U bent hier

Barend van Orley - De Geschiedenis van Jacob

Barend van Orley - De Geschiedenis van Jacob

Bij de bespreking van het wandtapijt 'Jacob door Laban verwelkomd' mag de vraag gesteld worden : hoe komt een dergelijk kunstwerk tot stand ? Eerst wordt de schilder aangesproken. Deze levert een ontwerp op kleine schaal en naderhand een carton zo groot als het tapijt dat dient geweven te worden. Daarna gaat de wever aan het werk ; hij beschikt over wol, eventueel ook over zijde, goud- en zilverdraad als materiaal. Door de vooraf gespannen kettingdraden heen wordt met behulp van een spoel de gekleurde inslagdraad met de hand geweven. Zijn de schering- of kettingdraden horizontaal gespannen op de weefstoel, dan spreekt men van een basse-lissegetouw ; zijn ze vertikaal gespannen dan is het een haute-lissegetouw. Tapijten werden voor verscheiden doeleinden gebruikt ; ze versierden de woningen der rijke patriciërs, de burchten, kloosters en kerken. Om meer luister bij te zetten aan processies of andere feestelijkheden werden ze langs de straten gespannen. Ze dienden ook als beschutting tegen tocht of tot afbakening van een bepaalde ruimte. Tijdens de middeleeuwen en de zestiende eeuw was het weven van tapijtwerk - ook legwerk geheten - een bloeiende kunstnijverheid in de Nederlanden. Reeds vroeg werden tapijten gemaakt in verschillende centra. Op het eind van de dertiende eeuw waren tapijtwevers aan het werk te Brugge en te Doornik. Andere centra traden in de veertiende eeuw eveneens op de voorgrond o.m. Brussel, Gent, Leuven en Rijsel. De Vlaamse tapijtkunst genoot een wereldfaam tijdens de vijftiende en de zestiende eeuw. Bestellingen werden gedaan uit verschillende Europese landen en Vlaamse wevers werden naar het buitenland geroepen door de vorsten om aldaar ateliers voor tapijtwerk te vestigen. Het is verwonderlijk hoe weinig wandtapijten te vinden zijn in de musea van ons land waar de legwerkkunst een zo hoge bloei heeft bereikt. Veel talrijker komen ze voor in andere landen zoals Italie, Spanje en Frankrijk. Belangrijk op het gebied van de tapijtkunst zijn nochtans de verzamelingen van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel. Daar bevindt zich ook het tapijt dat zal besproken worden. Het behoort tot een reeks van tien stuks met de geschiedenis van de aartsvader Jacob. De cartons voor deze reeks werden gemaakt door Barend van Orley. Die schilder, geboren te Brussel omstreeks 1488, stierf in 1541. Hij was de hofschilder van de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk en bekleedde later dezelfde functie bij Maria van Hongarije. Als cartonschilder nam deze meester een vooraanstaande plaats in. Hij werkte o.m. voor de Brusselse tapijtwever Willem de Pannemaker. In de geboortestad van de schilder, nl. in het atelier van Pieter van Aalst, werd ca. 1517 voor paus Leo X de befaamde reeks geweven : 'De handelingen van de Apostelen' naar de cartons van Rafael. De patronen van de Italiaanse meester waren voor veel Nederlandse schilders een openbaring. Zij braken volledig met de gotische traditie en openden de weg voor het binnendringen van de renaissancestijl in onze gewesten. Zij waren een leerschool voor alien die zich vertrouwd wilden maken met de nieuwe vormentaal. Ook Barend van Orley werd erdoor beïnvloed. Bovendien stond het milieu waarin hij verkeerde: nl. het hof van Margaretha van Oostenrijk, open voor de geest van de renaissance. Uit de Italiaanse voorbeelden leerde van Orley hoe hij zijn personages het best groepeerde en contact tussen hen tot stand bracht. Hij verving de statische figuren uit de vijftiende eeuw door levensgrote dynamische personages, opgenomen in een monumentale compositie waarin bouwkundige elementen en siermotieven een belangrijke plaats innemen. Die vernieuwing komt tot uiting precies in de wandtapijten met de Geschiedenis van Jacob. Deze behangsels versierden oorspronkelijk het paleis van Kardinaal Lorenzo Campeggi te Rome. Na diens dood in 1539 werden ze het eigendom van de familie Malvezzi-Campeggi. Zij werden op het einde van de negentiende eeuw aangekocht door graaf Tiele-Winckler. In 1917 versierden ze zijn domein te Meggen in Zwitserland. Daar hingen ze nog toen de Belgische staat de reeks in 1950 aankocht. Voordat de tapijten in het bezit kwamen van graaf Tiele-Winckler werd een fragment van het eerste en van het derde tapijt weggenomen, wellicht om deze tapijten beter aan te passen bij de breedte der muren die ze moesten bekleden. Slechts een van die fragmenten, welke in het bezit waren van de graaf, bleef bewaard. Het bevindt zich in het museum te Brussel. Het andere stuk, weggesneden uit het derde tapijt dat hier besproken wordt, ging verloren. In de tien tapijten wordt uitgebeeld