U bent hier

Art)&(Marges Museum - Outsiderkunst in dialoog

Art)&(Marges Museum - Outsiderkunst in dialoog
Aloise Corbaz, Zonder titel, kleurpotlood en pastel op papier, Art)&(Marges Museum.
 

In de Brusselse Hoogstraat heeft het Art)&(Marges Museum zijn stek gevonden in een groot complex van het OCMW. Daar is ook het Sint-Pietersziekenhuis gevestigd op de site waar in de twaalfde eeuw een kapel en een leprozerie stonden. Toeval, maar toch.

 

 

IN ZICHZELF VINDEN 

 

In de schoot van wat we de surrealistische beweging in het Brusselse zouden kunnen noemen, start in 1983 Art en Marge. Het jaar daarop wordt het project een vzw met als doel een centrum voor onderzoek en verspreiding van de outsiderkunst te zijn. Françoise Henrion neemt er de artistieke leiding van.

 

Het is een initiatief dat niet uit de lucht is komen vallen. Er bestond al langer belangstelling voor kunst van psychiatrische patiënten en mensen met een beperking. De eerste tentoonstelling van dit soort werk vindt plaats in het Bethlem Royal Hospital in Londen in 1900. Vijf jaar later opent Dr. Auguste Marie zijn Musée de la Folie in de psychiatrische kliniek van Villejuif bij Parijs. En ter gelegenheid van het internationaal medisch congres van 1913 in Londen worden werken van geesteszieken geëxposeerd. Het is precies deze tentoonstelling die aan de basis ligt van talrijke Europese verzamelingen.

 

Ondertussen zijn er kunstenaars die experimenteren met écriture automatique (André Breton en Philippe Soupault in 1919), wordt het eerste manifest van het surrealisme gepubliceerd in Parijs (1924) en stelt Salvador Dalí zijn méthode paranoïaque critique voor (1930). Zes jaar later toont de tentoonstelling Fantastic art, dada, surrealism in het Museum of Modern Art in New York ook enkele werken van geesteszieken. 

 

Net na de Tweede Wereldoorlog doet Jean Dubuffet (1901-1985) zijn eerste prospectiereis in Zwitserland. Hij bezoekt er tal van gevangenissen en psychiatrische inrichtingen en hij komt tot een eerste definitie van wat hij ‘art brut’ is gaan noemen. Het zijn alle voorwerpen die niets te maken hebben met de kunst uit de musea en de salons, maar die voortkomen uit de oorspronkelijke menselijke aard en uiting zijn van de meest spontane en persoonlijke vindingrijkheid. Het zijn werken waarvan de auteur alles in zichzelf vond, alles putte uit zijn humeur en zijn impulsen, zonder rekening te houden met gebruikelijke middelen of gangbare normen. In 1949 gaat Dubuffet de definitie wat verfijnen in de catalogus die de eerste tentoonstelling van de Compagnie de l’Art Brut begeleidt. Het is een vereniging die hij samen met onder meer André Breton en Jean Paulhan het jaar daarvoor heeft opgericht. In 1951 wordt de organisatie al ontbonden en vertrekt de verzameling naar Amerika. Het is die verzameling die na tien jaar naar Parijs terugkeert en later in 1971 door Jean Dubuffet aan de stad Lausanne geschonken wordt. Het Musée de l’Art Brut wordt er in 1976 ingehuldigd en is er nog steeds een van de publiekstrekkers.

 

Ondertussen is in 1972 in Londen het boek Outsider Art verschenen. Hiermee doet niet alleen de term haar intrede maar wordt de door Dubuffet vastgelegde inhoud van art brut enigszins verruimd.

 

 

VERRASSENDE CONFRONTATIES 

 

De Stichting Art en Marge houdt in 1986 haar eerste tentoonstelling in de Maagdenstraat in Brussel en in september van dat zelfde jaar opent ook het Museum Dr. Guislain in Gent zijn deuren om er het publiek te informeren over de geschiedenis van de psychiatrie en te reflecteren over de notie normaal/abnormaal.

 

In 1988 verhuist Art en Marge naar de Alexianenstraat en huist net naast café ‘Het Goudblommeke in papier’ waar Geert van Bruaene al sedert 1944 zijn activitei - ten ontplooide. Van Bruaene was kunsthandelaar en het café werd dé ontmoetingsplaats voor heel wat bekende kunstenaars van de surrealistische beweging, de Cobra en later het tijdschrift Tijd en Mens. Marcel Mariën, René Magritte, E.L.T. Mesens, Louis Scutenaire, Paul Colinet kwamen er geregeld en ook Jean Dubuffet was er te gast. Van Bruaene toonde zijn werk in 1949.

