelwerk voor de appreciatie van zijn zoektocht naar een eigen schilderkunstige taal is het gesigneerde Polyptiek met Job en Lazarus uit 1521. In dit forse schilderij nam Van Orley enkele Italiaanse citaten op. Bekend is de kronkelende naakte man onderaan het rechterbuitenluik die verwant is met Rafaëls Heliodorus in het Vaticaanse fresco De verdrijving van Heliodorus uit de tempel of het personage Ananias in het wandtapijt De dood van Ananias uit de reeks De handelingen van de apostelen. De talloze personages met gemaniëreerde poses en kleding, de commotie en stuwende beweging van het middenpaneel, en de monumentale, architecturale setting vol details vormen samen een ietwat bizar geheel. Sommigen beschouwen de compositie met de daarin verwerkte citaten als een collage. 

 

HOFSCHILDER VAN TWEE PRINSESSEN

Hoewel Van Orley tijdens zijn leven succesvol was, is zijn ster danig getaand. Bij het grote publiek is hij niet meer dan een nobele onbekende. Hij prijkte nog op het bankbiljet van 500 Belgische frank dat tussen 1962 en 1982 uitgegeven werd. Op de keerzijde vindt men zijn portret van Margareta van Oostenrijk. Van Orley wordt vereenzelvigd met Brussel. Hij woonde er in de Sint-Gorikswijk, vervaardigde er zijn kunst en werd er begraven in de Sint-Gorikskerk op 6 januari 1541. Hij werd samen met zijn broer Evert opgeleid als schilder, waarschijnlijk door zijn vader Valentin. 

 

Van Orley was een kunstenaar van standing. Van 27 augustus tot 2 september 1520 was Albrecht Dürer (1471-1528) bij Van Orley te gast. De levende legende mijmerde in zijn dagboek over zijn reis naar de Nederlanden over de rijkelijke maaltijd die Van Orley te zijner ere serveerde. De homo universalis uit Nürnberg schetste ook het portret van zijn collega. Van Orley was achtereenvolgens de hofschilder van Margareta van Oostenrijk en Maria van Hongarije, respectievelijk de tante en zus van Karel V. Een bijzonder opmerkelijke passage in het leven van de kunstenaar speelde zich af in 1527.

 

Hij en een zestigtal anderen werden beschuldigd van het organiseren van clandestiene bijeenkomsten waar de ketterse ideeën van Luther verkondigd werden. Ophef: de hofschilder van Margareta van Oostenrijk en andere Brusselse elitekunstenaars beschuldigd. Op 28 december 1527 moest Van Orley zich onmiddellijk vanuit de gevangenis van Leuven naar Brussel begeven om er, op straffe van verbanning en verbeurdverklaring van zijn goederen, te verschijnen voor de Raad van Brabant. Hoe dat afliep is niet duidelijk, maar dat hij voor een tijd uit de entourage van de aartshertogin verdween, is meer dan aannemelijk. In 1532 trad hij in dienst van Maria van Hongarije. Dat hij opnieuw hofschilder werd, is tekenend voor het respect dat hij als kunstenaar had opgebouwd. Hij voerde zelfs de laatste wilsbeschikkingen uit van Margareta van Oostenrijk, namelijk het schilderen van een retabel voor het hoofdaltaar van de kerk van het klooster van Brou in Bourg-en-Bresse, waar haar graftombe en die van haar man, Filibert II van Savoye, geïnstalleerd zijn.

 

PORTRETTIST EN TAPIJTONTWERPER

Eén van Van Orley’s weinige gesigneerde en gedateerde portretten is Portret van Joris van Zelle. Op het wandtapijt achter de geportretteerde is aangegeven wie voor Van Orley geposeerd heeft: ‘Joris van Zelle, arts, 28 jaar oud’. Wat de betekenis is van de motieven met handdrukken en verstrengelde letters op het tapijt is nog altijd niet achterhaald. Het werk past, net zoals Portret van een secretaris van Karel V, in de trant van de renaissancistische portretten die Quinten Massijs, Jean Clouet en anderen maakten van voornamelijk humanisten, waarin het decor de persoonlijkheid of het beroep van de poseur weerspiegelt. Daarnaast vervaardigde Van Orley ook busteportretten met een neutrale achtergrond, zoals het eerder vermelde portret van Margareta van Oostenrijk, of de iconische beeltenissenvan Karel V. Portret van een man (ca. 1520) uit het Allentown Art Museum valt net tussen die twee categorieën. De geportretteerde is ten halve lijve afgebeeld voor een neutrale blauwe achtergrond. De vingers van zijn linkerhand rusten illusionistisch op de lijst, een echo van het pionierswerk van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden. Kleding, attributen, zoals de zeer zwaar ogende ketting, en gezichtsuitdrukking duiden op upper class

 

Op een veel dieper niveau dan het ontlenen van figuurtypes ging Van Orley bij Rafaël te rade. Diens voorontwerpen of kartons voor De handelingen van de apostelen, een tapijtreeks voor de Sixtijnse kapel in Rome, bevonden zich immers in 1516 in Brussel om er geweven te worden. Mogelijk leerde hij van het werk van het jonggestorven genie uit Urbino om een compositie helder te structureren, met een overzichtelijkheid die het verhaal en de zegging ten goede komt. Tot wat Van Orley in staat was, zien we in de monumentale tapijtreeksen De slag bij Pavia (Museo e Real Bosco di Capodimonte, Napels) en Jachten van Karel V, beter bekend als Jachten van Maximiliaan. De jachttaferelen in die laatste reeks spelen zich af in de toenmalige bosrijke streek rond Brussel met figuren die treffend in de ruimte zijn opgenomen. Zeer opmerkelijk is de zorg die werd besteed aan de natuurgetrouwheid van landschap, vegetatie en dieren. Ook op dat vlak zijn de tapijten een mijlpaal en een lichtend voorbeeld voor wie na hem kwam. Hiervoor deed Van Orley mogelijk een beroep op een specialist uit de familie Tons, waarschijnlijk Jan II Tons (actief 1577-1579).