hoe Jacob het eerstgeboorterecht ontnam aan zijn broeder Esaü en zich hierdoor diens woede op de hals haalde. Jacob vluchtte weg uit zijn vaderland en ging naar zijn oom Laban in Mesopotamia. Op het derde tapijt, waarvan de afbeelding in uw bezit is, ziet men een uitgestrekt landschap met gebouwen op de achtergrond. Verschillende taferelen komen er op voor, zoals vaak gebeurt op hetzelfde tapijt. De kudden van Laban zijn aan het grazen onder toezicht van herders en herderinnen. Rechts op de achtergrond komt Jacob aan. Op de voorgrond links neemt Jacob, die zijn mantel over een boomtak heeft geworpen, de steen weg van de put waarin de schapen, geleid door Rachel, zich komen laven. Hij onderscheidt zich van de andere mannelijke personages door zijn rijkere kleding. Meer naar rechts staat Rachel toe te kijken. Zij is een mooie gracieuze verschijning. Haar gelaat is met veel zorg uitgevoerd en ook aan de soepele drapering van haar kledij is veel aandacht geschonken. Een dergelijke figuur getuigt tevens voor de vakkennis van de tapijtwever. Meer op de achtergrond omhelst Jacob zijn nicht Rachel nadat hij zich aan haar heeft bekend gemaakt. Uiterst rechts ziet men de ingang van de woning van Laban, omlijst door twee reusachtige zuilen met renaissancemotieven versierd. Door zijn dochter van de komst van Jacob op de hoogte gebracht, verschijnt Laban op de drempel van zijn woning en verwelkomt zijn neef. Het verdwenen fragment, aan de rechterkant van het tapijt, stelde het bruiloftsfeest van Jacob en Laban's oudste dochter Lea voor. Dat legt uit waarom in het Latijns opschrift in het midden van de bovenste boord, sprake is van Lea. Dit tapijt zoals de negen andere van de reeks, is geweven met wol, doch ook zijde is er overvloedig in verwerkt. Vooral de goudglans van de gele zijde is opvallend mooi. In een bonte kleurenweelde prijken tal van bloemen en vruchten in de boord. Zij zijn zeer natuurgetrouw behandeld. Laten wij nu verder de geschiedenis van Jacob vertellen zoals ze is voorgesteld op de zeven overige tapijten. Na zijn oom veertien jaar gediend te hebben, rezen moeilijkheden op tussen beide mannen. Jacob besliste uiteindelijk bij zijn oom te blijven op voorwaarde dat deze hem een deel van de kudde toekende. De aangroei van de kudde van Jacob wekte echter de afgunst van Laban en diens zonen op, zodat Jacob verkoos in het geheim te vertrekken met vrouwen, kinderen en al zijn bezittingen. Van haar kant nam Rachel de huiselijke afgodsbeeldjes van haar vader mee. Laban, samen met zijn verwanten, zette de achtervolging in. Toen hij Jacob achterhaald had zocht hij tevergeefs naar de afgodsbeeldjes die Rachel verborgen hield. Tenslotte werd tussen Jacob en Laban een plechtig bondgenootschap gesloten en Laban keerde terug naar huis. Doch nu kwam een andere tegenstrever opdagen. Esaü, Jacob's verbolgen broeder, trok hem tegemoet met vierhonderd man. De verschrikte Jacob stuurde dienaren voorop en schonk een belangrijk deel van zijn kudde aan Esaü. Zo kwam een verzoening tussen beide broeders tot stand. Aangekomen te Kana sloeg Jacob zijn tenten op en begroef er, op bevel van God, de afgodsbeeldjes. Op de weg naar de stad Ephrata stierf Rachel bij de geboorte van Benjamin. Daarna zag Jacob zijn oude vader terug, wiens dood en uitvaart eveneens worden voorgesteld. Tussen Jacob en zijn zonen ontstond twist omwille van Jozef. Deze laatste werd door zijn broeders verkocht, waarop zij hun vader meldden dat hij door een wild dier werd verscheurd. Wanneer Jacob later vernam dat Jozef nog leefde en gezag uitoefende in Egypte, begaf hij zich naar het land van de Farao. Daar stierf Jacob. Zijn gebalsemd lichaam werd naar Kana teruggebracht. Deze prachtige en uitzonderlijk goed bewaarde tapijten zijn geweven in het atelier van Willem de Kempeneer te Brussel. Het Brussels stadsmerk komt er op voor alsook tot zesmaal toe het monogram van de tapijtwever. De reeks dateert uit het vierde decennium van de zestiende eeuw. In dit zeer kostbaar tapijt komt de zin voor monumentaliteit en het ruimtegevoel van B. van Orley naar voren. Hij wist een goede en evenwichtige compositie op te bouwen. Het tapijt is gevuld, doch niet overladen. De fijne tekening en de raakheid van de lijn valt op. Vooral het fijnbesneden en expressieve gelaat van Rachel is bijzonder mooi. De soepele drapering van de gewaden en de weergave van de kostbare weefsels o.a. in de kledij van Jacob, verdienen de aandacht. De plantengroei is gevarieerd en natuurgetrouw weergegeven. Tenslotte valt nog te wijzen op de kleurenrijkdom van dit tapijt. Dominerend zijn hier een krachtig rood en blauw die in een grote verscheidenheid van warme tonen voorkomen en op harmonische wijze alterneren met groene en beige kleuren.