 

In 1996 viert de stichting haar tiende verjaardag met liefst tien tentoonstellingen met onder meer een retros - pectieve van Jean Dubuffet in de Botanique. Carine Fol is curator. Zij wordt in 2002 de bezielende direc - trice van de stichting die ondertussen naar de huidige stek in de Hoogstraat is verhuisd. Zij wil vooral ook de outsiderkunst met de ‘normale’ hedendaagse kunst confronteren.

 

Haar visie komt heel goed tot uiting in een tentoonstelling die zij organiseert ter gelegenheid van de twintigste jaardag: Liaisons insolites – Verrassende confrontaties. Voor deze tentoonstelling werd een beroep gedaan op twintig Belgische musea om een werk uit te lenen dat in dialoog trad met telkens een werk van een outsiderkunstenaar uit de eigen verzameling. Van de tentoonstelling is een bijzonder boeiende publicatie nog steeds de intrigerende getuige. Carine Fol heeft bij elk werk ook telkens de conservator van het uitlenende museum geïnterviewd en dat heeft zeer verhelderende gesprekken en beschouwingen tot gevolg.

 

In 2009 verandert de naam in Art)&(Marges Museum en wordt de stichting door de minister van cultuur van de Franstalige Gemeenschap erkend als museum. In 2013 won het museum de Publieksprijs Brussel van de Museumprijs, een initiatief van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, gesteund door het advocatenkantoor Linklaters.

 

 

VERTREKPUNT: DE ESTHETISCHE ERVARING

 

Momenteel heeft Tatiana Veress de leiding van een dynamische kleine ploeg die van het museum een levendige instelling maakt. Ze vertelt vol enthousiasme van waaruit het museum zijn keuzes maakt. “Het vertrekpunt is steeds cultureel, niet een sociaal engagement. We tonen werk van kunstenaars die buiten het culturele circuit werken en exposeren. Dat zijn kunstenaars met beper - kingen, met een psychiatrische achtergrond of kunstenaars die helemaal buiten het circuit staan vanwege hun beroep. De biografie is voor ons bijzaak, het is de esthetische ervaring die belangrijk is.”

 

In de tentoonstellingen streeft het museum er steeds naar om outsiderkunst met kunst uit het normale circuit te presenteren en in die presentaties maakt het ook geen onderscheid tussen die twee. “We maken jaarlijks drie tentoonstellingen in het museum zelf en een vijftal op andere locaties.”

 

De personeelsbezetting van het museum is vijf voltijdse medewerkers. Wie een beetje thuis is in die wereld weet dat dit bijzonder weinig is voor het werk dat moet verzet worden. 

 

Het museum beschikt over een vaste collectie van meer dan drieduizend vijfhonderd werken, zowel van Belgische als buitenlandse kunstenaars. Het is een verzameling die vooral door schenkingen is tot stand gekomen. Een selectie uit die vaste collectie wordt steeds op de bovenverdieping van het museum getoond. Een kleine rondgang confronteert de bezoeker al direct met een werk van Aloise Corbaz (1886-1964). Deze Zwitserse kunstenares kreeg in 2012 een indrukwekkende dubbeltentoonstelling in het Musée de l’Art Brut en in het Musée cantonal des Beaux-Arts in Lausanne. Corbaz migreerde naar Duitsland om er aan het hof van keizer Willem II te werken als gouvernante en lerares. Ze werd stapelverliefd op de keizer en haar obsessieve verliefdheid leidde tot een diagnose van schizofrenie. Ze werd opgenomen in een psychiatrische instelling waar ze vooral tekende en poëzie schreef. Het is pas in 1936 dat de directeur van het instituut interesse kreeg in haar werk. Het werd in 1947 gezien door Jean Dubuffet die het in zijn verzameling opneemt. Haar werk is zeer kleurrijk, voornamelijk gemaakt met potloden, waskrijt en bloemenextracten. Haar tekeningen zijn erotisch en tonen voluptueuze vrouwen omgeven door geüniformeerde aanbidders waarbij ze steeds weer refereert naar het rijke hofleven dat ze heeft meegemaakt.

 

Een werkje van de Belgische Martha Grünenwaldt (1910-2008) laat een gitaarspelende vrouw zien. 

