U bent hier

Asmatschilden - zuidwest Nieuw-Guinea

Asmatschilden - zuidwest Nieuw-Guinea
Hout, in reliëf uitgesneden en beschilderd, 165 cm, Asmat, waarschijnlijk de streek Tjitak, lrian Jaya, Indonesië. Het eraanhorende uitsteeksel aan de bovenkant is afgebroken.
 
De Asmat-Papua leven in het zuidwesten van Irian Jaya, een ontoegankelijke moddervlakte bedekt met altijd groen tropisch regenwoud. Ontelbare rivieren en riviertjes stromen, grijs van de modder, langzaam door het gebied. Op de moerassige oevers groeien de mangroven, bomen met grote, brede plankvormige wortels.
 
Vroeger lagen de dorpen van een paar honderd inwoners, ver van de kust, langs de rivieren. Een dorp was verdeeld in wijken 'yeu', iedere 'yeu' had een gemeenschapshuis dat ook 'yeu' heette. De ongetrouwde jongens en mannen woonden er, maar ook hadden er alle plechtigheden plaats. Het was het rituele centrum van de 'yeu' als groep. De familiehuizen, die van de 'yeu' deel uitmaakten, lagen meestal achter het gemeenschapshuis, dieper het bos in. Tegen de achterwand van de 'yeu' had iedere familie haar eigen haardplaats, vormde binnen de 'yeu' een haard-groep. Behalve als er een nieuwe 'yeu' werd gebouwd en als er vrede werd gesloten was de 'yeu' voor de vrouwen streng verboden terrein.
 
De schilden werden gemaakt ter ere van de schildenceremonie, die vooraf ging aan een koppensnellerstocht. De dorpen voerden vaak strijd met elkaar met als enig doel het snellen van koppen. Zo werden voorouders, die bij een vroegere tocht in tegengestelde richting waren gedood, gewroken. Een schild kreeg de naam van een bepaalde voorouder, en de versieringen erop beelden andere voorouders uit die moesten helpen de tocht tot een succes te maken.
 
Op de schilden uit de streek het dichtst bij de kust zijn de decoraties het makkelijkst als mensenfiguren boven elkaar te herkennen. Verder het binnenland in werden de voorouders meer symbolisch weergegeven, vaak elkaar overlappend en in de gestileerde vorm van dieren en tekens die in de mythologie staan voor voorouders, mensen, of het koppensnellen en de gesnelde kop. Dit zijn op grond van hun uiterlijk en/of gedrag het varken, zwarte vogels (= Asmat-Papua) die vruchten (= koppen) eten, de vliegende hond en ook de bidsprinkhaan die in opgerichte houding op een uit hout gesneden mens lijkt. Vooral dit laatste is belangrijk omdat de mythische held Fumeripits in de oertijd de eerste 'yeu' maakte, uit hout mensen sneed, die hij tot leven wekte door op een trom te slaan die hij zelf had gemaakt. Deze schepping kon hij pas voltooien na een enorm gevecht op leven en dood met een krokodil. Dat het woord 'Asmat', waarmee zij zich zelf aanduiden 'mensen van hout', betekent is uit deze mythe begrijpelijk; ook dat voor hen het leven uit de dood voortkwam, en dat het koppensnellen een voorwaarde was voor hun eigen leven.
 
De schilden werden gemaakt van de wortelplank van een mangroveboom, die op de dunste plekken niet dikker werd uitgesneden dan hooguit 2 cm. De voorkant werd in hoogreliëf bewerkt. Smalle, zwart gemaakte randen vormden de contouren van de rood gekleurde versieringen. De overblijvende vlakken werden wit gekleurd. Langs de randen werd kwastjes van sagobladeren gehangen.
 
De Asmat-Papua kenden specialisten voor het maken van houtsnijwerk, 'wow ipits'. Zij werkten in opdracht en hun werk werd door de anderen duidelijk individueel herkend en gewaardeerd.
 
Twintig jaar geleden, toen de Nederlanders het gebied definitief openlegden, kregen de internationale musea en kunsthandel belangstelling voor de asmat-voorwerpen. Tot dan toe waren ze alleen aanwezig in Nederlandse musea. Vooral in de meer tweedimensionele techniek, het reliëf en het ajour, bleken de 'wow ipits' meesters.
 
Sinds die tijd traden grote veranderingen op in hun cultuur. Het koppensnellen werd verboden en de dorpen naar makkelijker te bereiken gebieden verplaatst. Deze ontwikkeling had tot gevolg dat de nauw met de godsdienst verbonden voorwerpen niet meer werden gebruikt. Ze werden aan gretige verzamelaars verkocht en niet meer opnieuw gemaakt.
 
Zoals in zovele buiten-Europese samenlevingen rees er het gevaar dat er een industrie zou ontstaan van minderwaardig houtsnijwerk.
 
In 1969 startte de Indonesische regering met steun van internationale organisaties een project om de produktie en verkoop van asmatkunst (nijverheid) te stimuleren. Men is er onder leiding van de Nederlander Jac. Hoogerbrugge in geslaagd een gunstige sfeer te scheppen om de 'wow ipits' er toe te brengen opnieuw werk van goede kwaliteit te maken. Alleen dat wordt namelijk in het kader van dit project aangekocht.
 
De makers krijgen behoorlijke prijzen, de werken worden zorgvuldig gedocumenteerd en dan voor goede prijzen doorverkocht. De winst van het project maakt uiteraard de voortzetting ervan mogelijk, maar er zijn bijvoorbeeld ook een hospitaal en een school van ingericht. Sinds kort wordt het goed lopende project helemaal door de Indonesiërs zelf uitgevoerd.