U bent hier

Constant Nieuwenhuys - Verschroeide aarde

Constant Nieuwenhuys - Verschroeide aarde
'Na de macht van keizers en pausen te hebben verheerlijkt, en hun aanzien te hebben begunstigd, heeft de Westerse kunst zich dienstbaar gemaakt aan de nieuwe machthebber, de bourgeoisie, en is zij geworden tot een instrument ter verheerlijking van de burgerlijke idealen. Thans, nu deze idealen door het verdwijnen van hun economische voorwaarde een fictie zijn geworden, breekt een nieuwe periode aan, waarin het gehele culturele netwerk van conventies zijn betekenis gaat verliezen, en uit de primairste bron van het leven een nieuwe vrijheid zal kunnen worden gewonnen'. Dit schreef Constant Nieuwenhuys in zijn manifest bij de oprichting van de Nederlandse experimentele groep in 1948. Later in dat zelfde jaar ontstond de internationale groep Cobra, waarvan Constant en andere experimentelen, onder wie Appel en Corneille, deel uit gingen maken. Ook diegenen boven de veertig, die zich niet dagelijks met kunst bezighouden, zullen zich wellicht het tumult herinneren, dat de eerste grote Cobra-tentoonstelling in Amsterdam (1949) in de pers veroorzaakte. Een niet geringe bijdrage tot het rumoer werd geleverd door het feit dat de Cobra-leden zich 'marxisten' noemden (in die tijd leefde men immers in de sfeer van 'als de Russen komen') hoewel van communistische zijde ook zeer negatief gereageerd werd. Twee jaar later, bij een grote tentoonstelling in Luik, werd Cobra opgeheven, maar wat aan het rollen was gebracht werd op dat moment natuurlijk niet stilgezet en hoewel de Cobra-leden er allerminst op uit waren om een 'Cobra-stijl' in te voeren, heeft hun manier van werken nog tot op heden navolgers gevonden. In 1966 werd in Rotterdam opnieuw een Cobra-tentoonstelling gehouden, een eresaluut aan de werkers van het eerste uur. Het merendeel van pers en publiek juichte. Cobra was ingekapseld. 'Verschroeide aarde' dateert van 1951. Na een periode, waarin Constant meestal dieren- en mensenfiguren schilderde op een wijze, die de critici maar al te zeer aan kindertekeningen deed denken, komen in de jaren 50/51 de verschrikkingen van de oorlog blijkbaar weer bij hem boven (de Koreaanse oorlog begon in 1950), zoals ook in dit schilderij. De mentaliteit van waaruit en de vorm waarin het geschilderd is werd experimenteel genoemd, een woord dat door te veel gebruik en misbruik op dit moment geen enkele betekenis meer heeft. In 'De dialectiek van het experiment', een stuk dat hij schreef voor de catalogus bij een overzichtstentoonstelling van zijn werk in den Haag (1965), helpt Constant alle misverstanden omtrent het begrip experimenteel de wereld uit. Experimenteel, zegt hij, houdt een ontkenning in van de gangbare esthetische norm, een verwerping van stijl. Voor Cobra betekende dat een afwijzing van de geometrische abstracte stijl en het surrealisme, de voornaamste erfenis van de periode tussen de twee wereldoorlogen. Zodra de experimentele kunst, de these, als nieuwe esthetiek aanvaard is, moet de experimentele kunstenaar opnieuw een antithese stellen. (In dit licht bezien is het niet zo verwonderlijk dat Constant na de Cobra-periode korte tijd geometrisch abstract werk maakte). Dit proces, aldus Constant, zal zich steeds sneller gaan herhalen, totdat these en antithese samenvallen en een periode van synthese begint, waarin geen enkele norm meer geldend gemaakt kan worden. Deze periode was toen, in 1965, volgens Constant al bereikt. Het is duidelijk dat deze theorie alleen opgaat voor de Westerse kapitalistische maatschappijvormen, waarin de kunst is meegesleurd in de produktierace, waarin kunstwerken als belegging gekocht kunnen worden en de kunstenaar een clown geworden is, die een klein verwend publiek een voortdurend wisselend kijkspel verschaft. Bij zijn schepping van 'Nieuw Babylon', een omgeving voor de homo ludens (spelende mens), waarmee hij zich vanaf 1958 beziggehouden heeft, is Constant dan ook niet uitgegaan van de huidige betreurenswaardige toestand. Nieuw Babylon kan gaan functioneren in een klassenloze maatschappij, waarin door de toenemende automatisering de mens vrij zal zijn van de arbeid. Hij zal zijn energie dan gaan omzetten in een collectieve creativeit. Niet meer door werk aan een vaste plaats gebonden zal de mens ambulant worden, net als vroeger, toen er nog geen landbouw en industrie was, en in staat zijn om zijn leven in te richten als een soort voortdurende 'happening'. Constant ziet Nieuw Babylon niet als een utopie; integendeel, het hele concept berust op een realiteit, waarvan het beginstadium al is ingetreden. De arbeidstijden worden steeds korter en dikwijls moeten op een kunstmatige manier werkgelegenheden in stand gehouden worden. Eeuwenlang is de mensheid, mede dankzij de krachtige invloed van de christelijke moraal, opgedrongen dat arbeid zaligmakend is. Door wie? Door een bovenlaag, die door anderen voor zich te laten werken, altijd de gelegenheid en de tijd gehad heeft om cultuur te maken. In het feit dat in Nieuw Babylon werken niet meer als voornaamste levensvoorwaarde van de mens geldt, ligt het belangrijkste verschil met de dromen van de socialistische utopisten. Hoe kan een man, die in feite de maatschappij waarin hij leeft afwijst, die zijn experimentele kunst tegen wil en dank tot dure handelswaar heeft zien worden, die zich vooralsnog gedwongen ziet de rol te spelen die dit systeem hem oplegt hoewel hij eigenlijk geen heil ziet in individueel kunstenaarschap, toch gewoon doorgaan met het maken van kunst? Constant reageert op zo'n vraag heel nuchter: Je moet, zegt hij, als kunstenaar niet buiten deze maatschappij gaan staan. Dan heb je helemaal nergens meer invloed op. Je moet er middenin gaan staan en van daaruit werken aan de vernieuwing.