 

De gitaar is helemaal niet in verhouding tot de vrouw. Daarnaast is ze omgeven door florale motieven. Het werk toont een duidelijke horror vacui, iets wat blijkbaar nogal kenmerkend is voor veel outsiderkunstenaars. Grünenwaldt is pas op haar eenenzeventigste begonnen. Haar tekeningen, op behangpapier en alle papier dat kon dienen, tonen steeds een vrouw omgeven door gebouwen, planten, soms een vioolspeler, alles wat haar eigen wereld bevolkte.

 

Voor Serge Delaunay (°1956) heten alle vrouwen Véronique en alle mannen Christophe, althans in zijn zorgvuldig en met veel concentratie gemaakte tekeningen in Oost-Indische inkt of zwarte viltstift. Ze zijn zeer op het actuele gericht, voorzien van data en details. Hij droomt ervan astronaut te zijn en is een geboeid radioluisteraar. Van zijn tekeningen kunnen we echt iets leren over onze kleinheid tegenover de grote kosmos.

 

Naast werken die tot stand gekomen zijn binnen de muren van therapeutische ateliers vinden we in de verzameling ook nog heel merkwaardige uitingen van Einzelgängers. Zo is er de bakker, Georges Counasse, die tal van kermiskramen in miniatuur heeft gebouwd of de schoenmaker, Juanma Gonzalez (°1945) die de schoenzolen van zijn klanten beschildert. Hij maakt er heuse landschapjes op die, jawel, onder de voet worden gelopen. Sommige klanten vinden ze zo mooi dat ze maar andere schoenen kopen om mee te lopen.

 

 

GEBORDUURD VELD 

 

De jongste expositie van het museum heet Champ brodé – Geborduurd veld en toont zoals steeds werk van outsiders en werk van enkele hedendaagse kunstenaars. De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met galerie Les Drapiers uit Luik, die zich toelegt op hedendaagse kunst en textiel. Op de bovenverdieping is een speciale ruimte voorzien voor het werk van de Zwitser François Burland (°1958). Hij bracht zijn eerder moeilijke jeugdjaren door in Lausanne waar hij uiteindelijk de school verliet nadat zijn leraars hem als een ‘moeilijke leerling’ bestempelden na het zien van zijn ‘geheime tekeningen’. Nadat hij psychotherapie had gevolgd begon Burland zijn creatieve vermogens te gebruiken om zichzelf te uiten. Hij schiep voornamelijk grote tekeningen op bruin papier waarbij zijn fascinatie voor mythes en oude culturen tot uiting kwam. Hij reisde naar Afrika en kwam in contact met nomadische volkeren en hun zogezegd primitieve en kleurrijke schilderingen. Dat inspireerde hem, alhoewel hijzelf voornamelijk in zwartwit bleef werken. 

 

Tijdens zijn verblijf in de woestijn heeft hij lokale prostituees gevraagd om zijn tekeningen in geborduurde kleden om te zetten. Ze worden voornamelijk in zwart en rood uitgevoerd op witte ondergrond. Hier en daar wordt door de vrouwen een kleurtoets toegevoegd als een teken van relatie met hun eigen kleurrijke traditie. 

 

Burland heeft op zijn werken in de tentoonstelling de jaarlijkse grote trek van de runderen in zijn land tot onderwerp genomen. Die trek brengt de koeien naar de hoger gelegen alpenweiden. Hij is wellicht een voorbeeld van hoe een kunstenaar de outsiderpositie stilaan verlaat om zijn plek in de ‘normale’ kunstwereld in te nemen. Die grenzen vervagen immers en dat kan iedereen de jongste jaren waarnemen. De centrale tentoonstelling Il Palazzo Enciclopedico in de jongste Biënnale van Venetië maakte geen onderscheid tussen out- en insiderkunst en ook in de Documenta 13 in Kassel werd door de curator, Carolyn Christov-Bakargiev kunst van outsiders getoond. De geesten zijn rijp.

 

Daan Rau

 


Info

 

Tentoonstelling

 

‘Champ brodé / Geborduurd veld’

Nog tot 19 januari 2014

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 11 tot 18 uur

Gesloten: maandag

 

Art)&(Marges Museum

Hoogstraat 312-314

1000 Brussel

Tel. 02 533 94 90

www.artetmarges.be

 

 

Archief

 

Art Brut in het Museum Dr. Guislain, OKV 2010 nr. 3

www.tento.be