U bent hier

David Teniers - De temptatie van St. Antonius

David Teniers - De temptatie van St. Antonius

De uiterlijke elementen van deze Temptatie van Sint-Antonius zijn ontleend aan bronnen die veel ouder zijn dan Teniers' tijd. De biografie van Sint-Antonius Abt (251 of 252 - 356) werd geschreven door de kerkvader Athanasius ( +- 295-373), maar de perikelen van de heilige eremiet met de duivel werden in onze streken bijzonder populair door de ruime verspreiding van een paar verzamelingen van heiligenlevens, inzonderheid de Vitae Patrum of het Vaderboec en de Legende aurea van de dominicaan Jacobus Voragine (overleden in 1299) in dyetsche die gulden legende of dat passionael geheten. Van deze hagiografische litteratuur zijn talrijke handschriften bewaard maar de verspreiding was vooral te danken aan de gedrukte uitgaven die in de vijftiende eeuw verschenen. In deze teksten lezen we o.m. 'Op een tijt als sinte anthonius ruste in een hole van de speluncke of van enen clippe, soe quam tot hem een grote scare van duvelen in gelikenis van wilde beesten menigherhande'. Ondanks mishandeling door het hellegespuis, zodat hij 'van bittere smerte ende sware pine noch staen noch sitten en mochte', heeft Antonius nog de overmoed Satan uit te dagen, maar 'doe quaemen die duvelen mit groeter onghestuericheyt (d.i. rumoer) als grote swarte honden ende beten ende verschoorden malcander voer hem. Ende doe sprac Satan tot alle sine ghesellen: Siet hoe vaste dat hem dese monick teghens ons heeft gheset, teghens den meyster aire oncuyscheyt'. Satans duivels 'quaemen seer vele in alrehande dyeren ghelijckenissen. Die ene als een leeuwe ende dede of hi hem verscoren wou, die ander als een wolf ende hem biten wou'. Men verwachte niet dat Teniers' tafereeltje een slaafse navolging zou zijn van de zojuist geciteerde oude teksten. Bij de creatieve uitbeelding van de heiligenlegende doet Teniers, zoals alle andere kunstenaars die het onderwerp behandelen, beroep op de eigen fantasie, maar ook op diverse elementen die eigen waren aan de volkscultuur en derhalve de toeschouwer rechtstreeks aanspraken. De 'quene' (d.i. een oud wijf) die de zonde van het vlees aan de heilige eremiet aanprijst, is gehoornd en derhalve zelf duivels. Satan heeft hier de gedaante aangenomen van een 'coppelerse', d.i. een koppelaarster, personage dat in het zeventiende-eeuwse Nederlandse volksleven als huwelijksmakelaarster welbekend was. Fransoys Amelry, een zestiende-eeuwse leperse karmeliet, auteur van devotieboekjes, klaagt over de eigen zondigheid, zoals Sint-Antonius zijn zondige neigingen betreurde: 'heere ick zoude gheerne zalich zyn, maer myn ghepeynsen die en ghedooghent niet'. Het heeft er alle schijn van dat de standvastigheid in de temptatie ook nog bij Teniers centraal staat wanneer hij het onderwerp uitbeeldt. Toch heeft men de indruk dat hier reeds meer verzinsel, meer 'fantasie' in het spel is. Men zou kunnen stellen dat het tafereel als het ware meer 'gespeeld' is. De 'bezetenheid' begint over te hellen naar een enigszins geveinsde verschrikking. Het geloof in duivel en hel is in Teniers' tijd beslist nog levendig, maar de contrareformatorische auteurs varen heftig uit tegen diegenen die de schijn verwekken niet meer zo sterk te geloven in Satans realiteit.